MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN GELEERD WORDT, HOE MEN BEST OUDE PAARDEN VERKOOPT EN JONGE BEDERFT.


Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid aan ’t kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling. Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft, verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en waarbij de verbeelding mede in ’t spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten die te gevoelen.

Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. „Kom!” dacht ik, na een wijl gepeinsd te hebben: „ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mijzelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken. Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de weddenschap is afgeloopen?”

Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen halfzeven aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had plaats gehad, welhaast moesten terugwezen. Een vrij talrijk gezelschap zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen, te paard of in hun sjeesen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden, beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige uitzonderingen na, ridders van de zweep: en de onderscheidene gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten, door hen verricht, in al hun kleuren opgevijzeld; hun betrekkelijke waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz. enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was; doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.

Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een kort: „hoe vaart Mijnheer?” wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier bevond. – Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist, waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.

„Huyck’” riep hij: „foor wien wed jij?”

”Voor geen van beiden,” antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als wilde ik mijn wandeling vervolgen.

”Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie toepeltjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de rest.”

„Ik zou u gaarne dat genoegen doen,” zeide ik: „maar ik wed niet zoo maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ternauwernood en het paard van Reynhove in ’t geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende waarde niet kan oordeelen.”

Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in ’t geheel niet wedde; want nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.

„Laat je dat niet afschrikken, Mijnheer!” zeide een dikke vent, wien ik naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd paardenkenner was: die beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat ’s waar; ’t bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil: des te minder zit hem zijn vet in den weg: – en as je ’t zoo ziet afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien bienen deur mekaer of het mal was; – maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den langen weg – en ze alle achter hem laten. Kijk! – het zakkie dubbeltjes durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om meer te doen; – maar hou jij gerust de rest: ’t zel je geen schae doen: zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet.”

„Ik wil het best gelooven,” zeide ik: „maar in zoodanige gevallen ga ik niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het alvorens gezien te hebben.”

„Nou, dat ’s waar ook,” zeide hij: „maar anders!.... Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van paarden heit; want anders ben je nog niet sekuur al heb je ze gezien: dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek die ouwe knol van hem an verkocht heit.”

„Ja!” zeide Weinstübe, grinnikende: „dien heeft hij oud peet kehad.”

„Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs? – Nou! die goeie man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder wat kocht; maar jawel! – hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden dag den nek niet mee gebroken heeft.”

„Maar dat is niet veel beter dan stelen,” zeide ik: „op deze wijze van eens anders onnoozelheid partij te trekken.”

„Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!” riepen eenige stemmen. Alles stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.

Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen, en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet lang. of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men nog door den afstand kon onderscheiden, welk het eerste was.

„Zij zijn er waarachtig allebei!” riep de een, – „zij hebben mekaar goed bijgehouen!” riep een ander. – „Nou! wat braatje nou van uithouen?” vroeg Weinstübe aan Krijn Jaspersz: „je ziet immers, dat de peesten an mekaar kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je ’t afmaken willen foor de helft.”

„Patientie!” zei de kastelein: „de laatste loodjes wegen het zwaarst.”

„De ruin is voor!” riep opeens een stem. „Neen! neen!” zeide een ander: „de blessen winnen het.”

„De blessen winnen het!” riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag ik nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene; ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild over den weg heen en weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met een gelijken gang vorderde.

„Hoera!” riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: „had je nu mijn foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toeppeltjes is mein.”

„Hoezee!” riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek, die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden. Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet. Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven. Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaven bewijs dat het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den kastelein der Twee honderd Roe. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek hadden zich overloopen: het eene lag, zooals ik gezegd heb, op den grond en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en bracht men beide op stal.

„Jongen! dat is jammer! – Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal doen! – Zij hadden zich zoo mooi gekweten! – Je bent den ander toch vooruit gebleven! – ’t Mag wezen hoe ’t wil: ’t is beter, dat ze crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz. enz.” – Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij op zijn overwinning; ofschoon hem die waarschijnlijk een paar goede paarden kosten zoude.

„Ik ben toch de baas gebleven!” riep hij Reynhove toe, met een zegevierenden blik.

„Dat geloof ik wel,” zeide deze, met spijtige bedaardheid: „gij waart schier aan ’t hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo’n wijze zoude ik niet willen triomfeeren.”

„Heb ik het niet gezeid?” zeide Krijn Jaspersz: „’t is een bloot toeval en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet had willen sparen, was hij nog de baas gebleven.”

„As! As!” herhaalde Weinstübe: „asch is verbrante tourf: en je pint toch je toeppeltjes kwijt, man.”

„Dat ben ik,” zeide Krijn: „heb daarover geen zorg; maar dat belet niet, dat ik op zoo’n manier geen weddenschap zou willen winnen.”

Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.

„Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid,” antwoordde ik: „het is mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen.”

„Vol! Mijnheer!” herhaalde de waard: „wel neen! zij zitten maar metter zessen daar gunter in den koepel: ’t is zeker anders wel de gewoonte, datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken converseeren. – Nou! ’t is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen?”

Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden, dat voor hen was vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.

„Nou, wat mot ik zeggen?” vervolgde de waard.

Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard, indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.

„Wel! ik moet zeggen,” zeide Reynhove, toen hij mij zag: „het kost niet weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idée, en dan laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken.”

„Ik houd niet van mij in te dringen,” zeide ik: „en blijf slechts een oogenblik. „Wel, ik hoop van beter,” hernam hij: „maar neem plaats: ik weet niet of gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf, Van Ranst, officieren te Naarden in garnizoen.

Ik boog mij en nam plaats.

„Wat is dat voor een bocht van wijn?” riep Lodewijk, die mij slechts even met een hoofdknik had begroet: „Jan! haal anderen wijn: denk-je, dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst.”

„Het heeft weinig gescheeld,” zeide ik tegen Reynhove, „of gij hadt den prijs behaald.”

„’t Heeft genoeg gescheeld,” zeide Lodewijk: „ja! laten zij maar komen, die het tegen de blessen uithouden.”

„Nu ja,” zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van Lodewijk: „indien ik mijn paard had willen abimeeren, zooals gij uwe beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn.”

„Nu vraag ik aan elk verstandig mensch,” zeide Lodewijk, met een luiden lach, „of zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht is? – Wat duivel! die zijn paarden sparen wil, moet niet wedden. – Wat zegt gij er van, Weinstübe?....”

„Das ist recht,” antwoordde deze: „onze freund Reynhofe sol het auch gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten wollen.”

„Wacht eerst, tot het te koop is,” zeide Reynhove; „intusschen ben ik gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan Guldenhof toe: en voor het dubbele geld.”

„Of ik mal ware,” zeide Lodewijk: „kom over veertien dagen eens weer, dan zullen wij er nader over spreken.”

„Over veertien dagen,” zeide Reynhove: „zullen de blessen wel denzelfden weg zijn opgegaan als de witvoet.”

„Dat ware altijd een laatste uitkomst,” zeide Lodewijk, lachende: „ja! van dat ouwe dier ben ik zeker wel afgekomen.”

„Van den witvoet?” herhaalde Reynhove, met verbazing. „Wat was dat? – Eilieve vertel eens!” vroegen de Officiers: „heb je nog geld aan dat oude beest verdiend?”

„Ja kottorie!” zeide Weinstübe: „laat Plaek dat eens vertellen: je houdt waaraftig je pijk fast fan ’t lachen, as je ’t hoort.”

„Wel, luistert dan,” zeide Lodewijk, zijn glas inschenkende, waarna hij zich, met de handen in de vestzakken, achterover in zijn stoel wierp en de houding aannam van een ouden gediende, die een treffelijke krijgsdaad gaat verhalen: „Gijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?”

„Een best goed kalf van een jongen,” zeide Contour: „’t is nog zoowat een brok van een neef van mij: wij plachten hem altijd te foppen, toen hij klein was: maar er was geen eer met hem te behalen; de sul liet zich alles doen.”

„Ik heb hem een paar reizen ontmoet,” zeide ik: „hij kwam mij voor een beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere gezondheid en wat ruimer middelen.”

„Ja!” zeide Weinstübe: „recht zoo! ’t is een khale rot; maar hij werkt koet: hij petient ons wel als makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd bront en oblizant.”

„Juist zoo!” zeide Lodewijk: „welnu! – Gij hebt allen dien witvoet van mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi oud, gebroken en hardademig was, en zoo blind, dat ik al last had gegeven om hem dood te schieten. – Maar of ik blij ben, dat ik het niet gedaan heb. – Verleden, week, moet gij weten, zit ik bij den ouwe in zijn kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat de ouwe in de Westerkerk voor zich had laten koopen.”

„Jongen!” viel de Luitenant Reekalf in: „heeft de ouwe plan om op te stappen? Dat zou je goed komen, vrindje?”

„Dat zou het net,” zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van verontwaardiging op den officier wierp: „nu: – de knaap zag er zoo ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat de ouwe hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte: „niet te best,” was het antwoord: „ik ben verleden week naar Leiden geweest om Professor Boerhave te raadplegen: en die heeft mij het paardrijden aanbevolen.” – „Zoo!” zeide mijn vader: „en heb je zijn raad al gevolgd?” – „Ja Mijnheer!” was het antwoord van Velters: „ik heb al een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool: ik wenschte wel, dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen verstand van.” – Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af, liet onzen maat zijn zaakjes met den ouwe afhandelen en wachtte hem aan de voordeur af: „Zeg eens, Sinjeur Velters!” zeide ik, toen hij aftrok: „jij woudt gaarne een mak beestje hebben, nietwaar?” – „Jawel! Mijnheer Blaek!” zeide hij. – „Nu man! zoo weet ik er een voor je,” zeide ik. „Er staat er nog een bij Jaspersz op stal; dat is net je gading. Zij zullen er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je, om te zorgen, dat je niet beetgenomen wordt. – Daar was onze man over de huizen, gelijk gij denken kunt. Wel tienmalen zeide hij, hij wist niet, waar hij zooveel beleefdheid aan verdiend had: enfin! ’t was aandoenlijk om zijn dankbaarheid te zien. – Ik sprak met hem af, hij zou den volgenden morgen tegen zeven uren bij Jaspersz op stal komen, om het beestje te zien, en dan zou ik er ook wezen. Nu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz; ga zelf den man spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet wat later: daar stond onze maat al sedert een kwartier bij het beest, met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, alsof er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen.

Jongens! ons Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te zeggen. – „Zoo!” zeide ik: „vriend Velters! heb je den knol al eens geprobeerd?” – „Neen Mijnheer!” antwoordde hij: „en ik weet niet, of bij mij wel lijken zou; want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi wild en vurig wezen: en dat lijkt mij niet; maar Mijnheer!” vervolgde hij, terwijl hij mij zachtjes ter zijde trok: „heeft het paard niet een ingezonken rug? dat is immers een gebrek?” – „Hm!” zeide ik: „dat hindert niet, wanneer het gezadeld is; anders, mooi staat het niet, daar hebt gij gelijk in; – maar wij zullen eens zien. Haal het beestje maar eens uit, Jaspersz! – Jongens!” fluisterde ik Velters in, terwijl Jaspersz het beest liet opzadelen: „zie je wel hoe zuur of Jaspersz kijkt, dat ik meegekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan foppen, al wou hij.” – Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een handgalopje: – want ik was bang dat hij er in ’t geheel niet mede voort zou komen, zoo ik het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. „Wel! wat zeg je er van?” vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. „Mij dunkt, het loopt vrij aardig,” zeide hij: „maar zou het niet wat te gauw moe zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf.” – „Ja!” zeide ik, „dat dunkt mij ook, Jaspersz!” – „Och Mijnheer!” zeide deze, terwijl hij een groote pruim tabak in den mond stak, om niet te lachen: „dat is van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal geweest.” – „Maar!” zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan ik dacht: „struikelt het niet nu en dan wel eens?” – „Dan heb je hem niet goed op den toom gehouden,” zeide ik: „toen ik hem reed heeft hij niet gestruikeld.” – „En hoe oud is het beest wel?” vroeg hij alweer. „Ja,” zei Jaspersz: „piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toch wel niet halen.” – „En,” vroeg ik, „wat moet dat juweel nu gelden?” – „Honderd dukaten,” antwoordde Jaspersz: „en daar valt niets af te dingen. Ik heb er nog gisteren vijfhonderd gulden voor geweigerd aan Mijnheer Zadelhoff, dien Mijnheer kent.” – „Honderd dukaten!” herhaalde ik op een toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lachen moest om het scheef gezicht, dat Velters zette: „wel dat zou de duivel! – Neen man! mij dunkt. f 400 is een mooi bod – of althans – Monsieur Velters moet het weten; maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven.” – „Neen zeker!” zei Velters, die bleek van angst was: „en zelfs f 400 is wel een honderd gulden boven mijn prik; ik ben geen man van de Nieuwe Heerengracht, zooals Mijnheer Blaek.” Toen trok ik hem op zij: „hoor,” zeide ik, „’t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in den steek laat.” Hij zat er deerlijk in, maar dorst niet teruggaan: – en om het maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten werd de koop voor f 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl Jaspersz hem achternariep, dat hij nu een beest had, waar hij de wereld mee uit zou rijden. ’t Kan wel waar zijn ook; want vandaag of morgen rijdt de blinde knol den Amstel met hem in.”

„Nu! die was heerlijk!” riepen de Offlcieren; „vierhonderd vijftig gulden voor een knol, die het doodschieten nauwelijks waard is. – Nu! dat verdient zoo’n beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan recht dapper gehouden.”

Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, evenals ik, stilzweeg en het hoofd schudde. Wat mij betrof, ik. was verontwaardigd over een zoo schandelijk bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was jegens iemand, die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer ergerde, was de onbeschaamde wijze, waarop men zich nog dorst verhoovaardigen en lofspraak vergen op een daad, die mijns oordeels een geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer bedwingen; maar, niet gezind mijn gedachten ongevergd te uiten, bij lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag, wat de arme Velters toch wel gezegd had, toen hij naderhand ontdekte, hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.

„Bedrogen!” herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: „vergun mij u te zeggen, Mijnheer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet te pas komt. Gij meent ongetwijfeld: toen hij bemerkte, dat ik hem bij den neus had gehad.”

„Indien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is,” zeide ik, koeltjes, „dan heb ik er vrede mee: de beteekenis blijft toch dezelfde.”

„Toen hij het bemerkte,” vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn woorden te hechten, toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar bleef het bij. Denk je, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men hem beet heeft gehad? – Of dat hij zou durven klagen over mij? en gevaar loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?”

„Des te erger,” zeide Reynhove, met warmte: „ik zou het u pardonneeren, indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd, of wel een cavalier, gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren.”

Ik knikte goedkeurend bij deze redeneering, die mij zeer behaagde, al was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde zich ten hoogste gebelgd over hetgeen hij een beleediging noemde: en er zou twist ontstaan zijn, indien de overigen er zich niet tusschen gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.

„Hei ho!” riep nu opeens Lodewijk: „wie komt daar aan? – Lucas Helding, zoo waar ik leef! blazend en zweetend als een narrepaard. Hier!” schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: „hier vriend Helding! hier moet gjj wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen.”

2106.gif (39051 bytes)Ik keek uit! en inderdaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de hand, en het gezicht zoo rood als een kalkoensche haan, terwijl hem het zweet tappelings langs de wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op, bij den aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik had den goeden man wel willen waarschuwen tegen het gevaar, dat hem bedreigde, maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond reeds op den drempel van den koepel te buigen.

„Wel poëet, kom binnen!” riep Lodewijk: „waar komt dat zoo vandaan? Maar drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching noodig.”

„Veels te veel goedheid,” zeide Helding, nadertredende en het hem aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: „uwe gezondheid Heeren! – Ik was de slatuintjes eens rondgekuierd; ik dacht niet, dat ik op weg naar huis nog kennissen zoude vinden.

Allons! ga zitten,” zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en op een stoel plakkende: „en drink nog reis. Zeker ben je weer aan ’t verzenmaken geweest onderweg. Toe! laat hooren; wat heb je bij je?”

„Is Mijnheer een dichter?” vroeg Contour, een blij gezicht zettende.

„Een dichter?” herhaalde Lodewijk: „puf nou poëetjes! ’t is de baas van ’t gansche land! Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?”

„Is UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens verzen mij zoovele aangename uren hebben doen doorbrengen?” vroeg Contour, met een gemaakte verbazing: „wel, ik had nooit durven droomen, dat ik het geluk ooit zou hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te drinken.”

„Te veel goedheid,” zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: „maar hoe kan Mijnheer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag? want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige....”

„O Xijnheer!” zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende: „alsof wij geen kopieën van uw werken hadden; – maar mijn vriend is mij vooruit geweest: gun mij thans ook de eer....” En er werd op nieuw geklonken.

„Ik ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te maken,” zeide Reynhove. „Ich wil auch een klaasje wein mit UEd. trinken,” zeide Weinstübe. „Ik mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen,” riep Van Ranst: – en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende, zag zich genoodzaakt met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had, verzocht hij mij uit zichzelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij te klinken.

„Ik kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!” zeide Contour, „dat er geen dichter is, wiens verzen meer bij ons regiment bewonderd worden, dan de uwe.”

„Het gaat zooverre,” zeide Beekalf„dat twee Luitenants, een Vendrig en drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten hen het parade-uur had doen verzuimen.”

„Wat praat gij van arrest,” zeide Van Ranst: „ik ken er verscheidenen, die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.”

„’t Baat zooverre,” hernam Contour, „dat onze Kolonel laatst, in stede van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide.”

„Wij hadden bij ons een Cadet,” zeide Reekalf, „wiens dood gij op uwe rekening hebt.”

„Zijn dood!” riep Helding in verbazing uit: „UEd. spot er mee.”

„Volstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door ’t hoofd gejaagd.”

„Wel! is het mogelijk?” hernam Helding, de handen van verbazing in elkaar slaande: „ik ben er waarachtig van ontsteld.”

„Toe geschwind! trink tan tegen den schrik,” zeide Weinstübe, hem inschenkende.

„Voor den drommel!” zeide Van Ranst: „ik, die hier zit, heb al zes officieren van de Garde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest was.”

„Hemel beware ons!” riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde schuivende; want Van Ranst, die een groote zwaarlijvige kerel was met dikke knevels en bakkebaarden, zag er inderdaad vervaarlijk uit.

„UEd. is immers,” hervatte Contour, „de maker van dat lieve dichtstukje op.... hoe heet het ook?.... Eilieve, Reekalf! help mij eens op den weg.”

„Wel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te zamen lazen,” zeide deze. „Welk bedoelt UEd.?” vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen naar den anderen kant wendende: „ik kan niet nagaan....”

„Wel! dat verliefde stukje,” zeide Van Ranst: „ik heb het den vijfden van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop gekloofd had: maar nu ben ik het waarachtig vergeten.”

„Dat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren laten,” zeide Weinstübe.

„Misschien,” zeide Helding, „meent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in het kinnetje van Phyllis!”

„Juist!” antwoordde Contour: „’t geen aldus begint.... ochl hoe begint het ook weer?”

Lief kuiltje!....” hief Helding aan.

„Juist: lief kuiltje.... Stilte, Mijne Heeren! Ga voort, mijn waarde Heer Helding!”

„Ja! maak dat wij uit dat kuiltje komen,” zeide Lodewijk. – En Helding, die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:

„Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,
Als in een zacht satijnen bed!....”

„Een satijnen bed. – Juist! recht poëtisch!” – viel Reekalf in.

„Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen,
Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen,

Wier vier elk hart in vlammen zet.”

„Precies!” zeide Contour: „er kwam van kolen in.”

„Die kolen maken een lumineux effect,” zeide Beynhove.

„Wier vier het hart in vlammen zet,”

herhaalde Reekalf: „wat is het aardig uitgedacht en geestig volgehouden: gloeiende kolen en een vlammend hart! Laten wij eens drinken, om dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid, Monsieur Helding!”

„Om u te bedanken, Mijne Heeren!” vervolgde hij: „maar het zal mijn tijd worden, om huiswaarts te keeren.”

„Ja!” zeide ik: „ik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij zullen een eindweegs samen gaan, vriend Helding!”

„Wel ja! Waarom niet den geheelen weg,” zeide Lodewijk, mij spottend aanziende: „dan kunt gij nog in ’t voorbijgaan een bezoek afleggen bij uw Dulcinea, die beneden hem woont. – Neen, neen! Wij gaan allen samen heen.”

„Ik heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont,” zeide ik, op een ernstigen toon: „en gij, Mijnheer Blaek! weet dat zoogoed als iemand.”

„Nu! wij blijven ook niet lang meer,” zeide Reynhove: „en wij gaan samen heen; – maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren.”

„Kottorie neen!” zeide Weinstübe: „wou je nu al opkrassen? het mooie moet nog ankomen.”

„Wel, het zij zoo!” hernam ik: „maar dan gaan wij ook.”

„Als de Heeren het dan zoo verkiezen,” zeide Helding: en hij vervolgde aldus met zijn gedicht:

„Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij ’t kunt verhalen,
En prent het mij ter dege in,
Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deed u pralen,
Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen,
In ’t midden van die ronde kin?”

„Bravo! bravo! – Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien na een zoo lange wandeling.”

„In ’t minste niet: – nu antwoordt het Kuiltje, Mijne Heeren!”

„Een sprekend Kuiltje! hoe geestig!”

„Toen Venus zelf ’t gelaat, waarin men mij ziet prijken,
Door hare gunst te voorschijn bracht,
Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.
Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken,
Die oogen, vol van tooverkracht.”

„’t Is onnavolgbaar!” galmde Reekalf uit.

„Dat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken,
Dien fijnen neus, zoo wel besneên,
Dien wenkbrauwboog, om ’t oog zoo zuiver heengetrokken,
Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken.”

„Foei! Jokte Phyllis?” merkte Reynhove binnensmonds aan.

„’t Komt zoo in ’t rijm te pas,” fluisterde ik hem toe.

„Jokken beteekent hier zooveel als schertsen,” zeide Helding, aan wiens nauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:

„Die tandjes, wit als elpenbeen,”
„Toen zei zij: „aan mijn werk mag heden niets ontbreken,
En, als de moeder van de min,
Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met een teeken,
Dat elk herken.” Zoo sprak ze, en drukte, al onder ’t spreken,
Haar duimpjen in de kin.”

Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik begon berouw te gevoelen, van hem niet voor het einde van het gedicht te hebben medegevoerd, daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet ontgaan zou. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem de laag gaven, zelven mede hun bekomst zouden krijgen, rees ik op en wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en, zoo mogelijk, Helding mede te krijgen, toen het gesprek opeens een wending begon te nemen, welke mij blijven deed.

„Wat ik bovenal admireer,” zeide Reynhove, terwijl hij den dichter bij zijn knoopsgat hield, „is de varieteit, respireerende in de differente poësies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gedediëerd. Zeker heeft u het sujet geïnspireerd.”

„Ongetwijfeld, Mijnheer!” zeide Helding: „wie zou niet in heilig vuur ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wij hare gezondheid niet eens drinken, Mijne Heeren?”

Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien. bij een gelegenheid als deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot ontevredenheid.

De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die ellendige Weinstübe voegde er bij: „dat is een gonditie, die onze frund Plaek zich vooral wel zal aantrekken wollen. Immers; hoe staat es? Pin je ’al keënkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?”

„Niet zoo mal,” antwoordde Lodewijk: „zij is geen onaardig bekje en zou wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen.

Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te trommelen – en bedwong slechts met moeite mijn toorn.

„Maar toch, Plaek!” zeide Weinstübe: „man sagt, der Her papa wil mit alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt.”

„Ja! dat heeft de ouwe zich in ’t hoofd gezet, Joost weet waarom! althans hij gunt haar aan geen andere.” – Hier zag hij mij aan met een schampere uitdrukking, die mij het bloed in ’t gezicht deed stijgen: „doch,” vervolgde hij: „als ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben, en geen kale rot, die op haar best,” enz. Hier bezigde hij eenige uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe en de officieren met een luid gelach werden aangehoord.

Er had een hevige strijd in mijn binnenste plaats, Ik had te veel eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een dergelijk gezelschap tot onderwerp van een twist te doen strekken, en haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant: maar aan een anderen kant was het in mijn oogen een ellendige laagheid, te dulden, dat zij in mijn bijzijn tot onderwerp moest strekken van zulk nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te kennen te geven, kwam Reynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte aanleiding, om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud te mengen.

„Vriend Blaek!” zeide Reynhove: „gij doet verkeerd, aldus over uw cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zou ook zonder geld in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te appreciëeren: en daar zijt gij de man niet naar.”’

”Dunkt u dat?” vroeg Lodewijk: „welnu! trouw haar dan zelf: en geluk er mede.”

„Het verwondert mij,” sprak ik nu op mijn beurt, „dat de Heer Blaek op een zoo losse wijze spreekt van een naastbestaande, die wellicht door geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althans boven alle lofspraak verbeven is.”

„Wat weet gij daarvan?” vroeg Lodewijk: „omdat gij een paar keeren alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet. Loop heen! wij weten, wat wij weten.”

„Ik weet,” zeide ik, „dat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen.”

„Wat!” riep Lodewijk uit, terwijl hij opstoof van zijn stoel: „weet gij wel wat gij zegt?”

„Niet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uwe nicht.”

„En wie duivel heeft u opgedragen, haar ridder te zijn?” vroeg Lodewijk: „maar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, biijnheer Huyck!”

„Ik ben uw seconde, Blaek!” zeide Van Ranst, zich oprichtende en de breede borst omhoogzettende.

„Ja kottorie! dat kun je niet onder je laten, Blaek!” zeide Weinstübe.

„Wees toch zoo dwaas niet, Blaek!” zeide Reynhove, tusschen beiden tredende: „onze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een impardonnable wijze van uwe nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever en état blijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de quaestie afgedronken worden.”

„Ja!” mompelde Helding: „dat is naar mijn hart gesproken, laat de quaestie afgedronken worden.”

„De Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk,” zeide Contour tegen Lodewijk: „gij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uwe eigene nicht.”

„Ja! das ist auch waar,” zeide Weinstübe: „laten wij er maar nicht meer over spreken und ein klaasje von frundschap trinken.”

„Met genoegen,” zeide Lodewijk: „indien Huyck mij naar behooren excuus wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich tegen mij heeft veroorloofd.”

„Ik geloof,” zeide ik, „dat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn geweest, en kan geene verschooning vragen voor hetgeen ik op goede gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk had, u te beleedigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uwe nicht tegen alle blaam te handhaven.”

„Die reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!” zeide Reynhove: „kom! wees geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij u-zelf een ridicule zoudt geven. – De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden.”

„Ach ja!” zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig, het glas aannam, dat Contour hem opdrong: „de eer van een meisje is een teeder punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wanneer men zoo los over u sprak, niemand zou het voor u willen opnemen!” – Hier liepen de tranen den man, wien de wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs de wangen.

„Wat ist das!” vroeg Weinstübe: „wat hebje te hijlen und te lamenteeren? Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken.”

„Och! mijn waarde Heer!” zeide Helding, terwijl hij den aangeboden roemer al snikkend ledigde: „Ik kan nooit over een lief meisje hooren spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed was, en thans.... och! och! – Mijnheer Lodewijk zal zich wel herinneren, welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm haar.... och! och!”

„Ik!” zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, hetzij door de uitwerking van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: „wat weet ik van uw dochter af?.... Doch ja!.... ik herinner mij.... zij is het pad opgegaan, nietwaar?”

„Ja Mijnheer!” antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van Lodewijk beleedigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijkgemaakt: „zij is het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar altijd het goede voorgehouden en liefgehad: – en haar schande komt alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Ziet Mijne Heeren! ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider wist, die mijn geluk verstoord heeft: ik zou hem opzoeken en in ’t aangezicht slaan. Neemt het mij niet kwalijk, Mijne Heeren! Bij allen zijt nog jong en neemt het misschien zoo nauw niet; maar indien gij nadacht, hoe uwe onbezonnenheid iemands geluk voor eeuwig kunnen verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou al die verzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien, indien ik daardoor slechts mijne arme dochter terughad.”

Helding had op dit oogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn houding: het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem elken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijne dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog iets eerbiedwekkends verkregen. – Het was echter niet meer dan een flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan was.

Het scheen, dat zijn zedenpreek Lodewijk en zijn vrienden weinig aanstond; althans de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te gaan zoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te beduiden, dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar huis te gaan. Na een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en, afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.

 


[Hoofdstuk 25] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 27]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001