MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK OVER ’T GEHEEL VAN EEN VRIJ SENTIMENTEELEN AARD IS, DOCH VRIJ SLAPERIG EINDIGT.


„Ik hoop,” zeide Henriëtte tegen Suzanna: „dat de gezondheid van die goede Mevrouw Van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden van dezen ongelukkigen tocht.”

„Ik hoop het met u,” zeide ik: „maar ik durf denzelfden wensch koesteren met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest.”

„Wel ja!” zeide mijn zuster: „neem den wensch zoo algemeen mogelijk: ’t zou jammer zijn u-zelf te vergeten. Gij doet zooals nicht Bender, die, als zij gasten heeft, nooit zegt: „ik hoop dat het den vrienden,” maar: „ik hoop dat het ons wel zal smaken.”

„Wat mij betreft,” zeide ik, „ik ben niet van zout of van kraakporselein en zal van een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet sterven.”

„Ei kom!” zeide Suzanna: „gij praat als een held, en ondertusschen,’ laatst, toen gij terugkwaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de bui, die gij op uw dak hadt gehad.”

„Inderdaad?” vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij verrukte: „dan zou het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, mijn Heer Huyck! van zoo kort daarna opnieuw aan zulk een weer te zijn blootgesteld.”

„Het zou hem kwaad doen,” zeide Suzanna, haar napratende: „wel Jetje! gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. ’t Is goed, dat gij mijn zuster niet zijt.”

„Dat zeg ik ook,” zeide ik, Henriëtte aanstarende met een veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.

„Ik moet zeggen, ’t is al zeer beleefd,” hernam Suzanna: „waar heb je die fraaie complimenten leeren maken?”

„O!” zeide ik: „Mejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten: en ik durf hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld te worden.”

„Dat loopt mij te hoog,” zeide Suzanna.

„Ja, mij ook,” zeide Henriëtte: „en wij zullen Mijnheer de verklaring zijner woorden maar niet afvergen. Zie!” zeide zij, na eenige oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te veranderen: „’t is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig voel.”

„Een gewone sensatie wanneer men op het water is geweest,” zeide ik: „en die van zelve wel slijten zal.”

„Nu!” zeide Suzanna: „ik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch inderdaad weder te ondervinden: ik denk als Poot: ’t Is varen, maar met groot gevaar: en zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken, dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zou geen oogenblik gerust zijn.”

„Dan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken,” zeide ik, „dat hij geen rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer ongelukken met rijden wel met vaartuigen tellen zal.”

„Dat leert mijne ondervinding niet,” zeide Suzanna: „want ik heb wel honderdmalen in een rijtuig gezeten en nog nooit eenig ongeluk gehad; en voor de eerste reis dat ik op het water beu, loopt het zoo deerlijk af.”

„Lodewijk zou u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen,” zeide Henriëtte: „hij is wel twintigmaal van paard gevallen en heeft, de hemel weet hoe dikwijls, met de sjees omgelegen; terwijl deze rampspoed de eerste is, die zijn Jacht overkomt.”

„’t Is dan zeer gracieux van zijnentwege,” zeide Suzanna: dat hij die juist voor ons bewaard heeft.” Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of Mejuffrouw Suzanna even bij Mevrouw wilde komen.

„Ohé!” zeide Suzanna: „ik voorzie het al: de beschikkingen van den maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje? – En gij, Ferdinand?”

„Kom!” zeide ik: „maak maar dat gij boven komt: Tante wacht u immers.”

„Aha! – Mijnheer wil gaarne van mij ontslagen worden! Nu! ik zal u verlossen van mijn overtollig gezelschap: ik ga al.” – En, een spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons samen.

Wij bleven, gelijk veelal in dergeljke gevallen plaats heeft, een geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik, vast besloten hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel, hetwelk aan alle vrouwen eigen is, vermoedende wat er in mij omging, en ijverig voortwerkende met het hoofd voorovergebogen en de oogen stijf op haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het zwoegen van haar boezem de onrust van haar gemoed verrieden.

Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij dacht, ik kon toch niet zoo plompweg met de deur in huis vallen en in de plaats van: „’t is mooi weer,” tegen haar zeggen: „ik bemin u.” Ik vergat, dat tusschen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtenreeks bij beiden doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat indien beiden na een uur zwijgens den mond opendeden, men tien tegen één zou kunnen wedden, dat beiden hetzelfde woord zouden uitspreken; evenals twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.

Eindelijk, toen de pauze een geruimen tijd had geduurd, en ik reeds beducht begon te worden dat Suzanna terrug zou komen eer ik nog een woord gesproken had, hervatte ik het gesprek daar, waar wij het gelaten hadden.

„Wij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen. – Daar ligt al een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten.”

„Voor u? En hoe dat?” vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, terwijl mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.

„Omdat,” zeide ik, „ik geen rij- noch vaartuig houd, en dus minder dan anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen.”

Nu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch slot: want, ofschoon geen speeljacht hebbende, had ik niettemin den vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord; en ik reed dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders rijtuig: maar het ging mij, zooals het zelfs verstandiger lieden bij dergelijke gelegenheden gaat, ik sprak, zonder dat het mij schelen konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te komen waar ik wezen wilde: en deed evenals de jager, die, het wild navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad inslaat en veeltijds door heggen en struiken kruipt of over slooten en dammen springt om zijn doel te bereiken. Henriëtte nam dan ook de moeite niet, mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.

„En ik geloof niet, dat ik ooit een speeljacht of een rijtuig bezitten zal.” Dezelfde stilte.

”Ik geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide.”

Dezelfde stilte: maar haar lieve vingertjes begonnen te beven, alsof zij bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.

„En gij, Mejuffer!” vervolgde ik, niet minder bevend: „gelooft gij insgelijks.... ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn.... zonder rijtuig.... zonder al die gemakken, waaraan gij thans.... aan het huis van uw oom.... gewoon zijt geraakt?”

Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dit antwoord was echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.

„Dat weet ik niet.... dat is betrekkelijk.”

„Vergeef mij,” zeide ik: „mijn vraag was misschien onbescheiden. Maar,” vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: „indien ik die vraag doe, ’t is omdat bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schromen zoude, u een verklaring te doen, die....” hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te beven. Zij bleef stip op haar vrerk zien, beurtelings rood en bleek wordende.

„Gij hebt mij gisteren,” vervolgde ik, „toen wij ons in levensgevaar bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en die mij ook thans nog als hemelmuziek in de ooren ruischen. Ik zou echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thans, bij bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden. een uitlegging te geven, welke mij voordeelig ware?”

Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met, een engelachtigen blik, maar terstond weder voor zich ziende: „ik durf mij vleien,” zeide zij, „dat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven heb. Wat ik dus toen zeide....”

„Blijft gij dat ook thans gestand doen?” vroeg ik, in verrukking, haar bij de hand vattende en mij over haar schouders neerbuigende. Zij beantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het hoofd tegen mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: „Kom! Ik ben een zottin. Verschoon mij, Mijnheer Huyck! Het is beter, dat wij dit onderwerp niet verder aanroeren.... en zelfs, dat wij elkanders gezelschap vermijd en.”

„Hoe!” riep ik uit, verbaasd en terneergeslagen: „ gij geeft mij de zoetste hoop en tegelijker tijd, in één adem, wilt gij mij die weer ontnemen.”

„Ik gevoel dat ik verkeerd heb gehandeld,” zeide zij: „maar ik beschouw u als edelmoedig genoeg, om geen misbruik te maken van een oogenblik van zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast....” (Met allen eerbied gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) „en ik heb niet welgedaan die zoo onbedachtzaam te beantwoorden.”

„Niet welgedaan,” herhaalde ik: „door aan de inspraak van uw gevoel gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch, ik zie niet in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo uw hart, door de beantwoording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke gewichtige gronden de rede daartegen kan inbrengen.”

„Ik ken u nog sinds zeer kort,” zeide zij: „en niet genoeg, om te weten of het gevoel van.... voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te rechtvaardigen is!”

„Indien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven,” zeide ik: „want ik ben overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen, niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen.”

„Ik geloof u, Mijnheer!” hernam zij, het hoofd schuddende, met een droefgeestige uitdrukking op het gelaat, die mij bewees dat zij de ware reden van haar terughouding niet vemeldde: „maar toch!....”

„Welnu! wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uwe zwarigheden niet: ik vlei mij, dat, zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen.”

„Ik hang van mijn oom af,” zeide zij, de oogen neerslaande: „en ik twijfel, of hij....”

„Hoe!” zeide ik: „zou hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg zoude staan? ’t Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thans deelgenoot eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, eene vrouw, wel niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen onderhouden.”

„Mijn oom zal dat nimmer willen,” herhaalde zij: „en ook dan zelfs, wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zou ik nimmer iets doen, hetgeen hem mishagen kon, hem aan wien ik alles verschuldigd ben en dien ik eeren moet, als een vader, ja meer dan een vader: want hij heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn.”

„Men kan het hem ten minste vragen,” zeide ik: „geef mij slechts uwe toestemming om mijn vader te verzoeken, met den Heer Blaek te spreken: dat is al wat ik verlang.”

„Hoor! ik wil oprecht met u zjn,” zeide zij, „en u niets verzwijgen. Mijn oom heeft zich vast in het hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen moet. Tot nog toe, (moet ik zeggen gelukkig voor mij?), stemmen vader en zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik zou moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn hand gedaan wordt.”

„Dus zou ik dan moeten wachten, tot Mijnheer Lodewijk goedvindt, zich in den echten staat te begeven, of op te stappen? – Mij dunkt toch, dat uw oom, bespeurende dat gij over en weer geen genegenheid gevoelt om zijn plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen houden. Hij heeft u en zijn zoon beiden lief: en zal uw beider ongeluk toch niet willen. Mij dunkt, ik zou mij sterk maken, hem zulks aan zijn verstand te brengen.”

„Ik vrees, ik vrees,” zeide Henriëtte; „maar ik heb er in zooverre niets tegen, dat gij het beproeft,” voegde zij er bij met een betooverenden lach.

„Heb dank voor deze vergunning,” zeide ik, haar hand met vurigheid aan mijn lippen brengende: „laat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen wij vereenigd zijn.”

Op dit oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en zoon, binnentreden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te bespeuren; althans hij toonde daar niets van: maar terstond naar Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar of zij reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld gevoelde.

„O!” zeide zij: „Ik ben zoo wel, of er niets gebeurd was.”

„Ik weet niet, Nichtje!” zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met een spotachtigen blik beschouwd had: „maar mij dunkt als men u wel aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien,” vervolgde hij, haar hand nemende: „gij beeft er waarlijk nog van.”

„In allen gevalle,” zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: „zou het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien noodlottigen avond nog ondervond.”

„Zoo, vriend Huyck,” zeide Lodewijk, als zag hjj mij eerst nu: „wel gerust? – Ja! ’t was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het helpen? Ik lij er het meest bij! En hoe heeft die stoffel van een Weinstübe het toch gemaakt? Jongens! wat zat de vent in de benauwdheid!”

„Ik ben uw dienaar, Mijnheer!” zeide de oude Heer Blaek, zich buigende: „wij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling. Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken: – hij heeft gewis wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zooals hij zegt, hij lijdt er het meeste bij: want het zal geen kleintje kosten om het jacht weer in ’t water te krjgen: – en er zullen wel wat reparatiën aan moeten gedaan worden ook.”

„En verhaal ons eens,” zeide Henriëtte, „hoe is het u verder gegaan?”

„O!” antwoordde Lodewijk: „men heeft mij wel lang genoeg laten wachten; maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij ’t jacht gelaten en ben naar Guldenhof getrokken en terstond, zoodra ik gekleed was, was het wederom inspannen om hierheen te rijden.”

„Gij gevoelt,” zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, „dat Lodewijk zich geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met zijn lieve nicht was gesteld.”

Onder dit praten kwam Suzanna weder binnen, met de boodschap aan de Heeren, dat Tante eenigszins vermoeid was, doch meende op te staan om hen te ontvangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en evenmin van de gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld van zoo dikwijls over hetzelfde te hooren praten, en bovendien belette mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te schenken aan hetgeen er gesproken werd.

Het was mijn oogmerk geweest, met Suzanna den volgenden morgen vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders bracht echter eenige verandering in ons plan teweeg: en, daar zij twee plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beiden na den eten met hen zouden terugkeeren: een schikking, waar niet veel tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men haar juist nu, nadat zij zulk een schrik had gehad, zoo alleen liet (want Henriëtte zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten van allen zeer goed, dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en inderdaad liever alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen later, ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam was geweekt. – De tweede persoon, die reden had om zich over de bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ikzelf: want ik zag mij daardoor teleurgesteld in het aangenaam vooruitzicht om nog dien avond in het gezelschap door te brengen van haar die ik liefbad. Men begrijpt echter, dat ik mijn verlangen om te blijven niet aan den dag dorst brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden, hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte geworpen, en een handdruk, die meer dan gewoonlijk beteekende, bij ons vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte: – en ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het rijtuig gezeten waren en het laatst vaarwel over en weder klonk, een traan in hare oogen meende te zien glinsteren.

In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs, dat Suzanna mij daarover bespotte; ik had echter twee zeer goede verschooningen gereed, namelijk: slaap en vermoeienis, welke mijn goede moeder alleszins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en mij tot slapen te zetten. Suzanna, die, niettegenstaande zij er mij mede gebruid had, zelve toch eenigszins de uitwerking der doorgestane vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle vrijheid bekwam, om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig gedoken, mij over te geven aan mijn verliefde droomen, welke, langzamerhand in werkelijke droomen overgingen; zoodat ik, toen wij de Weesperpoort binnenreden, in een gerusten slaap lag gedompeld.


[Hoofdstuk 24] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 26]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001