MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN EENIGE OUDE KENNISSEN WEDER OP HET TOONEEL VEBRSCHIJNEN EN EEN PAAR NIEUWE WORDEN INGEVOERD.


Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te ven dat ik haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af; trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil, welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis; en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, die ons aan de deur verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.

De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijke formules van:

„Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet ’eweest. Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw ’er uitzien er op ’ebeterd is!” – een compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Míj herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik te vermijden. „Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet,” ging zij voort.

”Ja! dat is wel,” zeide Tante: „maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen de meisjes er van? Zouden wij de koffie niet liever buiten de deur gebruiken?”

Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgena gegeven.

„Is uw zoon niet hier?” vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een tafel en stoelen kwam aandragen.

De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: „och Mevrouw!” zeide zij, „men zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet ’ezien: waar hij zit, God weet het.”

Ik kan niet ontkennen, dat deze gemaakte of schijnbare ongerustheid der moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante; en ik nam voor, om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten omtrent de hoedanigheid van dien persoon. Intusschen onder den schijn van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden, volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar op den schouder: „Is het stellig waar,” vroeg ik, „dat uw zoon verdwenen is?”

„Zoo waar ik leef, Meneer!” zeide zij, al bevende: „om Gods wil! maak ons niet ongelukkig.”

„Ik geloof ook,” vervolgde ik, „dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich niet weer hier te vertoonen: want het is genoegzaam bekend bij de Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men hem krijgt, zal hij den dans van de ladder niet ontspringen.”

„O, Meneer Huyck!” zeide zij: „je weet niet, wat ik van den jongen te lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg ’egeven.” – Vervolgens den toon latende zakken: „UEd, heit toch niet ’esproken met Tante, van dat UEd. hier laatst ’eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit ’ezien?”

„Volstrekt niet,” antwoordde ik: „maar zeg mij, hoe kent gij die lieden?”

„Hoe ik hen ken?” vroeg zij: „heb ik den jonker niet an men aigen borst ’evoed? – en toen Kapitein Reefzeil op ’s-Gravenland weunde, was het toen niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen,” en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen, toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette, die op mij gevestigd waren. Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam. Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren. Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op een smeekenden toon:

„Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik ’eb nog gheen ’andgift gead van dhaag: gheen dijt rijk, zowaar zel je ghezond blijven.”

„Gij hier Simon!” riep ik, den man herkennende: „wat komt gij hier zoeken? En waar is de negotie?”

„Neghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje neghoossie thoen kon; – mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot dhenken, dat kan wat an: – gheen dijt rijk....”

„Foei!” zeide ik: „is het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?”

„Heerlijke meissies! Na doch!” zeide Simon het hoofd schuddende.

„Ja zeker eerlijk! Zn zoo ik mjn vader dergelijke stukjes van u verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden.”

„Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik ’t ’elpen? Een bhoodschap is een bhoodsehapl As Meneer Blaek theugens me zeit: „Shimon: ga en khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier ’ebben – nou khijk! wat mot Shimon dan doen? der stheekt gheen kwaad hin, dat Meneer Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen. – Maar je vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd? – Och! hik eb sedert gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht dhagen mit en hijshouwen? zoowaar zel je ghezond blijven.”

„Misschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis niet betaalt, die gij heden doet.”

„Nou khijk Meneer Hyk! ’t Is homdat je de zeun van den ’Oofdhoffesier bent – God zegen hem – ’t is een schraal loon, dat hik van ’Eynsz ontvang. Hik kan er waarachtig niet van bestaan. – En hik ’eb ommers gheen woord er van ghesproken, dat je met die Juffrouw in de Naarder schijt ’eb gheseten?”

„Denkt gij,” zeide ik wrevelig, „dat ik mij bekommer over hetgeen gij van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier te bespieden? Het is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf zijt, zou zij er u wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen.”

„Na doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khom: – ’t his ommers je papha, die ’et ghelast ’eeft. Shimon is ommers gheen dhief, die wat wegnemen zal.”

„Ik geloof, dat gij vergeefsche moeite doet,” zeide ik, wel gissende wien hij zocht: „maar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand anders u ziet, gij zult niet vriendelijk ontvangen worden.”

Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keerde terug bij de dames, die reeds onder de breede takken der eiken om de theetafel gezeten waren. – „Wel!” zeide Suzanna, zoodra zij mij zag: „waar heb je nu weer gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan om de oude Martha te helpen, en gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar Rome zendt en die miaauw zeit, als zij terugkomt. Nu! daar hebben wij ook veel aan, aan zoo’n cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog wel in een tijd, dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maar zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben, daar gij toch ook maatjes zijt met de bende.”

„Ik dacht, Santje! wij zouden daar niet meer over spreken,” zeide Tante, die niet hield van scherts over zulk een onderwerp. „Gij ziet hoe mijn lot is,” zeide ik tegen Henriëtte, „en hoe ik door mijn zuster behandeld word. Gij, die zoo goed zijt, zoo gij een broeder hadt, zoudt hem zeker niet zoo kwellen.”

„Hoe weet gij, of ik goed ben,” zeide zij lachende: „vraag maar aan Lodewijk, hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook van langs kan geven.”

„Ja kom!” zeide Suzanna; „maar daar heb je geen pleizier van; want Lodewijk wordt boos als men hem kwelt: en dat moet ik tot eere van mijn broeder zeggen, hij neemt het altijd nogal wel op.” Hier klopte zij mij op den schouder.

„Dat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt,” zeide ik: „daarvoor moet ik u omhelzen.”

„Weg! weg!” zeide Suzanna, mij afwerende: „jeux de mains, jeux de vilains. Gebruik uw mond en niet uw handen.”

„Wel, ’t is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil,” zeide ik, haar kussende.

„Och Jetje! help mij toch!” zeide Suzanna: „gij blijft daar maar zitten en trekt u het lot niet aan van uw mishandelde vriendin.”

„Ik zal wel deugdelijk oppassen, van er mij mede te bemoeien,” zeide Henriëtte. „Integendeel!” zeide ik: „Santje heeft gelijk: en gij zoudt mij een bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien.”

„Wat is het toch kinderen ?” vroeg Tante, die intusschen met Martha geredeneerd had: „op deze wijze krijgen wij geen koffie.”

„Och! ’t is Ferdinand, die mij plaagt,” zeide Suzanna.

„Men plaagt wie men liefheeft,” zeide Tante.

„Zoo dat waar is, dames!” zeide ik, terwijl ik, hoewel in ’t algemeen sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, „hoe meer igj mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal.”

Met deze en dergelijke praatjes, welke toen voor de belanghebbenden vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer vervelen zoude, hielden wij ons bezig gedurende het koffiedrinken, waarna Tante een wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Suzanna nam en vooruitholde, bewerende niet meer naar mij te willen luisteren.

Ik was zelf bang wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl met Tante achter, aan wie ik, zoowel bijwijze van gesprek als uit nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de oude Martha niet vroeger tuinvrouw op Heizicht geweest was.

„Ja!” antwoordde zij: „tot den dood van haren man. Toen heeft zij een woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik haar daarop gezet.”

„Heeft zij,” vervolgde ik, „niet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?” – Ik wist wel beter, doch wilde zoodoende het. gesprek op die familie brengen.

„Dat geloof ik niet,” antwoordde Tante: „het is echter mogelijk; want toen ik met uw oom Van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar hoe vraagt gij dat zoo?” Daar zat ik vast. „Och! dat weet ik zelf niet,” zeide ik: „daar lag mij iets in ’t hoofd, betreffende die Reefzeils.”

„De moeder van Jetje was een Reefzeil,” zeide Tante „was het dat, wat gij meendet?”

„Inderdaad?” zeide ik: „neen, dat wist ik niet. Maar was er niet nog een zuster?”

„Ja voorzeker! – Keetje Reefzeil: zij waren beiden mooi. Keetje en Letje: de eene was een blonde en de andere een bruinet. Jetje, de blonde, trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet veel pleizier van; want zij stierf in ’t kraambed. Keetje, ja, die heeft het niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron Van Lintz. Dat is indertijd een fameuze historie geweest.”

„Mochten zij dan niet trouwen?” vroeg ik, meer en meerbelang stellende in het verhaal. „Zij had, geloof ik, weinig of niets,” zeide Tante: „en Van Lintz ook niet veel meer dan zijn gage als Luitenant bij de Marine. Bovendien was hij Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en trok met haar het land uit. De familie zoude wel weer bijgedraaid zijn; maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos sobertjes moeten generen, nu hier, dan daar: en vervolgens maar dat weet gij zoogoed als ik – vervolgens is hij in Spaanschen zeedienst gekomen en een groot Heer geworden: en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althans men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch geworden en Pacha met een half dozijn paardenstaarten; want ik geloof dat hem de godsdienst ook wel om ’t even zijn zoude, mits hij maar voortkwame. Ik had laatst werk genoeg, om Van Baalen te beletten van door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje over dat onderwerp begon. Zij heeft met de folies van haar Tante niet noodig. ’t Was anders een aangenaam mensch, die Van Lintz: ik herinner mij nog zeer goed, met hem menigmalen gedanst te hebben. Hij was la pluie et le beau temps in zijn tijd.”

„Zijn dwaze stap verdient, dunkt, eenige verschooning,” merkte ik aan. „Er zijn zoovele van die adellijke Heeren uit de landprovinciën, die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht naar schatten.”

„Neen! die waren bij de Reefzeiltjes niet te zoeken,” hernam Tante: „nu, Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het, arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de goedheid van haar oom.... en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen. – Waarom zegt gij hm?”

„Heb ik hm gezegd, Tante?”

„Ja neef! Gij hebt gezegd hm! En waarom? Zoudt gij het zoo bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lodewijk haar?”

„Wat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander maken: en ik weet althans wel iemand, aan wien ik haar liever zoude gunnen.”

Quel est donc ce héros ou bien ce téméraire?” vroeg Tante, mij scherp aanziende: „gijzelf toch niet, hoop ik?”

„En al ware ik het zelf, Tante? Wat zou UEd. daartegen hebben?”

„Ferdinand!” zeide Tante: „gij jaagt mij een schrik op het lijf. – Niet, of het is een lief meisje, maar wat zouden uw vader en moeder wel van mij denken: – alsof ik u beiden had samen willen brengen. En uw vader zou het zeker maar half goedkeuren; want zij heeft niets. Neen! dat zou ik vooralsnog maar uit mijn hoofd stellen.”

Hier werd ons onderhoud, hetwelk voor mij geene zeer troostrijke wending begon te nemen, afgebroken door Suzanna, die van een hoogte, welke zij met Henriëtte beklommen had, ons toeriep: „Komt toch hier; men heeft hier zulk een heerlijk uitzicht.”

Wij versnelden onzen tred en stonden welhaast bij de jonge dames, om met haar het bevallige natuurtooneel te bewonderen, dat zich beneden ons vertoonde. Aan de eene zijde strekte zich, zoover het oog kon reiken, als een gebloemd , tapijt de golvende vlakte uit, waarvan de eentonigheid werd afgebroken door enkele partijen eikenhakhout, dat reeds hier en daar de gele najaarskleur bij het malsche groen van het Augustusloof vertoonde. Ten Zuidwesten vertoonden zich de torens Van Naarden, en verder op die van Weesp en Muiden; terwijl Amsterdam slechts even door een grauwen nevel zichtbaar was. Oostwaarts lag het bevallige Huizen en daarachter het netgebouwde Blarikum: en ten Noorden liep de heuvel glooiend af. tot de plek, waar de Zuiderzee zijn voet kwam bespoelen: verscheidene vaartuigen van allerlei grootte en soort kruisten elkanderen en in de verte over de stille oppervlakte der wateren: naderbij lagen eenige visschersbooten en kon men de visschers onderscheiden, die hun netten in zee wierpen. Eindelijk, kort aan den wal, lag een rijk verguld en nieuw opgeschilderd speeljacht ten anker, waarvan de rijzige mast en de nette tuigage zich scherp en luchtig afteekenden tegen het groene water en de heldere lucht daarachter.

„Ik geloof waarlijk, dat daar het jacht van Lodewijk is,” zeide Henriëtte, na eenigen tijd daarop gestaard te hebben.

„Is hij een liefhebber van zeilen?” vroeg ik.

„O! Lodewijk heeft alle liefhebberijen van dien aard,” antwoordde zij: „maar het zeilen is een hartstocht bij hem. Hij blijft somwijlen dagen achtereen op het water.”

„Het schijnt een aardig gebouwd vaartuig,” zeide ik: „zeker gaat het er goed door.”

„O! het moet een eerste snelzeiler zijn: althans volgens het zeggen van Lodewijk.”

„Hoe! Zijt gij er zelve nooit op geweest? – Of houdt gij niet van zeilen?”

„Hij heeft mij nooit verzocht om mede te gaan.”

„Dat geloof ik wel,” zeide Suzanna: „die Heeren hebben veel te veel pret onder elkander, dan dat zij er dames zouden bij vragen.”

„Het schijnt, dat hijzelf aanboord is,” hernam ik: „althans daar komt iemand op het dek.”

„Inderdaad! Ik herken hem,” zeide Henriëtte; „maar hij heeft nog een paar Heeren bij zich. Zie eens: zij richten hun kijker op ons.”

„Wel! dat is niet het gekste, dat zij doen kunnen,” zeide ik.

„Wat gaan zij nu uitrichten?” vroeg Tante, een groote drukte aan boord gewaarwordende.

„Zij maken de sloep los,” zeide ik: „pas op! zij komen ons nog verrassen.” – En inderdaad, wij zagen drie personen achtereen in de sloep springen en met kracht naar wal roeien.

„Kijk! zou waarlijk Lodewijk eens galant worden en ons komen verzoeken, zijn bodem te bezichtigen?” vroeg Henriëtte.

„Inderdaad!” zeide Suzanna:

Ik herken uw neef; maar wie zijn die twee andere Heeren?”

„Ik weet het waarlijk niet,” antwoordde Henriëtte: „hij heeft somtijds zulke rare kennissen. Maar ja: de een is, geloof ik, de Heer Weinstübe, een associé van een Duitsch kantoor: den anderen ken ik niet.”

Wij waren intusschen den heuvel afgegaan en naar de zeezijde opgewandeld. De drie Heeren sprongen op het strand, maakten hun sloep vast en kwamen met haastige schreden naar ons toegetreden.

„Hoe, zijt gij het?” riep Lodewijk, toen hij, dichterbij gekomen, ons herkende.

„Zoo! Het is dan geen bezoek, dat gij ons kwaamt geven?” vroeg Henriëtte.

Wij hadden dames gezien,” antwoordde Lodewijk, „en kwamen hooren, of zij ook lust hadden eens aan boord te komen.”

„Gij zult zien,” zeide Suzanna zachtjes, „dat zij ons onbekend zouden verzocht hebben, en ons niet willen hebben, nu zij weten wie wij zijn.”

„Maar was hiendert das ?” vroeg een van Lodewijks kameraden in zijn platduitschen tongval, terwijl hij de jonge meisjes beurtelings op een vrij onbescheiden wijze aanzag: „zoo je ze kent, kottorie! tes te peter, dan oef je te kennisch niet te machen.”

„Stil,” zeide Lodewijk, hem aanstootende: „Mevrouw Van Bempden, uw dienaar: ik stel u den Heer Weinstübe voor, en den Heer Reynhove. – Mjne Heerenl Mevrouw Van Bempden, mijn nicht Blaek, Mejuffrouw Huyck.”

„Mefrouw fon Pempten!” herhaalde Weinstübe, terwijl hij dadelijk een zeer nederigen toon aannam en een menigte strijkages maakte: „ick pin zeer verheugd, die eere te heppen. Wie faart de familie?”

„Ik hoop,” zeide Reynhove, terwijl hij insgelijks, doch op een meer hoffelijke wijze zijn compliment maakte, „dat de, dames ons toilet zullen excuseeren. Wij konden ons op deze charmante rencontre niet verwachten. Ik ben waarlijk gedesespereerd er zoo genegligeerd uit te zien.” – Onder het uiten dezer laatste woorden maakte hij de bovenste knoopen los van zijn net gemaakte visscherskiel en vertoonde daardoor een keurig hemd, met prachtige kanten gegarneerd; terwijl hij de andere hand aan zijn das bracht, als wilde hij de aandacht vestigen op een kostbaren ring, die zijn vinger versierde, en op den juweelen gesp, waarmede de strop was vastgemaakt.

„Ach noe ja!” zeide Weinstübe: „die dames sollen ons kenadik bardon schenken wollen: ’t is waraftig onze schuld nicht. Herr Plaek sagte: „da sind tamen; wollen wir ons combliment machen kaan.” Aber wir woesten nicht, dat er eine so achtbare keselschaft da ware.”

„Dat valt u dan tegen,” zeide Suzanna.

„Hoe vaart uw vader, Mijnheer Blaek?” vroeg Tante.

„Klagend en hypochonder, Mevrouw! de oude deun. Hebben de dames ook trek, om mijn vaartuig eens te zien?” vroeg hij vervolgens, op een toon, die wel te kennen gaf, dat hij deze uitnoodiging alleen deed, omdat hij niet wel anders kon.

„Dat zal ons wat lang ophouden, vrees ik,” zeide Tante: „wij moeten naar de boerderij terug en dan naar huis.”

„Wel Mevrouw!” zeide Reynhove: „’t zou immers een al te groote cruauteit in u zijn, ons niet te permitteeren van zulk een aangename sociëteit te profiteeren.”

„’t Is solk een schones wetter,” zeide WeinstUbe: „en Plaek kan oe immers weer afzetten waar je woelt. We motten toch weer nach Amsterdam mit ten abend.”

„Welnu! wat zeggen de jonge dames er van?” vroeg Tante: „ik ben wit papier.”

Ik vleide mij, dat zij bedanken zouden; maar het scheen, dat beiden een groot verlangen hadden om het jacht te zien (een begeerte, die ik toen allerbespottelijkst vond) en na elkander een wijl aangekeken en met de oogen geraadpleegd te hebben, gaven, eerst Henriëtte en toen Suzanna te kennen, dat zij niet ongenegen waren, om van het vriendelijk aanbod van den Heer Blaek gebruik te maken.

„Komaan dan maar, hoe eer hoe beter,” zeide Lodewijk, terwijl hij den arm aan Tante Van Bempden bood: en eer ik nog gereed was, het voorbeeld te volgen, had zich die hatelijke Mof van Henriëtte, en Reynhove van Suzanna meester gemaakt, terwijl ik volgde, het jacht en zijn geheele equipage voor Sint-Felten wenschende.

Wij stapten in de sloep, die ternauwernood groot genoeg was, om ons allen te bevatten, en werden door Lodewijk en Reynhove met kracht naar het vaartuig geroeid. Alvorens wij dit echter betreden, zij mij een korte uitweiding vergund over de twee nieuwe personages, met wie ik bij deze gelegenheid kennis maakte. Caspar Weinstübe was, gelijk ik naderhand kwam te weten, een gelukzoeker geweest, gelijk Westfalen die jaarlijks overzendt naar Amsterdam. Hij had die groote stad als een knaap van vijftien jaren betreden met een schraal voorziene beurs, maar met het onverzettelijk voornemen, om die te vullen: en hij had zijn doel bereikt langs die middelen, welke, ofschoon toen meer zeldzaam, thans helaas! van jaar tot jaar meer algemeen worden. Vijf jaar lang had hij op een klein kantoor gewerkt, gekropen en honger geleden. Toen was hem een gering deel in de winsten toegekend geworden en weldra bekwam hij, als loon voor zijn onvermoeiden arbeid, de teekening per procuratie. Van deze had hij zich bediend om zaken voor zichzelven te beginnen; de actiehandel was hem te stade gekomen: het huis, waar hij deelgenoot in was, had tot tweemalen toe moeten ophouden met betalen; maar hij zelf was na elk bankroet rijker voor den dag gekomen, en bevond zich nu aan het hoofd van een aanzienlijk vermogen en van een winstgevende zaak. Maar het was hem niet genoeg, zijne wenschen bereikt en schatten verworven te hebben: hij verlangde nu ook in de groote wereld ontvangen te worden: en dit was voor hem te Amsterdam, waar de lijn van afscheiding tusschen de verschillende kringen misschien scherper afgeteekend is dan in eenige stad ter wereld, geen gemakkelijke zaak. Hij vond zich dan ook overal teruggedrongen, zoo vaak hij het beproefde, de uitsluitende gezelschappen der patriciërs binnen te dringen; maar hij gaf daarom den moed niet verloren. Het spreekwoord zegt, dat de Arragoneezen, om een spijker te slaan, geen hamer behoeven, maar hun hoofd gebruiken: en Caspar Weinstübe deed voor de Arragoneezen niet onder. Hij wist zich aan te sluiten bij jonge lieden, die, zooals Lodewijk Blaek, er minder op zagen, met wie zij omgingen, mits het slechts liefhebbers waren van rijden, rossen en geld verteren: en door middel van dezulken hoopte onze Westfalinger langzamerhand met hooger standen in betrekking te geraken. Dit middel was hem wel is waar vrij kostbaar; doch hij had sinds lang vaarwelgezegd aan die taaie zuinigheid en ontbering, die hem tot ladders hadden verstrekt om tot de fortuin te geraken: en hij wist thans zijn geld even schoon te verkwisten, alsof hij het van zijn vader geërfd had. Ofschoon niet misdeeld van eenige schranderheid, en zelfs vlug van geest, zoo vaak het zijn geldelijk belang betrof, was hij in alle andere zaken dom en onkundig gebleven, bezat geen manieren ter wereld, en was, gelijk de meeste gelukzoekers, even trotsch en lomp tegen hen, die hij als beneden zich beschouwde, als laag en kruipend tegen zijn meerderen. – Het was voor hem, om dit in ’t voorbijgaan aan te merken, dat Heynsz dat fraaie blazoen geschilderd had, waarvan vroeger gesproken is.

Wat den Heer Reynhove betreft, hoewel zijn onderhoud wat veel doorspekt was met Fransche woorden, zijn toon en manieren waren echter die van een fatsoenlijk man: en hetgeen hij zeide, zoo niet altijd even belangrijk, was echter nooit dom of ongepast: ja, schoon hij vaak over beuzelingen sprak, wel voorgedragen beuzelingen zijn, gelijk men weet, door de bank, meer dan gesprekken over gewichtige onderwerpen geschikt, om in gemengde gezelschappen aan iemand den naam van een aangenaam mensch te doen verwerven. Hij was bovendien welgemaakt van persoon, keurig op zijn kleeding, en dus in vele opzichten welkom bij de schoone kunne. Wat zijn maatschappelijke positie betrof, hij had noch beroep noch affaire: doch het had slechts van hem afgehangen in deze of gene politieke betrekking geplaatst te wezen; daar zijn vader in zijne woonplaats ’s-Gravenhage een der hoogste ambten van de Republiek bekleedde. Hij had Lodewijk op de paardenmarkten leeren kennen, waarvan beiden trouwe bezoekers waren, en was op de uitnoodiging van dezen eenige dagen bij hem komen doorbrengen.


[Hoofdstuk 20] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 22]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001