MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN LEELIJKE DONDERBUIEN BOVEN HET HOOFD VAN FERDINAND SAMENPAKKEN.


Den volgenden dag op de beurs zijnde, werd ik aangesproken door den makelaar Velters, die, na met mij eenige woorden gewisseld te hebben over de commissies, welke hij voor ons kantoor te verrichten had, mij vergunning verzocht, mij een eindweegs huiswaarts te vergezellen. Ik verbeeldde mij, dat er deze of gene verkooping ophanden was, waarbij hij in aamnerking wenschte te komen en deswege mijn voorspraak verlangde: en ik was niet weinig verwonderd toen hij, zoodra wij de beurs verlaten hadden, mij vroeg, of het mij hetzelfde was, de Pijpenmarkt om te loopen, dewijl wij daar minder gedrang zouden vinden en meer ongestoord kunnen spreken, dan op het Rokin of in de Kalverstraat.

„Is het zoo belangrijk?” vroeg ik, verwonderd over deze geheimzinnige handelwijze: „waarom komt UEd. dan niet liever bij mij aan huis?”

„Verschoon mij,” was zijn antwoord: „maar het is beter, dat ik met UEd. spreek, voordat UEd. te huis zijt.”

„Er is toch geen samenzwering ophanden,” vroeg ik lachende, terwijl ik aan zijn verzoek voldeed en met hem den stillen weg ging, dien hij verkozen had. Nauwelijks waren wij op de Pijpenmarkt, of hij ving het gesprek aan door mij met warmte te danken, voor betgeen ik ten zijnen behoeve gedaan had.

„Gij meent mijn voorspraak bij den Heer Van Baalen,” zeide ik: „maar lieve vriend! daarvoor hebt gij mij gisteren immers reeds aan de beurs uw dank betuigd.”

„Daarvoor kan ik nooit dankbaar genoeg zijn,” zeide hij: „maar ik bedoel een dienst van een anderen aard.... in die zaak over dat paard van den Heer Blaek: – niemand als UEd. kan mij die hebben bewezen.”

„Gij zijt misleid,” zeide ik, „of ik begrijp u niet. Ik verklaar u, dat ik eerst gisteravond kennis ontvangen heb van de geheele geschiedenis.”

„Nu! dat is om ’t even,” zeide hij: „dat bewijst mij alleen, dat UEd. niet rust, zoodra UEd. het onrecht verneemt, om het ook te herstellen.”

„Gij spreekt raadsels,” hernam ik, „en wekt mijn nieuwsgierigheid op. Wat is er dan gebeurd? En welk onrecht is er hersteld? – In allen gevalle is het buiten mijn toedoen geschied.”

„Wel!” zeide Velters: „UEd. weet dan, op welke lage wijze de Heer Lodewijk Blaek mij misleid heeft. Hij dacht voorzeker, dat, omdat ik in zekere opzichten van zijn vader afhankelijk ben, hij met mij zou kunnen handelen gelijk de leeuw met zijne jachtgezellen; maar, toen ik de ware toedracht der zaak vernam, zegevierde mijn verontwaardiging boven alle andere bedenkingen en liep ik naar een Advocaat om raad te vragen. Deze stelde mij voor oogen, hoe dwaas het zijn zou tegen een vermogend man te procedeeren, ik, de aarden pot tegen den ijzeren. Zijn taal overreedde mij: ik besloot, hoe ongaarne ook, mijn wraakzucht op te geven, en dacht aan de zaak niet meer; dan, hedenmorgen vroeg ontving ik een uitnoodiging om mij aan het kantoor van den. Heer Hoofdschout te vervoegen. Ik kwam daar op den bepaalden tijd, meldde mij aan en werd terstond bij uw Heer vader binnengelaten, waar ik ook den schelmschen Jaspersz vond, die nu, door de scherpe ondervraging van den Heer Hoofdschout gedrongen, alles moest opbiechten. Uw Heer vader vroeg mij toen, of ik mijn geld terugbegeerde, dan of ik vreesde, dat zulks mij nadeel in mijne betrekking zoude doen. Ik aarzelde een oogenblik; doch de zucht om te toonen, dat geene vrees voor geldelijke schade mij verhinderde mijn recht te zoeken, en de hoop, dat alle eerlijke lieden mijne partij nemen, en mij daarom hunne klandizie niet ontzeggen zouden, deden mij besluiten, aan Z.-Zd.-Gestr. te antwoorden, dat ik mijn geld gaarne terug zou bekomen. Toen Z..Ed.-Gestr. dit hoorde, gelastte hij, dat de Heer Lodewijk, die mede ontboden was en in een ander vertrek toefde, zou worden binnengeroepen. Hij kwam en stond eenigszins beteuterd, geloof ik, van mij en Jaspersz daar te zien. Uw Heer vader stelde hem op een treffende wijze bet schandelijke van zijn gedrag voor oogen en besloot met hem te zeggen, dat hij de som terug moest geven of de gevolgen van een proces wegens oplichterij afwachten. De jonge Heer bromde en pruttelde wel wat; doch beloofde eindelijk zulks te doen. Hij liet zich bij die gelegenheid ontvallen, dat UEd. het zeker waart, die den Heer Hoofdschout tegen hem had opgezet door de zaak te verdraaien. – Daaruit nam ik aanleiding om UEd. te houden voor dengenen, die mijne voorspraak bij Z.-Ed.-Gestr. waart.”

„Gij hadt het beiden mis,” zeide ik: „de Hoofdschout behoeft niet door zijn zoon onderricht te worden, om te weten wat er omgaat: en er is geene voorspraak bij hem noodig om hem rechtvaardig te doen handelen.”

„Maar dit is niet alles,” vervolgde Velters: „in ’t heengaan herhaalde de Heer Lodewijk, dat hij zeer wel wist, aan wien hij dit alles te danken bad, en dat niets dergelijks hem verwonderde van iemand, die hem in een vreemd huis lokte, om hem te mishandelen.”

„Hoe! meende hij mij?” riep ik uit, ontsteld en verontwaardigd tevens.

„De Heer Hoofdschout vroeg hem terstond, wat die woorden te beduiden hadden, en zeide, dat, zoo hij een klacht had in te hrengen, al ware die tegen zijn eigen zoon gericht, hij daarmede dan terstond voor den dag moest komen. De Heer Blaek scheen zich nu een wijl te bedenken, en zeide vervolgens, dat hij de zaak liever blauw blauw zoude laten.”

„Dat geloof ik wel,” hernam ik: „hij kan door laster mij meer nadeel doen dan door een loyale aanklacht.”

„Vervolgens,” zeide Velters: „vroeg hem Z.-Ed.-Gestr., wie hem gisteravond, ten huize van den Portretteur Heynsz van de trappen gesmeten had, en of UEd. dat gedaan had.”

„Hoe! mijn vader wist dit reeds?.... maar waarover verwonder ik mij?”

„Mijnheer!” zeide Blaek toen: „ik beschuldig voor alsnog niemand; maar uw zoon heeft zich niet zoo gedragen, gelijk ik van een fatsoenlijk man verwachtende was. Zoo UEd. mijn knecht verkiest te hooren, zal deze u zeggen, dat uw zoon hem verhinderde mij ter hulpe te komen, terwijl een ander mij in de borst greep en mishandelde;”

„Die ellendige!” riep ik: „voorzeker, als de zaak op die wijze wordt voorgedragen, moet mijne handelwijze vreemd en berispelijk schijnen.”

„.Z.-Ed.-Gestr. antwoordde niet; maar, na zich een korten tijd bedacht te hebben, zeide hij: „Mijnheer Blaek! wij zullen deze zaak nader onderzoeken. en hoe dat onderzoek afloope, wees verzekerd, dat wij UEd. recht zullen doen wedervaren.” – Daarmede kreeg de Jongeheer zijn afscheid. – Maar toen kwam er nog wat, en ik vrees daarbij verkeerd gehandeld te hebben. Uw Heer vader vroeg mij, zoo6ra wij alleen waren, of ik UEd. kende. Ik antwoordde toestemmend.” „Ja!” zeide Z.-Ed.-Gestr.: „ik weet, gij hebt te zamen een, avond bij Monsieur Helding doorgebracht. Vergun mij, u eene vraag te doen. Is UEd. het niet, dien hij naar huis heeft gebracht?” – „Neen Ed.-Gestrenge!” antwoordde ik, eenigszins verwonderd; „die eer heb ik niet gehad: uw zoon is vroeger vertrokken.”

„Ach!” zeide ik: „daar begint de straf van mijn logen.”

„Het ernstig gelaat van luw Heer vader,” vervolgde Velters, „liet geen de minste verandering bespeuren: en toch was het mij, toen hij mij zeide, dat ik afgedaan had, alsof zijne stem mij te kennen gaf, dat hij ontevreden was: en ik gevoelde, dat ik UEd. een kwaden dienst gedaan had, door de waarheid te spreken. Dat smertte mij: – maar ik mocht toch niet liegen: – en nu meende ik, ware het best, UEd. vooraf te waarschuwen van het voorgevallene, ten einde UEd. in staat te stellen, van naar bevind van zaken te handelen.”

„Het is waar,” zeide ik, na eenig stilzwijgen: „gij hebt mij een slechten dienst gedaan; maar God beware mij van te wenschen, dat gij om mijnentwille aan de waarheid zoudt hebben te kort gedaan. Ik heb, ofschoon om bestwil, mij met een logen moeten behelpen, en dien er thans de gevolgen van te dragen. – Maar wij naderen ons huis! laten wij hier afscheid nemen: het zou ook u in onaangenaamheden kunnen wikkelen, zoo men ons thans bijeen zag. Geloof, dat ik u dankbaar blijf voor den dienst, mij door u bewezen: – al is die dienst genoegzaam geweest, om mij mijn eetlust voor dezen middag te benemen.”

Velters verliet mij en ik kwam in een vrij onaangename stemming te huis. Nauwelijks dorst ik de oogen opslaan toen ik binnentrad: mijn vader was ernstig en sprak weinig: mijn moeder zuchtte, zag mij nu en dan met een weemoedigen blik aan, en ik kon duidelijk aan haar gezwollen oogen bemerken, dat zij geweend had. Mijn zuster Suzanna deed in den beginne eenige pogingen om het gesprek gaande te houden; doch zij bemerkte alras, dat zij zich vruchtelooze moeite gaf, en onze afgetrokkenheid, althans die van mijn moeder en de mijne, waarschijnlijk toeschrijvende aan verdriet over het mislukken mijner vrijage, hield zij af en zweeg; zoodat ons middagmaal, zonder de kinderen, die nu en dan hun stem verhieven, veel op een Trappisten-vergadering zoude geleken hebben. – Zoodra het nagebed was gedaan, rees mijn vader op en zeide tot mij, dat het hem aangenaam zoude zijn, mij een oogenblik te spreken, indien namelijk mijn kantoorzaken – „of andere bezigheden,” voegde hij er op een schamperen toon bij, „mij den tijd tot een kort onderhoud vergunden.”

Ik betuigde, dat ik tot zijn dienst was en volgde hem met een kloppend hart naar zijn studeervertrek. Aldaar gekomen, nam hij plaats en verzocht mij te gaan zitten, met een plechtigheid, die mij tot een slecht voorteeken strekte van hetgeen volgen zoude. Zijn gelaat stond strak als gewoonlijk; maar, behalve dien trek van ernst, was er in de bijna onmerkbare beweging van het oog en in de opgetrokken hoeken van den mond een uitdrukking van droefheid te lezen, die getuigde, dat zijn ziel meer leed, dan hij verlangde dat zou opgemerkt worden. „Mijnheer!” zeide hij, na mij gedurende eenige oogenblikken te hebben aangezien, als had hij in het diepste mijns gemoeds willen lezen: „ik begin zeer goed te begrijpen, dat de Heer Blaek uwe verdere kennismaking met zijn pupil niet heeft willen toelaten: en het doet mij leed, dat ik mij door de gebeden uwer goede moeder tot den dwazen stap, dien ik deed, heb laten bepraten.”

„Hoe dat, Vader?” vroeg ik, bevende: „een dwaze stap!.... Ik begrijp u niet.”

„Ik prijs den voorzichtigen man,” vervolgde mijn vader, „die het hem toevertrouwde pand niet wil overgeven aan iemand, wiens gedrag niets dan ongunstige waarborgen: oplevert voor het toekomstig geluk zijner gade.”

„Mijn gedrag!” herhaalde ik, verblijd over de gedachte, dat ik mij ten minste van die zijde onschuldig gevoelde: „wat kan de Heer Blaek mij te verwijten hebben?”

„Hoe, Mijnheer! – Iemand, die zich niet schaamt, op den dag zijner terugkomst bij zijn ouderen, den dag, waarop zijn hart alleen vervuld behoorde te zijn met reine en betamende gedachten aan het geluk, dat hem te beurt viel, van zijns vaders huis en zijne betrekkingen in gezondheid terug te zien, die, zeg ik, op zulk een dag zich niet schaamt, een maitres met zich te brengen en te kameren! die gedoogt, dat zijn vrome en niet ergdenkende Tante in kennis komt met een slecht voorwerp: die, om zijne bezoeken bg haar te bewimpelen, mij wijs maakt, dat hij nachtwandelingen met Velters doet: die, van een dronkenmanspartij terugkeerende, een medevrijer van de trappen laat smijten! .....

quem frangere postes
Non pudet, et rixas inseruisse iuvat.

Gij ziet dat ik van alles onderricht ben.... en die, onder de bedrijven, zich nog inbeeldt, dat hij aanspraak op de hand van een fatsoenlijk meisje kan maken! – Ferdinand! Ferdinand! hoe diep zijt gij gevallen!

Tantane te, fallaxl cepere oblivia nostri?”

„Vader!” zeide ik, met zoveel bedaardheid als ik machtig kon bljven: „van al wat UEd. daar opnoemt is er slechts ééne aantijging, waarop ik schuld bekennen moet: – namelijk, dat ik u voorgelogen heb betreftende mijn wandeling met Velters., – Wat mijn kennis betreft aan de Juffer, die bij Heynsz logeert, – deze schaam ik mij niet. UEd. hadt mij beloofd, daarnaar niet meer te vragen.”

„Dit had ik gedaan, omdat ik een vast vertrouwen stelde in uw oprechtheid en in uw godsdienstig gevoel. – Maar nu eenmaal, en gij bekent het zelf, mij bedrogen hebt in één punt, hoe wilt gij dan, dat ik, in het overige, staat make op de woorden van iemand, quem non periuria terrent? Is het nu mijn plicht niet, als vader, die zijn zoon moet terughouden, wanneer hij hem met rassche schreden den weg ten verderve ziet inslaan, en als Hoofdschout, die voor de goede orde in de stad moet waken, een perk te stellen aan dergelijke ongeregeldheden?”

„Ik ben wel te beklagen,” zeide ik: „te meer, omdat mijn verdediging zoo gemakkelijk mogelijk zou zijn, indien mij niet een heilige, maar noodlottige plicht het spreken verbood.”

„Het is genoeg, Mijnheer!” zeide mijn vader, oprijzende: „ik weet dergelijken kinderpraat op zijn waarde te schachtten. Voortaan zullen uwe gangen worden nagegaan, daar kunt gij op rekenen. Als vader zal ik zorg dragen, dat gij mijn eerlijken naam geen verdere schande aandoet: als Hoofdschout zal ik waken, dat gij de goede orde in deze stad niet weder verstoort. – Gij hebt afgedaan: ik wil u niet langer ophouden.”

„Neen, mijn vader!” riep ik uit, oprijzeade en hem de hand drukkende, die hij niet gaf noch terugtrok, maar bewegingloos in de mijne liet: „zoo kunnen wij niet scheiden: ik moet ten minste de hoop medenemen, dat UEd. eenmaal mijn gedrag beter beoordeelen zult.”

Hier werd aan de geheime deur getikt: het was het sein van Heynsz.

„Wacht een oogenblik!” riep mijn vader, snel het hoofd omwendende: „maar neen!” vervolgde hij, zich bezinnende: „het is beter zoo! – binnen!”

Hij ging weder zitten. Heinsz trad de kamer in en zag mij eenigszins verwonderd aan.

„Ga gerust uw gang,” zeide mijn vader: „gij kent mijn zoon. Welk nieuws is er?”

Heynsz nam zijn boekje en begon te lezen:

„No. 1. De zielverkoopers op den Zeedijk hebben opgelicht twee knapen, die bezopen kwamen uit een nachthuis. Het zijn lichtmissen, daar niets aan is bedorven en die geteekend zijn met een zwarte kool.”

„Om ’t even!” zeide mijn vader: „er moet huiszoeking gedaan worden bij dat volkje, en de beide knapen zoowel als de zielverkoopers morgen voor mij gebracht worden. Verder!”

No. 2. De zoon van de Weduwe Lette is geprest door de zielverkoopers van de O.-I. Compagnie. ’t Is wel jammer! Zulk een oppassende jongen: – de eenige kostwinner zijner moederl”

„’t Is jammer!” herhaalde mijn vader, het hoofd schuddende: „maar hier valt niets aan te doen. Zorg, mij de woonplaats der Weduwe en hare bestaansmiddelen te doen weten. Het is niet meer dan billijk, dat de O.-I. Compagnie haar onderhoude, nu zij haar haren zoon neemt.”

Ondanks de kwellingen, die mij bezig hielden, kon ik niet nalaten, een onaangename gewaarwording te gevoelen bij de gedachte, dat gewone zielverkoopers streng gestraft werden, terwijl de menschenroof, voor rekening der Compagnie gepleegd, onverhinderd zijn gang mocht gaan: en ik had een zucht over voor de arme Weduwe, aan wie men het verlies van een zoon met een geldelijke schadeloosstelling zoude denken te vergoeden. – En dan nog was ik verzekerd, dat het niet de Compagnie, maar mijn vader zoude zijn, van wien zij die aalmoes zoude bekomen.

Heynsz vervolgde zijn lijst:

„ No. 3. Men is voornemens te bestelen hedenavond het pakhuis van de Wed. Pietersz en Comp. Een der dieven heeft zich laten opsluiten daarin, en zal de klokke 12 uren zijn makkers daar binnenlaten.”

„Wij zullen zorgen,” zeide mijn vader, „dat zij er niet alleen hun maat, maar ook nog een behoorlijk aantal dienaars in vinden.”

„ No. 4. Het gouden horloge van den slachter Fleischhauer is terugbekomen bij Mozes Nathans, Hij had het van Fleischhauers eigen zoon gekocht, die van zijn vader zeker te weinig ontvangt om te verslempen.”

„De Jood en de jongeling beiden zullen een plaats in ’t Spinhuis bekomen. Geen genade voor een zoon, die zijn vader bedriegt. – Is er niets meer? – Niets van den Vliesridder?”

„Niets: ofschoon hij zich naar alle gedachten nog hier, of in de buurt moet ophouden; want er is weer geld voor hem uit de Bank gelicht, gelijk onze spion bij de Bank mij verteld heeft. Het is onbegrijpelijk, dat wij hem niet op het spoor komen.”

„Vrij onhandig zeker: en zoo ik u niet beter kende, Heynsz, zou ik waarachtig denken, dat de Vlies-ridder u omgekocht heeft. – Is er niets meer?”

„Niets, Ed.-Gestrenge!” buiten eenige zakkenrollerijen op den Haarlemmerweg gisteravond gepleegd, bij gelegenheid eener harddraverij.”

„Niets anders?”

„Waarlijk niets,” antwoordde Heynsz, zijn zakboekje naziende.

„Niets? – Ei! ei! dan is het mijne beurt,” zeide mijn vader, hem scherp aanziende: „ No. 1. Er heeft gisteravond ten huize van Zacharias Heynsz een twist plaats gehad, ten gevolge waarvan de Heer Lodewijk Blaek van al de trappen is gesmeten. – Monsieur Heynsz, die zoo goed bekend is met al wat in de stad omgaat, schijnt dus niet te weten, wat er in zijn eigen huis gebeurt.”

„Edel-Gestrenge!” stamelde Heynsz, terwijl hij mij verlegen aanzag: „met uw permissie. Die zaak heeft gehad geen gevolgen. Ik achtte het niet waardig de moeite, daarvan te spreken.”

„Dat staat u niet te beoordeelen. Wie heeft aanleiding tot dat rumoer gegeven? Nu! kijk mijn zoon maar niet aan. – Antwoord zonder omwegen.”

„Edel-Gestrenge! Ik weet waarachtig weinig of niets van de zaak af. Ik was niet te huis, en dacht, toen ik vernam wat er had plaats gehad, het ware best, dergelijke gevalletjes, waar jongelieden van de eerste familiën in betrokken zijn, maar niet te fijn uit te pluizen.”

„Zoo! dus denkt uwe wijsheid, dat er een andere schaal bestaat, waarin de eerste, als waarin de mindere klasse behoort gewogen te worden? – Maar ik ben nog niet ten einde. – No. 2. De gezegde Zacharias Heynsz geeft huisvesting aan verdachte personen, en schaamt zich niet oogluikend te dulden, dat zekere Juffer, die een kamer tot zijnent betrokken heeft, bezoeken ontvangt van jonge losbollen.” – Hier zag mijn vader mij veelbeteekenend aan.

„Met uw verlof, Edel-Gestrenge! kan ik kwaad denken van een Juffer, die is vereerd geworden door UEd. Gestrengen zoon met zijn bezoeken, en bekend is bij Mejuffer uwe zuster? En bovendien, wat heb ik er mede te maken, sedert haar eigen vader gekomen is en mede bij mij inwoont? Laat elk zorgen voor de zijnen. Ik kan den man geven geen ongelijk, zoo hij gooit den Heer Blaek van de trappen, omdat die dringt in zijne kamer. Elk moet wezen vrij in zijn huis.”

„Voorzeker!” zeide mijn vader. „Hoe heet uw logeergast ook?”

„De Heer Van Beveren uit Deventer.”

„ No. 3. Zacharias Heynsz huist iemand, die zich Van, Beveren uit Deventer noemt, zonder te onderzoeken, of er een zoodanige persoon bestaat. Intusschen kan ik hem verzekeren, dat, volgens mijn berichten, zoodanige naam en zoodanige persoon te Deventer onbekend zijn.”

„Onbekend!” herhaalde Heynsz, met verbazing: „en de Notaris Bouvelt heeft mij nog wel aanbevolen die lieden.”

„Pas maar op,” zeide mijn vader: „is, qui fugitivum celavit, fur est. Maar misschien zal mijn zoon u den waren naam van die personen wel kunnen aan de hand doen.”

„Ik ben geen verklikker,” zeide ik, wrevelig: „en al wist ik de geheimen van dien vreemdeling, het zou een laagheid. zijn, die te openbaren. Dit kunt gij niet eischen, mijn vader!”

Mijn vader zag mij lang en scherp in ’t gezicht; – maar omtrent dit punt althans was mijn geweten zuiver en wist ik, dat ik naar behooren handelde en de oogen niet behoefde neder te slaan. Na een langdurig stilzwijgen hervatte hij:

„Er schuilt hier iets achter, dat ik niet begrijp. – Intusschen, Ferdinand! ofschoon ik vooralsnog wil gelooven, dat gij minder schuldig zijt, dan ik waande, mag ik niet nalaten, zoodanige maatregelen te nemen als de omstandigheden vorderen. Heynsz! gij zorgt, dat ik in alles van de gangen uwer huisgenooten onderricht worde, en tevens houdt gij ook mijn zoon in ’t oog. Zoodra gij iets bespeurt, dat u verdacht voorkomt, zult gij er mij van onderrichten. Bemerk ik, dat gij voor mij de minste kleinigheid verzwijgt, dan heb ik voor ’t vervolg uwe diensten niet meer noodig.”

„Hoe, mijn vader!” riep ik uit: „het is op een blooten schijn, dat UEd. mij gelijkstelt met misdadigers, waarvan het ergste te wachten is. Ik bid u, laat Heynsz nog een oogenblik blijven. Hij kan getuigen, of ik meer dan driemalen te zijnen huize ben geweest, en of niet telken reize Helding de oorzaak mijner komst was, terwijl slechts toevallige omstandigheden mij met dien vreemdeling of zijn dochter in betrekking gebracht hebben.”

„Ik heb u reeds te kennen gegeven, dat ik mijn oordeel wederom opschort,” zeide mijn vader: „zoo gij onschuldig zijt, hebt gij niets van een onderzoek uwer daden te vreezen: en zoo gij verkeerd gehandeld hebt, welnu! gij zijt gewaarschuwd voor het vervolg. – Maar ik houd u niet langer op: men zal u reeds wachten aan het kantoor.”

Hier viel niets op te antwoorden: ik groette, verwijderde mij met een beklemd hart en ging naar het kantoor.

„Aha!” zeide de Heer Van Baalen, zoodra hij mij gevaar werd: „ik wachtte u reeds met ongeduld. Gij moet mij en u zelf een dienst bewijzen, en even naar den Notaris Bouvelt wandelen. Hij is beter, en ik weet, dat hij reeds menschen gesproken heeft. Gij moet u niet laten afschrikken door een afwijzende boodschap en u vooral niet tevreden stellen, zoo men u zegt, dat de eerste Klerk u wel helpen zal.”

„Naar den Notaris Bouvelt!” herhaalde ik: „en wat moet ik hem vertellen?”

„Ziehier de zaak: hij heeft altijd onze volmachten opgemaakt op onze vrienden van over zee. Heden heb ik die wederom als naar gewoonte ontvangen: maar zoo het mij voorkomt zijn er abuizen in, en is men althans, ik weet niet om welke reden, van het gewone formulier afgeweken. Ziehier de stukken. Gij, die gestudeerd hebt, zult mij wel kunnen zeggen, of ik gelijk heb.”

„Dat is nog niet zeker,” antwoordde ik: „want tusschen theoretische en practische kennis bestaat een groot verschil. Een rechtsgeleerde, al is hij een Bijnckershoeck, zal somtijds in dergelijke stukken een flater over ’t hoofd zien, die een kantoorklerk ontdekken zal. – Maar laten wij de volmachten eens doorloopen.”

Ik zette mij naast Van Baalen neder, terwijl deze mij, onder ’t lezen, de verkeerdheden aanwees, welke hij in de opgemaakte stukken meende te vinden. Ik kon niet nalaten, mij, in de meeste opzichten, met zijn gevoelen te vereenigen.

„Ik begrijp zeer goed, waaraan die abuizen moeten worden toegeschreven,” zeide Van Baalen: „gedurende de ziekte van den Notaris heeft zijn eerste Klerk die stukken gesteld, en Bouvelt, te zwak van hoofd om dat alles over te lezen, heeft maar op goed geloof geteekend. Intusschen moet dit geredresseerd, en wel spoedig; want Pulver wacht er op en kan zonder dat niet vertrekken. Eilieve! wees dus zoo goed, en ga zelf naar den Notaris. Het is beter dat UEd. er heengaat, dan ik of een ander! want uw titel als Meester in de Rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, ingeval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde erkennen.”

„Ik ga,” zeide ik, „ofschoon ik geloof, dat hij nog meer deferentie zoude hebben voor uwe opinie dan voor de mijne. – Maar UEd. zal mij een parapluie moeten leenen: want ik zie, dat het frisch is begonnen te regenen, sedert ik hier ben.”

„Van harte gaarne. – Wil ik anders de koets ook laten inspannen.”

„Ik dank u wel,” zeide ik: „dat houdt maar op. – Tot straks; want ik zal u bescheid komen brengen.” Ik ging dan op weg, bij mijzelven de zonderlinge grillen van mijn lot overdenkende, waardoor alles, wat ik hoorde of verrichten moest, zich op deze of gene wijze in verband stelde met den Heer Bos of zijn dochter. Ik was niet ongelijk aan iemand, die zich in een sterrebosch bevindt, en, welke laan hij ook insla, altijd den grooten boom of het standbeeld „ voor oogen heeft, waar al de lanen op uit loopen. Met dat al gevoelde ik eene zekere nieuwsgierigheid, om dien Notaris te zien, wiens naam ik in de laatste dagen zoo dikwerf had hooren noemen, en aan wien ik niet denken kon, zonder mij een machtigen toovenaar voor te stellen, die den sleutel bezat der ingewikkelde geheimenissen, welke mij zooveel kwelling veroorzaakten, en door zijn wil in staat zoude zijn, de ontknooping te bewerken dier voor mij zoo lastige raadaels. Want dat dit bezoek, hoezeer ten gevolge van zeer prozaďsche en alledaagsche beroepsbezigheden afgelegd, wederom aanleiding zoude geven tot nieuwe verwarring in het drama, ’t welk ik onwillig medespeelde, daar aan twijfelde ik geen oogenblik: en de uitkomst deed zien dat mijn voorgevoel mij niet bedroog.


[Hoofdstuk 27] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 29]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001