MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

HETWELK EEN VERVOLG IS OP HET VIER-EN-TWINTIGSTE.


„Dat zijt gij gelukkig ontkomen,” zeide de Heer Van Baalen, toen hij mij den volgenden morgen op het kantoor begroette: „gij hadt waarlijk tot spijs voor de visschen kunnen verstrekken; – belieft het u dezen brief in te zien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen.”

„In waarheid,” antwoordde ik, den brief aannemende: „het is eene bijzondere bewaring Gods!” en ik doorliep vluchtig het blad, dat ik in handen had.

„Men wil wel zeggen,” vervolgde hij, „dat die Jongeheer Blaek de rechte man niet is, om een jacht te besturen! – Is UEd. niet van oordeel, dat wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen?”

„Mij dunkt, dat de risico niet groot is,” antwoordde ik op de laatste vraag. „Ja Mijnheer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem te gaan zeilen,” was mijn bescheid op de eerste.

„Neen voorwaar!” hernam hij: „ik heb ook in mijn jongen tijd een boeier gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nooit goed weer: de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen. Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer ijverigen makelaar te nemen dan die De Wijs is: – ik heb nogal die nota niet ontvangen, waar ik laatst over sprak. – bovendien ben ik stellig onderricht, dat hij somtijds zaken voor zichzelf doet: en de zoodanigen wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun patroon noodwendig verwaarloozen.”

„Wat dunkt UEd.,” zeide ik, mij mijn vriend van de dichterenvereeniging herinnerende: „zoo wij Velters gebruikten?”

„Hm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat jong.”

„Des te ijveriger’ zal hij zijn en des te minder eigenwijs.”

„Dat moet ik u toegeven; – maar er is nog iets anders: – hij rijdt te paard: – en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar.”

„Niet anders als zeer vroeg in den morgen,” zeide ik: „en op voorschrift van zijn dokter; – maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap met anderen heeft zien rijden.”

„En dan,” vervolgde Van Baalen: „wat het ergst van alles is, hij maakt rijmpjes. – Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van groeien?”

„Wel!” zeide ik: „dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigszins over durf oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel laten varen.”

„Nu, fiat! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik veel verplichting heb gehad. – Wij kunnen het beproeven. – Zien wij verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met dat huis? – Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn.”

„Zoo is het, Mijnheer!” zeide de Boekhouder, het folio opslaande.

„Daar zal over geschreven dienen te worden,” zeide Van Baalen: „dat kan zoo niet gaan.”

„Heeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?” vroeg ik.

„Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten dit kan men geen handel drijven: maar ne quid nimis! zooals wij op de school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan, Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam: en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide huis getrokken; – maar alles kan mee- en tegenloopen: en ik heb er zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als het stadhuis. – Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt geweest? – En hoe luidde de boodschap?”

„Ja Mijnheer!” antwoordde de kantoorbediende: „En het briefje was meer geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt zich iets beter.”

„Nu! dat verheugt mij,” zeide Van Baalen: „zou hij er waarlijk bovenop komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest. – Hij bezit het vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad: – ik geloof zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke uitgebreide relatiën hebben als hij.”

„De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!” dacht ik bij mijzelf: „dan is het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar komt en opdrost.” Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde. En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien van Henriëtte Blaek.

Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed, dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om niet langer uit te stellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken. „Het is,” dacht ik, „alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer zijn en weder in staat mijn plichten naar behooren te ver vullen.”

Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het, het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te ontboezemen. Zij, dit wist ik, zou mij met verschoonende deelneming aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde, maar die wellicht mijn liefde af zoude keuren, of als een voorbijgaande neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was opgekomen.

Ik nam dan ook nog dienzelfden middag de gelegenheid waar, dat mijn vader in zijn kamer aan ’t werk zat, en dat Suzanna met de jongere kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk, dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en verstandigste vrouw zijn, koestert geene inzichten en wenschen omtrent haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan teweegbrengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoogoed als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben: zij omhelsde mij en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij mijn vader bepleiten.

Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben genomen, begon hij aldus:

„Uw moeder heeft mij gezegd, dat gij huwelijksplannen in ’t hoofd hebt.”

„Inderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij uwe goedkeuring konden wegdragen.”

„Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij, nu het den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens onberadenheid veroordeeld te worden.”

„Ik hoop,” zeide ik, „dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis vrijwaart.”

„Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de bedoelde Juffer gehoord:” (’t is zonderling, dat vaders in een dergelijk geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een mystieke kracht lag opgesloten), „zij ziet er lief uit, en ik kan klaar begrijpen, dat een jongmensch haar naar zijn zin vindt; – maar toch! een meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht.”

„Ik moet bekennen,” zeide ik, „dat uw beschuldiging veel grond heeft; maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken, dat ik, door een samenloop van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad, haar karakter te leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op den koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon, haar ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang: – en op het jacht, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en danspartijen ontmoet had.”

„Daar is wat van aan: – en met welk oog ziet zij u aan?” Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met Henriëtte. „Ik had niet verwacht,” hernam hij, „dat gij een dergelijken stap zoudt doen, alvorens uwe ouders daarover te raadplegen.”

„Ik betuig u, mijn vader!” zeide ik, „dat het volstrekt mijn voornemen niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch na hetgeen op het jacht was voorgevallen, kon ik niet nalaten te spreken.”

„Intusschen zie ik niet, dat gij nog ver gevorderd zijt.”

„Niet! – daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet onverschillig is?”

„Goed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijn toestemming waarschijnlijk zal terughouden: – en ik moet u betuigen da,t ik niet anders zeggen kan, of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog minderjarig is, zou hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen, door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in verwachtingen bestaat; – want gij weet het, wat ik u kan medegeven is weinig of niets.”

„Ik verlang ook niet,” zeide ik, „dat de Heer Blaek terstond in een huwelijk toestemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik zijn nicht oppasse, en zoo ’t heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat ik voor het oogenblik vergen kan.”

Mijn vader haalde de schouders op. „Na hetgeen gij met de Juffer gesproken hebt,” zeide hij, „hebt gij mij in een zekeren zin wel in de noodzakelijkheid gebracht om accès voor u te verzoeken. Ik zal den Heer Blaek belet doen vragen.”

„Vader!” riep ik, uitgelaten van blijdschap: „uw goedheid is grooter dan ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?”

„Stil,” zeide hij: „verheug u niet te spoedig en bouw geen luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel opeens vernietigen. – Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was inderdaad bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare oorzaak had. – Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen: – ianitor ante fores: ga nu heen: – ik beloof u, hedenavond nog zal ik aan den Heer Blaek schrijven.”

Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en Suzanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had geschreven, en dat deze geantwoord had, hem den volgenden avond te zullen afwachten.

„Nu hoop ik, Papa!” zeide Suzanna, „dat UEd. toch niet vergeten zult, al de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan besteden, dan aan hem.”

„Gij zoudt weldoen, mij die op een lijstje te geven,” zeide mijn vader: „misschien mocht ik er sommige vergeten.”

„UEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten lezen,” zeide Suzanna.”

Carminibus confide bonis,” zeide mijn vader: „maar Ovidius beweert nergens, dat men ook op prulverzen vertrouwen moet.”

„Nu!” hernam Suzanna: „dan moet UEd. het over een anderen boeg wenden en vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den dag legt door zoo, in vier of vijf dagen, welke hij met haar heeft doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is.”

„Ik zou die snaar maar niet aanroeren,” zeide mijn moeder, het hoofd schuddende: „ik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zichzelven de opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen.”

„In de tweede plaats,” vervolgde Suzanna: „moet UEd. hoog opgeven van Ferdinands zelfvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel hijzelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de vaste overtuiging, dat hij spoedig fortuin zal maken.”

„Och! gij maakt weer paskwillen,” zeide mijn moeder: „maar al heeft Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten: en, zooals ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te beginnen.”

„Wel ja!” zeide Suzanna: „wat zou men niet voor zulk een lief neefje doen? – Nu! ik zal eens zien, of zij in de bos voor hem blazen; want zij zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens gevraagd worde, waar ik op rekenen kan; – maar laten wij niet afdwalen: – UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren van ’t geheim, ’t geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand, zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen, iets van zijne liefde heeft laten blijken.”

„Dat was juist zoo lofwaardig niet,” zeide mijn moeder. „Ga maar voort,” zeide ik tot Suzanna: „ik ben nu best gestemd om geplaagd te worden.”

„Wel, gij zoudt mij haast doen zwijgen,” hernam zij: „want in dat geval heb ik er weinig eer van. – Voorts moet Papa breed uitweiden over de welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in één wip het hart van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gij zeggen kunt als César: ik kwam, zag en overwon.”

„Ik weet niet,” zeide mijn vader: „of het juist veel voor het oordeel van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur gegeven heeft.”

„Foei Willem!” zeide mijn moeder: „hoe kunt gij zoo iets zeggen.”

„Och! ’t is maar één paar bedorven,” zeide Suzanna: „maar gij moet denken, Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef, die bullebak, haar toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, de gelegenheid bij de haren te pakken. Ik weet, helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste, beminnelijkste, aardigste, geestigste meisjes, zonder geld, vruchteloos op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blauwbaard roepen: Anna! zuster Anna! ziet gij niets komen?”

„Ei zoo, Santje!” zeide ik: „ik wist niet dat gij er zoo over dacht? Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn.”

„Oho! hadt gij hoop, mij als een oude vrijster te zien sterven, en rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?

zooals Vondel zegt: – Och jongenlief! Stel dat maar uit uw zinnen: het zou de bloeien toch uit de hand vallen: en zij zouden hun vingers aan Tantes geld wel niet blauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens, wij hebben er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje zoo arm? – heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk doorgelapt, gelijk men verhaalt?”

„Gij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan,” antwoordde mijn vader: „Ik ben ambtshalve genoeg gedwongen om de geheimen van anderen te dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer. Wel weet ik dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen bezaten: zoo zelfs, dat zij beiden, eens weduwnaars zijnde, het vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen is dit gelukt: de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te vergaderen.”

„Hij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek,” zeide Suzanna: „althans zijn zoontje maakt nogal vertering, zonder dat het hem schijnt te hinderen.”

„Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen,” zeide mijn moeder: „maar wat bekommert gij u daarover kinderen! het geld maakt iemand immers niet gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij hebben toch genoeglijke dagen te zamen gesleten. Ik heb, dat beken ik, wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drukke bediening waar te nemen als bij doet, en dat hij wat meer tijd overhad; maar zonder werkzaamheden zou hij zich ook ongelukkig voelen.”

De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zooeven door den cijfermeester verlaten waren en nu het vertrek binnenstoven, deed het gesprek hier afbreken, en er werd dien avond over dat onderwerp niet meer gerept.

Men kan licht beseffen, dat ik den daaropvolgenden dag weinig rust of duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar huis kon spoeden, alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje, die mede in ’t geheim was gezeten vond, insgelijks in pijnlijke verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.

Er verliep echter nog een goed half uur alvorens wij de bekende schel hoorden overgaan. Ons aller harte klopte hevig bij zijn binnentreden; maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag: „wel! hoe is het afgeloopen?” ons op de lippen bestierf en wij elkander zuchtend aankeken.

Mijn vader plaatste zijn hoed op de tafel en nam zwijgend plaats. „Ik zie het al,” zeide ik: „het aanzoek is niet gunstig opgenomen.”

„Ziehier in substantie waarop het antwoord is nedergekomen. De Heer Blaek heeft mij zeer beleefd ontvangen, en betuigd, dat een verbintenis met onze familie hem zeer zou vereeren. Maar, volgens zijne meening rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest ware. – Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn toestemming niet geven tot een huwelijk met, iemand zonder middelen: zij was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: hij kende u volstrekt niet; – en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig was en zelve gerechtigd een keus te doen.”

„Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden? – Dat is toch wat hard en onbilijk.”

„Veroordeel den Heer Blaek niet,” zeide mijn vader: „ik kan hem zoo groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar reeds alleen gesproken, uwe liefde verklaard en antwoord van haar ontvangen; hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van dergelijke pogingen niet toestaan.”

„Hij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk,” zeide Suzanna wrevelig: „maar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien.”

„Kom! omhels mij, Ferdinand! en troost u,” zeide mijn goede moeder: „de tijd baart rozen: zoo gij haar wezenlijk blijft liefhebben en gij haar mede niet onverschillig zijt, kan alles nog terecht komen.”

„Rechtuit gezegd,” zeide mijn vader: „is het misschien beter zoo: – gij zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren dragen.”

Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden mijns vaders waren, het was van mij toch op dat oogenblik niet te vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zoude vrij treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige afleiding geschonken. Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen, dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huiselijken kring kan hebben opgevat.

„Ik kan niet mankeeren,” zeide hij, na eenige strijkages, „mij te komen informeeren naar de gezondheid van MejufFrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd. geene suites van die fatale historie hebt ondervonden.”

„Volstrekt geene,” antwoordde Suzanna: „en het eenige, wat er mij van bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers scheep te gaan.”

„En tevens kwam ik mij de eer procureeren,” vervolgde Reynhove, „van kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie, welke ik mij tot nog toe had meten refuseeren, en welke het gunstigste resultaat is van dat facheus geval.”

„Wij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid,” zeide mijn vader, glimlachende: „het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaffen.”

„De Heer Reynhove,” merkte Suzanna aan, „kan met recht zeggen, dat hij hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou geweest zijn.”

„Mejuffrouw drijft er den spot mede,” zeide Reynhove, een weinig verlegen: „en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben komen brengen; maar ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans effectueer.” Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan, dat zij een kleur kreeg en dat mijn moeder eenigszins bezorgd opzag.

„Men kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt,” zeide Suzanna, en zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: „heb geen zorg.” – „Wat mij betreft,” vervolgde zij tot Reynhove: „ik blijf nooit achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had, Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het ongeval getemoigneerd.”

„Foei Santje!” zeide mijn moeder: „gij moet dit niet als een compliment doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde.”

„Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen eloges,” zeide Reynhove: „ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben.”

„Dat is een mooi compliment voor Weinstübe,” zeide Suzanna.

„Ik kan het niet helpen,” zeide Reynhove, „zoo hij geen beter meriteert.”

„Nu!” zeide mijn moeder, altijd geneigd om beste zijde te zien: „hij is verschoonbaar: ik kan nogal vergeven, dat men bij een storm anderen vergeet en alleen om zichzelven denkt. Aan wal zou hij waarschijnlijker beleefder geweest zijn.”

„Ik twijfel er aan,” zeide Suzanna, het hoofd schuddende.

„En dan,” voegde Tante Letje er bij: „ik ken den mensche niet; maar, een zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben dat de ure des oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en bekeering.”

„Dat is wel mogelijk,” zeide Reynhove: „want hij heeft dien avond meer gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet.”

„Welnu,” hernam Tante: „UEd. ziet, dat ik gelijk heb: – en alzoo acht ik het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek.”

Reynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar hij was te wellevend om er iets op te antwoorden: Suzanna beet zich op de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op de tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom het woord op.

„Tante!” zeide ik: „neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor hun medemenschen te zijn.”

„Dat heb ik,” zeide Tante: „want er staat geschreven: Niet zij, die roepen: „Heere! Heere!” maar zij die den wille des Vaders doen, zullen het koninkrijk Gods beërven.”

„Welnu,” vervolgde ik: „op de groote levensreis zijn wij verplicht ons leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden, dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht, om op een bank te liggen zuchten, maar wel, om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren: en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden was.”

„Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!” zeide Tante, „dan hebt gij gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige stemming had pogen te brengen.”

„Mijnheer!” zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: „ik declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar waarljk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken, waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer geene louanges, die mij niet toekomen.”

„Dat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!” zeide mijn vader, „en doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden, dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het weinigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt, een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te worden.”

„En ik, Mijnheer!” zeide Reynhove, „kan u van mijne zijde declareeren, dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren.”

„Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van HH. Hoogmogenden?” vroeg mijn vader. – Reynhove boog.

„Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest. Hij was een mijner beste vrienden.”

„Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken,” zeide Reynhove, „en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen.”

„Wij zeiden dikwijls onder ons,” vervolgde mijn vader: „Reynhove zal nog eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de primus inter pares en de geboren Voorzitter van alle mogelijke Studenten-commissiën. – En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook reeds deze of gene betrekking?”

„Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer geambitionneerd heb.”

„Des te erger, Mijnheer! – Iemand van uwe jaren, die niet geheel van bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten, dat de Staat recht heeft op zijn arbeid en talenten:

Hos ante effigies maiorum pone tuorum.

Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen.”

„Spreek toch niet zoo, Papa!” zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar langdurig stilzwijgen bewonderd had: „’t Is uit klinkklare edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert.”

„Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!” herhaalde Reynhove, verbaasd.

„Wel ja,” hernam zij: „er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove, die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil.”

„UEd. is te goed, Mejuffrouw!” zeide Reynhove: „maar ook dezen lof moet ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest is gekomen.”

„Het zou bovendien geene verschooning zijn,” zeide mijn vader: „zoolang er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader er over denkt gelijk ik.”

Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.

„Maar ik vergeet,” vervolgde mijn vader, „dat UEd. mij niet zonder reden zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat. Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien.”

„Ik schrijf,” zeide Reynhove, „dit liever toe aan UEd. belangstellende vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij verdient gemediteerd en betracht te worden.”

„UEd. neemt het recht heuschelijk op,” zeide mijn moeder: „mag ik vragen, waar UEd. gelogeerd is?”

„Bij den Heer Blaek,” antwoordde Reynhove: „ik heb zijn zoon op de paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren.” Mijn vader keek eenigszins atrak; maar hervatte spoedig met minzaamheid: „ik twijfel niet, Mijnheer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn.”

„O ja, Mijnheer!” zeide mijn moeder: „maar vergeet niet, dat het geen Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen.”

„UEd. heeft te veel goedheid,” zeide Reynhove: „zijt geassureerd, dat ik er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van zoo wel in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn.”

Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij mij bij de hand: „Ik had nog een verzoek aan u,” zeide hij: „maar ik dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier: hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de Tweehonderd Roe. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?”

„Ik dank u,” antwoordde ik, „ik moet aan ’t kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel drukten.”

„Het spijt mij,” zeide hij: „nu, au revoir dan.”

Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in ’t vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.

„Kom! kom!” zeide mijn vader: „ik zou het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil. ’t Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat.”

„En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt,” zeide mijn moeder.

„Dat is Haagsche stijl,” zeide ik: „en hij doet het niet erger dan anderen.”

„Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaans spreekt,” zeide Tante Letje.

„En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?” vroeg ik, bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: „hoe gevalt hij u?”

„O! ik vind hem zeer naar mijn zin,” antwoordde zij: „gij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen- en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is.”

„Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag,” zeide ik: „hij verdient, volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat.”

„Volstrekt niet,” hernam zij: „want hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das. – Het portret van den saletjonker uit den Verliefden Poëet van Buysero is volkomen op hem toepasselijk:

„Santje! Santje!” zeide ik: „biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken.”

„Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt,” zeide mijn moeder: „een jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer; het mocht haar naderhand berouwen.”

„Juist zoo!” voegde mijn vader er bij: „want de oude spreuk zegt terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat.” Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had. – Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept: ’t zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen even diep had doen gevoelen alsof het haar eigene zaak geweest ware: ’t zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove eene bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?

„Wel ja!” antwoordde Tante: „heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?” Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.

„’t Is waar!” zeide ik: „ik had het vergeten.... ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde.”

„Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u,” zeide Tante in haren eenvoud des harten: „zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef! – Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch, die Heer Van Beveren, dat moet ik zeggen.”

„Van Beveren!” herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: „waar hoort die man te huis?”

„Te Deventer,” antwoordde Tante: „doch hij schijnt hier welbekend; althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen.”

„Te Deventer! zoo!” herhaalde mijn vader, nadenkend: „en heeft u die Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?”

„Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote wereld leeft.”

„Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?” zeide mijn vader, „dat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn.”

„Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?” vroeg Tante, met eenige bezorgdheid. „Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken.... er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt.”

„Gij zult toch niet denken, Willem!” zeide mijn moeder: „dat Heynsz verdachte lieden zal herbergen?”

„’t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen,” hernam mijn vader: „maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist. – Zn Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?”

„Och Vader!” zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: „Tante zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent.”

„Ei! heet zij Amelia?” vroeg mijn vader: „gij schijnt reeds vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen.”

Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:

„’t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd.”

„Dat is zeker,” zeide ik, moed vattende, „dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge.”

„Niet?” zeide Tante: „en gijzelf, Neef! hebt haar zoo zeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstooten.”

„Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer, die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles.”

Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.


[Hoofdstuk 24] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 26]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001