MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN HET GEDRAG VAN MEJUFFROUW BLAEK TEN OPZICHTE VAN FERDINAND WORDT VERKLAARD EN DE VADER VAN AMELIA WEDER OP DE PROPPEN KOMT.


Na het middagmaal riep ik Suzanna ter zijde: „wel!” vroeg ik: „zijt gij iets te weten gekomen?”

„Ja voorzeker!” antwoordde zij: „ik heb schoone dingen van u gehoord, Sinjeur! waarlijk, mijn vriendschap voor u heeft mij een zotte rol laten spelen.”

„Namelijk!”

„’t Lijkt zeker wel goed om twee koorden aan zijn boog te hebben; maar in sommige gevallen is het noch Voorzichtig, noch verstandig; en zooals Cats zegt:

„Wat wilt gij zeggen? Kom toch ter hoofdzaak!”

„En vertel mij eens, Ferdinand! die mamsel, die gij van uw reizen hebt medegebracht, is zij een Hoogduitsche of een Italiaansohe? Zij zingt zeker heel fraai? En wat kost haar toilet u wel in de maand?”

„Oho!” zeide ik: „ik zie al, waar de knoop ligt. De laster is aan ’t werk geweest en heeft waar en valsch zoo fijn dooreengeklutst, dat zelfs de Engelen aan het twijfelen zouden raken.”

„Nu, antwoord dan!” zeide Suzanna: „ik, die een onnoozele Amsterdamsche burgerdochter ben, heb geen verstand van die nieuwerwetsche Fransche beschaafdheid. Zeg mij toch, hoe zoudt gij, indien de oude Heer Blaek uw aanzoek had aangenomen, het hebben aangelegd, om zonder fortuin twee huishoudens te verzorgen?”

„En hebt gij ook al aan die dwaasheden geloofd?” vroeg ik. „Welke gronden zou ik kunnen aanvoeren, om het tegen. te spreken. – Wat deedt gij in dat huis?

Maar het ergst van alles is, dat gij de onbeschaamdheid hebt had, dat schepsel met een vroom onschuldig mensch als Tante Letje in kennis te brengen: zoo die eens hoort, welk een lief persoontje zij aangehaald heeft, dan geef ik geen duit. voor uw aandeel in de erfenis.”

„Dat zal zulk een vaart niet loopen,” zeide ik glimlachende: „Tante weet alles wat haar betreft en is best met haar tevreden.”

„Dan heeft zij plan om haar te bekeeren,” zeide Suzanna: „anders vat ik het niet. – Foei! dat gij zoo slecht zijt geworden! Het spijt mij, dat ik mij om uwentwille heb boos gemaakt op Henriëtte, die toch wel degelijk gelijk,had, dat zij u schuins aanzag.”

„Maar wat heeft zij u dan gezegd?”

„Ik weet haast niet, waarom ik mij de moeite geve van het u over te vertellen; want zij heeft mij niets gezegd dan hetgeen gij zeker zoogoed weet als iemand. Ja! ik heb moeite genoeg gehad, om haar de woorden uit de keel te halen: en toen zij eens sprak, had ik haar wel willen doen zwijgen. Wel! zij heeft mij verteld, hoe gij bezoeken aflegt bij een jonge juffer, die bij Heynsz woont, en die gij van uw reis hebt medegebracht. – (Zij zou het zelve nooit geloofd hebben, indien zij u niet te Muiden gearmd met die Juffer had zien loopen:) en hoe gij haar daaromtrent met mooie praatjes gepaaid hadt: – en hoe Lodewijk van de trappen gesmeten was en gij zijn knecht belet hadt hem bij te staan – en nog heel veel, te lang om te vertellen: zoodat ik met een mond vol tanden ben blijven zitten en de koets heb verlaten, zonder een woord ter uwer verdediging te hebben kunnen uitbrengen.”

„Het is gelijk ik dacht,” zeide ik: „nu! de tijd zal mij wel rechtvaardigen.”

„Ja! maar intusschen gaat Lodewijk met haar strijken en dan helpt u uwe rechtvaardiging wat!”

„Dat is ook waar!” zeide ik, nadenkend: „en het is gek genoeg! – Want wat baat het, of ik haar slechts een gedeeltelijke opheldering geef, en of ik haar al vertelle, dat die Juffer, waarover zij zich bekommert, haar eigen nicht is, en zoo weinig een ergerlijk gedrag leidt, dat mijn godvreezende Tante zelve haar, met voorkennis mijns vaders, huisvesting verleent?”

„Wat vertel je daar?” vroeg Suzanna, ten toppunt van verbazing. „De loutere waarheid.”

„Nu! dat gaat mijn begrip te boven: heb je nu niet alleen Tante, maar ook Papa zelf een rad voor de oogen weten te draaien?”

„Waarlijk niet,” antwoordde ik: en ik gaf haar een kort verslag van de zaak, zooals die zich had toegedragen, alleen voor haar, gelijk voor mijn vader, de aanleiding mijner kennismaking met den Heer Van Lintz verbergende, daar ik die niet kon openbaren zonder te spreken van zijn verblijf in de boerderij, die ik van gedachte was, dat hem wellicht nogmaals tot toevlucht verstrekken kon.

„’t Is een raar avontuur,” hervatte zij: „’t lijkt wel een roman. Maar met dat al weet, ik niet, of Henriëtte er wel volkomen door tevreden gesteld zoude worden. Al is die juffer haar nicht en de dochter van een Graaf, daarom kon zij wel uw liefste zijn: ’t is misschien een reden te meer om haar jaloezie op te wekken. Ferdinand – man! ik kan u maar slechten troost geven. – Ik wilde gaarne het zesdubbele parelsnoer, dat ik van Grootje geërfd heb, tegen een streng breikatoen verruilen, dat gij u niet in die malle historie gemengd hadt, die ons niets dan verdriet veroorzaakt heeft. Papa heeft er al een week zoo zwart van gekeken als de Reus in ’t Doolhof: Mama is er ziek van: mijn geheel humeur is er door bedorven: want wie heeft het hart om te schertsen met zielsbedroefde lieden: gijzelf hebt een gezicht van een el lang en Henriëtte zal misschien uit desperatie met haar neef trouwen en haar leven lang ongelukkig zijn. – Ik wenschte dat die Heer Van Lintz of Van Talavera, zooals hij heeten mag, op den heeten rooster zat.”

„Dat juist niet,” zeide ik: „ik ware dubbel tevreden, zoo hij maar Staatsminister in Spanje gebleven ware, zoodat ik nooit van den man gehoord had als uit de couranten. Gij hebt gelijk intusschen; maar het is niet genoeg te weten, hoe mal het er voor mij uitziet, wij dienen ook op een middel te peinzen, om de kwade gedachten weg te nemen, die men van mij heeft. Met Vader en Moeder zal dit wel schikken: gij hebt kunnen zien dat zij mij over tafel weder vriendelijk behandelden, als vanouds; – maar hoe of ik Henriëtte van mijn onschuld overtuig, weet ik waarachtig niet. Ik ben bij haar belasterd: en de laster is als de houtskool; verbrandt hij niet, hij maakt toch zwart. – Alleen spreken kan ik haar niet en zoo ik haar schrijf, ben ik niet zeker, dat mijn brief in hare handen komt: – en al kon ik haar spreken of schrijven, hoe zal ik mijn gedrag kunnen rechtvaardigen, zoolaag ik haar de drijfveeren mijner handelingen niet geheel kan blootleggen? – ’t Is voorwaar om.... tureluursch te worden: ik weet niet waarom ik, die alles behalve singulier of excentriek verlang te schijnen, en nooit eenigen smaak in romans heb gehad, tot mijn beproeving in zulk een maalstroom van avonturen moet geslingerd worden, die zoo romanesk zijn en zoo verward door elkander woelen, dat ik er mij op ’t laatst niet meer weet uit te helpen, en somtijds denk, dat alles maar een benauwde droom is, waaruit ik t’avond of morgen ontwaken zal.”

„Ja! dat is alles heel onaangenaam,” zeide Suzanna: „maar het baat niets of gij daar over redeneert en gij verspilt alzoo den kostelijken tijd althans tegen mij, die toch niet kan beoordeelen of het al dan niet uw schuld is, dat gij er zoo in zit. – Wat nu Henriëtte betreft, ik zou haar wel kunnen schrijven; – maar gij dient mij voor te zeggen, wat. – Of nog beter, schrijf gij haar: – dan zal ik het adres op den brief zetten; anders loopt gij nog gevaar, dat hij u ongeopend terug wordt gezonden.”

„Ja!” zeide ik: „gij hebt gelijk: schrijven moet ik: en waarom zoude ik er tegen opzien? Ik heb mij niets te verwijten en behoef slechts tijd te vragen om mij te verantwoorden. Men weigert dit aan een misdadiger voor de rechtbank niet: en waarom zou mij dit verzoek worden afgeslagen? – Ik weet wat ik te schrijven heb.”

„Zoudt gij niet eerst een kladje maken,” vroeg Suzanna: „eer gij Mama’s beste papier gebruikt?” (zij zag, dat ik een voor mij staande portefeuille opnam) „en wil ik ook heen gaan?”

„Neen Santje! blijf maar; – wanneer men een minnebrief te schrijven heeft, dan zal men dralen en peinzen en kladjes maken en vreezen nog, dat stijl en uitdrukking ongenoegzaam zullen zijn om de liefde te schetsen, die men gevoelt, en het hart der beminde te vermurwen; maar wanneer het er op aankomt, zijn naam als eerlijk man te handhaven, dan behoeft men slechts ronde, onbewimpelde waarheid: dan heeft men geen fraaie keus van woorden, geen sieraden noodig. Geef mij dat papier: ik zal u laten lezen, wat ik geschreven heb.”

Ik plaatste mij aan de tafel en schreef den navolgenden brief, waar ik geen woord van veranderde:

„Mejuffrouw! uwe meening was gegrond, en uw oom heeft mijn aanzoek om uwe hand afgeslagen. Het voegt mij niet de redenen zijner handelwijs te onderzoeken; maar zoo deze mij getroffen heeft, nog sterker trof mij hedenmorgen uwe koele houding te mijwaarts, welke ik, vergeef mij mijn openhartigheid, verre was van te verwachten, omdat ik weet, die niet te verdienen. Toen ik op Heizicht afscheid van u nam, streelde ik mij met de gedachte, dat UEd. mijn oprechte liefde niet hadt versmaad; deze gedachte maakte mijn hoogste geluk uit en deed mij ook het antwoord van den Heer Blaek met meer gelatenheid dragen; daar ik mij troostte met het denkbeeld, dat de tijd en mijn standvastige trouw eenmaal over zijne weigering zouden zegevieren, wanneer UEd. bij dezelfde gevoelens bleeft, welke UEd. omtrent mij koesterdet. Thans echter vind ik u geheel te mijnen opzichte veranderd: en wel, gelijk ik van mijn zuster verneem, ten gevolge van omtrent mij loopende geruchten, welke UEd. voor waarheid aanneemt. Uw oom zou het mij ten kwade duiden, indien ik tegen zijn wil u over mijn liefde onderhield; doch hij kan nimmer wraken, dat ik de pen opneme ter verdediging van mijn goeden naam. Ik mag vooralsnog, daar het mij niet vrijstaat, geheimen van derden te openbaren, u de aanleiding niet ontvouwen mijner kennismaking met zekere Juffer, met welke UEd. mij eens te Muiden gezien hebt: ik kan u alleen herhalen, dat mijne betrekking met haar geheel onschuldig is, en dat ik voor haar geen ander gevoel heb, dan achting voor haar zielshoedanigheden en medelijden met haar ongeluk. Die Juffer is thans, met voorkennis mijns vaders, bij mijn tante Huyck gehuisvest, die stellig geene lieden bij zich zoude ontvangen, wier, gedrag berispelijk was. – Wat verder den laster betreft, dien men omtrent mij heeft geuit, ik weet, aan wien ik dien moet toeschrijven, en tevens, dat alleen de eer van uw naastbestaande te zijn, den lasteraar beveiligt voor de welverdiende straf, welke ik hem anders had toegedacht.

„Nog eene vraag, Mejuffrouw! Zoo UEd. nog argwaan tegen mij mocht voeden, schort, bid ik u, slechts veertien dagen lang uw oordeel op; als die verstreken zijn, houd ik mij overtuigd, dat het mij licht zal vallen, mij van alle blaam te zuiveren, en u te overtuigen, dat ik niet onwaardig ben mij te noemen enz.”

„En denk je, dat dit stuk veel zal uitwerken?” vroeg Suzanna, toen ik haar den brief had laten lezen: „mij dunkt, in hare plaats zoude ik niet bijzonder gesticht wezen met die achting en dat medelijden, die gij voor uwe protegé gevoelt. Dat is wel geen liefde; maar het grenst er toch machtig na aan.”

„Aan u zou ik misschien anders schrijven,” zeide ik, lachende: „maar Henriëtte zal, naar ik vertrouw, het op zijn waren prijs weten te stellen, dat ik de reputatie van een onschuldig meisje zoowel als de mijne verdedig. – Heeft zij mij lief, dan zal zij mij gelooven en nadere ophelderingen afwachten: doet zij dit niet, dan is het ook een teeken, dat zij mij niet bemint: – en dan zal ik haar miskenning met meerdere gelatenheid dragen.”

Suzanna nam nu de verzending van den brief op zich, en ik begaf mij naar het kantoor. In de dagen, welke er tusschen dit gesprek en den jaardag mijner moeder verliepen, viel niet veel voor, dat des lezers belangstelling waardig is. Van drie omstandigheden echter moet ik melding maken: de eerste was, dat de Kapitein Pulver uitzeilde en mij door zijn vertrek wat meer ruimen tijd liet: de tweede, dat Heynsz, wiens betrekking tot de Justitie nu door het babbelen van Helding spoedig algemeen bekend was geworden, en die alzoo niet langer in ’t geheim van dienst kon zijn, een openbare bediening verkreeg. Een der Onderschouten was kort te voren gepensionneerd geworden en Heynsz werd benoemd om dien post voorloopig te vervullen, met toezegging, dat hem een dadelijke aanstelling geworden zoude, zoodra het hem gelukt zoude zijn den zich nog altijd schuilhoudenden Graaf Van Talavera aan de Justitie over te leveren. Eindelijk, ten derde, Suzanna ontving een briefje van haar vriendin, waarin deze, in zeer korte bewoordingen, te kennen gaf, dat zij mijn brief ontvangen had, en wel gelooven wilde, dat men mijn gedrag in een ongunstiger licht stelde dan het verdiende; doch dat, wetende hoezeer haar oom, wien zij alles verschuldigd was, tegen onze nadere kennismaking was, plichtmatig begreep te moeten handelen door mij te doen verzoeken, alle verdere moeite ten haren opzichte te staken en mij mijn woord teruggaf. Deze harde taal sloeg mij geheel ter neder; maar ik begreep, dat er voor ’t oogenblik niets tegen te doen was: en dat ik moest afwachten of wellicht de tijd in de gezindheid van den Heer Blaek, om mij zijn nicht te ontzeggen, of in hare gezindheid om zijn wil op te volgen, eenige verandering teweeg mocht brengen.

Een dag vroeger dan dien, waarop het verjaarfeest te Heizicht zou gevierd worden, vertrok ik derwaarts, ten einde aan Tante Van Bempden, op haar verzoek, in het maken van eenige voorloopige schikkingen behulpzaam te zijn. Ik vond Tante in blakenden welstand, en, als naar gewoonte, het zeer volhandig hebbende. Nauwelijks gunde zij zich den tijd mij welkom te heeten, maar liep het huis op en neder en in en uit, en riep, nu de keukenmeid, om nog eenige veranderingen in de ordonnantie van het maal te maken: dan weder de linnenmeid, om met haar de benoodigde tafellakens en servetten te krijgen en af te tellen: dan de kamenier, om haar de bloemen te helpen schikken, die hijgende tuinknechts rusteloos in potten en manden aanbrachten: dan weder de werkmeid, om de stoeptrappen nog eens over te doen, die de tuinknechts met hun beslikte schoenen hadden vuilgemaakt. En dan liep zij weder naar den moestuin om den tuinman te zoeken, en hem nog eenige bevelen te geven of te vernieuwen: er moest nog hulst wezen voor guirlanden, en nog spergetakken voor de vazen, en nog ijs uit den ijskelder: en er moesten paden geschoffeld, waar het gezelschap door wandelen zou: en het plein moest opgeharkt worden: en de haag van de groote allée gesnoeid, en het water van den achthoekigen vijver schoongemaakt: – en dan ging zij naar den stal en onderzocht of de leidsels wel wit en de paarden wel gerost en het koper en zilver der tuigen wel glanzend waren: en of er niets aan de rijtuigen haperde, en of de zadelmaker de kussens der zittingen nieuw opgevuld en de nieuwe zweepen had gezonden: en of het galon om de hoeden der koetsiers en der palfreniers was vernieuwd: – en dan werd zij weder binnengeroepen om een twist te beslechten tusschen haar tegenwoordigen knecht en haren vroegeren, die getrouwd, maar voor dit feest overgekomen was om zijn hulp te verleenen: en waarvan de eene beweerde, dat het oude olie- en azijnstel met de drakenkoppen, en de andere, dat het nieuwe met de laurierbladen moest gebruikt worden: en dan was het weer wat anders, dat haar tegenwoordigheid vereischte.

„Wel Neef!” zeide zij, toen zij eindelijk een weinig door de drukte heen was, of liever, toen het koffie-uur der booien en de schofttijd der werklieden een parenthesis in de beslommeringen van den dag daarstelden: „het verheugt mij dat gij komt. Mijn hoofd loopt om: en ik weet niet hoe ik met alles nog klaarkomen zal. Wat hebben wij een weer gehad in den verloopen nacht. Ik heb geen oog toegedaan en dacht, dat het heele huis omwoei. Het is dan vrij buiig en onstuimig van ’t jaar: gelukkig, dat het nu wat bedaard is, anders zou de partij geheel mislukken; want uw ouders komen zoo zelden buiten, dat, als zij mij eens de eer aandoen van op Heizicht te verschijnen, het ook niet is om den geheelen dag in huis te zitten.”

„Ja lieve Tante!” zeide ik: „het heeft boos gewaaid: het ziet er erg genoeg uit voor Pulver, die pas is uitgezeild: en hij kon wel een geduchte averij krijgen.”

„Spreek daar niet van,” hernam Tante: „gij zoudt mij al het genoegen, dat mij dit feest belooft, gansch en gaar bederven: – niet, dat ik over de schade zoozeer treuren zoude; maar te denken, dat wij hier warm en wel zitten en ons vermaken, terwijl die arme zeelieden, die hun leven wagen om ons schatten te bezorgen, met stormen en golven kampen! Sedert dien akeligen tocht met Blaek heb ik een dubbel medelijden met die arme zielen. – Maar met dat al moeten wij onzen tijd niet verwaarloozen. Gij kunt, als gij eerst koffie met mij gedronken hebt, mij een groot genoegen doen; zoo het namelijk niet te veel van u gevergd is.”

„Ik kom hier om u behulpzaam te zijn,” zeide ik: „en het spreekt dus vanzelf dat UEd. vrijelijk over mij kunt beschikken.”

„Best!” zeide zij: „Welnu: mijn plan was, het gezelschap hier te ontvangen en dan terstond met ons allen naar de hoeve bij de oude Martha te rijden, aldaar een collation te gebruiken en voorts hier terug te komen om te eten.”

„Ziedaar een zeer goed plan,” zeide ik: „en dat gehos heen en weder over de heide zal het best geschikt zijn om aan het gezelschap een goede digestie van het ontbijt en een vernieuwden appetijt voor het middagmaal te geven.”

„Juist! nu wenschte ik wel, dat gij eens naar de hoeve reedt en een oog liet gaan over de daar gemaakte toebereidselen: want de timmerman, die het bezorgen zoude, is een wijsneus, die alles zeker naar zijn kop en niet naar mijne verkiezing zal willen doen.”

„Naar de hoeve!” herhaalde ik, met een gevoel van onaangename teleurstelling.

„Ja Neef!” hervatte zij, zonder zulks te bemerken: „gij kunt het bruine sjeespaard nemen: dat is à deux mains; ik zou u wel laten brengen; maar ik kan niemand missen. Gij zijt toch niet bang voor struikroovers? Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, heeft de Schout mij verzekerd: en bovendien,” voegde zij er schertsende bij: „de Kapitein van de bende is immers een intieme van u? – Het verwondert mij nog, dat die vent niets uit de zijkamer heeft medegenomen, toen hij u dat bezoek kwam geven, dat gij mij nooit geheel hebt opgehelderd.”

„En wat moet ik aan de hoeve verrichten?” vroeg ik, om Tante maar spoedig van het onderwerp, dat zij aanroerde, af te brengen.

„O! heel wat. Ik heb het alles opgeschreven, vooreerst opdat ik, en ten tweede opdat gij het niet vergeten zoudt. Ziehier de lijst. Ik hoop dat er niets aan ontbreken zal. – Maar zeg mij toch even, wat is dat voor een geschiedenis met dat Juffertje, dat Tante Letje bij zich aan huis heeft genomen? Is dat werkelijk een Freule Van Lintz?”

„O Tante-lief!” antwoordde ik: „dat is een geschiedenis, veel te lang om u thans te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons gemak zijn.”

„Ook al goed! dan zal ik geduld hebben. – Maar Ferdinand-lief! wat hebt gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook gezegd, dat daar nooit iets van zou komen. – Hadt gij mijn raad maar gevolgd en haar intijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat ik u te zamen in kennis gebracht heb.”

„Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen, Tante-lief!”

„Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: zet dat uit uwe gedachten. Maar goeden raad vergeet men gauw.” Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had; dewijl zij geene redenen ter wereld had aangevoerd, om aan haar advies eenige klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten rusten, en na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar de mij te welbekende boerderij.

Ik vond ook daar geene geringe drukte. Overeenkomstig de bevelen van Tante was men er bezig met latten te slaan, die van boom tot boom liepen en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in welke het gezelschap den volgenden dag zou onthaald worden en tegen de ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Na aan den opzichter, over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een bedremmeld gelaat naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst vroeg wat er van mijn dienst was.

„O!” zeide zij, zoo ras zij verstaan had, wat ik van haar verlangde: „daar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb schelen Thijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen helpen, want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm! allienig voor het werk. – Heit Meneer nog wat te belasten?”

„Wacht!” zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: „nummer drie: zien of de tafels en de banken gekomen zijn. – Ja! die staan ginder reeds: – nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te bakken? – Ja wie zal dat doen?”

„O! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om? Wel! dat zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar is rooie Els van Crailo en ’er zuster, die hebben men al beloofd, als dat ze kommen zellen. O! an hulp zel het niet ontbreken, er zel volks ’enoeg wezen. Als er zoo wat rijkdom bij mekaar is, hoeft men nooit om menschen verlegen te zijn. – En kostelijke koeken zel ik bakken, dat beloof ik je.”

„Dat behoeft gij mij niet te verzekeren,” zeide ik, lachende: „ik heb die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken.”

„’t Is waar ook,” zeide zij met een bezorgd gelaat: „Meneer heit men toch niet verklapt, hoop ik?”

„Wees niet bang,” – zeide ik: „mits het maar niet weder gebeure. – Nummer vijf: nazien hoeveel stoelen er op de boerderij zijn, en of die nog bruikbaar zijn. – Dat zullen wij eens gauw gaan kijken,” zeide. ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelf lachte om de tot in alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Nauwelijks was ik echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als baar oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen:

„Wat wil Meneer?” vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.

„Juist!” zeide ik, haar blik volgende: „daar boven moet ik wezen. Ik meen, dat daar stoelen staan.”

„Om Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig !” zeide zij, met een gesmoorde stem en de handen wringende: „hij is weer hier.”

„Wat!” mompelde ik: „is hij dan dwaas?” – En, schier onwillekeurig, maar toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts Van Lintz, maar nevens hem den ouden Heer Blaek herkende.

„Ik weet er waarachtig geen ander middel op om u hier ongemerkt vandaan te krijgen,” zeide de laatstgenoemde. „Wij zullen er dan toe moeten besluiten,” zeide Van Lintz: „in de hoop, dat men mij voor dien tijd niet gevangenneemt.”

„En gij belooft mij,” hernam de Heer Blaek, „dat, ook al mocht dit gebeuren, gij.... die.... de zaak.... niet zult uitbrengen.”

„En waarom zou ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaar beminnen.”

Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kon weerstaan om het antwoord af te wachten.

„Zij beminnen elkaar.... zij zullen een paar worden,” zeide de Heer Blaek: „gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het u. Vernietig toch dat.... dat noodlottige stuk. – Het kon in vreemde handen komen.... geef het mij liever.... ik zal....”

„Neen! dat niet, Jacobus Blaek!” zeide Van Lintz, met een spotachtigen lach: „als ik in veiligheid ben – en niet eer – zult gij het bekomen – en het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij bewijzen zult, dank moet weten – en ken mijn voordeel te goed om er afstand van te doen, nu het mij dienen kan.”

„Ach!” hernam Blaek: „gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn vermogen is.... ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd bad: ik heb naar Den Haag geschreven.... al mijn invloed zal ik aanwenden om de vervolgingen te doen staken.... om onzer oude vriendsehaps wille, maak mij niet ongelukkig.”

„Gij hebt mijn woord,” zeide Van Lintz: „en dat moet u genoeg wezen: morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te hooren of de uittocht veilig is.”

Na het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Zartha te roepen: ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan, wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel terug kon blijven, en opende de deur.

„De Heer Huyck!” riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de andere met een uitdrukking van schrik.

„Vergeeft mij, Mijne Heeren!” zeide ik, glimlachende: „zoo ik uw bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook in dit vertrekje iets te doen: – weinig dacht ik, dat het bewoond was.”

„Ik beken,” zeide Van Lintz, „dat ik mijn tijd slecht gekozen heb.”

„Zoo de Heer Blaek,” vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde, „zich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem gaarne een eindweegs vergezellen.”

„UEd. is al te goed, Mijnheer Huyck,” zeide Blaek, stotterende: „ik neem uw vriendelijk aanbod dankbaar aan.”

„Ik hoop u nog te zien als gij terugkomt,” zeide Van Lintz, mij met zijn doordringende oogen aanstarende.

Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beiden traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond, en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.

Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar niet wist, hoe het geaprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de keel. steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren zucht, bracht bij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het navolgende uit:

„Ik kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck, den zoon van den Heer Hoofdofficier.... in betrekking zie met iemand, die.... die....” hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.

„Onze verwondering is wederkeerig, Mijnheer!” zeide ik met een glimlach.

„O!” zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: met mij is het een geheel ander geval. Ik heb.... hem vroeger gekend.... en zaken met hem uitstaande gehad. ”

„Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening,” zeide ik: „hij kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden.... en ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige gerustheid kan verschaffen.”

„Neen! dat is ook beter,” zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne betuiging: „ik heb deze démarche om bestwil moeten doen. – Ik blijf UEd. intusschen zeer verplicht: – het doet mij recht leed, dat ik mij in de noodzakelijkheid gezien heb.... het vereerend aanzoek van Mijnheer.... af te slaan.... maar.... het geluk mijner nicht.... UEd. gevoelt....”

„UEd. zal niet vergen,” onderbrak ik hem, „dat ik juist de man zal zijn, die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan met mij.”

„Geenszins,” hervatte hij: „ik bedoelde maar.... ziet UEd.... ik kan mij vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten. – Over een paar jaren, als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog....”

„Ik wil u niet verbergen,” zeide ik, „dat ik zooeven in het opkamertje hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en uw nicht.”

„Gij hebt ons beluisterd!” zeide hij, sidderende en bleek van toorn zoowel als van angst: „dat was zeer verkeerd van u, Mijnheer! ofschoon,” voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: „ik kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! ’t Is waar! Ik wilde u zulks zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven.

Dat huwelijk is altijd mijn vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan.”

„Onmogelijk I” riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze mededeeling.

„’t Is stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck! stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn nicht. – Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg wel vinden.”

Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen, waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en, zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik, na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.

„Gij ziet,” zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was teruggekeerd, „dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats weder heb moeten opzoeken.”

„Ik zie het,” antwoordde ik, het hoofd schuddende: „maar ik vrees, dat zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten.”

„Ik zal hunne komst niet afwachten,” zeide Van Lintz.

„En hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?” vroeg ik: „Heynsz heeft ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren en de Graaf Van Talavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten ontsnappen.”

„Ik weet het,” hernam hij somber: „ik speel een schaakpartj met tien kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn, loopen zij groote kans van het nest ledig te vinden: – en dan tart ik hunne nasporingen.”

„Gij verlaat dus dit land?”

Voor altijd zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame verplichtingen aan om het te betreuren.”

„En uw dochter?”

„Zij zal.... mij volgen, hoop ik,” antwoordde hij zuchtende. „Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?”

„Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige, verlatene wees heeft gedaan. – Wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik ben u ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen.”

Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef, welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was, maar tevens dat ik daarmee niets te maken had. Terwijl ik aldus stond te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:

„Gij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek gehoord?”

„Dat heb ik,” antwoordde ik: „ik beken het tot mijn schande; maar ik was zoo verbaasd van u te zien; dat....”

„Gij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?”

„Niet veel” antwoordde ik: „het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden.?”

„Niet veel, maar toch wat, nietwaar?”

Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van Lodewijk en Henriëtte; maar ene bedenking wederhield mij. Zooveel had ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwegen moest weder de hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mijzelven ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende inclinatie der jonge lieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde, hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.

„Ik herhaal u,” zeide ik, „dat ik niets van ulieder gesprek heb begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen Heer Blaek zoo beangst te zien.”

„Nietwaar?” vroeg Van Lintz: „Ja voorwaar! het moet al een vreemd schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof, den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de spoorhonden der Justitie nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te maken dan de arme zwerver ooit worden kan. – Genoeg hiervan: het is niet mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken, wanneer alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden. Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien – en ook wat gij mocht gehoord hebben.”

„Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij ik de laatste weken gebeurd is,” zeide ik zuchtende: „maar het wordt laat: ik moet vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen aanleiding geven:.... vertoon u toch niet buiten – en hou zelfs, zoo ik u raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit dien tuin naar binnen dringen. – Wat zeide ik u?”

Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan ’t raam kwam, was hij verdwenen.

„Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,” zeide ik: „morgen, wellicht dezen avond nog is het huis omringd.”

„Ik heb hem herkend,” zeide Van Lintz: „het is dezelfde Jood, die mij vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb. Welnu! waarom zoude het mij thans niet weer gelukken? – Dan ik ben wars van nieuwe listen in ’t werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter, ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken.”

„Ik kan u,” zeide ik, „bij ons afscheid dan niets beters toewenschen, dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge.”

„Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft,” antwoordde hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk, en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde met dubbelen spoed naar Heizicht terug.


[Hoofdstuk 30] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 32]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001