MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN ONZE HELD IN NIEUWE ONAANGENAAMHEDEN WORDT GEWIKKELD.


Ik had nog nauwelijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen die zelfde Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotseling bij den arm nam: „het is toch zonde en jammer,” zeide hij: „te moeten aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is.”

Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd; en een misstap, dien hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij aantuimelde, deden mij overtuigend zien, dat hij dronken was, althans door den plotselinge overgang uit den warmen koepel in de lucht, bevangen geraakt.

„Hou u maar bedaard, vriend Helding!” zeide ik: „en laat ons voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken.”

Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voort te krijgen, die bij elken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de bewegingen maakte van een schaatsenrijder. Het begon gelukkig al te schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had ik een paar keeren stilgestaan en rondgezien naar iemand om een rijtuig te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officieren ons achterop kwam geloopen. Ik wenkte hen toe en zij hadden niet veel moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast hadden, wenschten ons in ’t voorbijgaan pleizierige wandeling en stapten voort, zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens meer besef van had, daarin, terwijl wij gearmd naast het voertuig voort bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld was.

„O!” zeide Reynhove: „het is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan den gang, hij zou aan de blessen van Blaek desnoods een zeshonderd roe vooruit geven; want, wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen rijden.”

„Dit is dan,” zeide ik, „een weddenschap geweest, waar niemand bij gewonnen heeft: gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave paarden.”

„Hij verliest er meer bij dan ik,” zeide Reynhove, lachende.

„Ik zie niet, dat zulks u eenigen troost kan geven, dat twee edele schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen; terwijl zij buiten deze dwaasheden den eigenaar tot nut en genoegen hadden kunnen strekken.”

Ma foi! het is hun lot! waar zijn de harddravers voor, anders als om te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte ais de harddraverijen niet willen condemneeren?”

„Volstrekt niet,” hernam ik: „maar de paarden, welke men daartoe bezigt, worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening bekwaam gemaakt om het lang uit te houden en sterke beweging te doen zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hunne krachten inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddenschappen, waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag uitlaten omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest en om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch juist dit toont aan, dat gij althans voor dergelijke grappen de man niet zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis uit te schudden.”

„Ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide Reynhove: „mais que voulez-vous?”

„Gij althans,” vervolgde ik, „zoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan heeft ten opzichte van Velters. Gij ziet, waar die paardekoopers-zedenkunde toe brengt.”

„Ik verzeker u,” zeide Reynhove, „dat, toen ik kennis maakte met Lodewijk, ik hem voor een bon compagnon aanzag, die wellicht zijn gebreken had, maar rond en voor de vuist was; – maar hij is mij erg tegengevallen: – en dan, de manier, waarop hij over zijne cousine spreekt! – foei! – Apropos! is het een indiscretie, u te vragen, of gij vues op haar hebt?”

„’t Is nu de tijd niet, daarover te spreken,” antwoordde ik, ongenegen hem tot mijn vertrouweling te maken.

„Integendeel!” hernam hij: „en gij behoeft voor mij niet te vreezen: – er zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan. – Maar wat kan de reden zijn, dat haar oom zoo geweldig opeen huwelijk tusschen haar en Lodewijk gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?”

„Heeft hij dat in uw bijzijn gedaan?” vroeg ik, verrast.

„Aha!– die vraag is een antwoord op hetgeen ik zooeven vroeg: – In mijn bijzijn? mieux que ça, tegen mijzelven, vriendlief!”

„Hoe dat?”

„Luister eens. In den gepasseerden nacht lag ik gerust op mijn bed, toen opeens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: „wie is daar?” vraag ik. – Geen antwoord. – Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie: daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en ’t lijf in een nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op en een kaars in de hand, die naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek.”

„Inderdaad! En wat kwam die u vertellen?”

„Daarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij. „Mijn God! Mijnheer Blaek! Wat is er gebeurd?” vroeg ik. Maar hij, zonder mij te antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat hij een slaapwandelaar was.”

„En hij sprak met u?” Hij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol angst aanziende: „ „om Gods wil, Lodewijk!” zeide hij: „ „maak uw ouden vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek voor haar afgeslagen.” ”

„Hij zeide dit?”

„Ik herhaal u zijn eigen woorden: „O! Wist gij,” vervolgde hij, „wat het zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen en slechts één middel tot herstel van het misdrijf te kennen? Het is in uwe macht, mijn Lodewijk! mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten doen; – ik heb, u wellicht te veel liefgehad: ja! God weet het: veel te veel: – doe gij dan het eenige, wat gij voor mij doen kunt.” ”

„Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het hart ligt?”

„Ik weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen dan op een zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik hospitaliteit geniet. – De slapende vervolgde: „ „gij weet het niet, waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insteer. En gij zult het ook nooit weten dan in de ure mjjns doods. En die zal niet ver meer verwijderd zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.” ”

„Schrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt.”

„Het tooneel begon mij te vervelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was.”

„Ik zou dit geval maar niet rondvertellen,” zeide ik: „hetgeen u gezegd is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derden mede te deelen?”

„Dat zegt gij nu gij ’t weet,” zeide Reynhove, lachende: „maar gij hebt gelijk, en ik zou het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen, die er hartelijk om heeft gelachen, en gezegd, dat hem dergelijke bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. Ik geloof, dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zou wellicht meer hooren dan mij aangenaam was.”

„Denkt gij spoedig weer naar Den Haag te gaan?”

„Ik geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carričre begeef. – Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan.”

Wij spraken nu over onverschillige zaken, totdat wij ons aan de deur der woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de gelegenheid te vermijden van Amelia opnieuw te ontmoeten, onzen patiënt aan Heynsz over te leveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen. Doch de huisheer was uit: en daar de meid natuurlijk geen kans zag, om Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde verdieping te sjouwen, zagen wij ons genoodzaakt deze taak zelven te aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den poëet uit de slede tilden, kwam Lodewijk aangeloopen, gevolgd van zijn bediende. „Zoo!” zeide hij: „zijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in ’t zweet geloopen, om u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor.”

Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude, want hij waggelde zelf, en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook liet hij, zoodra wij den beschonkene de benedentrappen opgesjouwd hadden, dezen los, en ging op het portaal zitten. Intusschen sleepten wij Helding hooger op; maar ik had in ’t voorbijgaan gemerkt, dat de deur van Amelia’s kamer even was geopend geworden, en dat haar vader, waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedruisch, om het hoekje gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk.

„O wee!” zeide ik tegen Reynhove: „laten wij ons haasten: anders komt er gekheid daar beneden.”

Wij legden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden Helding op zijn bed, en stoven de trappen weer af. De deur van Amelia’s kamer stond open: zijzelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik, en met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan, die nauwelijks op de beenen staan kon en al vloekende uitriep:

„Nu zie ik het eindelijk, Juffertje! – Al wil je mij niet tot galant, gij ontvangt toch visites van Heeren. – Voor Huyck blijft de deur niet gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?”

„Blaek”’ riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende: „Stel u toch zoo niet aan. – Ga met ons!”

„Met uw verlof!” zeide Bos: „is deze de Heer Blaek, die de onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen te doen?”

„Uw dochter!” herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: „nu ja! wat doet het er toe?” vervolgde hij met zijne gewone onbeschaamdheid: „ik heb haar rijk willen maken: en zoo gij, een verstandig man zijt, zul je er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi meisje te verlieven? – En zij neemt ook wel presenten aan, al houdt zij zich fijn.”

„Wacht!” zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het doosje met juweelen voor den dag, en stak het Lodewijk tusschen vest en hemd; waarna bij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere hand een heftigen slag in ’t aangezicht gaf.

„Mijnheer!” zeide Reynhove, onthutst: „wij zullen wel zorgen, dat hij u niet incommodeert: maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los.”

„Mijne Heeren!” zeide Bos, op een bedaarden toon: „hij bekomt niet als het honderdste deel van hetgeen hij verdient; en het is hoog noodig, dat hij eens leere, hoe hij hier in ’t vervolg ontvangen zal worden.”

„Gij zult het mij betalen,” brulde Lodewijk, pogingen aanwendende om zich los te rukken: „houdt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die gij zijt! Pieter! mijn zweep! Ik wil dien schoft mores leeren.”

En Pieter, die geen haar beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beiden; maar zag mij hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van Reynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in de das en met de andere in den gordel, droeg hem, ondanks zijn tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.

„O God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?” riep Amelia: „Mijnheer Huyck! in ’s Hemels naam! – Help hem toch aan ’t bedaren.”

„Ga uw Heer oprapen,” zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: „of ik zal u denzelfden weg wijzen.”

Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kerel, en voor geen kleintje vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uit te lokken van de kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich, zonder een tweede bevel af te wachten, naar beneden. Reynhove trad nader: „is dit niet wat hard geprocedeerd, Mijnheer?” vroeg hij: „onze vriend is een weinig beschonken, en....”

”En ik behandel hem als zoodanig,” zeide Bos: „gij zult mij genoegen doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn en van bezoeken verschoond te blijven. – Mijnheer Huyck! een woord met u eer gij gaat.”

„Ik verlaat u, Mijnheer!” zeide Reynhove: „want ik erken, dat gij hier meester zijt; maar permitteer mij om u te zeggen, dat ik hier toevallig ben ingekomen, en wel, om een dispuut, dat ik vreesde, te preveniëeren: en dat ik uwe forsche manier van ageeren jegens iemand, die zich niet wel defendeeren kan, nimmer zal approbeeren.”

„Al genoeg!” hernam Bos, met een beweging van ongeduld, en terwijl hij hem de deur wees. Reynhove haalde de schouders op, boog Eich voor Amelia, gaf Bos zijn trotschen blik terug en vertrok.

„Wat is de aanleiding van dit tooneel?” vroeg Bos, zoodra hij weg was: „ik had niet verwacht dat dergelijke onaangenaamheden herhaald zouden worden.”

Ik gaf hem een kort verslag van de oorzaak onzer komst en betuigde, hoezeer het mijzelf speet, zonder opzet opnieuw in een geschil als dit gewikkeld te zijn geweest.

„’t Is wel!” zeide hij: „ik geloof u: en ik ben overtuigd, dat ik niets van den Heer Huyck te wachten had, als wat betamelijk en voegzaam is.”

„De Hemel geve,” zeide Amelia, „dat deze ontmoeting geene onaangename gevolgen voor u hebbe.”

„Dat ware van weinig aanbelang,” zeide ik: „maar zij kan de aandacht der Justitie trekken: en zoo Blaek, om zich te wreken, een beklag inlevert, vrees ik, dat UEd. wellicht niet langer hier veilig zult zijn.”

„Het is zeker, dat ons alles te duchten staat,” zeide Bos: „maar het baat mij niet, of ik angstig de toekomst inzie; ik heb mij in erger gevaren bevonden, en mijn gestarnte heeft mij immer daaruit gered. Tot nog toe schijnt men geen achterdocht tegen mij te voeden: en wellicht heb ik slechts twee dagen meer noodig, om mijn zaken hier af te doen en voor altijd dit land te verlaten.”

„Vlei u niet te veel,” zeide ik, het hoofd schuddende: „UEd. begaat onvoorzichtigheden. – Of is het geene onvoorzichtigheid, aan de zuster van den Hoofdschout een bezoek te geven?”

„Integendeel!” zeide hij: „niets is meer geschikt, om de vermoedens af te wenden; – maar ik wil u niet langer ophouden. Vaarwel! En dat de Hemel met u zij.”

Ik vertrok. Op straat gekomen, zag ik de slede vertrekken, met den bediende van Lodewijk er naast, terwijl Reynhove mij nog stond af te wachten. „Ik heb Blaek aangeraden, om van die équipage gebruik te maken,” zeide hij: „maar verhaal mij, bid ik u, wie is toch die Sinjeur daarboven, die een paar vuisten heeft als een smidsgezel, en een houding als een Burgemeester? Gij schijnt hem te kennen.”

„Ik was op deze vraag voorbereid, en antwoordde zonder aarzelen: „dien Heer heb ik laatst op een dichterskrans bij Helding ontmoet: zijn rechten naam weet ik u niet te zeggen.”

Ma foi! hij heeft een schoone dochter, en ik begrijp licht, dat Lodewijk er een kansje op wagen wilde; – maar in allen gevalle heeft de oude Heer het toch wat erg gemaakt en ik zal het Lodewijk niet kwalijk nemen, indien hij hem satisfactie vraagt wegens de geledene injurie; – zoo namelijk die Heer een man is, aan wien men, zonder zich te compromitteeren, een uitdaging zenden kan.”

„Lodewijk zal, hoop ik, verstandiger zijn,” zeide ik, beschroomd over de gevolgen, welke een zoodanige handelwijze, ook voor mij, zoude kunnen met zich brengen: „hij is de oorspronkelijke beleediger geweest: en niemand zou het toch kunnen goedkeuren, dat hij den vader voor den degen eischte, omdat deze het voor zijn verongelijkte dochter had opgenomen.”

„Dat is waar ook,” zeide Reynhove: „en gij moet niet denken, dat ik het gedrag van Lodewijk approuveer; – maar die andere, met zijn rooden rok, heeft het toch ook wat erg gemaakt.... Enfin! het is zooals het is: – en na zult gij mij niet kwalijk nemen, dat ik u verlaat en naar mijn logies ga: Lodewijk zou anders met reden klagen, dat ik hem geheel aan zijn lot abandonneer: en ik zal toch al werks genoeg hebben, om hem te apaiseeren. – Vaarwel!”

Wij namen afscheid: Reynhove volgde den weg, dien de slede gegaan was, en ik trok naar huis. Waarschijnlijk droeg mijn gelaat eenige blijken van de gemoedsaandoeningen, door het gebeurde bij mij verwekt; althans mijn vader zag mij ernstig en mijn moeder eenigszins bezorgd aan, terwijl Suzanna, toen ik, zonder van de laatste ontmoeting te reppen, in korte woorden verhaalde, dat ik in gezelschap met Blaek, Reynhove enz. geweest was, mij verklaarde, dat zij mij op mijn verjaardag een zweepje en een bokaaltje zoude present doen, aangezien ik bij mijn overige beminnelijke hoedanigheden die van een rostuischer en een drinker scheen te willen voegen. Mijn moeder zuchtte, en mijn vader zeide bij het scheiden: „Ferdinand! teleurgestelde liefde kan somtijds tot dwaze stappen vervoeren. Neem u in acht!”


[Hoofdstuk 26] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 28]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001