MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK

WAARIN OVERTUIGEND BEWEZEN WORDT, DAT DE BEHENDIGSTE VOGELAAR OOK WEL EENS VOGELS LAAT ONTSNAPPEN.


De gasten, die Tante Van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost, Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het onnoodig zou zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle mogeljjke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschoonen), Lodewijk Blaek, Van Baalen en eenige andere bijzondere vrienden van Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddellijk aan de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd volgens de voorafgemaakte regeling onzer gastvrouw,. zijn plaats aangewezen, en zoo begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf uren met vrij hongerige magen aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde hij de koelheid goedmaken mijner moeder, die hem nog de slechte ontvangst van mij aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de woning te slaan, alsof ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de gelaatstrekken van de oude Martha, die ik met twee meehelpsters door de keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het zeer druk had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van hetgeen verder noodig was voor het ontbijt.

„Ik heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen,” zeide de Heer Blaek tegen Tante Van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige nieuw aangekomene gasten onderhielden.

„Ik hoop dat die geene gevolgen zal hebben,” antwoordde Tante, die zeer wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was: „maar mijn waarde Heer Blaek! ik hoor daar van mijn koetsier, dat UEd. uw rijtuig teruggezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hierheen gezonden, om te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden, die er te wachten waren.”

„Ik wilde niet onbescheiden zijn,” zeide Blaek, op halfluiden toon, als vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteekenende woorden zouden verstaan worden: „ik heb het rijtuig naar.... Huizen gezonden: het is daar ook zeer goed....” en tevens wierp hij mij een smeekenden blik toe, die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige omstandigheden zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de verlegenheid te redden.

„Wel Tante!” zeide ik: „hoe staat het er mede? Ik geloof wanneer ik de aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt aan den aangenamen reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait.”

„Ja! ik wensch niets liever dan te beginnen,” zeide Tante: „maar al de gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Blaek nog en den vriend Van Baalen.”

„O! wat mijn zoon betreft,” zeide Blaek: „ik bid, dat UEd. om hem geen complimenten maakt. ’t Is zijn eigen schuld, indien hij niet op zijn tijd past; en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem overschieten.”

„Nu ja! – maar Van Baalen!” zeide Tante: „UEd. weet, dat indien wij begonnen eer hij er was, hij zich den ongelukkigsten man van de wereld zoude vinden.”

„O!” zeide Suzanna, naderende: „dat zal hij in allen gevalle, ’t zij gij op hem wacht of niet.”

„Het zou mij slecht staan het hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later kwam,” zeide ik: „want er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn, die hem beletten, zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik heb hem vandaag alleen voor ’t werk laten zitten.”

„In dat geval,” zeide Tante, „ware het misschien best, hem maar te wachten als de koetjes in de wei, etende en drinkende: – te meer, daar ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen.”

Lodewijk reed inderdaad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn vader groette, maakte slechts een flauwe verontschuldiging bij Tante, dat hij zoo laat kwam, sprak terloops een paar woorden met Suzanna, en zeide mij vrij koeltjes goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook allesbehalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen tegen iemand, die mij zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de genoegens van het feest vergalde. Daar de tijd van vertrek bepaald was en men niet om éénen genoodigde al de overige kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt, als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer gevaarlijke wespen, als de Harpijen vanouds, schrik en angst onder de aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op een mijner nichten voorzien, die, van natuur van alle insecten afkeerig, elk oogenblik, wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs mij haar servet van de vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Suzanna zocht haar te troosten, en beweerde, dat Tante de lieve diertjes alleen besteld had om aan te toonen, dat de buitenvermakelijkheden ook haar schaduwzijde hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt waren in de stad te leven, tevredenheid. met hun lot in te boezemen. Op deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vroolijk zijn gang en was het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader naderde en hem zachtjes iets in het oor fluisterde, bij het vernemen waarvan deze eenigszins donker keek, gelijk men doorgaans doet, wanneer men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.

„Is er eenige zwarigheid?” vroeg Tante Van Bempden, terwijl mijn moeder angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.

„Ik ben dadelijk terug,” antwoordde hij: „ik bid u, laat niemand zich over mij bekommeren.” – En hij ging naar den kant van de schuur.

Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod mijns vaders in verband stond met het opsporen van Van Lintz. En ik werd niet weinig in mijn vermoeden versterkt, toen dezelfde bediende mij een oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.

„Wel zoo! vertrekt gij ook al?” vroeg Tante Van Bempden.

„Le combat finira faute de combattans,”

voegde Suzanna er bij: „de Heeren willen ons zeker een verrassing bezorgen.”

„’t Zou mij niet verwonderen,” zeide ik, „indien er werkelijk een verrassing plaats had.” En ik wierp in ’t heengaan een blik op den Heer Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbeweeglijk op zijn plaats zat en de eene teug water voor, de andere na, opdronk.

Ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij naderhand bleek de Onderschout van Naarden te zijn: tegen hen over stond Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scbeen. „Mijnheer!” zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een gestrengen toon; „kunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien gij gisteren in de boerenwoning een geheim onderhoud hebt gehad?”

„Neen, vader!” antwoordde ik: „ik heb den man, dien UEd. waarschijnljk bedoelt, bij toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is.”

”Ik zeg Uw Ed.-Gestr., dat hij nog moet zijn hier,” zeide Heynsz: „al mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden, declareeren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van Gooiland declareeren het ook.... had ik maar kunnen vermoeden, wie die Heer Van Beveren was!.... maar wie kan ook veronderstellen zoo iets? – Te denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang te mijnen huize! ’t Is om te worden ijlhoofdig! – Maar hij moet gevonden worden!” – En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beetgenomen, en bemoedigd door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.

„Juist! indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden,” zeide de Naarder Onderschout, deze alleszins logische redeneering met een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: „wat dunkt er u van, Heer Hoofdschout?”

„Ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde mijn vader: „en wij zullen, geloof ik, best doen, het huis en de aanhoorigheden nog eens te onderzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken.”

Hunc procul obscura latitantem parte videbis. Wat u betreft,” zeide hij, mij aanziende: „gij zult ons vergezellen. Wij kunnen beginnen met deze schuur.”

De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang bezig. – Van daar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den inhoud van haar koekenpan over de plaat druipen, toen zij den Onderschout met een barsche stem hoorde roepen: „waar heb je dien vent verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?”

„Ik Meneer!” antwoordde zij, bevende: „ach God! ik ben een arme weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sinds men zeun mij verlaten heit: zou ik hier iemand in huis ’ehad hebben?”

„Wij zullen deze trap op moeten,” zeide, zonder zich aan haar taal te bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in ’t oog gehouden had en bespeurd, dat ik bij ’t binnenkomen een blik naar dien hoek had geslagen. – Wij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.

„Doorzoekt de bedsteden!” zeide mijn vader.

Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te vinden. Het beddegoed was opgerold en de kussens in ’t midden er boven op gelegd, gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz den ganschen toestel over den vloer.

„’t Is een mooie boel, dien je maakt,” zeide Martha, die ons gevolgd was: „als je ’t maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb vandaag warentig al drukten genoeg.”

„Deze lakens hebben gediend,” zeide Heynsz, met een zegevierenden blik, terwijl hij aan de beide hoofdbeambten de kreukels deed opmerken.

„Nou jae,” zeide Martha: „wat zou dat? Die lakens zijn ook ’ebruikt ’eweest; niet lang ’eleden, met kermis, heit men ,zuster in ’t iene bed ’eslapen en men zusters zeun in het aere. Maar vertel het toch niet an Mevrouw; ze mocht het temet kwalijk nemen.”

2202.gif (31434 bytes)Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een geëmailleerden gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt worden.

„ En deze gesp,” vroeg hij: „behoort die ook al aan uw zuster?”

„Neen, an men zuster niet, maar an der zeun,” antwoordde Martha, die niet licht van haar stuk te brengen was: „die heittie op de Uitersche kermis ’ekocht. Wat zel ie blij wezen as hem weerom heit.” – En zij stak de hand uit om dien te nemen.

„Hei! hei wat! dat gaat zoo niet,” zeide Heynsz, terwijl hij den gesp nader beschouwde: „dat is geen versiersel voor boerenknaap. Wat zegt Uw Ed.-Gestr. er van?”

„Het is als gij zegt,” zeide mijn vader: „de boerenknapen meer op plomper fatsoen gesteld. – Intusschen, hier is man niet, dien wij zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?”

Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos: en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het voorwerp der nasporing ontsnapt was.

„Ik dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben,” zeide mijn vader tegen zijn ambtgenoot.

„Sapperloot!” zeide deze: „Mijnheer Huyck! zij hebben het werk gedeeld met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te maken. En was die Jood, die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond komen zeggen, „ in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteravond reeds laten pakken. Maar dat helpt nu niet. – Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht, anders zul je kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?”

„Och, mijn goeie Heer! Wat zal ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en weet niets van ’t geval af.”

„Je kunt toch niet ontkennen, dat die Heer Van Lintz, of zooals hij heeten mag, bij u gehuisvest heeft.”

„Wat zou het mij baten,” hernam zij: „al wou ik het onkennen? Uw Ed.-Gestr. gelooft mij toch niet. Maar al zei ik nou: ze binnen naar Amsterdam: dan zou Uw Ed.-Gestr. ommers toch denken dat ik je foppen wou.”

„Zij heeft gelijk, collega!” zeide mijn vader: ,maar gij, Ferdinand! zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf Van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of gij niet wellicht ook thans zijn vlucht begunstigd hebt?”

Ik oordeelde, dat de tijd tot spreken gekomen was, en dat een rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den graaf niet meer schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. „Onze ontmoetingen,” zeide ik, „zijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen, dat ik den man verraden zou, die mij het leven gered heeft?”

„Het leven! En wanneer?”

„Ziedaar, wat ik u thans kan openbaren.” – En ik was op het punt van een verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het zien der gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende punten vertoonden.

„Wat is er toch aan de hand?” vroeg Suzanna: „Tante klaagt al:

d’armes et d’ennemis je suis environnée.

„Wat wil men?” vroeg Tante: „wie van het gezelschap moet er gepakt worden.”

„Van het gezelschap niemand,” antwoordde de Naarder Onderschout: „maar het zal UEd. niet weinig bevreemden, van te vernemen, dat die vrouw daar goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.”

„Het is zoo, Zuster!” zeide mijn vader: „de Baron Van Lintz, dien gij u nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad.”

„Nu ja!” zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik beantwoordende: „hij is hier ’eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen zij Goddank weg en vrij ook, naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aêrs doen als ik ’edaan heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn eigen melk het ’evoed, bij je komt en zeit.” moeder Martha! ze zitten men overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden, om dan te zeggen: scheer je van men deur weg.”

„Daar is wat van aan,” zeide Tante: „en ik kan toch ook niet vinden, dat mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd heeft. – En wat is er van hem geworden? – Die arme Van Lintz! hij is zoo dikwijls mijn Cavalier geweest.”

„Dat is juist de vraag, wat er van hem geworden is,” zeide de Naarder Onderschout: „hij heeft, ondanks al onze voorzorgen, weten te ontsnappen.”

„Dat verblijdt mij,” zeide Tante Letje: „want het zal tot een vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die hedenmorgen, toen ik haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot haars vaders.”

„Hoe! Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult mij dat alles nader vertellen, Zuster!” zeide Tante Van Bempden.

„Zij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten,” zeide mijn vader: „en ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althans aan geen lastige bezoeken zal blootgesteld worden.”

Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk aan, die verbaasd een stap achteruit deed.

„Hoe!” riep hij: „was die Juffer....?” Hij eindigde den volzin niet, met reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem niet tot eer verstrekte.

„Ed.-Gestrenge!” zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: „ik heb nog eens geïnterrogeerd al die lieden: zij hebben niemand zien gaan van hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig.”

„Dat rijtuig zou te Huizen stallen,” zeide mijn vader zachtjes: „Haast u derwaarts en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de Graaf zijn oude bekenden.” Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone, vroolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was. Tante Van Bempden bemerkte dit, en oordeelende dat alleen de verandering van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.

„Indien gij verkeerd gehandeld hebt,” zeide hij, na mij met bedaardheid te hebben aangehoord, „zult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen, die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden er van aan ’t malen zijn geraakt. Ik zal intusschen blijde zijn indien de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft.”

„Ik verzeker u,” zeide ik, „dat ik voor haar alleen deelneming en niets meer gevoel.”

„’t Is mogelijk! maar zij – zij is ongelukkig: en dan hecht men zich lichtelijk aan hen die ons diensten bewijzen: – en wanneer dan hij, die den dienst bewezen heeft, een knappe jongen is, en zij, die dien dienst ontvangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor geen van beiden, en is de laatste vooral te beklagen. – Dan, nu geen woord meer over dat onderwerp.”

Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlachen over de samenstemming van hetgeen Amelia’s vader mij vroeger had te kennen gegeven en hetgeen thans de bekommering van den mijnen wekte. Ik had echter geene zoo groote inbeelding van mijzelven, om te gelooven, dat ik nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.

Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en welken de laatste met een hoofdknik beantwoordde, bevestigde mij in mijn vermoedens omtrent de wijze, waarop de Graaf ontsnapt was.

Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door de plaats den tijd poogden te korten en nieuwen eetlust op te doen tot het middagmaal. Nauwelijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij zagen het rijtuig van den Heer Van Baalen oprijden en hijzelf met een bezorgd gelaat daaruit stappen.

„Wel, mijn waarde Van Baalen!” riep Tante hem toe: „hebt gij zoovele drukten aan het kantoor gehad? Wij rekenden al niet meer op u.”

„Wat helpt het klagen!” zeide hij, de schouders ophalende: „het is mijn lot, en ik tref het altijd ongelukkig, dat, zoo vaak ik uit verzocht word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! ik moet u even spreken, met verlof van het gezelschap.”

„Is er zwarigheid?” vroeg ik, met hem ter zijde gaande.

„Niet gering!” antwoordde hij: „de Fortuin is door den storm op de Terschellingsche banken geslagen. De equipage is gered, en men is bezig de lading te lossen; maar het schip zal, vrees ik, verloren zijn.”

„Dat is voorwaar een Jobstijding!” zeide ik ontroerd: „en is UEd. zeker dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?

„Niemand,” zeide Van Baalen: „en dat is waarlijk een wonder te noemen. Nu ik hoop maar, dat Pulver wijs genoeg zal zijn om een spoedige gelegenheid te vinden, om de goederen verder te zenden: vooral de thee; want daar is nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd, dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is drommels uit den koers; anders ware het nog altijd wel zaak, er iemand heen te zenden, om te zien hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer die strandvonders en kustwaarders met alles gaan strijken.”

„Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile,” zeide ik.

„Ik dorst het u niet voorstellen,” zeide Van Baalen: „maar dat zou voorzeker een brave daad van u zijn. – Wanneer zoudt gij in staat zijn te vertrekken?”

„Wel! dadelijk, als het noodig is.”

„Neen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden: en wij dienen vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met den Zaterdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een visschersvaartuig naar Terschelling neemt, zal het toch altijd het beste middel van overtocht zijn; want de gewone route met de postschuit kan ik u niet erg aanraden.”

Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval en de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had voorgesteld, te verhoogen.

„Wel lieve moeder!” zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: „uw jaardag wordt onder geen blijde voorteekenen gevierd.”

„O!” zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende: „beklaag mij niet: ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden; en zou ik dan nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?”

De gebeurtenissen van, den dag, waren echter nog niet ten einde geloopen: op het nagerecht ontving mij vader met de ’s-Gravenlandsche schuit een pakket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een briefvoor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde; Zij opende dien: hij wasvan Amelia, die haar, onder warme dankbetuigingen voor het: haar verleende verblijf, kennis gaf, dat, zij vertrokken ws; om haar vader terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te verlaten, terwijl zij verachooning verzocht, van zich dus zonder afscheid te verwijderen, het geen men toch vooral aan geen gebrek aan hartelijkheid moest toeschrijven: maar alleen aan de gebiedende noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.

„Zij maakte zich op en ginck heenen,” zeide Tante Letje: „maar ik zegge: de Heere heeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader, wien zij verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!”

„Ik sloeg haar ’t heilig kruis, naardien zij optrock, na,”

zeide Suzanna. „Ja! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is,” zeide mijn moeder: „want zij moge dan. zoo mooi en verstandig zijn als men. wil, ik hou niet van die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend zijn.”

Ik kon mij niet weerhouden, te glimlachen over dezen uitval van mijn anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al de zoodanigen, die aan een ordelijke, afgepaste, alledaagsche sleur gewoon zijn, wordt opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik gevoelde geen trek om als Amelia’s verdediger op te treden, daar ik zelf innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over haar te praten; en ten andere verhinderde ook de tegenwoordigheid van Lodewijk, voor wien het onderwerp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel mij, als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in ’t midden te brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen teweeggebracht, en maakte dat het feest, wat althans de vroolijkheid betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting beantwoordde: vooral de Heeren Blaek, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken, maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer Van Baalen den terugtocht naar Amsterdam ondernam.


[Hoofdstuk 31] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 33]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001