MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE, WIE FERDINAND IN DEN BEURTMAN AANTROF, HOE HIJ OP TERSCHELLING AANKWAM EN WELKE ZONDERLINGE ONTMOETING HIJ ALDAAR HAD.


De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een paar andere, bij de zaak belang hebbende lieden, de laatste instructiën te ontvangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht; welker lezing mij eenigszins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van zaken de mij opgedragen taak te volvoeren en tevens eenig tijdverdrijf aan boord zou bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders, die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen, te meer na de slechte ondervinding, die ik kort te voren van een zeetochtje had opgedaan, en de rampen, welke de Texelsche lijst vermeldde, trok ik tegen zes uren naar den beurtman. Het was nog vroeg toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinig passagiers aan boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel, welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek ophanden was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in eene dichte overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.

„Wel zoo!” riep ik, toen hij aan boord stapte: „gij hier, vriend Helding? Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte.”

„Is het mogelijk!” riep hij van zijn kant uit: „Mijnheer Huyck! wel dat is een aangename verrassing! ik kon niet hopen zulk een vereerend gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik vragen mag?”

„Dat zal wel waar zijn,” antwoordde ik lachende: „want ik geloof niet, dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althans dat zou een slecht teeken zijn; – maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet, ingeval gij het doel mijner reis beoogt, want die moet zich nog verder uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?”

„Och Mijnheer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan,” en hier zag hij om zich heen, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar beneden hadden begeven, deelde hij mij in ’t vertrouwen de reden zijner reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens, op laat mijns vaders, in ’t werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang heren derwaarts te hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk stond en gewoonlijk door varensgezellen bezocht werd, Bij het ontvangen dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo mogelijk weer terug te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn, weder tot zich te nemen. „Och!” zeide hij: „ik weet het wel, Mijnheer Huyck; zij heeft gezondigd; maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder – en Goddank! dat deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien – ofschoon, indien de brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van den slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet waken als een moeder doet; – och! het is misschien grootendeels ook mijne schuld, omdat ik het kind niet genoeg heb gadegeslagen of te mal met haar geweest ben: – ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en wij zullen nog blijde dagen samen beleven.”

Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier en twintig uren duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch gevarieerd noch opbeurend was, hoorde ik hem echter liever over dit onderwerp spreken, hetwelk ten minste van zijn goed hart getuigde, dan dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzie te hooren redekavelen of, wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te moeten luisteren.

Het was ongeveer ’s namiddags zeven uren toen wij Harlingen bereikten. Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om zich dadelijk bij de Overheid te vervoegen en van deze assistentie te verzoeken tot het doen zijner nasporing; daar ik met reden beducht was, dat de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden had, of andere dergelijke voormendselen oprapen, of ook haar verborgen houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan hem te vergezellen; een voorstel, ’t welk hij dankbaar aannam, overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek zouden bijzetten. Na alvorens met een visschersman,’ dien ik had doen ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen met het krieken van den dag naar Terschelling over te brengen, verliet ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn in onze nasporing, en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze tijding sloeg, gelijk men denken kan, den armen Helding geheel ter neder; want behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor hem bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigszins de echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.

„Zoo jou me niet ’elooven wilt,” zeide eindeljk de waard, terwijl hij op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag bijeenzaten: „daar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit weg ’ebracht.”

Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den overtocht had besproken. Deze, hoorende wat het geval was, rees op en bevestigde de verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar Terschelling had overgebracht.

„Indien dit zoo is, vriend Helding!” zeide ik: „dan behoeft gij den moed nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt gij de reis kosteloos met mij maken; en tenzij de vluchtelingen het zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap terugvinden.”

„Och!” zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: „ik vrees, het zal wel weer vruchteloos zijn;.... maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van UEds. vriendelijk aanbod gebruik maken;.... want ik heb juist op zoo een verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om verder te gaan. Hoever ligt dat land wel, daar zij is heengegaan?”

„O!” antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: „wij hebben wel geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er wel zijn.”

Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwelgezegd. Janke Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en, aangevuurd door de hoop op een goede belooning, deed hij zijn uiterste best om ons op de spoedigst mogelijke wijze naar ons bestemmingsoord te voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen omtrent den persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een knap slag van een kerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan en zelf eens mede een hand aan ’t werk geslagen had; maar dat hij zich over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het meisken ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer bedroefd en mankeliek was geweest.

Het was ongeveer middag, toen wij het eiland in het gezicht kregen. Het was een dier schoone, warme dagen, welke men meermalen in de eerste helft van September geniet; en hoewel de wind nog uit den Noorderhoek woei, was hij echter eenige streken meer naar het Oosten geloopen, en deden alle voorteekenen zich op, dat wij meer bestendig weer zouden krijgen, dan wij tot dusver hadden gehad. Niet onbevallig deed zich weldra het dorp West-Terschelling, met zijn hoogen Brandaris, aan ons voor: en zijn roode, door de zon beschenen daken, tusschen het groen der lindeboomen, staken vroolijk af tegen de witte duinen, die ten Noorden aan het eiland ten bolwerk verstrekken; terwijl een menigte loodsen visschersschuiten, die in de haven lagen, of af- en aangingen, het tooneel verlevendigden. Ten Noordwesten liet zich, op eenigen afstand, tusschen de ver vooruitstekende zandbanken, een half op zijde liggend wrak zien, dat reeds van masten en tuigage ontdaan was, en hetwelk ik aan den nieuwgeschilderden, naar ons toegekeerden spiegel, voor de (ditmaal zoo onfortuinige) Fortuin herkende.

Aan de haven gekomen zijnde, zagen wij, hoe reeds een groot gedeelte der jeugdige bevolking, welke ons van verre had zien aankomen, ons van het strand en van het havenhoofd stond te verbeiden met de nieuwsgierigheid, welke de komst van vreemdelingen vooral op zeedorpen pleegt te verwekken, en nu met de handen in den zak onze ontscheping aangaapte. Ik zag echter onder den hoop ook enkele meer bejaarde inwoners, en het was tot een dezer laatsten, dat ik mij wendde om te vernemen, of zij ook wisten waar Kapitein Pulver te vinden was.

„Wijs deuzen Heeren den weg eens naar Geurt Reynszen,” zeide de man tegen den naastbijstaanden knaap: en deze, na ons nog even te hebben aangekeken, sloeg zonder overhaasting den gullen zandweg in, die naar het dorp bracht. Wij volgden onzen wegwijzer, geleid door de gansche jonge bevolking, die zich om ons heen drong, als had zij in last bekomen ons op te brengen. Enkelen draafden vooruit om bericht van onze komst te brengen, en dit had ten gevolge, dat wij weldra Kapitein Pulver in persoon ons te gemoet zagen komen. „Wel patroon!” riep de man uit, toen hij mij gewaarwerd: „ben je daar warempel zelf komen aanwaaien: dat is een leelijke interval met ons schip! – Het spijt mij danig van de ouwe Fortuin: en ze heeft ’er naam slecht gedragen: ’t Ia jammer van de kostelijke verf, die er nog aan gespendeerd is; maar, niemand kan ’t helpen, zooals de man zei, toen hij zijn vrouw van de trappen gegooid had. ’t Is dan ook een boos weertje geweest: een wind, dat geen vier heerenknechts een mand met bruidsuiker tegen een sluis zouden opgetrokken hebben: en raakt men in dat gindsche vaarwater maar eenmaal grond, dan is het: zie er van af, en wij mogen nog onzen Lieven Heer wel danken, dat er niemand bij omgekomen is, als twee geiten, die verzopen zijn. Ondertusschen, patroon! ’t Is mij lief, je wel te zien.”

„En hoe staat het met het schip en de lading?” vmeg ik. „Is er veel schade.”

„O! wat de lading betreft,” antwoordde Pulver: „die is grootendeels geborgen; maar het schip, – kijk er van af, zeg ik: – dat woelt al gedurig meer in het zand: en ofschoon UEd. het vandaag nog hebt kunnen zien, zal het morgen wel heelendal naar den kelder zijn.”

„Zoo! dan is de lading toch in zekerheid: – dat doet mij genoegen.”

„Wel mag het u genoegen doen; maar wat helpt het? zoo als de man zei toen hij klontjes te huis bracht en de koffie al gedronken was. Ik heb, sedert de boel hier in ’t pakhuis (en ’t is er een pakhuis naar!) is opgeslagen, er al zooveel over te zeggen, als een koksmaatje over de kluifjes, die de kat benaderd heeft, Ik had anders zulk een schoone gelegenheid om de thee, waar een kapitaal op te winnen is, verder te zenden; maar ’t is: blijf er van af. Ze zullen u een rekening maken van Jan Kalebas: en ’t is maar goed, dat UEd. hier is om een oog in ’t zeil te houden; want zij zullen wel wat meer respect voor UEd. hebben dan voor mijn persoontje. – En wie is Mijnheer? als ik vragen mag? want onbekend maakt onbemind.” Hier vrees hij op Helding.

Ik gaf hem zulks in korte woorden te verstaan, terwijl wij vervolgens gezamenlijk de woning binnentraden van den hierbovengenoemden Geurt Reynszen, die bij de hoedanigheid van Onderstrandvonder ook, gelijk mij naderhand bleek, die van voorzittend Schepen bekleedde en die een der gewichtigste personages van het eiland was. Het bovenlijf van een dikken zeegod, met roode bolle wangen en een blauwen baard, hetwelk vroeger den voorsteven van een schip had versierd en volgens de daaronder geplaatste aanwijzing den God Neptuin verbeeldde, prijkte boven de voordeur, en scheen in zijn voorovergebogen houding de voorbijgangers uit te noodigen om binnen te treden en den brandewijn van vriend Reynszen te proeven, terwijl de woorden goed logies op den deurpost nog verder het bedrijf van dezen nuttigen eilander aankondigden.

Het was dus met dezen Reynszen voornamelijk, dat ik over het doel mijner komst zoude moeten spreken: terwijl ik mij tevens vleide, dat hij beter dan iemand in staat zoude zijn eenig bericht aangaande de dochter van Helding te verschaffen.

Reynszen, een man van ongeveer zestig jaar, maar nog wakker en sterk, en wiens grauwe kat-oogen sluwheid en overleg verraadden, ontving ons met een voorkomende vriendelijkheid, die echter eenigszins verflauwde, toen Pulver hem mijn naam en betrekking als reeder van het gestrande schip deed kennen: en het viel mij niet moeilijk, uit de wijze, waarop hij mij opnam, te gissen, dat hij trachtte zijn oordeel op te maken, in hoeverre ik vatbaar was om mij te laten blinddoeken of bepraten. Zijn gelaat klaarde echter weder op, toen ik voor Helding en mijzelven logies bij hem bestelde: waarschijnlijk begreep hij, dat twee Heeren uit Amsterdam in allen gevalle goede vertering bij hem zouden maken, en dat hij als kastelein wel datgene aan mij zou terugverdienen, wat hij als Strandvonder door mijn komst zou moeten missen. Hij bood ons pijpen aan en begon een praatje over weer en wind, terwijl zijn dochter stoelen bijschoof en op onzen last eenige boterhammen ging smeren; want de zeelucht en de reis hadden ons honger gegeven. Pulver begon hierop het verhaal van zijn geleden schipbreuk, hetwelk men mij verschoonen zal, zoo ik het niet in zijn geheel geve, daar in dit geschrift reeds tweemalen een diergelijke ramp vrij omstandig beschreven is. Het bleek mij echter reeds toen, en later werd het ook door de getuigenis van de equipage van de Fortuin bevestigd, dat Schipper en Stuurman hun plicht tot het uiterste hadden volbracht en dat de geleden wederwaardigheid alleen aan het geweld van den storm te wijten was, die het vaartuig op de Robbeplaat had gesmeten, waarvan het niet mogelijk was af te komen.

Het ontging mij niet, dat Helding, gedurende het vrij lange en door allerlei aanmerkingen en uitweidingen afgebroken verhaal van den Schipper, al op heete kolen zat, en gedurig rondkeek, als wilde hij vragen, wanneer de beurt toch eens aan hem komen en over de zaak zoude gesproken worden, welke hem op Terschelling riep. Juist wilde ik daarover beginnen, toen een nieuw personage de herberg binnentrad. Deze was een dor schraal kereltje, wiens onbeduidende lichaamsbouw sterk afstak tegen de kloeke gestalte van Reynszen en van de Terschellingsche visschers, die ik aan de haven gezien had. Ook was hij niet in ’t duffel en baai gekleed, gelijk de overige dorpelingen: en zijn rok en hoed, hoewel ouderwetsch fatsoen, kenmerkten meer de dracht van den vasten wal of een nabootsing daarvan. Zijn door de kinderziekte sterk geschonden gelaat had weinig behaaglijks; terwijl de omgekrulde onderlip en vooruitgezette borst geen geringe mate van zelftevredenheid en verachting van anderen schenen aan te kondigen.

„Zoo Drost! ben je daar?” vroeg Reynszen, den nieuwaangekomene de broederhand toestekende. Deze scheen blijkbaar het niet te durven wagen, zijn mager handje aan den krachtigen aangreep des kasteleins bloot te stellen, en stak hem slechts een vinger toe.

Ik stond een oogenblik in twijfel, of de naam van Drost, aan den onbekende gegeven, ’s mans eigen naam of een verkorting van den titel van Drossaard moest beteekenen. Ik wist, dat deze laatste ambtsbetrekking door een der Burgemeesteren van Enkhuizen werd bekleed: en ik kon te minder gelooven, dat ik dezen voor mij zag, daar de toon en houding van Reynszen jegens den nieuwgekomene die gemeenzaamheid aanduidden, welke tusschen goede bekenden plaats heeft.

„Zel je een pijp rooken?” vervolgde Reynszen tegen den onbekende, die ons van ter zijde bekeek: – „dat zijn Amsterdamsche Heeren, die komen hier vanwege de Fortuin!” en toen, zich naar ons keerende: „dat is de Drost,” zeide hij.

A tous seigneurs tous honneurs. Ik rees op, en groette den Dignitaris, die, na mij kortaf goeden dag te hebben gewenacht, zich tot Reynszen wendde, in de navolgende afgebroken bewoordingen:

„Niet rooken.... weinig tijd.... zieken bezoeken.... Raad bijeengeweest.... hoe is de patient?”

„Niet te bestig,” antwoordde Reynszen: „ik wou dat zij weg waren gebleven.”

„Hebt gij hier een zieke in huis?” vroeg ik.

„Ja,” antwoordde Reynszen: „een vrouwken van den vasten wal: de Dokter heit er ook al geen zinnigheid in.” Hier wees hij op den Drost: en nu werd het mij opeens duidelijk, dat deze niet de Drossaard zelf, maar zijn Substituut moest wezen, die, tevens met dit ambt, de hoedanigheid van geneesheer bekleedde. Ik dacht echter over dit punt slechts vluchtig na; want het gezegde had mijn aandacht getrokken.

„Van den vasten wal?” herhaalde ik: „en wanneer aangekomen?”

„Eerst sedert drie dagen: van Harlingen, ’eloof ik.”

Helding was doodsbleek en keek beurtelings mij en den kastelein aan.

„En haar naam?”

„De vent, die met haar is – haar man wil ik hopen – noemt haar Klaartje; en dat is al wat ik er van weet.”

„O mijn dochter! mijn Klaartje!” riep Helding, terwijl hem dikke tranen langs de wangen rolden. „Waar is zij? Breng mij bij haar!”

„Bedaar, mijn goede Helding!” zeide ik: „gij hoort, dat zij ongesteld is: uw onverwachte verschijning zou nadeelige uitwerkselen kunnen teweegbrengen. Wat zegt er de Dokter van?”

„Hm!” zeide deze: „ontstoken hersenen.... galachtig bloed.... raaskallen.... aandoeningen te vermijden.... abstinentia et quies.”

„UEd. denkt dus,” hernam ik, „dat, haar vader, wien zij in lang niet gezien heeft, niet zonder eenige voorbereiding bij haar behoort te worden toegelaten?”

„Hm! hm! – nog niet – eerst zien – oordeel opschorten – straks beslissen,” antwoordde de geneesheer. Het kostte mij eenige moeite om Helding te overtuigen, dat hij zijn ongeduldig verlangen naar zijn dochter bedwingen moest; doch na eenigen tegenstand gaf hij toe en beloofde zich bedaard te zullen houden, terwijl ik op zijn verzoek aannam, den Dokter bij zijn bezoek te vergezellen en hem nauwkeurig kondschap te brengen aangaande den toestand zijner dochter. Reeds vreesde ik, daar de woning mij toescheen niet zeer groot te zijn, dat de lijderes zich misschien in een nabijgelegen kamer bevond en van daar iets van ons gesprek gehoord of de stem haars vaders herkend zoude hebben; maar deze vrees bleek mij ongegrond te zijn; want het ziekvertrek waarheen ik mij thans met den Dokter begaf, bevond zich in een afzonderlijk huisje, mede aan Reynszen toebehoorende, en waarmede men door een achterdeur en binnenplaats of tuintje gemeenschap had.

Wij vonden bij het inkomen de zieke in een vrij zindelijke bedstede gelegen, voor welke iemand gezeten was, met den rug naar ons toegekeerd, die haar hand in de zijne hield, terwijl hij, voorovergebukt, met het hoofd op de andere hand leunde. Hij bad zijn buis uitgetrokken en dit, waarschijnlijk om de lijderes te verwarmen, op het voeteneinde neergelegd. Bij onze nadering zag hij op, en ik herkende – hoewel niet geheel onverwacht – Sander Gerritsz – of, anders gezegd, Zwarten Piet.

„Plaats maken!” zeide de Dokter: „wat gerust? – Nog ijlende?”

„Zij is bedaarder, maar doodzwak,” zeide Sander, met een zucht; „zij ligt geheel wezenloos en heeft mij nog geen woord toegesproken,” en toen, mij herkennende: „Mijnheer Huyck!” riep hij verbaasd uit.

„Ongelukkige! gij hier?” zeide ik, het hoofd schuddende: „maar kom even ter zijde, en laat den Dokter bij de patiënt.”

De Dokter nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven dat zij onze komst bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in ’t oor

„Haar vader is gekomen.”

„God! ook dit nog!” zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide handen.

„Zou zij in staat zijn, hem te zien?”

„Ach! wat zou het baten? Zij kent niemand – zelfs mij niet.”

„Koorts af!” zeide de Dokter, opstaande: „bedaarder.... meliora symptomata.... gerstewater drinken.... citroensap.... likkepot zenden.... morgen weerkomen....”

„Zou ’t mogelijk zijn!” riep Sander uit, verheugd toetredende: „bevindt zij zich inderdaad beter?”

„Nog zwak,” zeide de Dokter: „versterking ingeven. – Recept schrijven!” – Dit gezegd hebbende, haalde hij een papier uit den zak en ging zijn voorschrift opschrijven.

„Klaartje!” hernam Sander, zich over het bed heenbuigende: „herkent gij mij niet?”

Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om, zoodat ik haar vlak in het aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroegere bekoorlijkheden vóór den tijd had doen vervallen.

„Waar ben ik?” vroeg zij met een flauwe stem, zich met de vlakke hand over het voorhoofd wrijvende: „hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek geweest, geloof ik: – maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken.”

„Hier hebt gij drinken,” zeide Sander, haar een kommetje aan den mond brengende: „bevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?”

„Zoo! zijt gij daar nog, Sander?” hernam zij: „dat is goed: maar hoe kom ik toch hier? – Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden.... maar ’t is zonderling: ik voel nergens pijn meer.”

Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding zijn dochter slechts zou terugvinden om haar terstond weder te verliezen.

„Wie is die Heer?” vroeg zij, op mij wijzende.

Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen, ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam dus het antwoord, dat Sander geven wilde.

„Ik kom uit Amsterdam,” zeide ik, „en heb een boodschap voor u, van iemand, die u van harte liefheeft.”

„Iemand in Amsterdam.... die mij liefheeft!” herhaalde zij met een uitdrukking van twijfel en smart: „wie is er, die mij liefheeft in Amsterdam? – O God! er is er wel een geweest, die het mij gezegd heeft.... maar hij was een verleider.... hij was de oorzaak van mijn verderf en ellende.”

„Hij, van wien ik spreek,” vervolgde ik, „is iemand, die nooit als uw welzijn beoogd heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?”

„Wat!” zeide zij, met verheffing van stem: „van mijn vader komt gij! van mijn vader!.... hoort gij Sander?..... die Heer komt van mijn ongelukkigen vader! – En denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die hem zooveel verdriets heeft gekost? – En weet hij, dat ik nog leef? – O! het ware immers veel beter, dat ik dood ware, – dan behoefde hij geen leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets dan schande over zijn eerlijken naam heeft gebracht.”

„Meisje!” zeide ik: „onze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen, die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen? Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger, dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven.”

Zij weende: – Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Dokter borg zijn recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: „geen gevaar.... ouden Heer roepen,... gerust hier komen.”

„Wie? welke oude Heer?” vroeg Klaartje met levendigheid. „Zoo uw vader zich hier bevond,” zeide ik: „zoudt gij dan kracht genoeg bezitten om hem terug te zien?”

„Mijn vader! – Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en dan sterven. – Maar neen: dat is niet mogelijk.”

„Zie of het mogelijk is,” zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de Arts terugkwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.

„Waar is zij? Waar is mijn kind?” riep de oude man, terwijl hij met uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnentrad. Zij was half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander baar kon terughouden er uit te springen, om zich aan de voeten haars vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.

„Vergeving, mijn vader!” was alles wat zij uit kon brengen, terwijl Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.

„Verduiveld!” zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende, „ik zit liever een heelen nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik zoo iets bijwoon.”

„Hou u maar bedaard, kindlief!” zeide Helding, terwijl zijn eigen stem beefde: „God zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam en wij zullen een stil en genoeglijk huishouwentje hebben, als vanouds.”

„Neen vader!” zeide zij, treurig het hoofd schuddende: „naar Amsterdam terugkeeren, dat zal niet gaan – ik voel hier iets” (op haar hart wijzende) „dat mij zegt, dat het met mij, niet lang meer zal duren. O! wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog voor mijn dood mijn vader zou terugzien en dat hij zich mijner ontfermen zou? Helaas!” vervolgde zij, hem beschouwende: „uw haren waren niet grijs, toen ik u verliet. – Wee mij! ik heb dat verdriet u veroorzaakt! – Maar vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen.”

„Sander Gerritsz!” riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met een treurigen blik aanzag.

„Sander Gerritsz!” herhaalde Pulver, niet minder verwonderd. „Sandertje! wat drommel!....” Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.

„Sander Gerritsz!” herhaalde ook de Dokter, als scheen hij zich dien naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een andere portefeuille, dan die, waarin hij zijn recepten borg, voor den dag halende, begon hij in de daarin vervatte papieren te snuffelen.

„Ach! mijn goede Monsieur Helding!” zeide Sander: „UEd. weet, ik heb haar altijd liefgehad. Ik zou haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben, niettegenstaande al wat er gebeurd is; – maar de Heer Huyck weet, dat ik hier niet kan blijven, dat.... in ’t kort, dat het beter voor haar is, dat zij met haar vader naar Amsterdam terugkeert.”

„Ja mijn hartje!” zeide Helding: „keer met mij naar huis: wij zullen wel wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck.... daar zijn de Heeren Blaek....”

„Blaek!.... Blaek!....” herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van afgrijzen: „liever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had.”

„Hoe!” riep Helding: „wat hebben die Heeren u toch gedaan?”

„O! spreek er mij niet van,” hernam Klaartje: „is niet Lodewijk Blaek de bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet; arm en naakt, in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, em.... O God!”

„En waarom durfdet gij niet tot mij terugkeeren? vroeg Helding: „wist gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u openstond?”

„Lodewijk Blaek!” mompelde Sander: „was hij de schurk, die u bedierf? – O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!”

„Ach! ik schaamde mij zoo, terug te keeren,” zeide Klaartje: „en daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen.... en zoo is het dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld! – Maar ik heb vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander – en dit vertroost mij. – Ween niet, Sander! het is zoo beter: – toen ik, op uw verzoek, Harlingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen.... ik was niet waardig, uw vrouw te zijn – en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders: – het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve.”

„Foei! zoo moet gij niet spreken,” zeide Helding: „nietwaar Dokter?”

„Wel neen!” antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: „niet sterven – weder gezond worden – niet zooveel praten! – femina animal loquax – te veel vermoeien. – Hm! Zonderling – Sander Gerritsz – dien naam meer gehoord – hm! – brief van den Drost – zeeroof – inbreken – Jaco – niet vinden – thuis liggen – hm!” Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.

„Kom!” zeide ik tegen de zieke: „gij moet u zoo ongerust niet maken, noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust noodig. Wat dunkt u, Kapitein! zoo wij die goede lieden eens alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig.”

„Ja,” zeide de Dokter: „hier te vol – rust noodig – ik ook weg – veel drukten – likkepot bereiden – archief nazien – zieken bezoeken – twee klisteeren – aderlating – twee boeren overhoop liggen – brief aan den Drost schrijven – Maaike Jansz linkerarm gebroken – heengaan.”

Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield Pulver hem staande.

„Nu zel je mij toch niet ontkennen,” zeide hij: „dat je Sander Gerritsz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid.”

„Stil wat!” fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.

„Neen voorwaar niet, mijn goede Schipper!” antwoordde Sander, hem de hand toestekende: „maar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen.”

„Daar heb je verkeerd aan gedaan,” hernam Pulver: „men moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vastliet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?”

„Ja Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen,” antwoordde Sander: „waar ik geweest ben, komt er minder op aan,” vervolgde hij met een zucht: „het zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is.”

„Ja!” zeide ik, hem ter zijde trekkende: „gij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit ’s mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt.”

„Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft,” zeide Sander: „en wat dien Meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltje, om hem de oogen te doen dichtknijpen.”

Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en den Dokter reeds vertrokken vonden. – Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.

Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.

„Ja!” antwoordde hij: „wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wil je niet naar hun pijpen dansen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de Hyson en de Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van ’t Vlie ligt, dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantiën en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen.”

„Zoo hij al eens recht heeft op zooveel,” zeide ik: „want er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met de equipage bijna alles gedaan hebt. – Intusschen, indien het daarmede gedaan ware.... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen.”

„Dan is er,” vervolgde Pulver: „nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een mensch de oogen van overloopen.”

„Dat is toch wat grof,” zeide ik: „want waar vraagt men het een-derde bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor onkosten? – Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet loskrijgen onder borgstelling?”

„Wel ja!” zeide Pulver: „reken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad.”

„Dat zullen wij dan zien,” hernam ik. „Wanneer vertrekt die Deensche schipper?”

„Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn ligplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in ’t voorbijgaan innemen.”

„Voortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen.”

Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van Substituut-Drossaard en geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons richten.

„Als UEd. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan,” zeide Pulver: „hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben: want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze dan niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Dokter.”

„Gevonden!” zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat ’s mans naam was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: „goed geheugen – Monsieur Weerglas – Sander Gerritsz – struikroover – zeeschuimer – brief van den Drost – knevelen – naar den vasten wal zenden – hm!”

„Wat zegt UEd.?” vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: „Is Sandertje een roover? – Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad; maar zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet.”

„En zijn uw orders zoo gestreng?” vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven ’t hoofd hing.

„Orders, hm! hm! – Terschelling een vrijplaats – refugium – Staten niet achten – vervallen privilegium – orders gestreng.”

Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede, kwam het mij voor, dat meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aard te mengen, ’t welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.

„Hm!” zeide hij, het hoofd schuddende: „gaat den Strandvonder aan – mij niet – u voor Schepens beklagen – goed recht uitspreken!”

„Ja,” zeide ik, „maar ik zou liever de zaak zonder vonnis in der minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te roepen.”

„Hm! – mij niet in moeien – mijne zaken niet – maar – als de zaak in orde is niet vergeten: – tiende penning mij betalen – ten profijte der gemeente – oud recht van Terschelling – hm!”

„Hoe,” riep ik: „nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten?”

„Hm! edict van 12 December 1668 – gekheid – Staten hun macht te buiten gegaan – hm! – volhouden.”

„Hoe!” riep ik: „gij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatie paal en perk gesteld is?”

„Hm! – Drost – Enkhuizen – nooit hier komen – geld trekken – niets uitvoeren – Doedes al het werk doen – Staten oude wijven – het eiland niet kennen – makkelijk besluiten nemen in Den Haag – Terschelling zware lasten – vele rampen – schrale verdiensten – leven wagen bij schipbreuken – qui oneraetiam fructus.”

„Ik wil gaarne toegeven,” hernam ik, „dat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de Fortuin, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning, en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, Mijnheer! mij recht moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen.”

„Hm! – Zaak van den Strandvonder – geen belang er bij – negotium a me alienum – voor de Rechtbank – zeven Schepenen – goed recht – naar huis gaan.” – Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning, waar wij op dit oogenblik voorstonden.

„Goed recht! – Ja, dat kan UEd. denken,” zeide Pulver: „wij komen bij den duivel te biecht. met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt....”

„Dat in eeuwigheid niet,” zeide ik: „denkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?”

„Nu!” hernam Pulver: „wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Reynszen varen zult....; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel.”

Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pCt. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoeker Kjöbenhavn, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.


[Hoofdstuk 32] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 34]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001