MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

DRIE-ENTWINTIGSTE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE HOE DAMES VOOR SPOKEN WORDEN AANGEZIEN, EN WAT DE SCHIPBREUKELINGEN AL ZOO VERDER DEDEN OM EEN VERKOUDHEID TE VOORKOMEN.


Het gadeslaan der verschillende aandoeningen, welke ons na een zoo wonderbare redding bezielden, zou aan den zoodanige, die, zonder in onze gevaren gedeeld te hebben, eensklaps in het gestrande vaartuig verplaatst ware geweest, een niet onbelangrijk schouwspel hebben opgeleverd. In de eerste oogenblikken, en wel voordat men recht wist, hoe men het had, heerschte er een soort van verbijstering, en waren wij gelijk aan lieden, die, op een vreemde plaats geslapen hebbende, bij hun ontwaken in de war zijn en eenig herinneringsvermogen moeten aanwenden, alvorens zij zich kunnen bezinnen, waar zij eigenlijk zijn. Daarbij, het was avond geworden: de wind en regen bleven aanhouden, en alles om ons heen was in nevel en duisternis gehuld.

Voor zooverre ik mij herinner, was ik de eerste, die sprak: en de oogen om mij slaande, om de dames te zoeken, die door den schok van mij afgeraakt waren, riep ik in vervoering uit: „God lof! wij zijn gered!”

„Dat mag wel ’ezeid worden, bij ’t walletje langs,” zeide Klaas: „op zoo’n rare manier ben ik nooit aan wal ’ekomen.”

„Goddank! dat was boven verwachting!” riep Lodewijk; maar met deze uitboezeming scheen hij zijn geheelen voorraad dankbaarheid te hebben uitgeput; want, op het dek heen en weer loopende, begon hij bij zichzelven te mompelen:,’t is een mooie winkel! hoe d..... krijgen wij het jacht hier weer vandaan?”

De drie dames zeiden niets. Henriëtte en Suzanna hielden Tante omvat en alle drie schenen in stille, eerbiedige overpeinzing verzonken.

Wat Reynhove betrof, zijn blijdschap was de luidruchtigste. Hij sprong en danste over het dek rond, drukte Lodewijk, mij, de dames, zelfs de schippersknecht, de handen, beurtelings lachende, zingende en weenende, tot eindelijk zijn voet op de natte planken uitgleed en hij achterover rolde. „’t Is niets,” zeide hij, terstond weder opspringende: „het gevaar is voorbij, en wij zijn allen gesauveerd:” en hij begon van voren af aan handjes te geven en elk in ’t bijzonder geluk te wenschen met een hartelijkheid en een uitbundigheid, welke merkelijk afstaken bij zijn gewone geaffecteerde vormen, en bewezen, hoeveel guller en beter hij in den grond zijns harten was dan hij oppervlakkig scheen te zijn.

„Maar waar zijn wij toch eigenlijk?” vroeg Tante.

„Op een veilige plaats, Tante-lief!” was mijn antwoord: „en waar wij op de vreemdste manier ter wereld zijn aangekomen.”

„Nu zal ik nooit meer lachen over den vreemden Jood, die zich verbeeldde, dat hij met trekschuit en al over de brug heen getrokken zou worden,” zeide Suzanna, die haar vroolijkheid terugbekomen had.

„Mevrouw!” zeide Lodewijk, die toch scheen te gevoelen, dat hij eenige apologie noodig had, terwijl hij zich bij Tante vervoegde, „dat is waarlijk gelukkig afgeloopen. Het doet mij recht leed, dat UEd. er zoo ongelukkig bij te pas zijt gekomen.”

„Ja mijnheer!” zeide Suzanna: „Tante mocht u wel toevoegen, gelijk Athalia tot Abner:

dans quel piège as-tu conduit mes pas?”

„Het schijnt,” zeide Tante, met reden eenigszins gevoelig over de handelwijze van Lodewijk, „het schjnt, dat Mijnheer Blaek weinig gewend is dames aan boord te hebben.”

„Ja Mevrouw!” vervolgde Lodewijk, eenigszins verlegen: „tegen ’t weer kan niemand; en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen storm kunnen verwachten? – Al had ik niet met dien boeier om ’t hardst gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen.”

„Mocht de drommel!” zeide Klaas, wiens zeemansrondheid deze logenachtige verontschuldiging niet verdragen kon: „Jan Pergens lag warm en wel binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen doen.”

„Wat reutel je Klaas?” zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen toon: „bemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je paspoort op staanden voet.”

„Mijn paspoort!” herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: „hm! er zal op het jacht in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen.”

„Nu Mijnheer Blaek!” zeide Tante: „gedane zaken hebben geen keer, en het beste is, dat wij alle verwijtingen maar daarlaten.”

„Te meer,” zeide Henriëtte, „daar Lodewijk al genoeg gestraft is: want hij zal zijn jacht ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den dijk krijgen als het aan deze zijde gekomen is.”

„Neen!” zeide Reynhove: „tenzij er een aardbeving kome, die het weder teruglanceert.”

„Ja!” bromde Lodewijk: „jelui hebt goed spotten. Hoe ik het hier vandaan krijg, weet Joost.”

„Mij dunkt,” zeide ik: „wij moesten liever zien, hoe wijzelf hier vandaan komen. Op wat hoogte zijn wij zoowat?”

„Wij zullen een heel eind beoosten Muiden zijn,” zeide Lodewijk: „wij konden verd.... nergens ongelukkijer te land komen: wij zijn een half uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet zien kan welken weg men op moet.”

„Dat is zeker ongelukkig,” zeide ik: „maar wij, kunnen toch niet hier blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de dames en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid teweegbrengen.”

„Ik zal gaarne de dames accompagneeren,” zeide Reynhove: „maar ik moet alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten geëxponeerd worden om nog meer doornat te worden.”

„Ja dat mag zoo zijn,” zeide Henriëtte: „maar ik voor mij zal van harte gaarne loopen: – indien echter Mevrouw Van Bempden het afkeurt....”

„Ik doe alles liever, dan langer in dit noodlottige jacht te blijven,” zeide Tante: „Kom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens te land komen.”

„Vergezelt gij ons?” vroeg ik aan Lodewijk, „of blijft gij aan boord?”

„Ik heb altijd gehoord,” zeide Lodewijk, „dat de kapitein het laatst aan boord moet blijven; maar zoo gijlieden ergens aankomt, stuurt mij dan in ’s hemels naam wat vertrouwd volk, om hier den boel te bewaken.”

„Ik zou u gaarne van dienst zijn,” zeide, ik: „maar gij gevoelt dat ik de dames niet verlaten kan.”

„En ik evenmin,” zeide Reynhove: „eerst moeten de dames en lieu de sureté zijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de assistentie van ons beiden: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd.”

„En wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen?”

„Wel, stuur Weinstübe op kondschap uit,” zeide Reynhove: „maar dat is waar ook: où diantre est-il?”

„Ja! waar is Weinstübe?” riepen wij allen, onszelven het stil verwijt doende, dat wij hem niet eerder gemist hadden.

„De hemel beware ons!” zeide Tante: „ik hoop niet dat hij overboord is gevallen!”

Weinstabe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de kajuit, noch in het vooronder was hij te ontdekken. Sommigen onder ons meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voordat wij over den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden had. Hoe gek en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkeljke gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden vinden om af te stappen, liet ik mij overboord glijden en zocht nu welke plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken, die beneden langs den dijk liep.

Nauwelijks echter had ik een oogenblik rondgeloopen, of ik hoorde een flauwe stem kort bij mij, die erbarmelijke klaagtonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.

„Wie is daar?” riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen onderscheiden: „Klaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die angstig kermt.”

„God beware ons!” riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgeloovige denkbeelden: „als het de geest maar niet is van dien armen mof.”

„Om ’t even!” zeide ik: „wij moeten het toch onderzoeken.”

Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteun en een flauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:

„Ach lieber Gott! zum hülfe! Ick pin todt.”

„’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op bet geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken wij hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem, zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm te loopen; daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van andere kleederen te voorzien.

Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin, alleenlatende, ons gezamenlijk op weg begaven, vooruitgelicht door Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Suzanna: dan ik, Tante geleidende: en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl Weinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door de modder te ploeteren, ofschoon de wind tot ons geluk merkelijk verminderd was en de dijk ons eenigszins beschutte; maar het was stikdonker; terwijl een fijne regen den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.

Wij hadden ongeveer een kwartieruurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in staat was om voort te gaan en al zwaarder op mijn arm leunde. Zij was uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort. Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: „o wee! daar verlies ik mijn schoen!”

„Hou op!” riep ik, tot hen die voor mij waren: – en de trein stond stil. „Tante is haar, schoen kwijt,” zeide ik: „waarachtig, de weg is al te slecht. Is er hier geen woning in de nabijheid?”

„Als je nog een amerijtje geduld heit,” zeide Klaas: „daar gunter aan den weg zie ik een lichtje.”

„Is ’t nog ver?” vroeg Tante: „ik kan waarachtig niet verder voort en ik zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten.”

„Dat zal ik nooit dulden,” zeide ik: „’t ware om te besterven. Maar zoo de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u voort te helpen.”

Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Weinstübe, waarop wij, ieder een einde van den rotting nemende, Tante verzochten daarop te gaan zitten en baar armen om onze schouders te slaan. Op deze geïmproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijkste was, droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en dikwijls op te houden. Nog kan ik bet mijzelf niet verklaren, hoe het mogelijk was, dat wij op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen wij eindelijk voor een boerenhek stonden, hetwelk naar een boerderij geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen begroette. Nu hielden wij allen stil voor het geslotene hek, en Klaas, een stentorstem opzettende, begon uit al zijn macht te schreeuwen: „heidaar! boer! boer!”

Wij ontvingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een nog gevaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen eenparig mede te schreeuwen, elk zijn best, en de honden des te harder te blaffen, alsof wij wedijverden, wie het meeste leven kon maken: en het was een geweld, dat men op een uur afstand bad kunnen hooren. Eindelijk werd er een deur in de boerenwoning ontsloten en zagen wij licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen.

„Wat wil jelui? Wat is er?” vroeg een stem. „Schipbreukelingen!” riep de een. „Kunnen wij opkomen?” vroeg een ander. „Eilieve hoor eens!” schreeuwde een derde. „Goed volk!” riepen wij eindelijk, allen te gelijk.

De persoon, die in de deur stond en wiens donkeren omtrek alleen wij tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn tochtgenooten wat stil te wezen, en, mijn stem verheffende: „kom eens hier, goede vriend!” riep ik: „gij kunt een goede fooi verdienen, zoo gij ons helpen wilt.”

Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en, ofscboon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij, naar onze gissing, halverwegen den afstand tot het hek gekomen was, bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.

„Dat zal hem de duivel leeren,” zeide Klaas: „wij motten er toch binnen.”

„Kan dit hek niet geforceerd worden?” vroeg Reynhove.

Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen; maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans was om op zijde van het hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.

„Om Gods wil, doe het niet, Ferdinand!” zeide Tante: „zoo de honden u eens aanvielen.”

„Geen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd losloopen op de werf, dan zou ik weinig zin de expeditie hebben; maar in dit gewest liggen zij meestal vast.”

Dit zeggende, was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd, wandelde ik op het woonhuis aan; doch nauwelijks hadden wij eenige schreden gedaan, of het bleek ons, dat men van binnenshuis deze schennis van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een hoofd kwam voor den dag.

„As jelui niet gauw maakt, dat je wegkomt,” werd ons toegeschreeuwd, „zal ik er op losbranden, in dat geval!”

„Maar hoor dan toch eens!” riep ik: „wij zijn geen dieven: wij....”

Hier werd mijn rede op een zeer onaangename wijze afgebroken door het afgaan van een vuurroer, dat de man aan het venster in de hand hield. Gelukkig trof het schot geen van ons beiden; maar het baarde niettemin een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom:

„Wees toch voorzichtig. Het is Mevrouw Van Bempden van Heizicht, die aan het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam.”

„Wat zeg je?” hernam de stem van boven: „Mevrouw Van Bempden: scheer je ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen....”

„Ken je mij niet, Roggeveld!” riep ik; want ik herkende nu duidelijk de stem, die mij al in den beginne niet vreemd. was voorgekomen: „ik ben Huyck! geloof mij toch: Mevrouw Van Bempden staat daar buiten.”

„Wel, wie heit van zijn leven!” riep hij: „verakskeseer mijn onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je.”

„’t Is warempel ’elukkig ook, dat de man je kent,” zeide Klaas: „aêrs hadden wij nog werk ’ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen.”

Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het ook of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden nieuwsgierig aan de deur bleven staan.

„Wel wie heit van zijn leven!” herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende, „ik heb jelui ummers niet ’eraekt? – Nou! ’t was maer los kruit, wil ik ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat geval.”

„Dat had uw knecht wel anders kunnen gewaarworden, indien hij niet was gaan loopen.”

„Jael Kees dacht, ’et waren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit, hoor.”

Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons bevonden, leverden zij, die buiten stonden, vooral de dames, die, zooals ik vroeger verhaald heb, tafellakens hadden omgeslagen, bij het twijfelachtige licht der lantaren een vrij kluchtige vertooning op, en de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonbaar voor.

Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: „wel kijk ereis: Heere bewaar ons! lieve tijd! wel jemenie! wie heit zoo iets meer beleefd!” en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij het vernemen dezer wederwaardigheden.

„Nou vraag ik je reis,” zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, „wat of die rijke lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij warm en wel te huis kunnen zitten.”

Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij Heeren den nacht bg het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar afhalen kwam.

„O!” zeide ik, „er valt nog veel bovendien te beredderen: maak maar eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste.”

De dames begrepen, dat dit inderdaad de verkieslijkste partij was en verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij ons, zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van brandewijn, water en suiker ons een verwarmenden drank bereidden, terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en die op de warme plaat voor bet vuur lieten drogen.

„Nu hebt gij ons nog niet verhaald, Weinstübe!” zeide Reynhove, toen wij een poos gezeten hadden, „hoe gij daar in die sloot zijt gearriveerd.”

„Wat sol ich er lang ofer braten?” zeide Weinstube: „ich stond an de foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir kingen nach de blitz: und ich fiel und ich hield mihr selbst an ein tauw fest: und die tauw schlingerde mit mir, und ich fiel pijten poord: und ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in ’t gras. Und ich stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so lief ich voraus, und ich sakte bis de oren in eine motterschloot und da lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar niemand, die mihr achtte.”

„Ik geloof inderdaad,” zeide Reynhove, „dat uw positie verre van amusant was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer lotgevallen aan niemand over. Het is waariijk al te vernederend, om, wanneer men zulk een schoone kans heeft geloopen in de open zee te verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen.”

Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand, zoowel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud-Naarden of ’s-Gravenland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder zijne meening en verlangen geuit had, werd alles dienovereenkomstig geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken binnenkwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante zitten, die het nachtgewaad der boerin aan ’t lijf had en bezig was een kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waren dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik te slaan.

„Hoe bevindt gij u, Tante?” vroeg ik, mij tot haar begevende. „Dat schikt wel,” antwoordde zij: „en ik ben blijde, dat ik in bed lig. Maar hoor eens, Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk ongerust zal wezen.”

„Dat vrees ik ook, Tante!”

„En ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof en de Hemel weet waar verder zal sturen, en overal alles in rep en roer brengen.”

„Dat is niet onwaarschijnlijk.”

„Ik wenschte daarom wel,” vervolgde Tante, „dat Baas Roggeveld of iemand van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevinden.”

„Ik ben bereid er heen te rijden,” zeide ik. „Neen! dat wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet opnieuw aan nattigheid en koude bloot te stellen.”

„Laat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen hier te blijven dan tot morgenochtend, en wel eenig schoon goed willen hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen.”

„’t Is gelukkig juist Zaterdag-avond,” zeide de stem van Suzanna van uit de andere bedstede: en zij liet er een half gesmoord gelach op volgen, terwijl een ander stemmetje „st! stil!” fluisterde. „Stil wat, meisjes!” zeide Tante: „wel foei!”

»Wilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder uw welnemen,” zeide ik: „Roggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen Reynhove, Weinstübe en ik naar Muiden vertrekken.”

Beau trio de baudets,” mompelde Suzanna.

„De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amnsterdam: en ik den mijnen naar ’s-Gravenland, vanwaar ik iemand naar de hoeve zal sturen, om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt.”

„Goed over1egd,” zeide Tante. „En wat Klaas betreft, die zal, met al wie hier in de buurt kan opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp te bewijzen, die hij noodig mocht hebben.”

„’t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen,” zeide Suzanna. „Nu! ik vind alles zeer goed geschikt,” zeide Tante, „als gij dan maar met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet worden.”

„Dit zoo zijnde, wensch ik u een goeden nacht,” hernam ik. Ik bleef echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:

„Hebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?” Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging, en een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigszins verlegen, niet wetende of ik gaan of blijven zoude. Opeens vertoonde zich het hoofd van Suzanna tusschen de gordijnen door.

2060.gif (32172 bytes)„Henriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen zenden, die anders in ongerustheid zou wezen over zijn lieve zoontje.”

„Ik was bevreesd om onbescheiden te wezen,” fluisterde het lieve stemmetje van Henriëtte: „maar UEd. zou mij zeer verplichten, mijnheer Huyek, indien het in uw vermogen ware.”

„Ik neem dit stellig op mij,” zeide ik, mij buigende.

„En dan verder,” vervolgde Suzanna, „verzoekt Henriëtte, dat gij aan Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de fontanges en haar zijden keurs; en haar Brusselsche schoenen en....”

„Ik vezoek om verschooning, Mijnheer Huyck,” zeide Henriëtte: „ik heb niets van dat alles gezegd; zooals Kaatje ’t schikt, is ’t mij wel. Foei Santje.....”

„Foei Santje!” zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat mijner zuster verdween weder achter de gordijnen; – waarop ik, de dames nogmaals een goede nachtrust wenschende, mij naar beneden begaf. Welhaast was nu de boerewagen ingespannen en schokten en hotsten wij naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar ’s-Gravenland, waar, als men denken kan, niemand te bed was gegaan. Ik deelde aan de kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in het begin, de beeltenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig en daartusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dan toen de bediende mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht teruggekomen en weder met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij van Roggeveld: van waar de dames, na een haastig toilet, met ons terugkeerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende, alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.

 


[Hoofdstuk 22] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 24]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001