MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE WAT ER TEN HUIZE VAN DEN NOTARIS BOUVELT VOORVIEL.


De kantoorbediende van den Notaris, die mij de deur opendeed, liet mij, nadat ik mijn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk tot spreekkamertje diende, en waar hij mij verzocht mijne beurt af te wachten. Ik vond aldaar slechts één persoon aanwezig, wien ik aan zijn duffelsch gewaad, aan zijn vierkanten lichaamsbouw, aan de stevige wijze, waarop hij met de knieën wijd van elkander en de handen op de knieën gezeten was, en vooral aan het in een bont geruiten doek geknoopt pakje, dat tusschen zijn beenen lag, voor een Zaankanter, althans voor iemand van de overzijde van het IJ herkende. Hij beantwoordde mijn groet als een Chineesche Mandarijn, namelijk met een hoofdknik: en vermoedende, dat er geen heil uit een onderhoud met dit lomp stuk vleesch te halen ware, ging ik voor het raam staan, en keek, zooveel de tegen de ruiten kletterende regen zulks gedoogde, naar de voorbijgangers. Nauwelijks had ik eenige minuten aldaar doorgebracht, of een rijtuig hield voor de deur stil, waarvan ik de kleur en livrei spoedig genoeg herkende. Ik zag, nadat er gebeld en opengedaan was, den Heer Jacobus Blaek uit het portier stijgen en een oogenblik later het vertrek binnentreden.

Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen, waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft afgeslagen. Beiden maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er althans eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een is dan bang, dat er op het verzoek zal teruggekomen, en dat hem verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden, en hij wil toch niet, door lomp te zijn, nieuwe en onnoodige reden tot misnoegdheid verwekken: – de ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd zijn, uit angst dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij misschien nog hebben mocht, ten eenenmale verspelen. In mijn geval kwam hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of niet moest verontschuldigen.

Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijn tegenwoordigheid hem alles behalve aangenaam was. Hij beantwoordde mijn groet met een stijve buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hem te slaan.

Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartieruurs, en ik voorzag, dat mijn toestand zag lastiger zou worden, wanneer de derde man, die zich in ’t vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons wederzijdsch stilzwijgen nog eenigszins wettigde, zou binnengeroepen worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaek alleen bevinden. Weldra scheen dat oogenblik te zullen komen. Ik hoorde de schel van den Notaris klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden komen, om dengenen, wiens audientie was afgeloopen, uitgeleide te doen, en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het vertrek geopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Foppes uit, hem te volgen.

De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven gekomen was, zeggen: „met uw verlof! ik heb mijn parapluie in de zijkamer laten staan.” – De spreker trad binnen: en tot mijn spijt herkende ik in hem niemand anders dan Amelia’a vader, met zijn scharlaken rok en zijn bril.

Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar gefronsel zijner wenkbrauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een duidelijke, doch zachte stem:

„Jacobus Blaek!”

„Frederik Van Lintz!” riep deze, verbleekende, terwijl hij opsprong en zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik aanstaarde.

„Ikzelf!” zeide Van Lintz: „ik zie dat gij, in spijt mijner vermomming, mijn stem nog herkent.”

„Maar hoe durft gij....? Lieve God.!.... bedenk toch....” en de Heer Blaek seheen hem door een zijdelingschen blik te willen doen opmerken, dat zij zich niet alleen bevonden. „O! dat is niets!” zeide Van Lintz, met een glimlach: „de Heer Huyck zal mij niet verklappen: – en bovendien, ik heb geene keuze en moet de gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de haren vatten. Er kon voor mij geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen gepeinsd om een onderhoud met u te hebben.”

„Met mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben?.... Maar spreek toch zacht om ’s Hemels wil! Bedenk, dat uwe veiligheid....”

„Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om onzer oude vriendschaps wille: om de wille van onzen braven broeder, die in den Hemel is.”

Ik zag, dat de Heer Blaek opnieuw van kleur verschoot. „Zwijg toch, bid ik u,” fluisterde hij: „ik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij ergens anders gaan dan hier!” En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om de zweetdroppelen af te vegen, die langs zijn voorhoofd dropen.

Ik trad nader. „Vergeeft mij, Mijne Heeren!” zeide ik: „ik wil niet onbescheiden zijn, Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid geven, te zamen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen.”

„Ach! wat helpt dat?” vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige blikken beurtelings van mij op Van Lintz liet wandelen: „Mijnheer Huyck heeft toch reeds te veel gehoord! – Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!”

„En wat is er toch,” vroeg Van Lintz, terwijl hij met gekruiste armen tegen den wand stond, „waarover gij u bekommert? Wie toch in de wereld kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een ouden kennis, met den zwager van uw broeder? De Heer Huyck weet, zoogoed als gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid, en bijgevolg mijn leven te doen verliezen: maar hij heeft dat woord niet gesproken, en zal het ook niet spreken. – Van zijnentwege heb ik dus niets te vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier vandaan helpt.”

„Integendeel!” zeide ik, met overhaasting: „het verblijf van den Heer Van Lintz, of zooals Mijnheer heeten mag, en dat vervloekte geheim, hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeiingen daar een einde aan maken.”

„Alzoo,” zeide Van Lintz, glimlachende: „zoudt gij u van het bewaren van ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware.”

„Ongetwijfeld!” antwoordde ik: „dat was immers de afspraak?”

„Voorzeker!” zeide Van Lintz: „maar het zou den Heer Blaek wellicht onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn ontkoming had.”

„Waarom zou ik dit uitbrengen?” vroeg ik: „ik hoop, dat de Heer Blaek te goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude aanzien.”

„Voorzeker!” zeide Blaek, in blijkbare verwarring: „ik heb uitmuntende, ik heb de beste gedachten ter wereld van den Heer Huyck; maar,” vervolgde hij tegen Van. Lintz: „is het hier een plaats, om over uwe zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of....”

„Naar uw huis?” herhaalde Van Lintz: „neen dat niet! Het zou wellicht uw zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem gisteravond gegeven heb.”

„Hoe! wat! – Zijt gij die Heer Van Beveren, met wien hij die affaire gehad heeft?.... doch gij hebt gelijk; mijn huis is ongeschikt;.... maar ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijnheer Huyck zal wel zoo goed willen zijn, mij bij den Notaris te willen verontschuldigen, door hem te zeggen, dat ik geen tijd had.... of wat hij verkiest.”

„Wel! het zij zoo!” hernam Van Lintz: „Mijnheer Huyck Ik zeg u nog geen vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, ’t zij wij willen of niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten.”

„Nog slechts één raad heb ik u te geven,” zeide ik: „haast u! want een uur verwijl kan u noodlottig zijn: en daarvan althans kan ik u de verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een onveilige schuilplaats is.”

„En UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen spreken,” zeide Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende, terwijl Van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.

„Ik heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben,” antwoordde ik met eenigen trots: „en ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer Van Lintz zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt.”

Ik weet niet of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen tevreden stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen: de beide Heeren vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden: waarheen, was mij onbewust.

Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en werd ik bij den Notaris binnengelaten.

Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde; want hoe dikwijls zijn naam ook in den loop mijns verhaals genoemd zij, en welken invloed hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of liever van een verwijderden aard, en hij was in zekere opzichten te vergelijken met den kaarsenmaker van den Schouwburg, die de verlichting bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althans niet gezien zoude worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt. – Voor hen echter, wier nieuwsgierigheid eenigszins door het voorafgaande geprikkeld en thans teleurgesteld is, wil ik er wel bijvoegen, de Notaris Bouvelt een klein, schraal ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met een ziekelijke, saffraangele tronie, een baard van zes dagen en een knijpbril op den neus, een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan ’t lijf, dat lijf gedoken in een met sits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een breede tafel, vol schrifturen; akten, drankfleschjes, contracten, cachoutdoosjes, schepenkennissen en likkepotjes: en dat hij na een vrij langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste klerk gedwaald had, en de akten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer Van Baalen veranderde.


[Hoofdstuk 28] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 30]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001