MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

DERTIGSTE HOOFDSTUK,

HETGEEN LANGER DAN HET VOORGAANDE EN NIET MEER OF MINDER BELANGRI JK WEZEN ZAL.


Ik was met een eenigszins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van Van Lintz daar ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had ontvangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen bekenden zou aantrekken en de noodige middelen in het werk stellen, om hem over de grenzen te helpen: en, hetzij dit gelukte, hetzij Van Lintz betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre meer af was, waarop het mij vergund zou zijn te spreken. Hierbij nog kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en de omstandigheid alleen, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht had van hetgeen er tusschen hem en Van Lintz was voorgevallen, een omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte, was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten van mij omvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aard bij hem, die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen. ontstaan.

Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken, toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat opnieuw iemand uit dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kop, beknorde ik de meid, die hem gezegd had, dat ik thuis was, en stond een oogenblik in beraad, haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand kon afwachten. Bij eenig verder nadenken echter en gedreven door de hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten. Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem thuis had gebracht, mij daarvoor zijn. dank kwam betuigen.

„Wat zal ik u zeggen, Mijnheer Huyck!” zeide hij, eenigszins verlegen en zijn hoed tusschen de handen draaiende:. „ik had wat diep in ’t glaasje gekeken; maar insanivilnus omnes, gelijk wij op de Latijnsche school zeiden. Intusschen, ik kan het haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig compos mentis was. ’t Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van Bacchus. – En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn.”

Ik kon niet nalaten, te glimlachen, want ik kende de waardij van dergelijke verschooningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap, waarin men verkeert, toeschrijve, de wijn heeft er nooit geen schuld aan.

„Troost u, Monsieur Helding!” zeide ik: „wij waren allen min of meer onder den invloed van Bacchus.”

„Ja,” hernam hij: „dat is wel mogelijk: ’t was anders goede wijn: misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat het gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zou geweest zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaar, en die Officieren waren aardige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te hebben in de poëzie. – Zij wisten wat iemand toekwam.”

„Dat hebben zij ten uwen opzichte getoond,” zeide ik.

Hij zag dit als een compliment aan en lachte witjes. – „O verblinding der vleierij!” dacht ik bij mijzelven.

„Maar,” vervolgde hij: „ik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!”

„Dat is hij,” antwoordde ik: „maar het zal beter zijn, dat onderwerp maar niet aan te roeren.”

„UEd. heeft gelijk, zeide hij: „ja, het is wat onbegrijpelijk: er gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit kunnen denken? Die Heer Van Beveren....”

„Welnu?” vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemmen, wat er nu weer gebeurd was.

„Wel,” vervolgde hij: „om met Vader Vondel te spreken:

„Hij trok weg!” riep ik: „Goddank!”

„Met de noorderzon verhuisd,” hernam hij, eenigszins verwonderd over den uitroep van blijdschap. „En zijn dochter?”

„Neen die is er nog,” antwoordde hij: „maar zij zal niet lang meer blijven: althans Heynsz wil haar niet in huis houden.”

„Niet? En wat is er dan voorgevallen ?” vroeg ik, eenigszins minder in mijn schik met dit tweede bericht. „Dat zal ik UEd. verhalen. Ik was gisteravond bij mijn buurjuffer op een kommetje koffie genoodigd; want UEd. moet weten, zij verzoekt mij nog wel eens ’s avonds.... en ik heb er altijd vrij entrée.... een eer, die aan alle Heeren niet gegund wordt. He! he! he!”

„Ja!” zeide ik: „ik begrijp, dat zij zwak voor u heeft.”

„Nu! dat is tot daar aan toe,” hernam hij: „maar het is in allen gevalle niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ijdel is om met een oud man, als ik ben, wat te keuvelen en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en dan eens een versje voorlees.” Ik was eenigszins verwonderd over dezen smaak van Amelia; maar bij verder nadenken begreep ik, dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch altijd eenige gerustheid moest inboezemen. „En was haar vader niet te huis?” vroeg ik. „Dat is het mooie,” antwoordde hij, glimlachende: „ik zat moerziel alleen met haar, in viezevie, zooals de Franschen zeggen, en ik had een pijp opgestoken: – ik zou haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje gaan voorlezen, dat aan de Messieurs zoo beviel, weet UEd.?”

„Ik weet al! – En toen?”

„Daar kwam net haar Papa thuis. „Wel Papa!” vroeg zij zoo: „is UEd. geslaagd in uw bezoek?” – „Ja!” zeide hij: en toen haalde hij een dik pak pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. „Ik begon al ongerust te worden over uw lang wegblijven,” zei zij. „Ja!” zei hij, „ik heb nog een ontmoeting gehad.” – En toen keek hij mij zoo schuins aan van onder zijn bril, alsof hij wilde zeggen: „pak je biezen.” – „Ik was juist voornomens,” zeide ik, „aan de Juffer een gedichtje te gaan voorlezen.” – „Ga uw gang,” zeide’ hij, „Monsieur Helding! en laat ik u niet storen.” Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam niet van: hij haalde een cassette voor den dag, opende het pak, dat hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij zich stak, en verborg de rest in de cassette, zonder bij dat alles de minste acht te geven op hetgeen ik voorlas.”

„Dat was niet beleefd,” zeide ik: „maar inderdaad, het scheen mij dien avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer geen rechten smaak vond in de poëzie.”

„Allesbehalve! – En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minste voor de genomene moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en zegt: „Monsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffie gediend blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op: want ik heb het een en ander met mijn dochter te onderhandelen.” – „Och!” zeide ik: „ik ben niet gaarne tot overlast; dan ga ik liever direct heen. – Want ik was knorrig., Zie, ik ben doodgoed, maar ik heb niet graag, dat iemand mij affronteert.”

„En ging UEd. toen heen?”

„Nog niet; als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat Mejuffrouw Amelia, die het, geloof ik, weer goed wou maken, mij toereikte, daar komt Heynsz binnen en begint een praatje. „Zoo, Sinjeur Heynsz!” zei de Heer Van Beveren: „UEd. komt juist van pas: ik moet hedenavond nog de stad uit,” („ei! ei!” dacht ik) „en wilde u betalen, hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin ontvangt.” – „Wel! wel!” zei Heinsz: „gaat UEd. heden nog op reis? Zeker naar Deventer?” voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. De Heer Van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen: „dat zijn uwe zaken niet.” – „Wees maar zoo goed,” zei hij, „mij uw briefje van verschotten te geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen.” – „Hm! hm!” zeide Heynsz: „mag ik u vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer zijn?” – „Gij zijt nieuwsgierig van avond, Sinjeur Heynsz!” zeide de Heer Van Beveren, met een gezicht alsof hij hem van de trappen wilde gooien. „’t Is maar,” vervolgde Heynsz: „omdat er lieden zijn, die beweren, dat er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft.” – „Dat zou al toevallig zijn,” zei de andere: „men vindt die anders overal. Maar Sinjeur Heynsz! wacht tot gij ten minste Onderschout geworden zijt, alvorens mij met dergeljke onbescbeidene vragen lastig te vallen.” – Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het arme schaap werd zoo bleek als een doek. En Heynsz keek ook zuur, dat beloof ik u; „Mijnheer!” zei hij: „gij moogt dan Van Beveren heeten of niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren.” – „Sinjeur!” zei de ander: „als er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u ben ik geen rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terugbezorgd hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althans aanwijzing daarvan gedaan hebben. „Ik sloeg de handen in elkander. „Heynsz een verklikker!” dacht ik. „Hadt UEd. daar ooit gedachten op gehad, Mijnheer Huyck?”

„Zoo eenigszins,” antwoordde ik glimlachende: „en hoe liep dit af?”

„Wel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat Van Beveren, of zooals de man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen opeens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en begon zich het poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware, zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met zijn drift niets won en begon een toontje lager: „hoor Mijnheer!” zei hij: „ik moet u waarschuwen dat gij een verdacht persoon zijt: en daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van dit huis, heb ik toch wel eenig recht dit te vragen.” – „Hoor, Monsieur Heynsz!” zeide de andere: „ik betaal u als een eerlijk man de huur uwer kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier, althans zoo lang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus hedenavond heen, en gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan; maar thans, verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult dan wel met mijn dochter afrekenen.” – Heynsz scheen nu te begrijpen, dat hij niet verder komen zou, mompelde wat binnensmonds en ging heen, zoowel als ik: – en, zooveel als ik hedenmorgen vernomen heb, is die Van Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken.”

„Ik wensch hem goede reis,” zeide ik, eenigszins verbaasd over de stoutheid en onvoorzichtigheid van Van Lintz, dat hij aldus vertrokken was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en achtervolgd te worden.

Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althans het verdient hier niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.

„Dat wil ik gaarne doen,” zeide ik: ,maar het behoeft niet. Wat mijn vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken.”

Nauwelijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjes openging en ik in den tegenover mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die bleek en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.

„Was het Monsieur Helding niet, die daar uitging?” vroeg zij, terwijl zij met de eene hand, waarin zij een open brief hield, op den rug van mijn stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.

„Dezelfde, Moederlief!” zeide ik, rood wordende.

„Wat had die nu weer te vertellen?” vroeg zij, met een ontevreden blik. Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen hij te veel gedronken had.”

„En was deze de eenige reden zijner komst?” vroeg zij, het hoofd langzaam buigende: „Ferdinand! Ferdinand! wat hebben uw ouders u gedaan, om hen zoo te misleiden? wat beteekenen die gestadige gangen en boodschappen naar en van dat huis van Heynsz? O! zoo gij wist, hoeveel tranen gij mij kost, en hoe ik om uwentwille reeds twee nachten slapeloos heb doorgebracht! zoo gij wist, hoe uw brave vader zijn leed verkropt, en, wanneer ik vraag, wat hem deert, het hoofd schudt, en alleen met een zucht antwoordt. Hoe zijt gij veranderd, Ferdinand! gij, wien wij eens oprecht en vroom gekend hebben! Ach! het was niet zonder reden dat ik opzag tegen die verre reize, die gij nog zoo jong en zonder opzicht ondernomen hebt. Wij steunden op de vastheid van karakter en de brave grondbeginselen, die wij, in onzen ouderlijken hoogmoed, ons verbeeldden dat gij bezat. Maar bitter zijn wij voor onzen eigenwaan gestraft. Helaas! gij waart nog te jong en onervaren! en gij zijt tegen de verleiding niet bestand geweest. Het gebed, dat ik dagelijks tot God voor u opzond, is niet verhoord geworden. Zeg mij, Ferdinand! zeg mij toch, heb ik mijn zoon verloren? – Ach! ik was zoo innig verblijd over uwe terugkomst: ik had mij zooveel genoegen van u voorgesteld: – en thans zie ik, dat mijn blijdschap droefheid had moeten zijn.” – Onder het uiten dezer laatste woorden boog zij haar hoofd op mijn schouder neder en weende bitterlijk.

Haar innige smart verscheurde mij de ziel, en ik was zelfs zoo onthutst en ontroerd, dat ik in de eerste oogenblikken vruchteloos naar woorden zocht, en niet anders doen kon, dan haar koude hand in de mijne te klemmen, den arm om haren hals te slaan, haar bleek gelaat te kussen en tranen van weemoed aan haar boezem te schreien. „Moeder!” zeide ik eindelijk: „lieve moeder! matig uw verdriet. God weet, hoe gaarne ik elken traan, dien gij om mijnentwille stort, met mijn bloed zoude willen betalen; maar ik ben waarachtig onschuldig! geloof mij toch, ik ben uwe liefde, uwe achting niet onwaard.”

„Ik zie ten minste,” zeide zij, terwijl zij zich langzaam uit mijn omhelzing losmaakte en zich naast mij nederzette: „ik zie, dat gij nog niet geheel verdorven zijt, dat er nog hoop is op uw behoud; want uw hart is nog vatbaar om getroffen te worden. O! beloof mij, dat gij den verkeerden weg zult verlaten, dien gij zijt ingeslagen, dat gij alle banden, die u aan dat slechte voorwerp verbinden, zult losscheuren: en alles, alles zal vergeven en vergeten zijn: ik zal juichen en zeggen met den vader uit de gelijkenis: „ziet! mijn zoon was verloren en hij is wedergevonden.”

„Maar,” zeide ik: „ik betuig u, dat er geene banden te verbreken vallen: dat ik door u, door mijn vader verkeerd word beoordeeld: dat....”

„En waarom dan uw gedrag niet opgehelderd? Wie heeft recht op uw vertrouwen, op uw openhartigheid, zoo uw vader niet niet heeft? Hoe kunt gij vergen, dat hij of ik geloof zouden slaan aan de ongerijmde en nietige uitvluchten, waar mede gij uwe verkeerdheden poogt te bemantelen. Ferdinand! wees niet verstokt in het kwade. Een gulle bekentenis, een oprecht berouw zouden uws vaders rechtmatigen toorn ontwapenen; maar een hardnekkigheid als de uwe moet hem verbitteren.”

„Maar vader,” zeide ik, „had mij beloofd zijn oordeel te zullen opschorten, tot zich het oogenblik zoude opdoen, waarin ik hem een volkomene, geheel voldoende opheldering zoude kunnen geven. Dat oogenblik nadert met rassche sehreden. En dan, geloof mij, dan zal mijn gedrag u in een ander licht voorkomen, dan het thans doet. Waarom dan ook niet een weinig op mij vertrouwd, wanneer ik u mijn onschuld betuig en u verzeker, dat gij zonder billijke oorzaak tranen stort?”

„Is dat geheim dan zoo diep, zoo vreeselijk,” vroeg mijn moeder, „dat gij het ook aan mijnen boezem niet kunt uitstorten? Ach! het zou u goeddoen, en mij ook, Ferdinand! want, hoe fraai uw woorden ook zijn, ik ben nog niet gerust. Misschien misleidt gij uzelf: er moet stellig eenig kwaad, iets verkeerds zijn bij een geheimenis, die men aan eene moeder niet kan openbaren.”

„Lieve moeder!” zeide ik, de hand drukkende, die zij mij vleiende toestak: „geloof mij, mijn vurigste wensch op dit oogenblik zoude wezen, om mij aan uw hart te storten en u alles te ontdekken. – Ja, ik gevoel, dat zoo gij langer bleeft aandringen, ik de kracht niet zoude hebben, u weerstand te bieden: dat ik, tot welken prijs dan ook, de bron uwer tranen zoude willen drogen. Maar zoo ik nu sprak, zou ik een woordbreker, en bijgevolg een schurk zijn: – en dat toch wilt gij van uw zoon niet maken?”

„Het kan dan niet anders,” zuchtte mijn moeder: „neen, een woordbreker moet gij niet worden: – alleen maar begrijp ik niet, waartoe dergelijke dwaze geheimen dienen. Ik zie niet, dat iets, dat goed en ordentelijk is, behoeft verborgen te blijven. Misschien dwaal ik, en heb ik geen ondervinding genoeg; maar ik kan het mij maar niet voorstellen.”

Zij sprak wel waarheid, die goede moeder, want nooit had haar geest of haar verbeelding eene gedachte gekoesterd, welke zij niet zou hebben durven openbaren; en haar reine ziel was een spiegel, waarin zij ieder vergunde te lezen.

„In allen gevalle,” vervolgde zij, „hoop ik, dat die oplossing spoedig moge plaats hebben; want ik zou ziek worden van die onzekerheid; en dan,” terwijl zij mij den brief toereikte, „hier is een uitnoodiging van uw Tante Van Bempden tegen Zaterdag over acht dagen, om mijn verjaardag op Heizicht te komen vieren; ik had mij veel genoegen van die partij voorgesteld; – maar nu weet ik waarachtig niet of ik het wel aanneem; ik kan met geen opgeruimd hart aan tafel zitten en de gelukwenschingen der gasten ontvangen, zoolang dit geval niet is opgehelderd.”

„Gij zijt onbillijk, lieve moeder!” zeide ik: „waarlijk, gij zijt onbillijk tegen mij. Ik kan beseffen, dat deze zaak u hindert; maar dewijl ik u mijn woord heb gegeven, dat uw bezorgdheid ijdel is, mocht ik toch hopen, dat gij nog vertrouwen genoeg in mij zoudt bezeten hebben, om met eenige kalmte den loop der gebeurtenissen af te wachten. – Voorheen, lieve Moeder! was het genoeg, dat ik u eenmaal iets verzekerde, om er u de vaste overtuiging van te geven. Heugt het u nog, toen eens de girandolle in de zaal aan gruis was gevallen, en iedereen beweerde, ik moest het gedaan hebben; want ik had den ganschen morgen in de kamer gezeten en niemand buiten mij was er geweest, dat gij toen zeidet: „neen! Ferdinand heeft het niet gedaan; hij zegt het zelf.” – En zou ik sedert dien tijd zoo veranderd zijn, dat er op mijn woord geheel niet meer te bouwen ware?”

„Ja Ferdinand!” zeide zij, mij met aandoening omhelzende: „ik geloof u; want het zou al te afschuwelijk zijn, indien ook deze betuigingen valsch waren: en echter,” vervolgde zij, mij met een weemoedigen blik aanziende: „gij hebt onlangs een weinig.... gedraaid.” Het goede mensch wilde niet zeggen: gelogen. „Maar spreken wij daar niet over,” voegde zij er bij, ziende, dat ik rood werd en haar smeekend aanzag: „dat was voor het eerst en voor het laatst, nietwaar? O! zeg mij, dat het voor ’t eerst en voor ’t laatst was: ik heb er behoefte aan, dit te gelooven. – Ach! zonder die noodlottige misleiding had ik u nooit verdacht.”

„Moeder!” zeide ik: „gij beschaamt mij te recht: ja! dat was voor ’t eerst, en, God is mijn getuige, het zal ook voor ’t laatst zijn. Daar! deze kus moge u tot bevestiging strekken dat ik deze belofte heilig houden zal.”

„Dat wensch ik,” zeide zij: „nu, wij zullen dan het geval laten zooals het is, en ik zal trachten, mijne bekommernissen te overwinnen. Zoo ik u verkeerd beoordeeld heb, gij zult het mij niet kwalijk nemen, nietwaar? Ach! gij weet niet, hoe teeder een moeder aan haar kind gehecht is, en hoevele angsten haar hart benauwen, wanneer zij slechts veronderstelt, dat het van den rechten weg zoude kunnen afwijken.”

Hier droogde de beste vrouw haar tranen af, en verliet mij, meer gerust te mijnen opzichte, dan toen zij gekomen was.

Dienzelfden avond ontvingen wij een afscheidsbezoek van Reynhove, die aan mijn vader meer omstandig kwam mededeelen hetgeen hij mij reeds met een paar woorden gezegd had, dat hij naar Den Haag ging en moeite zoude doen om geëmployeerd te worden. Er was, had hij gehoord, een bediening opengekomen, waar aan geen onbelangrijke werkzaamheden verbonden waren, en hij hield zich overtuigd, dat zijn vader, zijn besluit vernemende, zich daarover verheugen zou en alle pogingen in het werk stellen om hem zijn doel te doen bereiken. „Ik heb,” zoo , eindigde Reynhoves verhaal, „lang genoeg als een oiseux meubel rondgeslenterd en UEd. heeft mij doen zien dat het tijd wordt, iets degelijks bij de hand te nemen,” Het behoeft niet vermeld te worden, dat het voornemen van Reynhove door mijn vader hoogelijk goedgekeurd werd: mijn moeder wenschte hem insgelijks allen voorspoed op zijne voornemens: Suzanna zeide lachende: „Ik weet niet, Mijnheer Reynhove! maar mij dunkt, het zal u vreemd voorkomen, den dag op een bureau door te brengen met over allerlei vervelende schrifturen te gapen, en

Mij dunkt ik zie u daar zitten met een groote pen achter ’t oor, een morslap vol inktvlakken op de rechtermouw, en een aschgrauwen overrok aan, waar de kantoorlucht niet meer uit te kloppen is.”

„Ik zie wel, dat gij nooit naar Den Haag geweest zijt, Santje!” zeide ik: „gij stelt u de kantoren aldaar voor, gelijk dat van een Amsterdamsch koopman, waar het licht door de lantaren van de binnenplaats invalt en men te drie uren al bij de kaars moet zitten. Neen! ginds gaat het vroolijker toe: men zit in ruime, luchtige kamers, en de groote bezigbeid bestaat er, in de courant te lezen, in te praten over de nieuwtjes van den dag en om het uur eens een pen te versnijden.”

„Wel! hoor mij dat jongmensch eens aan,” zeide Suzanna: „die praat over kantoren en maakt vergelijkingen, en denkt, dat hij het recht heeft om aardigheden te zeggen, omdat hij een blauwen maandag in den handel is. Denk je dan, Ferdinand! dat men in Den Haag niets uitvoert, omdat men er juist niet den geheelen dag lettertjes zit te kladden en sommetjes te maken, trots den besten schooljongen?”

„Mejuffrouw neemt het zoo goed voor Den Haag op,” zeide Reynhove, „dat ik er niets weet bij te voegen. Maar is het mogelijk, dat UEd. daar nooit geweest is? – Zij dunkt, de familie moest daar eens eenige dagen komen passeeren: het zoude mij een innige volupteit zijn, u rond te leiden en het interessantste te laten zien.”

„Ja, indien UEd. dat van papa gedaan kost krijgen,” zeide Suzanna, „dan zou ik u voor den welsprekendsten man uit de Zeven Provinciën houden: maar daar is geen kijk naar.”

„Wacht maar,” zeide mjn vader; „als ik eens oud word, en op mijn muiltjes ga leven, dan zullen wij eens zien wat wij doen.”

„Ja!” hernam Suzanna: „als ik zoo lang moet wachten, dan zal ik zelve al wel te hokvast geworden zijn, om nog uit te vliegen. Wat zijn de mans toch gelukkig! daar heb je Ferdinand, die is half Europa al rond geweest, en ik, die evenzoo goed recht had iets anders te zien, ik zal misschien mijn leven ten einde zien loopen, zonder ooit in Den Haag te zijn geweest.”

„Den Haag zou er het meeste bij verliezen,” zeide Reynhove, „maar, als ik vragen mag: waarom zoude uw broeder u daar niet heenbrengen? dan had UEd. een Mentor van ondervinding bij u.”

„Een mooie Mentor!” riep Suzanna uit: „ik bedank u hartelijk. Wel ja! met een Broeder te reizen is ook wel een laatste toevlucht! Weet UEd. dan niet, Mijnheer Reynhove! dat van al de meisjes op den aardbodem er geene is, waarover men zich minder bekommert, dan over eene zuster?”

„Daar laat gij u onvoorzichtig uit, Santje!” zeide ik; „ik wilde u juist voorstellen, u in het volgende voorjaar eens derwaarts te brengen; maar, nu ik dat hoor, zal ik er wel deugdelijk op passen.”

„O! MjufFrouw meent het niet,” zeide Reynhove: „ik recommandeer u ernstig aan, bij die goede intentie te volharden. Het zal u wel bevallen, en wij zullen alles in het werk stellen om u een goed accueil te procureeren.” ,Gij ziet, Mijnheer wil ons volstrekt in Den Haag hebben,” zeide ik.

„Dat wil ik,” zeide Reynhove: „of liever, want het zoude inconvenant zijn, van mijn wil te praten, ik wensch het vurig.”

„Ja,” zeide Suzanna: „om als een berenleider met ons rond te loopen en ons aan de menschen .te toonen als iets nieuws, al roepende: „kijkt! menschen! kijkt! Hier heb je den nieuwbakken Amsterdamschen koopman van het mannelijk geslacht, met zijn zusje, een onnoozel ding, dat nog van geen toeten of blazen weet. Ja! denk je, dat ik niet weet, hoe men ginds met onze kleeding en manieren den spot drijft?”

„UEd. is het toch niet, die voor spotternij beducht kan zijn?” vroeg Reynhove.

„Die kan je in uw zak steken, Santje!” zeide ik.

„Volstrekt niet,” zeide Reynhove, eenigszins verlegen over de uitlegging, die ik aan zijn woorden gaf: „ik bedoelde alleen te zeggen, dat Mejuffrouw boven alle bespotting verheven is.”

„Wat zeggen de Heeren Blaek toch wel over uw spoedig vertrek?” vroeg mijn moeder, een andere wending aan het gesprek willende geven.

„O!” antwoordde Reynhoven: „den ouden Heer heb ik weinig gezien, en die zal over mijne absentie niet treuren: – en wat Lodewijk betreft....” hier zweeg hij opeens, en zag mij zijdelings aan.

„Wel!” zeide mijn vader: „ik hoop toch niet, dat gij kwade vrienden scheidt? – ofschoon ik erken, dat gij beter gezelschap kunt kiezen.”

„Neen,” antwoordde Reynhove: „’t is maar: ik dacht, dat ik hem goed kende, en ik zie alweder, dat ik mij in hem bedrogen heb.... ofschoon deze reis strekt het niet tot zijn schande: – maar ik wil daar liever hier over zwijgen. – Heeft UEd. al gehoord, dat zijn jacht weer in ’t water is gewerkt, ik zoude het voor een mirakel gehouden hebben; er zijn toch knappe werklieden hier ter stede: – er is bijna niets aan het vaartuig beschadigd en het zal met een kleine reparatie weer zoo goed wezen, als ware er niets gebeurd.”

„Er zijn lieden, wien alles medeloopt, tot zij eindelijk het lid op den neus krijgen,” zeide mijn vader.

Na nog een wijl gezeten te hebben, vertrok Reynhove. „Ik weet niet,” zeide hij, toen ik hem uitliet, wat ik van Lodewijk denken moet. Hij was dezen middag louter attentie en beleefdheid jegens zijn cousine, die heden voor een paar dagen in de stad is, en zeide haar meer douceurs, dan zij anders in een jaar van hem hoort. Zij scheen er zelve verbaasd over: wat dit voorspelt, weet ik niet; maar het zou mij niet verwonderen, indien hij eens begon te beseffen, dat, het tijd werd, wijs te worden. – men bemerkt de waarde van een schat ook nooit beter, dag wanneer men gevaar geloopen heeft, dien te verliezen.”

„In waarheid!” zeide ik: „wat gij mij daar vertelt bevreemdt mij. Ik kan toch niet denken, dat hij inderdaad oogmerken op haar heeft.”

„Noch ik,” hernam Reynhove: „maar de zaak is waar en gij kunt er uw profijt mede doen. Adieu.”

Den volgenden dag had ik toevallig, door het afspringen eener comparitie, welke ik had moeten bijwonen, een uurtje voor den eten vrij, en Suzanna, die zich reeds menigmalen beklaagd had, dat zij niets aan mij had, nam die gelegenheid waar om mij met haar naar Tante Letje te tronen. „Wel!” zeide deze, toen ze mij zag: „het is goed, dat gij komt, Neef! Ik had u anders al een boodschap willen sturen. Ik wenschte u eens onder vier oogen te spreken, wanneer het u gelegen komt.”

„Ei! ei!” zeide Suzanna: „mag ik er niet bij wezen? Nu! dan zal ik zoo aanstonds maar optrekken: ’t is toch hard, , dat ik mijn cavalier zoo spoedig weder verliezen moet: men heeft al moeite genoeg om hem te krijgen.”

„Neen! dat is juist de bedoeling niet,” zeide Tante: „maar van avond of morgen, als ’t u belieft.” – En zij zette daarbij zulk een statig gezicht tegen mij, dat ik alweder ook van dien kant een donderbui voorzag. – Ik was echter gedwongen mijn nieuwsgierigheid op te schorten, en wij zaten, na eenig onderhoud over verschillende zaken, te luisteren naar het verslag dat Tante ons gaf van een dierbare predikatie, welke zij in de weekbeurt een paar dagen te voren gehoord had, toen wij een koets hoorden stilhouden. Er werd aan de huisdeur gescheld: er kwam iemand de trappen op: de deur ging open: – en Henriëtte Blaek stond voor onze oogen. Zij was bevallig gelijk altijd: maar zag toch eenigszins betrokken van uitzicht, en bleef, toen zij ons bemerkte, onthutst en verlegen aan de deur staan.

„Kom binnen, Jetje-lief!” zeide Tante Letje: „daar doet gij wel aan, kind! van mij eens te komen opzoeken.”

„Uw dienaresse, Juffrouw Huyck!” zeide Henriëtte, terwijl zij nader trad met het voorkomen van iemand, die een kloekhartig besluit neemt: „verschoon mijn vrijpostigheid: de meid zeide, ik zou maar boven gaan: – ik wist niet, dat UEd. bezoek had. Ik kwam u het boek terugbrengen, dat UEd. mij geleend heeft. Goeden morgen, lieve Santje! hoe gaat het u?” En zij drukte met minzaamheid de hand van Suzanna. Wat mij betrof, ik bekwam geen enkel woord: een nijging, zoo stijf en afgepast alsof zij een onbekende gold, was alles, waarmede zij te kennen gaf, mijne tegenwoordigheid te hebben opgemerkt: en hoewel een lichte blos haar wangen kleurde, haar oogen teekenden koele onverschilligheid en geen trek in haar gelaat veranderde. Suzanna en ik keken elkander aan: wij wisten niet, waaraan die stijfheid toe te schrijven.

Ik ging een stoel voor haar krijgen; maar zij hield zich, en zij zulks niet opmerkte en nam plaats op een anderen, die nevens haar stond. „En hebt gij er smaak in gevonden?” vroeg Tante, het boek aannemende: „heeft u de lezing nogal gesticht?” – Het waren predikatiën, ik weet niet meer van wien.

„O ja! mjn waarde Juffrouw!” antwoordde zij: „het is een uitnemend schoon werk: en mijn oom heeft de goedheid gehad er een exemplaar van voor mij te koopen.”

„Zoo! dat is goed. En hoe maakt het uw Heer oom? – Wel? – Dat verblijdt mij hartelijk. En hoe maakt gij het zelve, lieve Jetje? Mij dunkt, niet zoo wel, als toen ik u de laatste reize zag.”

„Integendeel, Mejuffrouw!” antwoordde zij: „ik ben wel, volkomen wel!” en zij beet zich op de lippen.

„Neen waarlijk!” vervolgde Tante: „UEd. ziet er niet te best uit. Ik kan het nogal begrijpen: de schrik van dat ongeval op zee bij dien storm zal u nog door de leden zitten. – Nu! dat is al een gezegende bewaring geweest! En wel mocht gij zeggen: „”laet mij de watervloet ende laet de diepte mij niet verslinden.”

„ Gij hebt er toch geen nadeelige gevolgen van gehad, Mejuffrouw?” vroeg ik.

„Neen Mijnheer!” antwoordde zij, op een koelen toon: „en ik doe mijn best, om die gebeurtenis met al haar gevolgen uit mijn geheugen te wisschen.”

Ik was geheel uit de lijken geslagen door deze verklaring, waarvan ik den zin maar al te wel begreep; en Suzanna keek haar vriendin aan, als wilde zij zeggen: „hoe heb ik het met u?” – doch Tante, die de bedoeling van Henriëttes woorden niet opmerkte, nam weder het woord:

„Dat is niet goed, Jetje-lief! Een zoo verschrikkelijke gebeurtenis en welke zoo duidelijk aantoont, dat de Heere hen niet verlaat, die in nood tot Hem roepen, moet gij niet moedwillig vergeten; maar zij moet u tot een spoorslag strekken om uw leven toe te wijden aan Hem, die u behouden heeft.”

„UEd. heeft volkomen gelijk, Mejuffrouw!” zeide Henriëtte: „ik heb mij slechts verkeerd uitgedrukt: ik gevoel zeer wel, welk een plicht van dankbaarheid op mij rust en hoop dat nimmer te vergeten.”

„Ja!” vervolgde Tante: „dat zware weer heeft al wat schade gedaan: daar is, hoor ik, bij Colhorn een gat in den dijk geslagen en ik weet niet, hoe vele duizenden dat aan herstellen kosten zal. Wel is dit wederom een bezoeking des Heeren en een straf der ontrouwe gemeente, dat zij zulke ongeloovige en bedrieglijke leeraars en herders beroept, gelijk nog onlangs hier heeft plaats gehad in de verkiezing van den Sociniaanachen Boterbloem, die mede een van dezulken is, „die ydelheyt spreecken ende leugen sien, ende seggen: de Heere heeft gesyroken; daer de Heere haer niet gesonden en heeft: en daarom zeyt de Heere: ik sal hen door eenen grooten stormwint in mijne grimmigheyt splijten ende daer sal een overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, ende groote hagelsteenen in mijne grimmigheyt, om dien te verdoen.” ”

„Heden Tante!” zeide Suzanna, met een onnoozel gezicht: „is het de schuld van Ds. Boterbloem, dat de dijk doorgebrpken is? Vader zeide, het was de schuld van het Dijkcollege, dat met de Vijf Steden overhoop lag.”

„En wat is dit anders,” vroeg Tante, het gezegde mijner zuster ernstiger opnemende dan het verdiende: „dan een bevestiging van hetgeen ik zeide? Zijn dezen niet de mannen, „die ongerechtigheyt bedencken, en die quaden raet raden in de stadt?” – En zijn zij geen blinde leidslieden der blinden, die de gemeente in haar afval voorgaan?”

„Ik geloof wel, dat UEd. gelijk heeft,” zeide Suzanna: „want daar is de Dijkgraaf Kr. Coenraad van Vlingerhoed, die draagt een bril: de Secretaris, Jonker van Bitterenvleugel, is zoo bijziende, dat hij mij laatst op een salet voor Tante Van Bempden aanzag: van de Heemraden heeft er een’ e grauwe staar, de tweede is eenoogig, de derde is scheel, en nummer vier is alle namiddagen zoo dronken, dat hij den weg naar zijn huis niet alleen kan vinden. – UEd. zegt dus wel te recht, dat het een blind college is.”

„Nichtje!” zeide Tante, eenigszins geraakt: „hoe lange sult gij de slechtigheyt beminnen, ende de spotterye begeeren.” Wat gij zegt, is bijwijlen zeer aardig; maar wanneer men ernstig spreekt, is het gekscheren ongepast en onwelvoeglijk. Gij weet zeer wel, dat ik geestelijke blindheid bedoel en met geene lichaamsgebreken spot, zooals gij doet.”

Suzanna keek eenige oogenblikken vrij zuur: ik zelf was een weinig verwonderd geweest over haar uitdrukkingen; want, hoe geneigd ook om met alles te schertsen, was zij nooit gewoon den spot te drijven met ernstige zaken, of door hare gezegden iemand te ergeren en te ontstichten. Ik schreef dan ook haar woorden aan de ware oorzaak toe: namelijk aan wrevel over de koele handelwijze van Henriëtte jegens mij, dien zij achter een voorgewende luchthartigheid wilde verbergen: en waardoor zij, gelijk doorgaans in diergelijke gevallen plaats heeft, scherp in stede van geestig werd. Zij gevoelde echter haar ongelijk: „Tante!” zeide zij, na een oogenblik zwijgens opstaande en haar een kus gevende: „vergeef mij: ik sprak zonder nadenken, gelijk mij wel meer gebeurt. Ik ben.... ik heb iets dat mij hindert.” – Hier begon zij te schreien en zag Henriëtte aan met een verwijtenden blik.

„Neen!” zeide Tante, haar omhelzing beantwoordende: „ik weet het ook wel, gij behoort niet tot de „spotters onreyne,” waarvan in den eersten Psalm gesproken wordt, noch ook tot de zoodanigen, die de bestraffinge niet hooren.”

„Zullen wij den Heer Blaek ook op het feest bij Tante Van Bempden zien?” vroeg ik aan Henriëtte: ik dorst haar niet vragen, of zijzelve komen zoude.

„Ik weet het niet, Mijnheer!” antwoordde zij, op de klok ziende, als iemand, die vertrekken wil, maar het bezoek toch niet korter wil maken dan de betamelijkheid vordert.

„UEd. komt toch, Tante?” vroeg Suzanna.

„Ik heb de noodiging aangenomen,” antwoordde Tante: „ofschoon ik wel gewenscht had, dat zuster Van Bempden een anderen dan den dag van Zaterdag tot deze feestviering had uitgekozen. Het wordt somtijds laat: en dan is men minder gestemd, den dag des Heeren behoorlijk te vieren.”

„Ja! lieve Tante!” zeide ik: „dat is waar; maar UEd. zal met mij instemmen, dat Mama niet wel haar verjaardag verzetten kon, en dat Tante bovendien gebriik maakt van de gelegenheid, dat Papa eens uit kan gaan, daar hij altijd in het midden van de week zoo bezet is.”

„Ja dat weet ik,” hernam Tante: „maar, naar mijn begrip ware het voegzamer geweest, dat de plechtigheid ten huize uwer ouders had plaats gehad; er zouden dan wel zooveel gasten niet hebben kunnen zijn; maar mij dunkt, op een verjaarfeest behoort ook niemand buiten de naaste bloedverwanten: en die had uw moeder wel kunnen bergen.”

„Zeg dat maar niet, dat Mama het hoort,” zeide Suzanna: „het goede mensch treurt er al genoeg over, dat er om harentwille zooveel omslag gemaakt wordt; maar Tante was er zoo op gesteld: en men begreep, dat de groote en kleine kinderen zich buiten meer dan in de stad zouden, vermaken, enz.”

Hier stond Henriëtte op. „Mejuffrouw Huyck!” zeide zij, na een wijl te hebben geaarzeld. UEd. zal mij verschoonen; maar ik mag niet langer blijven: het is later dan ik dacht, en....”

„Wel heden! wilt gij nu reeds vertrekken?” vroeg Tante: „gij zit pas.”

„Mijn oom wacht mij: wij eten vroeg, om na den middag weder naar buiten te rijden: ik durf niet vertoeven.”

„Rijdt gij naar huis, Jetje?” vroeg mijn zuster, opstaande, met de houding van iemand, die een besluit neemt.

„Ja lieve!” antwoordde Henriëtte: „het is wat laat en uit den weg: anders zou ik u voorstellen om u te huis te brengen; maar ik durf aan de paarden van oom zulk een omweg niet te laten doen.”

„Neen! dat behoeft ook niet,” hernam Suzanna: „maar ik wil toch gaarne een eind met u rijden: ik moet bij Carlin wezen om lint te koopen: dat is toch in uw weg en gij kunt mij daar afzetten.”

„O! zeer gaarne!” zeide Henriëtte, op een toon, die aanduidde, dat zij het gezelschap van haar boezemvriendin voor deze reis wel zou kunnen gemist hebben.

„Gij blijft toch nog wat, Neef!” zeide Tante: „dan kan ik u dadelijk zeggen wat mij op het hart ligt.”

„Ik ben tot uw dienst,” zeide ik, terwijl Henriëtte afscheid nam en Suzanna mij in ’t heengaan een blik toewierp, die zooveel zeggen wilde, als dat zij voor mijn belangen zoude waken. Met een zucht zag ik beiden vertrekken.

„Wel neef! dat trof ongelukkig,” zeide Tante, toen wij alleen waren: „maar verbeeld u, daar dacht ik in het eerst geheel niet aan uw mislukt aanzoek bij den Heer Blaek. Ik verwonderde mij reeds, dat gij alle drie zoo stil en zoo zonderling waart. Maar om u de waarheid te zeggen, ik zou haast denken, dat zij nogal instemt met de meening van haar oom: want ik kan niet vinden, dat zij u bijzonder voorkomend behandelde.”

„Dat heeft mij ook getroffen,” zeide ik: „en ik was er verre af, mij op zulk een koelheid te verwachten. Ik weet niet, waarmede ik haar welwillendheid zoo op eenmaal verbeurd heb; en dat kwelt mij.”

„Ik wil het wel gelooven, hernam zij: „maar gij moet u in deze beproeving troosten met de gedachte, dat alles naar Gods wijzen wil geschiedt en dat elke kleine teleurstelling tot bevordering van uw eeuwig heil moet strekken. – Maar om te komen tot hetgeen ik u zeggen wilde: uw vader is gisteren bij mij geweest en heeft mij gewaarschuwd tegen die lieden, die bij Heynsz wonen. Hij zegt, dat de man onder een valschen naam bij mij gekomen is: en de dochter is, naar hij gelooft, ook van dezulken, tegen wie ik op mijn hoede moet wezen. Het rechte wilde hij niet zeggen; maar hij verwees mij tot u om nadere uitlegging van zijn woorden. Wat is daarvan? Is dat Juffertje wezenlijk zoo slecht? dan heb ik mij in haar bedrogen; want ik zag haar aan voor zulk eene „die rein van harte was ende yverig in alle goede wercken.” ”

„Ik weet van haar niets kwaads,” antwoordde ik, verheugd van te ontwaren, dat mijn vader zijn vermoeden omtrent mij ten minste niet aan Tante had medegedeeld: „en wat haar vader betreft,” vervolgde ik, „Helding heeft mij verhaald, dat hij vertrokken is.”

„Ja,” hernam zij: „dat heeft mij uw vader ook verteld; doch dat is ook al wonderlijk in zijn werk gegaan; want hij is, volgens het zeggen van uw vader, eergisteravond met de nachtschuit heengegaan en te Nieuwersluis er uitgestapt en er niet weder ingekomen; maar verdwenen, niemand weet waarheen. – Dus wil ik maar zeggen, ofschoon ik mijn naasten niet veroordeelen mag, dat daar toch iets achterschuilt. ’t Is wonder, zooals uw moeder laatst aanmerkte, dat Heynsz zulke lieden bij zich heeft ontvangen.”

„Inderdaad!” zeide ik: „maar zooals ik zeide: ik weet van beiden geen kwaad; ofschoon ik beken, dat het mij aangenaam zijn zal, niets meer van hen te hooren; want sedert mijn terugkomst alhier kan ik mij niet bewegen of ik ben gedwongen, over hen te hooren spreken; het is of zij mijn booze geesten zijn, die mij in wezenlijkheid of in verbeelding altijd en overal vervolgen.”

Ik had deze woorden nauwelijks geuit, of zij werden bevestigd. De deur ging open, en Amelia trad binnen. – Men moet weten, zoo men het niet reeds heeft opgemerkt., dat mijne goede Tante altijd voor iedereen te huis was: en dat haar meiden dus nooit iemand aandienden; maar elk, wiens gezicht zij eenmaal gezien hadden, dadelijk naar boven stuurden.

Wij waren alle drie onthutst. Amelia was echter de eerste, die de verrassing te boven kwam: en zelfs geloof ik, dat mijne tegenwoordigheid haar bemoedigde.

„Mejuffrouw!” zeide zij, zich tot Tante wendende, eer deze nog het vermogen had van haar toe te spreken: „ik kom als smeekeling tot u. Ik heb, in deze groote volkrijke stad, niemand, op wiens goedwilligheid ik staat kan maken, buiten u – en uw Heer Neef,” voegde zij er blozende bij: „ik weet, dat mijn komst en mijn verzoek onbescheiden zijn: – en ik zal het u niet euvel duiden, zoo UEd. mij ongetroost terugzendt; maar u niettemin dankbaar blijven voor het goede, mij bewezen.”

„Ga zitten, Juffertje!” zeide Tante, die aan de buitengewone ontroering, welke op Amelia’s wezenstrekken zichtbaar was, wel bespeurde, dat zij door geen onbeduidende oorzaak tot haar gedreven werd: „ik help gaarne, wie ik kan: want dat is ons voorgeschreven: maar wilt gij ook iets drinken? Gij ziet er zoo ontdaan uit. Is u een ongeluk overkomen?”

„Wil ik mij niet liever verwijderen?” vroeg ik, weinig trek gevoelende van opnieuw in Amelia’s belangen gemoeid te worden: „Mejuffrouw heeft u wellicht iets in ’t geheim te zeggen.”

„Neen, blijf nog wat hier, Neef!” zeide Tante, die, geloof ik, bevreesd werd zich met Amelia alleen te bevinden: „en krijg dat fleschje met die droppeltjes eens uit het hoekkastje en de waterkaraf. – Toe! drink eens, arme ziel! gij zijt waarlijk geheel van uw stuk.”

„Ik dacht niet, dat ik nog vatbaar was voor een diergelijke ontroering,” zeide Amelia: „ik heb grootere tegenspoeden en bekommernissen, dan die ik heden ondervind, moedig doorgestaan; maar nooit ook, neen, nooit te voren had ik een vernedering ondergaan als deze. Ik heb de wederwaardigheden der wereld met gelatenheid gedragen; – maar ik was niet geboren om mij door een ellendigen spion te zien beleedigen, als ware ik een schandvlek mijner kunne.”

„Wat is er gebeurd? – Wie heeft u beleedigd?” vroegen Tante en ik, bijna gelijktijdig.

„Wat hij gezegd heeft,” zeide Amelia, „doet er niets toe: zijne uitdrukkingen zijn misschien te verschoonen: hij is niet, gewend met beschaafde lieden om te gaan: hij kon mij zijn huis uitzetten: hij is er meester in en heeft daar het recht toe; maar het is laag en onverschoonlijk van hem mij te beleedigen, op een oogenblik, dat ik alleen en van elk verlaten ben. – Ik kan, ik mag niet langer onder zijn dak blijven; – maar waarheen zal ik mij wenden? – Gij alleen Mejuffrouw, gij kunt mij helpen. O! ik bid u, wijs mij een wijkplaats aan bij eerlijke lieden, waar ik mijn intrek nemen kan. Ik zal er niet lang vertoeven, ik beloof het u. – Geld ontbreekt mij niet: ik verlang niet als een verblijf, hoe klein ook, waar ik rust kan vinden en voor alle bezoeken veilig mag zijn.”

„Ja!” zeide Tante: „dat is nu goed en wel; maar er worden zooveel rare dingen van uw vader en u verteld, dat ik eerst nog wel wat naders van u dien te vernemen, eer ik u bij anderen recommandeer.”

„Daar zult gij gelijk aan hebben, Zuster!” zeide een stem achter ons. Wij wendden alle drie het hoofd om: – en mijn vader trad de geopende deur binnen. Hij was, gelijk ik naderhand vernam, naar de woning van Heynsz gegaan om met Amelia te spreken; doch, daar zij juist vertrokken was, haar op den voet gevolgd, en kort na haar de opene voordeur bij Tante ingetreden.

2168.gif (34196 bytes)Geheel verschillend was de indruk, welke zijn plotselinge verschijning op ons maakte. Tantes gelaat helderde op: en het was te zien, dat de komst van haar broeder haar uit een machtige verlegenheid redde: Amelia zag hem aan zonder schrik, maar met verwondering en ongerustheid, en als vermoedde zij, dat het van dien man afhing hoe haar lot zoude beslist worden. Wat mijzelf betreft, ik was geheel uit het veld geslagen; want ik voorzag niet slechts nieuwe onaangenaamheden voor mij, en verkeerde uitleggingen van mijne tegenwoordigheid daar ter plaatse; maar ook beefde ik voor Amelia; en alleen de kennis, die ik van mijns vaders strikte eerlijkheid bezat, boezemde mij eenige hoop in.

Mijn vader zag eerst Amelia, en vervolgens mij met een navorschenden blik aan. Zij sloeg de oogen niet neder; maar rees op, en haar gelaat nam die uitdrukking van hoogmoed aan, welke haren vader zoo eigen was en die ik ook vroeger in haar had opgemerkt. Zij was blijkbaar geraakt over hetgeen zij als een onbeleefdheid beschouwde. Tante was de eerste, die het stilzwijgen brak: „Gij komt juist bijtijds, Broeder!” zeide zij: „deze is de Juffer, waarover ik u gesproken heb.”

„Ik zie het,” zeide mijn vader: „jonge dochter!” vervolgde hij, zich tot Amelia wendende: „het smart mij, in iemand van uwe jaren en voorkomen zooveel verstoktheid te vinden. Hoe hebt gij u kunnen verstouten, u in te dringen bij een eerbiedwaardige Juffer, terwijl gij bij u-zelve bewust moest zijn, dat uw ware plaats in het spinhuis is.”

„Mijnheer!’ riep Amelia, op een toon van hevige verontwaardiging, terwijl zij het hoofd ophield met een waardigheid, die een Koningin eer zoude hebben aangedaan: en toen, zich naar mij toekeerende: „wie is die man?” vroeg zij.

„Het is mijn vader!” fluisterde ik: „om Godswil....”

„Welnu!” ging zij voort: „zeg dan aan uwen vader, dat ik van zijnentwege een andere behandeling had verwacht. Zoo iemand zonder opvoeding, gelijk Heynsz, mij beleedigde, ik dacht niet, dat de Heer Huyck een dergelijke handelwijze zou navolgen.”

„Ik zoude u aanraden, een toon lager te zingen,” hernam mijn vader: „ik ben heusch jegens een met lompen bedekte vrouw, wanneer haar gedrag betamelijk is; maar ik zou ook aan een Vorstin mijn verachting toonen, wanneer zij handelde zooals gij.”

„Vaarwel Mejuffrouw!” zeide Amelia, even met het hoofd buigende en zich willende verwijderen.

„Blijf!” zeide mijn vader, op dien toon van gezag, dien elk wie hem hoorde gedwongen was te eerbiedigen: „en wees liever dankbaar jegens mij, dat ik u niet door mijn dienaars voor mij op het Stadhuis heb laten brengen, maar hier ben gekomen om u te ondervragen: en bedenk, dat een rondborstige bekentenis u meer nut zal doen dan het aannemen eener ongepaste fierheid.”

Amelia bleef midden in het vertrek staan, de armen over elkander geslagen, de oogen vlammende van spijt en de lippen stijf gesloten; terwijl haar geheele houding aanduidde, dat zij alleen toegaf aan dwang, maar besloten had, geen antwoord op de tot haar gerichte vragen te geven.

„Ik weet zelfs niet,” vervolgde mijn vader, eenigszins verwonderd over een dergelijke minachting van zijn gezag, waaraan hij weinig gewend was, „of ik nog wel zooveel inschikkelijkheid jegens u betoond zoude hebben, indien het niet ware geweest om den wille van dien onrechtvaardige daar!” (hier wees hij op mij:) „ik moet bekennen, hij heeft zijn affecties wel geplaatst.”

„Hoe!” riep Amelia uit, terwijl de uitdrukking van haar wezen opeens veranderde en zij mij met een blik van verwondering aanzag.

„Ik versta u niet,” vervolgde zij, mijn vader met angstvalligheid aanziende.

„Gij verstaat mij niet?” vroeg mijn vader, zelf verwonderd over de plotselinge verandering in haar gelaat.

Ik achtte het oogenblik geschikt om er tusschen in te komen: „Mejuffrouw kan u niet verstaan,” zeide ik: „want er is hier geen quaestie hoegenaamd van affecties.”

„Wacht tot men u het woord geeft, eer gij u in het gesprek mengt,” zeide mijn vader, met een gestrengen blik: „is uw samenkomst hier ook toevallig, evenals al het vroegere? Gij hebt voor altijd mijn vertrouwen verbeurd.”

„Vader!” zeide ik: „ik verzeker u....”

„Vertrek!” zeide hij: „ik wil niets meer hooren.” Ik zuchtte en maakte mij gereed om aan dit bevel te gehoorzamen; toen Amelia, die, gedurende deze woordenwisseling, ten prooi was geweest aan eene hevige gemoedsbeweging en beurtelings rood en bleek geworden was, zich tusschen mij en de deur in plaatste: „Toef een oogenblik!” zeide zij: „Ik weet niet,” vervolgde zij, tot mijn vader sprekende: „waar ik van beschuldigd worde; maar slechts dit moet ik voor den alwetenden God betuigen, dat uw zoon zich de geringe kennis, die hij aan mij heeft, noch de diensten, welke hij mij bewees, behoeft te schamen: dat zijn handelwijze edel, menschlievend en onberispelijk was, en dat alleen vuige laster een valsche uitlegging aan zijn gedrag kan geven.”

Er lag zulk een toon van waarheid in de woorden, die zij gesproken had: het geluid van haar stem, thans ontdaan van die bitterheid, welke er te voren in lag, had iets zoo treffends en overtuigends: een zoodanige edelaardigheid was over haar wezen verspreid, dat mijn vader er van getroffen werd. Gewoon, om in de geheime plooien door te dringen, waarachter het bedrog zich verbergt, en het ware van het valsche te onderscheiden, twijfelde hij niet, of Amelia, al ware zij dan in zekere opzichten schuldig, was echter niet de vrouw, welke men had afgeschilderd. Hij dacht een oogenblik na, wenkte mij toe, dat ik blijven kon, en vroeg toen snel aan Amelia:

„Hoe is uw naam?”

„Amelia,” antwoordde zij, haar vorige houding van behoedzame argwaan hernemende.

„Uw familienaam?”

„Voor het oogenblik draag ik geen anderen naam dan Amelia.”

„En uw vader dan? – Hij heeft zich Van Beveren doen noemen; maar dat is azijn naam niet: hoe heet hij?”

„Hijzelf zal best in staat zijn u daarop te antwoorden.”

„Goed! Maar hij is hier niet. Waar bevindt hij zich thans?”

„Ik heb mij altijd gewacht zijne gangen na te gaan,” antwoordde Amelia: „ik laat zulks aan anderen over,” voegde zij er bij op een scherpen toon.

„Gij schijnt dit onderwerp niet te willen behandelen,” zeide mijn vader: „en ik kan het in u niet misprijzen, dat gij uw vader niet verraden wilt. Maar gij zult niet aarzelen, hoop ik, mij te antwoorden betreffende hetgene u-zelve aangaat. Waar hebt gij mijn zoon leeren kennen?”

Amelia zag mij even zijdelings aan, en antwoordde toen op een bedaarden toon: „hij zal het u waarschijnlijk zelf verhaald hebben.”

Ik dacht één oogenblik, maar ook slechts één oogenblik, dat mijn vader het gewone hulpmiddel zoude bezigen om aan beschuldigden een confessie af te dwingen; namelijk: door hen te doen gelooven, dat hun medeplichtige reeds bekend heeft. Maar, hetzij dat hij te oprecht van harte was, om tot dergelijke listen zijn toevlucht te nemen, hetzij dat hij begreep er geen baat bij te zullen vinden, na de gevatheid, waarvan Amelia reeds blijken gegeven had, hij schudde het hoofd en zeide:

„Jonge dochter! Ik moet u vaderlijk en met nadruk tevens herhalen, dat gij uw zaak slechts verergert door uw hardnekkigheid. Gij komt met mijn zoon, Niemand weet van waar, in de Naarderschuit: gij verlaat hem te Amsterdam; doch ontvangt later herhaaldelijk bezoeken van hem: uw vader komt en verdwijnt weder van hier gelijk een schim, en draagt een naam, die blijkbaar valsch is. Er hebben ten uwent onbetamelijke tooneelen plaats: – moet dit niet geschikt zijn, om vermoedens tegen u op te wekken?”

Van deze gansche toespraak had Amelia blijkbaar slechts één punt met opmerkzaamheid aangehoord, namelijk: dat ik haars vaders geheim had bewaard.

„O!” zeide zij: „Mijnheer! uw zoon heeft edel, heeft braaf gehandeld! Hoe! Hij heeft zich aan verdenking blootgesteld! Hij heeft zich het misnoegen der zijnen op den hals gehaald! Hij heeft zich den laster prijsgesteld om onzentwille! Ach!” vervolgde zij, zich tot mij wendende: „beschuldig mij niet van onedelmoedigheid, van ondankbaarheid, zoo ik in mijn zwijgen volharde en u niet zuivere van de blaam, die men op u.... en ook op mij geworpen heeft. Maar God weet het – ik mag niet spreken.”

„Gij zult des Heeren naam niet ijdelyck misbruycken!” mompelde Tante Letje, het hoofd schuddende.

„En nu, Mijnheer!” zeide Amelia tot mijn vader: „laat mij naar de gevangenis, naar het spinhuis brengen: gij hebt er de macht toe en ik ben buiten staat u te weerstaan. Maar ik verklaar het u, ik heb geen kwaad bedreven; en het zal u eenmaal, als gij later van mijne onschuld overtuigd zult zijn, in de ziel grieven, dat gij mij hard en onrechtvaardig behandeld hebt. Ziedaar dan die Nederlanden, die gewesten, geheel de wereld door als de zetel der Burgervrijheid beroemd. Men vervolgt, men bespiedt, men vonnist zonder reden een onschuldig meisje, wier eenige misdaad is, dat zij haar ongelukkigen vader liefheeft en niet aan zijn vijanden verraden wil.”

„Neen Mejuffer!” zeide mijn vader op een zachten toon: „zoo gij onschuldig zijt, hebt gij ook voor geen straf te schromen. Ik zal u geen vragen meer doen. Verre zij het van mij, een dochter te willen gebruiken tot werktuig om haar vader in de handen der Justitie te leveren. Maar zulke vreemde en geheimzinnige omstandigheden hechten zich aan uw verblijf alhier, dat ik u niet kan vergunnen, deze stad te verlaten, alvorens die zijn opgehelderd. Gij kunt zelve uw verblijf kiezen en zult daar tegen alle u onaangename bezoeken beveiligd worden. Het zal dus van uw vader zelf afhangen, den duur van dat verblijf te verlengen of te verkorten.”

Op dit oogenblik trad de dienstmaagd binnen en gaf mijn vader een briefje, hetwelk een onbekende gebracht had, met last om het onmiddellijk aan Z.-Ed.-Gestr. te overhandigen. Hij las het: zijn gelaat teekende verwondering: hij zag Amelia oplettend aan en zeide toen op halfluiden toon:

„Hoe is het mogelijk, dat ik niet vroeger op dat denkbeeld gekomen ben? Zij is haars vaders evenbeeld. Lees dit briefje, Ferdinand! Misschien zult gij, na de inzage daarvan, u onbezwaard vinden van te spreken.” Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:

„Wel-Edel-Gestrenge Heer! zooeven geeft kleine Simon mij de stellige verzekering, dat de Heer Van Beveren niemand anders is als de Graaf van Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij aan huis gewoond heeft, zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet echter in ’t net loopen; want er zijn overal wakers uitgezet. – Ik verblijve met diepen eerbied

Uw Ed.-Gestr. Nederige Dienaar

HEYNSZ.”

„Ik vermoedde dit,” zeide ik, hem het geschrift teruggevende: „maar ook deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij òf gevangen, òf in veiligheid is, zal ik mogen spreken.”

„Zoo!” zeide mijn vader op een koelen toon: en toen zich omwendende, nam hij Amelia op een hoffeljke wijze bij de hand. „Zuster!” zeide hij tegen Tante Letje: „ik stel u de Freule Van Lintz voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult.”

„Mijnheer!” riep Amelia uit, verbleekende en mijn vader vol angst aanziende. „Verschoon mij,” vervolgde mijn vader: „ik had wellicht moeten zeggen: Donna Amelia De Talavera. – Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw vader, aan wiens groote verdiensten ik in vele opzichten hulde doe, te moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb, zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen, waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe?”

„Helaas!” zeide Amelia: „wie hunner zou zich willen ontfermen over de rampzalige dochter des zwervers? – Neen! het is niet bij hen, die wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal. Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts voor weinig tjid zijn.... aan geld ontbreekt het mij niet: – en ik zal u danken, Mijnheer! – maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade zouden meenen te doen.”

„Hoor!” zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: „gij zult niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terugkeeren. Ik heb nog plaats in huis: blijf bij mij. inwonen: „gy sult bevinden, dat mijne tente in vrede is:” gij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij niet verkiest. Ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u laten, zonder hem aan te dienen.”

„Bij u, mijn goede Juffrouw,” zeide Amelia, zich schreiende over Tante heenbuigende en haar omhelzende: „Ach! waaraan heb ik zooveel goedheid verdiend?”

„Wel!” zeide Tante: „staat er niet geschreven: „ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd?” Gij neemt dus aan, nietwaar?”

„Bij wie zou ik liever komen, dan bij u, Mejuffrouw!” hernam Amelia: „zijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken?”

„Dat is te zeggen,” zeide Tante: „daar komt Neef de meeste eer van toe: heugt het u nog, Neef?”

„Maar neen!” zeide Amelia, zich opeens bezinnende: „neen! dat kan toch niet. In een onbedachte opwelling van erkentenis vergat ik, dat uwe familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnentwille heeft gehad. Neen! – dat kan waarlijk niet.”

„En waarom dat niet?” – vroeg Tante: „van de familie zult gij geen last hebben, noch de familie van u: ik heb u immers gezegd, dat gij stil op uw kamer kunt blijven.”

„Ik eerbiedig de nauwgezetheid van de Freule,” zeide mijn vader: „en toch geloof ik, dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te nemen. – De wereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ikzelf geloof hechtte, logenachtig zijn. – Voor ’t overige zult gij, Freule! hier geheel vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken.”

„Neen!” zeide Amelia: „ook om uwentwille, Mijnheer Huyck! moet ik niet bij uwe zuster blijven. – Zouden de menschen, die altijd liefst genegen zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand, dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe naastbestaande te verleenen?”

„Uwe bedenking is vol juistheid,” antwoordde mijn vader: „en zij doet mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb, is het meer dan grootmoedig in u, bezorgdheid voor mijnen goeden naam te toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden laten spreken en mij niet storen aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht dan de mijne; en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle zotte praatjes te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel mijner zuster.”

Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond last, dat haar goed zoude gehaald worden; terwijl mijn vader een briefje aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen wij ons afscheid en lieten de beide dames alleen.

„Zij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd gekenmerkt heeft,” zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend over de straat hadden geloopen: „ik beklaag haar; want, de Graaf moge zich nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken: hij moet toch eindelijk in de val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?”

„Gij zijt niet meer ontevreden op mij, Vader!” zeide ik, hem bij de hand vattende.

„Ik begin te begrijpen, dat gij in een moeielijk praedicament hebt gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden blijft, nu alles toch ontdekt is.”

„Verschoon mij,” zeide ik: „maar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem te vinden?”

„Daar is wat aan,” antwoordde mijn vader, lachende: „welnu! ik zie uw nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen, dat gij niet op dit meisje verliefd zijt.”


[Hoofdstuk 29] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 31]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001