MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

TWEE-ENTWINTIGSTE HOOFDSTUK,

HETWELK AANTOONT, DAT MEN NIET NAAR DE OOST-INDIEN BEHOEFT TE VAREN, OM SCHIPBREUK TE LIJDEN.


Zoodra wij het jacht hadden bestegen, liet Lodewijk het anker lichten en alle zeilen bijzetten, ten einde gebruik te maken van een flauw zuchtje, dat uit het zuiden woei en ons langzaam de kust langs tegen den stroom opdreef. Lodewijk, die recht als een schipper uitgedost en met een kort pijpje in den mond aan het roer post hield, scheen zich weinig over onze tegenwoordigheid te bekreunen en liet aan zijn vrienden de zorg over om ons de honneurs van zijn vaartuig te doen. Reynhove had dadeljk met voorkomende beleefdheid al de vouwstoelen uit de kajuit gehaald en zette die op het dek neder, ten einde de dames plaats konden nemen, terwijl Klaas, de schippersknecht, een tafel aanbracht en Weinstübe een paar flesschen opentrok en de glazen inschonk. Waarschijnlijk wist hij niet hoe anders het gesprek op een betamelijke manier aan te vangen en begreep hij, dat het aanbod van een glas wijn daartoe de geschiktste gelegenheid zoude verschaffen. „Wol de Jiffrouw nicht een klaasje nemen?” vroeg hij aan Henriëtte, die in stille aandacht de kust zat te beschouwen, die langzaam voorbijgleed: „ik kan ’t wel anpefielen: ofschoon ik aan Plaek kezegd ep, dat hij nicht aan ’t peste gandoor iesch. Niet of die witwe Pieter Plutz en Soonen ieseh ein knappe fent; maar ie heeft keen koete gorrespondens: en wie wil er nou mienderen wein trinken, as men de peste kriegen kan? Da iest Peter Trauketropf, die hat koeten wein; und nicht meliert: – wel tierder, ja! – dat ist waar; aber was kan das schelen, wie tier die wein iest as tie maar goet iest? – fooral foor soon reike blitz als Plaek iest.”

„Ik bid u, accepteer toeh een glaasje, Mevrouw!” zeide Reynhove, zich overeenkomstig de betamelijkheid eerst tot Tante wendende: „aan boord mag zulk een offerte niet gerefuseerd worden; wanneer men zooveel water om zich heen ziet, mag men wel wat wijn gebruiken om een contrepoids te geven.”

„Mijnheer schijnt wel te huis in de gewoonten aan boord,” zeide Suzanna.

„Ja! ik heb altijd, van mijne jeugd af, veel van de marine gehouden, en was er eigenlijk voor gedestineerd; maar ik had er dit tegen, dat de meeste zeelieden zoo ruw en ongemanierd zijn, en het zou mij wat al te veel gegeneerd hebben, mij naar hunne formen te pliëeren.”

„Maar dat zie ik volstrekt niet in,” zeide Tante: „het is toch niet noodzakelijk, dat men juist de manieren van het scheepsvolk aanneemt: ik herinner mij zeer goed den Graaf Tromp, onzen gewezen buurman op ’s-Gravenland: die had zeer beschaafde en hoffelijke manieren: en zooals ik van mijn vader dikwijls gehoord heb, de Admiraal De Ruyter, die toch uit een minderen stand was, had insgelijks een zeer ordentelijken toon en was een vijand van vloeken en drinken.”

„Tante heeft gelijk,” zeide ik: „ik heb veel bulderbasten gekend onder de zeelieden; maar ook anderen, die tot een voorbeeld van wellevendheid hadden kunnen verstrekken en op wie het pek geen smet had achtergelaten.”

„O! dat wil ik niet niëeren,” hernam Reynhove: „maar UEd. gevoelt, als eenige stamhouder van mijn familie....”

„O! nu vat ik het,” hernam Suzanna: „UEd. was van te goeden huize misschien om met Jan en alleman om te gaan. Maar, om niet van zoovele anderen te spreken, daar hadt gij b. v. den Heer Van Obdam, die was nogal van een redelijk goede familie.”

„Mejuffer schept er behagen in, mij niet te willen verstaan,” zeide Reynhove: „ik bedoel mijn stand niet, maar mijn betrekking als eenigen zoon. Het zou een te groot chagrin voor mijn ouders geweest zijn, indien ik mij aan de gevaren der zeedienst had geëxposeerd.”

„Ja, dat is zeker waar,” hernam Suzanna: „maar gelooft UEd. niet, dat men op het land evenveel gevaar kan loopen, van ’t hoekje om te gaan? b. v. bij slempmalen, harddraverijen, en andere vermakelijkheden?”

Ik zag, dat Reynhove een kleur kreeg. Suzanna had juister getroffen, dan zijzelve wist. „En dan,” vervolgde zij: „sterft men aan een galziekte ten gevolge van het lekker eten of drinken, of breekt men zijn nek door van zijn harddraver af te tuimelen, er is niemand die u beklaagt: maar dan is het tu 1’as voulu George Dandin: boontje komt om zijn loontje, enz.; terwijl men, in een zeeslag sneuvelende, ten minste sterft met het bewustzijn. van nuttig geweest te zijn en nog een lofspraak in de courant bekomt bovendien.”

„Dat is zeker zeer troostrijk voor de erfgenamen,” zeide Reynhove, lachende: „ik moet echter avoueeren, dat UEd. volkomen waarheid spreekt; doch UEd. zult mij toestaan te observeeren, dat men ook op andere wijzen zijn Vaderland dienen kan, en dat, wanneer men, zooals ik, eenige zoon is, men beter doet een betrekking te kiezen, welke ons niet obligeert onze familie gedurig en soms voor zeer langen tijd te quiteeren.”

„En in welke betrekking dient UEd. het Vaderland dan?” vroeg Suzanna. „Tot nog toe in geene,” antwoordde hij, half lachende, half beschaamd: „maar ik zal met genoegen de carrière volgen, welke gij mij aan wilt wijzen.”

„Ik vrees, dat ik een slechte raadgeefster zoude zijn,” zeide Suzanna: „en ik zou u beklagen, zoo UEd. in dezen den raad van een ander noodig hadt.”

Terwijl zij aldus voortging met hem tot het doel te nemen haar plagerijen, welke hij echter wel opnam, ja, waarin zelfs behagen scheen te scheppen, overlaadde Weinstübe Henriëtte met een vloed van zoutelooze vleierijen, waar ik bijna tevergeefs een woordje poogde tusschen te voegen. Tante, die ongaarne een gelegenheid liet voorbijgaan om zich te onderrichten, had zich bij Lodewijk gevoegd, wien zij met hare gewone levendigheid allerlei vragen deed betreffende de zeevaart en stuurmanskunst, welke hij nu en dan beantwoordde, zoo dikwijls hij zijn pijpje uit den mond nam, om een slok uit de nevens hem staande flesch te nemen.

Wij waren onder dit alles een goed eind verder gekomen en bevonden ons reeds op de hoogte van Muiderberg, toen Tante, die al pratende niet vergat dat de tijd voortging, aan Lodewijk vroeg, of hij niet welhaast terug zoude keeren, en haar, volgens belofte, aan de hoeve afzetten. Niettegenstaande het beklag van Reynhove en van Weinstübe, dat de dames hen zoo spoedig weder verlaten wilden, begon Lodewijk, die misschien in zijn hart wel van ons ontslagen wenschte te zijn, bereids klarigheid te maken om den steven te wenden, toen Henriëtte hem een vraag deed, welke, hoe onschuldig ook, de gewichtigste gevolgen had.

„Aan wien behoort die fraaie boeier,” vroeg zij, „die daar achter ons komt aanzetten?”

„Te deksel ja!” zeide Lodewijk: „aan wien behoort die boeier, Klaas?”

„Dat is de nieuwe boeier van Jan Pergens,” antwoordde de knecht: „die ons vooruit wil: hij heit er al ’ang op ’eloerd.”

„Ons vooruit!” riep Lodewijk: „neen voor den d....! dat zullen wij hem anders leeren. Je mot het mij niet kwalijk nemen, Mevrouw! maar dat laat ik mij niet doen.”

„Maar Mijnheer Blaek!” zeide ik: „het wordt laat en de dames wenschten wel, aan wal te zijn. Wat gaat het u aan, of hij vooruit komt, daar hij toch op de stad aanzeilt, en wij op Oud-Naarden moeten aanhouden?”

„Wat het mij aangaat ?” herhaalde Lodewijk, met het geheele gewicht van zijn lichaam over het roer buigende: „Klaas! man! pas op je tellen. – Wat het mij aangaat? – Zet het zwaard nog wat neer, Klaas! – Wat het mij aangaat? – Wel! zoo ik op den wal aanhield, zou hij denken, dat ik voor hem loopen ging.”

„Maar Mijnheer Blaek!” zeide Tante, na mij eenigszins verlegen te hebben aangezien; „wij wenschten gaarne te huis te wezen: en UEd. is te beleefd om aan het verzoek van dames geen gehoor te geven.”

„’t Is waarachtig mijn eer te na, Mevrouw! – Klaas! haal de fokkeschoot nog wat aan.” Hier zag hij achter zich om, met een angst op het gelaat, als ware de boeier een roofschip geweest: „’t Is maar voor tien minuten, Mevrouw! om hem mijn meerderheid te toonen; en dan zeilen wij in een ommezien weer terug naar de hoeve.”

„O! nu gaat het recht pleizierig, Mevrouw! Dat mag zeilen heeten, Tante!” zeiden Henriëtte en Suzanna, die er juist zooveel kwaads niet in zagen of zij een uurtje later te huis waren, en er beiden vermaak in schepten, om te zien, met welk een snelheid het vaartuig, daar de wind nu was aangewakkerd, de golven kliefde.

Wat mij betreft, ik was minder voldaan met het antwoord van Lodewijk; want ik berekende, dat, hoe meer de wind thans in ons voordeel was, hoe meer moeite wij zouden hebben om weer naar de hoeve te zeilen: en mijn ongerustheid werd niet verminderd door een leelijke wolk, die uit het noordwesten tegen den wind kwam opzetten.

„Ziet gij die bui daar opkomen?” vroeg ik, zoo zachtjes mogelijk, om de dames niet te verontrusten, aan den schippersknecht: „het zou mij ontgaan, indien wij daar geen regen uit kregen.”

„Wij zullen geducht sop hebben,” antwoordde Klaas: „maar wat wil je der an doen? Meneer kan den boeier toch niet laten voorbijzeilen?”

„Mijheer Reynhove!” zeide ik, den Hagenaar naderende: „heeft UEd. ook invloed genoeg op den Heer Blaek, om hem te beduiden, dat hij aan het verlangen der dames gehoor geve?”

Comment!” vroeg hij: „UEd. heeft zelf gehoord, dat het zeilen de dames amuseert en dat zij prefereeren, nog niet aan wal te gaan.”

”Wel mogelijk! maar,” beet ik hem in ’t oor: „daar is zwaar weer ophanden: en wij zeilen de bui vlak in ’t vizier.”

Vous croyez?” vroeg hij, eenigszins van zijn stuk geraakt: „ja! en effect! maar wij kunnen immers terstond ergens binnenloopen: – intusschen! ik zal bet hem vragen. – Zeg eens, Blaek!”

„Uit den weg!” riep Lodewijk, zonder op zijn woorden acht te slaan: „sta mij niet in ’t gezicht.”

„Maar kijk dan voor u,” zeide Reynhove, knorrig: „zie je de bui niet, die daar aankomt?”

Maar Lodewijk, in stede van naar de bui te kijken, wendde keer op keer bet oog naar het andere vaartuig, dat, hetzij het scherper zeilde, hetzij het beter bestuurd werd, ons meer en meer naderkwam.

„Is het waar? Vreest UEd. een bui, Mijnheer?” vroeg Tante, met bezorgdheid, aan Reynhove: „ik smeek u, Mijnheer Blaek! laat ons dan terugkeeren.”

Maar Lodewijk antwoordde niets. Hij stond, bleek van spijt, op den boeier te turen, die hem reeds op zijde was. Eenige jonge lieden, daarop gezeten, wuifden met de hoeden ten teeken van overwinning, en de eigenaar, die aan het roer stond, hief een glas wijn op en dronk spottenderwijze onze gezondheid.

„Wacht! Ik zal u weerom salueeren met een flesch,” schreeuwde Lodewijk, woedend, en, naast zich tastende, greep hij de ledige wijnflesch en smeet die met kracht naar het zegevierende vaartuig. Het werptuig bereikte echter zijn bestemming niet; maar viel halverwege in het water; terwijl een schaterend gelach van den anderen boeier oprees en deze mislukte poging eener machtelooze woede bespotte: al hetwelk Lodewijk nog gramstoriger maakte.

„Foei Lodewijk!” zeide Henriëtte: „is dit nu handelen gelijk een fatsoenlijk man betaamt?”

„Zij moeten niet denken, dat zij ’t gewonnen hebben,” zeide Lodewijk, zonder acht te slaan op de af keuring, welke zijn gedrag bij ons allen gevonden had: „zie eens! zij minderen al zeil. Klaas! hou je goed! Wij zullen hen wel weer voorbijraken.”

„Zij minderen zeil,” zeide ik: „en zij hebben gelijk ook; want zij willen niet door de bui verrast worden. Het is onvergeeflijk van u, Mijnheer Blaek! de dames aldus bloot te stellen om doornat te worden.”

„Gekheid! – Wij keeren terstond terug. – Klaas! haal de kluiffok nog wat aan. Hoezeel Wij halen hen in! Wij halen hen in, zeg ik. Hij heeft er niet op gelet dat de wind gekrompen is. – Ja, voor-de-wind kan hij zeilen; maar hij verstaat er niets van om met halvewind vooruit te komen. Is dat een zeiler? Kijk, wat doet hij nu? Hij gaat ver.... nog een zeil strijken! – Hoezee! Wij zijn hem al voorbij! – Hij erkent zijn minderheid! Lacht hem uit, vrienden! nu is het onze beurt.”

Vreemd genoeg, hoe weinig de jonge meisjes ook met Lodewijk ophadden, en hoe ontrust zij een oogenblik te voren waren, scheen haar echter de nu behaalde zegepraal te streelen, als deelden zij daarin: en zij schreven aan Lodewijks bekwaamheid een overwinning toe, welke alleen aan de meerdere voorzichtigbeid van den bestuurder des boeiers te danken was. Het was mij duidelijk, dat deze, tevreden met het bewijs zijner meerderheid gegeven te hebben, en de bui ziende aankomen, zijn voorzorgen genomen had: en de schippersknecht versterkte mij in deze opvatting, door mij te verklaren, dat, zoo zijn Heer niet spoedig alles bergen liet, het te laat zou zijn.

„En waarom zegt gij het niet?” vroeg ik, niet zonder ontsteltenis over dit bericht.

„Wel ja!” zeide hij: „dan was mijn’ paspoort geschreven: je kent Meneer niet.”

„Dan zal ik het zeggen,” zeide ik: „Mijnheer Blaek! ik weet niet, of gij al dan niet een weerkenner zijt; maar ik vraag u nogmaals, of gij die opkomende bui niet bemerkt? Laat toch strijken. Wilt gij de dames aan gevaar blootstellen?”

„Gevaar!” riepen allen, onthutst zich naar achteren dringende.

„Och! wat gevaar!” zeide Lodewijk: „wij zullen eenvoudig terugkeeren: en, voor de bui er is, zijt gij aan de hoeve terug. – Wenden Klaas!”

Maar het was te laat! Toen hij wenden wilde, weigerde het vaartuig aan de beweging van het roer te gehoorzamen en bij-de-wind te draaien. Op ditzelfde oogenblik deed zich een dof gegons hooren over de oppervlakte van het water: de zee, nog kort te voren zoo helder, werd zwart en vuil van kleur, alsof een onderaardsche beweging het water beroerd had: donkere, laaghangende wolken sloten zich aan het zwerk ineen, en de beide oevers waren in een oogenblik achter een dicht gordijn van regen verborgen, terwijl de wind, plotseling omschietende, met zulk een geweld in de zeilen voer, dat het vaartuig over één kant ging en stellig zou omgeslagen zijn, indien niet de sterk gespannen touwen aan stukken waren gesprongen. Een algemeene kreet van ontsteltenis deed zich hooren. Lodewijk werd bleek als een laken en een krachtige vloek bestierf op zijn lippen.

„Ach! mein Kot!” zeide Weinstübe: „set mihr aus: ich wil er aus. Ich wil nicht langer hier pleiben.”

„’t Is niets!” zeide ik, de dames wenschende gerust te stellen: „wij hebben het ergste al geleden. Alle man aan ’t werk: dames! gaat in de kajuit!” – En, te gelijk mijn best doende, hielp ik Klaas om de einden touw te kappen waar de gescheurde zeilen in smalle reepen en strooken nog aan bleven fladderen. Reynhove, die bij ongeluk een verkeerd touw had aangegrepen, werd door den schippersknecht op zijde gestooten en liep heen en weder, met de verlegen houding van iemand, die gaarne van dienst wil zijn, maar niet weet op welke wijze.

De bui was intusschen meer en meer genaderd, en weldra, viel de stortregen op het dek. De dames, hoewel in de kajuit geborgen, waren ook daar niet veilig voor het water, dat als een cascade de trappen afstroomde. Weinstübe was insgelijks naar binnen gevlucht en prevelde al de gebeden, die hij in zijn leven geleerd had. Lodewijk stond in sombere verslagenheid bij het roer en Reynhove zag mij aan alsof ik er wat aan doen kon. Wij waren allen tot het hemd toe nat; ofschoon Lodewijk het voordeel had van een duffelsche jas, die hij dadelijk had aangeschoten.

„Wat zoudt gij nu denken, dat het beste ware?” vroeg ik aan Klaas, op wiens doorzicht ik in dit geval meer vertrouwen stelde dan op dat van zijn meester.

„Ja!” zeide hij, om zich heenziende: „te Muiden kunnen wij niet komen. ’t Zal best wezen, dat wij aan de overzij een opperwal zoeken en daar ten anker blijven tot het opklaart.

Tot mijn genoegen keurde Lodewijk het voorstel goed. Wij heeschen een fokje op, en het gelukte ons, na een paar gangen te hebben gedaan, een goede ligplaats te bereiken, waar wij het anker uitwierpen en nu aan het eind van onzen kabel slingerden, dat het een lust was om te zien.

Dit alzoo geschikt zijnde, ging ik naar de deur der kajuit, om te vernemen, hoe de dames het maakten: „hoe is het daar binnen gesteld?” vroeg ik.

„Kom in,” riep Suzanna: „’t is hier een lief huishouentje.”

2040.gif (27030 bytes)Ik trad af. Een akelig en tevens walgelijk schouwspel wachtte mij. De tafel was omgeworpen met alles wat er op stond, en de vloer met pot- en glasscherven bedekt. Tante zat, of liever lag op den grond uitgestrekt, bleek als een doek van zeeziekte, met de kleederen bemorst door het instroomende water. Henriëtte zat naast haar op een voetenbankje en ondersteunde haar het hoofd, terwijl Suzanna een paar servetten had samengefrommeld, die zij als een dweil bezigde om den vloer wat te boenen. Wat den Duitscher betrof, deze had, sedert wij ten anker lagen en dus oogenschijnlijk buiten gevaar waren, met bidden opgehouden en lag zoolang hij was op de rustbank, met het gezicht in een stapel kussens gedompeld.

„Wat zou onze Aagt wel zeggen, als zij mij zoo aan ’t werk zag?” vroeg Suzanna: „maar hoe is het? liggen wij ten anker? En waar ergens zijn wij?”

„Wij liggen bezuiden Durgerdam, kort bij den dijk’,” antwoordde ik: „Is Tante niet wel?”

„Tante mag wel zeggen: Qu’ allais-je faire dans cette galère?” zeide Suzanna: „en dat nog wel om onzentwil.”

„Welk een ongelukkige reis!” zeide Henriëtte: „is UEd. niet doornat, Mijnheer Huyck?”

„Zooala UEd. ziet, Mejuffer!” zeide ik: „en ik ben waarlijk eenigszins beschaamd, mij aldus aan u te vertoonen.”

„Net alsof het de eerste reis ware, dat Jetje u met een nat pak ziet,” zeide Suzanna. Henriëtte glimlachte even: maar haar lach had iets droefgeestigs en de blik, dien zij op mijn zuster wierp, scheen aan deze te verwijten, dat zij, in zulk een oogenblik schertsen kon.

„Maar lieve Ferdinand!” vervolgde Suzanna, bij wie de spotzucht geen hartelijkheid uitsloot: gij zult waarlijk ziek worden. Moet gij nu in die doornatte kleederen blijven?”

„Comme c’est malheureux!” zeide Reynhove, die nu insgelijks binnentrad: „en dat wij de dames zulk een fataal moment geprocupeerd hebben.”

„Mjnheer Blaek weet allerliefste partijtjes te geven,” zeide Suzanna: „jammer maar, dat zij zoolang duren.”

„Maar wat doet gij dan toch, Mejuffrouw?” vroeg Reynhove. „Permitteer mij, dat ik den knecht roepe om den boel hier wat in orde te brengen.” – En weg was hij.

„Die is ten minste beleefd,” zeide Suzanna, en wierp een zijdelingschen blik op Weinstübe.

„Ja! dat is ook waar,” zeide ik, den onbeschoften knoet naderende: „Mijnheer!” zeide ik, hem op den schouder tikkende: „zoudt gij zoo goed willen zijn, uwe plaats aan de dames af te staan? – Mijnheer!”

Eerst op de tweede uitnoodiging gaf Weinstübe teekenen van leven. Hij lichtte even het hoofd op en zag mij aan met een versuften blik en een open mond.

„Kom Mijnheer!” zeide ik: „als er dames in ’t gezelschap zijn, zult gij toch wel de beleefdheid hebben, de rustbank niet voor u alleen te nemen.”

„Ach Kot! ich pin so krank,” zuchtte hij, met de oogen draaiende als een schelvisch, die op het strand ligt.

„Dat is wel mogelijk,” zeide ik: „maar die dames zijn ook niet wel:” en, zonder meer plichtplegingen te maken, nam ik hem bij den kraag met de eene en om het midden met de andere hand en wentelde hem van de bank af; waarna ik, mijn natten rok uittrekkende en mijn mouwen opstroopende, Tante optilde en op de ontruimde plaats nederleide, nadat de jonge meisjes de kussens weer wat hadden opgeschud. Beiden namen nu naast haar plaats en poogden haar toestand zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Wat Weinstübe betrof, hij bleef liggen waar hij nedergekomen was, met de ongevoeligheid van een zeeziek mensch. Weldra keerde Reynhove met Klaas terug, welke laatste nu knaphandig den boel opredderde.

„Waar is de Heer Blaek?” vroeg ik, eenigszins verwonderd, dat Lodewijk niet opdaagde.

„Die zit in ’t vooronder,” antwoordde Reynhove, „zijn pijp te rooken en een glaasje brandewijn te drinken: en, in ’t passant gezegd, wij mochten ook wel iets nemen tegen de nattigheid. Ik geloof, dat onze vriend wat confuus is over hetgene gearriveerd is en zich niet aan de dames durft presenteeren.”

„Hoelang zullen wij hier nog moeten blijven?” vroeg Suzanna. Ik haalde de schouders op: „zoolang de storm duurt, kunnen wij hier niet vandaan,” zeide ik: „en vooreerst schijnt het weer niet te zullen bedaren.”

„Neen,” zeide Klaas: „en als wij hier vroeger vandaan kwamen, zou het fout wezen; want dan gingen wij zoo zeker tegen den overkant als tweemaal twee vier is: en dan bleef er geen spaander van het heele jacht over. Ja! ja! daar zijnder hier wel met een minder windje naar den kelder ’egaan.”

„Een aangename consolatie,” zeide Reynhove.

„Ziezoo!” vervolgde Klaas tegen de dames: „nou doe jelui zelvers ook ’ereis ondervinding op, dat het niet allemaal pleizier is aan boord. Nou dat’s tot daaraantoe. – Ja, nou wou jelui wel een zoopje brandewijn hebben (dit tegen ons:) Ik ’loof dat er nog wel wat in ’t lakkeurkeldertje wezen zel.”

Dit zeggende haalde hij een fleschje voor den dag: en Reynhove en ik verkwikten ons met een paar goede teugen.

„Mot je ook niet wat hebben, Sinjeur?” vroeg Klaas, Weinstübe schuddende: „of ben je er vies van?”

Weinstübe poogde op te staan; maar nauwelijks had hij zich half opgericht, of het vaartuig onderging zulk een schok, dat hij weder achterover tuimelde; terwijl Klaas, onder den uitroep van: „God help ons! het anker!” de kajuit uitvloog. Reynhove en ik snelden hem na. Het was maar al te waar: wij waren van ons anker geslagen en dreven nu voort waar de wind en de golven ons heenvoerden.

Op het dek ontmoette ik Lodewijk: en nooit zal ik de uitdrukking vergeten; welke zijn verwilderde oogen en bleeke gelaatstrekken in dit oogenblik vertoonden: „vervloekte boeier!” riep hij: „wij zijn naar de w......!” En staroogende bleef hij vooruit zien, zonder eenig bevel te geven.

Op dit oogenblik voelde ik een hand, die mij op den schouder gelegd werd. Ik keerde mij om. Het was Suzanna, die met Henriëtte de kajuit had verlaten: en sprakeloos van angst schenen zij mij met de oogen omtrent de hoegrootheid van het gevaar te ondervragen. Ik drukte aan beiden de handen: mijn antwoord bestond uit een schouderophalen: waarna ik mij tot Klaas wendde, die tegen zijn Heer stond te spreken, zonder dat deze eenige acht op zijn woorden scheen te geven.

„Klaas!” riep ik: „wat moet er gedaan worden ?”

Lensen op ’t fokje,” antwoordde hij: „en zooveel mogelijk van wal houen en in ’t open vaarwater trachten te komen.”

„Welnu! doe dat,” zeide ik: „en ik zal terwijl op het roer passen.”

Maar het was te laat: de wind had ons reeds te dicht op de kust gedrongen: nauwelijks had Klaas de fok geheschen en ik de roerpen losgemaakt, of het vaartuig raakte grond, en het roer, de zandbank ontmoetende, gaf mij een slag tegen de beenen, dat ik op het dek nederkwam.

„Ferdinand! Mijnheer Huyck!” riepen de beide meisjes, met een angstigen gil toeschietende: en ik voelde vier zachte handjes, die mij poogden op te helpen.

„Hebt gij u bezeerd?” was beider gelijktijdige vraag.

„’t Is niets,” zeide ik, opkrabbelende: „maar ik houd het er voor, dat wij aan den grond zitten.”

„Vier voet!” zeide Klaas, den peilstok uitwerpende: „wij zitten secuur vast ook: Mijnheer Blaek! zouden wij niet een schot doen?”

Lodewijk gaf geen antwoord; maar in zijn zakken tastende, scheen bij den sleutel van de kruitkast te zoeken. Eindelijk, na eenige oogenblikken, welke zoovele uren schenen, bracht hij een sleutelring te voorschijn en begon, met bevende handen, sleutel voor sleutel te hanteeren. Ik zag, dat het hem nooit zoude gelukken, dien, dien hij hebben moest, van de overige te onderscheiden, en, hem den geheelen bos uit de handen rukkende, zeide ik tegen Klaas: „volg mij! waar bewaart Mijnheer zijn kruit?”

Klaas bracht mij in de kajuit. „Het kruit zit in het kastje onder die bank,” zei hij.

„Tante!” zeide ik: „het spijt mij, dat ik u moet lastig vallen; maar wij moeten hier hinnen wezen:” en meteen lichtte ik Tante met kussens en al op en ontsloot het kastje.

„Zijn wij aan wal?” vroeg zij met een flauwe stem.

„Ach! jounge! Kellner!” riep Weinstübe, die weder wat bijgekomen zijnde, in een hoek tegen den wand aanzat: „pring mij wat matera en een pescheitje. Ich pin soo vlauw.”

„Wij hebben wel tijd, om Mijnheer madera en beschuitjes te bezorgen,” zeide ik, wrevelig, terwijl ik de ammunitie voor den dag kreeg. Van het noodige voorzien, keerde ik met Klaas op het dek terug, die zich hierop met Reynhove (welke laatste daarvoor beter berekend was dan ik) met het laden van het geschut belastte. Toen verzocht ik de meisjes dringend, weder naar binnen te gaan, daar zij onnoodig in den weg stonden en zij bij Tante meer van dienst konden zijn dan op het dek. „Ikzelf zal u het voorbeeld geven,” zeide ik: „mijne hulp zoude hier toch niets baten en ik moet Tante waarschuwen tegen hetgeen er gebeuren zal.”

Wij keerden dan terug in de kajuit. „Tante!” zeide ik, haar weder op de rustbank helpende: „schrik niet: er zal meteen geschoten worden; wij moeten een sein geven, dat wij aan den grond zitten.”

„0 God!” zeide zij; even het hoofd oplichtende: „moeten wij hier omkomen?”

„Ik hoop voorwaar van neen,” antwoordde ik, mijn best doende om een opgeruimd gezicht te zetten: „wij bevinden ons hier niet op een onbekende kust noch bij een onbewoond land. Er zwerven hier altijd zooveel visschers rond, dat het wel wonder zoude zijn, indien men ons niet bespeurde.”

„Ach Kot! ’t zal wel de laatste maal seijn, dat ich op ’t water kom,” zeide Weinstübe.

„Kom,” zeide ik: „Sinjeur Weinstübe! Wees een man. Wat drommel! als het niet was om het ongerief, dat zulks aan de dames veroorzaakt, zoude ik mij, wat mijzelven betreft, niet verlegen maken.”

„Vloek maar niet,” zeide Suzanna: „daar is het nu geen tijd toe.”

„Meent gij dat oprecht, hetgeen gij zegt, Mijnheer Huyck!” fluisterde Henriëtte, terwijl zij mij ernstig aanzag: „meent gij stellig, dat er geen gevaar is?”

Ik werd rood en sloeg de oogen neder, terwijl ik op Tante wees.

„Er is gevaar,” ging zij voort, altijd op denzelfden toon sprekende, „en gij wilt het maar verbloemen om ons niet ongerust te maken. Maar!” en hier blonk een traan in haar oog: „wanneer een oogenblik ons de eeuwigheid kan doen ingaan, is het dan geoorloofd een ijdele gerustheid voor te wenden, en ons af te trekken van die gedachten, welke ons op zulk een gewichtig tijdstip betamen.”

Ik gevoelde mij beschaamd en diep getroffen. „Mejuffrouw!” zeide ik, haar bij de hand nemende: „ik handelde om bestwil. Maar gij doet mij mijn ongelijk gevoelen. Wat er ook gebeure, laat mij ten minste dezen troost, dat gij niet ontevreden op mij zijt.”

Zij antwoordde mij niet, maar drukte mij met aandoening de hand, en toen, de hare wegtrekkende, veegde zij zich de oogen af en wendde het gelaat om.

Op dit oogenblik ging het schot af.

„Mein Kot!” riep Weinstube, opspringende: „Was ist das?”

„Dames!” zeide Reynhove, die terstond daarna binnentrad: „ik kom u vragen, of gij ook prefereert in ’t vooronder te zitten: niet, omdat het séjour daar zeer gerechercheerd is, maar omdat aldaar vuur aan ligt, en gij er u warmer zult bevinden dan hier.”

De dames zagen elkander aan: „wij danken u wel voor uwe attentie,” zeide eindelijk Suzanna: „maar wij zullen liever bij Tante blijven.”

„Is’ er vuur aan?” vroeg Tante, met vaardigheid opstaande. „dan ga ik er stellig heen; want ik verga hier van de koude.”

„Ja!” zeide Weinstübe: „dan ka ich er auch heen: denn ich pin sehr kaut.”

„Met verlof,” zeide ik tegen Tante: „dan moeten wij zien, dat wij u tegen den regen beveiligen. De overtocht is wel kort; maar toch lang genoeg om nat te worden.”

Dit zeggende nam ik de tafellakens en hing die aan de dames als regenschermen om. Weinstübe liep vooruit, zeker met het oogmerk om de beste plaats voor zich te nemen. Reynhove en Suzanna ondersteunden Tante en ik volgde met Henriëtte. Dan nauwelijks waren wij op het dek, of een windvlaag kwam met zooveel geweld tegen ons aan, dat wij werk hadden om ons op de been te houden. Te gelijk bespeurden wij dat het vaartuig op zijde ging.

„O God!” zeide ik, Henriëtte aan mij vastklemmende: „indien ik u slechts kon redden.”

„Wij zijn in Gods hand,” zeide zij met een onbeschrijflijke uitdrukking: „en toch,” voegde zij er fluisterend bij: „het is mij, alsof ik, met u zijnde, niets te vreezen had.”

Een nooit te voren gekend gevoel doorstroomde mijn aderen op het hooren dier woorden en vooral van den toon, waarop die werden uitgesproken: en, midden in het ijseljke van onzen toestand, gevoelde ik mij gelukkig, bij de gedachte dat ik weder bemind werd. En toch – want tot langdurige overdenkingen bestond thans geen tijd – toch verzuimde ik tevens niet, voor onze veiligheid te zorgen en klemde mij, op het voorbeeld der anderen, aan het gangboord vast; in sprakelooze verwachting bleven wij allen een oogenblik staan, en staarden op een geweldige golf, die op ons afkwam als wilde zij het geheele vaartuig overstelpen. De uitwerking was echter anders. De golf lichtte het jacht, als ware het een stuk kurk geweest, van de zandbank af: wij werden bespat en gedurende eenige seconden verblind. van het schuimende water; en toen wij onze oogen weder konden openen en voor ons uitzagen, bespeurden wij den dijk op geen twintig voet afstand.

„’t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.

Suzanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen.

Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotselings hield het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wij hoorden het zeenat als grommende van rondom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. Het jacht was over den dijk heengeslagen en lag tegen de binnenste helling in het slijk vast.


[Hoofdstuk 21] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 23]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001