MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE DE THEE AAN BOORD VAN DE KJÖBENHAVN WERD GEBRACHT EN DEN LEZER VELE VERRASSINGEN WORDEN VOORBEREID.


De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.

Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven, maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.

En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor den af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken: „Wel! hoe is ’t? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?”

„Jawel!” antwoordde Reynszen: „maar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. ’t Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt.”

„Dat d.... niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet.”

„Andries!” herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep. En ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.

„Nu, ik wil hem wel roepen,” zeide de waard: „maar toch ik twijfel, of hij hier zal komen.” Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën, terwijl ik, geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.

„Wel!” klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: „lag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?”

„Wat wilt gij?” vroeg Sander met een sombere stem. „Wat ik wil? – Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om mekaar hier te praaien? En waarvoor ben je anders hier angeland?”

„’t Is waar!” antwoordde Sander met een diepen zucht: maar het was al verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest....”

„Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier met mij spreken: – wat wou hij?”

„Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in verzekering te nemen; maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag.”

„Bj (),” zeide Andries: „wij zouden borg voor elkaar kunnen wezen.”

„Ik heb hem een goeden borg op tafel gelegd,” hernam Sander: „en die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden gescheiden zijn.”

„Bij mijn zolen,” zeide Andries: „ik zou hem ook zulk een borg wel willen geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen: – en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen.”

„Ik dank u,” zeide Sander: „ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.”

„Hoe! wat!” riep Andries uit; „is de man een kind geworden? Zet () die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker ’ekomen om bot te vangen?”

Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde, hadden geplaatst.

„Jongen!” zeide Andries: „er is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis.... ik ben er heen gelaveerd.... met eenen trap ligt de deur in.... kostelijke thee man, en geen averij: en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoeden op ons heeft.”

„Dat zal nooit gebeuren!” zeide Sander: „die Huyck is een braaf slag van een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan ’t geen hem toekomt.”

„Huyck zeg je? Welke Huyck?” vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.

„De zoon van den Hoofdofficier,” antwoordde Sander: „hij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg.”

„Te droes! doet hij? – Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen – en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan, ik zal het, de d.... haal mij, niet laten.”

„Gij zult wel,” zeide Sander: „of wij worden kwade vrienden.”

„Nu! dan wat anders,” hernam Andries: „ik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel conscientiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets, dat ons er uit helpt. De pleit is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?”

„Hoor Andries!” zeide Sander: „Ik ben hier gekomen, ’t is waar, om met u en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om ’t even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen.”

„Wel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een schat opgevischt? – En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest noodig hebben?”

„Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, als vanouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmee uit.”

Brui naar de pomp,” zeide Andries, wrevelig: „heeft die sloerie je omgepraat: ’t is er ook een lievertje naar! – En hoe wil je, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet ’elooven. En wat koers zel je dan verder houen? Of ben je een stille verklikker ’eworden.”

„Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak,” zeide Sander: „ik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht: – ik kan mij thans niet langer met u ophouden: vaarwel.” – Dit zeggende stond hij op.

„Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij ’t niet?” vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: „bedenk toch: een spiksplinternieuw vaartuig, – en een rijke vracht – je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid; maar denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij....” Hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: „je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!” – Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.

Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken; doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip als de Overheden op Terschelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde aangeloopen.

Zoekt Mijnheer mijn man en den Schipper ?” antwoordde zij op mijn vragen: „o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust.”

„Een fraaie reden!” zeide ik, eenigszins ontevreden: „denken zij, dat ik hier op Terschelling gekomen ben om te slapen? – En hoe staat het met de zieke?”

„Slapjes!” antwoordde vrouw Reynszen: „het arme schaap zal het niet lang meer maken: och! ’t is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te weunen. Gisteren gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had hij er ook al geen zinnigheid in.”

„Hoe! – is de Dokter ook al reeds hier geweest?” vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zide nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.

„Ik heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord,” zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.

Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: „welnu!” zeide hij toen, het hoofd met eenige fierheid opheffde, „dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen.”

„Dat heb ik,” zeide ik: „en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man, want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet, hoe zulks aan te vangen: is het. zoo niet?”

„Ach Mijnheer! moet ik het u bekennen?” zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: „UEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indiën, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manoël niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven zag! – Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd; – maar aan een anderen kant: ik was machtig. onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu! – het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indiën was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier had ontboden: mijn voornemen was – en hij weet het goed die schoelje – om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen: en eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het Meer van Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden.”

„En,” zeide ik, „om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip, dat gij behoefdet?”

„Dat alles is voorbij,” vervolgde Sander, zonder mijn vraag te beantwoorden. „Ik heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om.... vergeef mij.... een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien: – en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen: – zij zullen zich verstrooien: – en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore.”

„En gij,” vroeg ik: „welke zijn uw verdere plannen?”

„Kan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?” vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon.

„Ja, dat kunt en moet gij,” antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te hebben: „gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven, maar de wereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen.”

„Gij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!” zeide Sander, met aandoening: „en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten; dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!”

Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.

„Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht,” dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: „die Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt.”

Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven schipper, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in ’t oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:

„’t Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet.... en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar de Kjöbenhavn brengen. Kijk eens, Patroon! ’t is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen: – nu in allen gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van ’t zetten bespaard hebben.”

„En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?” vroeg Reynszen, nader tredende: „’t is bylo een rare kost: ik heb ’t eens gezien: maar ik zou ’t niet lusten.”

„Kom! kom!” zeide ik: „mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als ’t wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld.”

„Och Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte: – en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?”

„Met verlof!” zeide ik tegen dezen: „kendet gij de lieden, die gisteravond laat ten uwent waren?”

„Neen!” antwoordde Beynszen: „het is eerst sedert een paar dagen, dat zij bij mij aankomen: de eene, zooals hij zegt, wil veulens koopen: de andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor pleizier mee, maar wat verscheelt het mij? zoolang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of hoe zij heeten: – en bovendien, Terschelling is een vrijplaats vanouds: al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren.”

„Ik weet niet,” zeide ik, „of de Heeren Staten veel om uw vrijplaats zoudeu geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?”

„De duiker haal me!” zeide Reynszen, verbaasd: „voerden die lieve jongens zulke dingen in hun schild?”

„Of wat zoudt gij er van denken,” vervolgde ik, met genoegen den indruk bespeurende, dien mijne redenen maakten; „indien zij eens in den volgenden nacht het vaartuig beklommen, dat ginds op de reede ligt, de manschap afmaakten en overboord smeten en met het schip gingen strijken?”

„Met onze thee gaan strijken!” riep Pulver, opstuivende.

„Zoudt gij dan wel in uw schik zijn,” vervolgde ik, „van dat voorgewende recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginder veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren dat een goede Justitie voor hen waakt.”

„O die schelmen!” riep de waard, met vuur: „hebben zij zulke voornemens? Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken; want voel je, die dient de zaak toch te beslissen. – En hebben zij zoo openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het hooren kon? Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoolang ik in de kamer was, is er geen woord over gevallen.”

Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want ofschoon ik het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden, wenschte ik Sander wel te sparen. „Hoor eens!” zeide ik eindelijk: „hoe ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend oog over die kerels houde en hun gangen naga: dat moet, dunkt mij, hier op ’t eiland niet moeilijk wezen.”

„Neen voorwaar!” zei Pulver lachende: „zij moesten in een konijnshol kruipen; anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen.”

„Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg,” zeide Reynszen: „en Mijnheer wordt voor zijn inlichting bedankt. Jawel, Terschelling is een vrijplaats; maar ’t behoeft daarom geen boevennest te worden. Nu! ik kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan.” – Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens latende.

„Wat dunk je, Patroon?” vroeg Pulver, toen hij weg was: „zou UEd. ook lust hebben om met de schuit mee te gaan naar de Kjöbenhavn, voor een veranderingetje? Er is hier toch niet veel raars te zien. Kapitein Holmfeld is een hupsche vent, die ons goed onthalen zal, wees daar zeker van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen. Dat heeft altijd meer klem, dan dat ik het doe.”

Ik omhelsde dit voorstel met genoegen: daar het verblijf op Terschelling toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen; ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van de Fortuin, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan de trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee in mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.

„Het schijnt dat er passagiers aan boord zijn,” zeide ik tegen Pulver.

„Dat dunkt mij ook,” zeide Pulver: „ja, dat is geen wonder: er trekken tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit. Nu! wij zullen zien.”

Weldra lagen wij naast de kof: „alles wel! alles wel!” klonk het nu over en weer. „Hier breng ik je een heele winterprovisie,” riep Pulver zijn confrater toe: „zoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken zal.”

„’t Is mij welkom,” gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen, hem in goed Hollandsch ten antwoord. „Maar gij komt immers ook aan boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?”

„Wel gewis!” zeide Pulver, terwijl hij de ladder besteeg: „dat is een van mijn patroons, dien ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet doen.”

„In ’t minste niet,” antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn manschap aan die van ons vaartuig een paar handspaken toestaken, die mij bij het opstijgen tot een leuning verstrekken moesten.

„Nu blijft gijlieden toch eten?” vervolgde de Kapitein: „ik ga toch niet voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u t’avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte.”

„Wat mij betreft,” zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: „ik neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw keuken heb, dan van den Terschellingschen pot.”

”Nu!” dat is mij lief,” hernam Holmfeld: „wel! wel! ’t is een macht van kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze alle maar plaatsen kan: – en staat gij er voor in, Schipper! dat er geen averij aan is?”

„Gij kunt ze zelf bezien,” zeide Pulver: „er is geen drop water bij gekomen.” De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de vereischte nauwkeurigheid bezichtigd en voorloopig op het dek bijeengezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.

„Ik behoef u de zorg voor de waren, die ik meebreng, niet aan te bevelen,” zeide ik tegen Holmfeld: „maar wat ik u in de eerste plaats op het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel gebeuren, dat gij in den volgenden nacht een bezoek ontvingt, dat u alles behalve welkom ware.” – En ik verhaalde hem in korte woorden het plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het bestuur van Terschelling, naar mijne gedachten, wel de noodige maatregelen zou nemen om een aanslag te voorkomen.

„Dat wensch ik,” zeide Holmfeld: „maar in allen gevalle dank ik Mijnheer voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kapitein Holmfeld handen aan ’t lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet zooverre laten komen. – Wees zoo goed en zeg er maar niets van dat de passagiers het hooren. Die menschen mochten zich maar noodeloos ongerust maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen, dat hij mij in den steek liet zitten. ’t Is een kerel als een boom, en die mee in zijn leven de plankenvloer heeft beloopen: dat zag ik direct wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het dek gekuierd hebben.”

„Dat is waar ook,” zeide ik: „gij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord, waar zijn die gebleven? Ik hoop niet, dat zij bang voor mij zijn.”

„Wel neen!” zeide Pulver, zich in het gesprek mengende: „wij zullen ze niet opeten, zooals de matrozen zeiden, toen zij de vaatjes rum van den bottelier hadden gekaapt.”

„Zij zijn naar beneden gegaan,” zeide Holmfeld: „’t schijnen hupsche menschen; maar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hun echter laten vragen, of zij niet mede een kopje koffie komen drinken. Toe Melis! loop eens gauw naar beneden, en vraag, of Mijnheer en de Juffer ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg dat er niemand vreemds is als de Kapitein van de Fortuin en Mijnheer Huyck.”

Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffie, brood en boter werd aangebracht: en nauwelijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging open en ik herkende in de binnentredende passagiers – Amelia en haar vader. Ik stond eenigszins verzet; echter was mijn verwondering over hun onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden; ik geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden. Niet wetende, in hoeverre hun ware naam en betrekking aan den kapitein bekend waren, vergenoegde ik mij, ben beleefdelijk te groeten, terwijl alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude hebben kunnen doen gelooven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch van den kajuitsjongen bericht hadden ontvangen, wien zij boven zouden vinden, en zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo ik al zweeg en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien de komst van de nieuwaangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen nauwelijks in ’t aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank, waar hij op gezeten was, zoodat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en dochter met open mond beurtelings aan en sloeg toen de handen ineen, dat het klapte:

„Wat drommel!” riep hij eindelijk uit: „heb ik het mis, of heb ik het wis ?”

„Hoe zoo?” vroeg Holmfeld: „kennen de vrienden mekaar?”

„Dezen Heer ken ik,” zeide Van Lintz, met een onveranderd gelaat: en naar mij toetredende, drukte hij mij de hand. „Neen maar....” hernam Pulver: „bij mijn zaligheid zou ik er op durven zweren: – en toch is het niet wel mogelijk. – Maar zoo ik niet wist dat het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in ’t Maklijk-Oud bij Terschelling lagen, op den hoeker de Stad Kjöbenhavn, Kapitein Holmfeld, dan zou ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles bevonden.”

„Dat is wat ver van hier,” zeide Van Lintz, met het onnoozelste gezicht van de wereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van Pulver op de vloermat gestrooid had.

„Wel! Wel!” vervolgde Pulver: „hadden wij nu Sandertje maar hier: – die kon getuigen, of er ooit zoo’n gelijkenis bestaan heeft. – En de Juffer ook – net datzelfde vriendelijke bakkesje, schoon wat grooter en bleeker dan toen: – neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen.”

„Er bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien hebben,” zeide Van Lintz, op een koelen toon: „maar uw gezicht staat mij niet voor.”

„Wel mogelijk!” zeide mijn metgezel: „Kapitein Pulver, tot uw dienst – vroeger schipper van de Compagnie op de Prins te Paard, thans van het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. op de Fortuin, die, God beter ’t, ginds in ’t zand ligt bedolven. – En heeft UEd. alzoo het.... handwerk vaarwelgezeid? – Nu! dat is prijselijk: – er was toch weinig eer mede te verdienen.”

Amelia zag beangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met een smeekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon tegen Pulver voortgaan:

„Ik weet niet,” zeide hij: „wat gij bedoelt. Mijn naam is Bos: en ik ben op de Antilles nooit geweest.”

„Uw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!” zeide ik; „ik ken dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend noch aangenaam voor hem zijn.”

„Nu! ik ontgeef het mij dan,” zeide Pulver: „ik vraag verschooning, zoo ik den verkeerde voorbad, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen; maar die ontmoeting, op twaalf graden Noorderbreedte, ligt mij altijd door het hoofd te malen. Ik moet u die toch eens vertellen,” zeide hij, terwijl hij een versche pijp stopte.

„Straks!” zeide ik, het gesprek willende afleiden: „wij zitten pas en wij hebben den tijd nog. – Gij hebt het goed getroffen, Kapitein Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan hadt gij den storm ook niet misgeloopen.”

„Ik had niet verwacht, u hier aan te treffen, Mijnheer Huyck!” zeide Van Lintz, die inmiddels met zijn dochter had plaats genomen: „het is waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaarts gevoerd heeft. – Wanneer is UEd. van huis gegaan?”

Ik voldeed aan zijn vraag en gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uithoofde van de belangrijkheid mijner ontmoetingen als om te voorkomen, dat het gesprek tot het vroegere onderwerp terugkeerde. Toen ik gedaan had, vroeg Amelia:

„Gij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog voor uw vertrek gesproken?”

„Ja!” antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: „zij was zeer wel en had bericht van u ontvangen.”

„Ik verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten,” hernam zij: „eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen haar te schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken.”

„Gij verhaaldet zooeven,” zeide Van Lintz, „van de moeite, die gij gehad hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen, maar gij moogt nog van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een plaats waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden uitgeoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichterzake kunnen terugkeeren.”

„Of op een plaats, waar zeeroovers wonen,” zeide Pulver er bij: „want dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede gemoeid geweest.”

„Ik heb,” vervolgde Van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver te storen, „van nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die afknibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich tegen hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen opzichte alle menschelijkheid uitdooft. Ik was in mijn jeugd zeer bekend en zelfs nauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal, daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en dien ik dus gemakshalve Murčl zal noemen. Deze Heer van Murčl woonde op zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van het gezag, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgeoefend, was hem slechts weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was hij niet in staat; te meer, daar hij geen slag, of geen lust had om van zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij die ontving; ja eer hij die ontvangen had. Wat hem nog het meest opbracht, was het strandrecht: wat op zijn wadden aan kwam spoelen of aan den grond raakte, was goede prijs; en daar kraaide nooit een haan naar; en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid bij hem kwamen zoeken; want. zij mochten zich gelukkig achten, indien zij vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren. – Maar het was niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het gezicht van het slot te Murčl aan den grond: doch mijn bloedverwant zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen, dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken. Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b. v. altijd een loodsboot in zee, die bereid was haar diensten den voorbijvarenden schippers aan te bieden; doch wee dengenen, die ze aanvaardde; want hij kon zeker zijn, dat zijn vaartuig op het droge raakte en dat de lading in de bergplaats van den Heer van Murčl overging. Langen tijd was dit middel met een goed gevolg bekroond geworden; doch ten laatste kregen de schippers het in den neus en bedankten den Heer van Murčl voor zijn loodsen: – en nu moest er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende kerels werd den loods toegevoegd, en wanneer dan een voorbijzeilend vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun bedrieglijke leiding over te geven en den gevorderden tol te betalen.”

„Onbegrijpelijk!” riep ik uit: „en werd dit geduld?”

„Ik zoude het niet gelooven, veelmin verhalen,” ging Van Lintz voort, „indien ik het niet had gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thans wel bekennen, meer dan één dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij op, dat mijn oom iets onbetamelijks of onwettigs zoude gelasten; te meer daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die, naar hij beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op den Oceaan geen vrienden te kennen.”

„Dan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan,” zeide Pulver: „en ik was straks niet zoo geheel buiten koers, dat ik u voor dien anderen aanklampte, die een effectieve zeeroover was.”

„En liet het Landsbestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang gaan?” vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.

„Wat zal ik u zeggen,” hernam Van Lintz: „de Heer van Murčl was geen gemakkelijke patroon, en zeker geen kat om zonder handschoenen aan te vatten. Zijn schuldeischers betaalde hij niet en hij lachte er wat mede, of zij hem voor de Rechtbanken citeerden. Eens kwam er een gerechtsbode uit Groningen, met voornemen van beslag op zijn goederen te leggen, zoo roerend als onroerend; maar nauwelijks was hij het slot genaderd, of de Heer van Murčl liet de brug ophalen en weigerde hem den toegang: toen de gerechtsbode hierop aandrong, binnengelaten te worden en met luider stem zijn mandaat begon te ontvouwen, liet de Heer van Murčl hem aanzeggen, dat hij zich spoedig van zijn grondgebied had te verwijderen, en dat hij hem in het tegenovergestelde geval zonder eenigen vorm van proces zou doen ophangen. De ambtsdienaar liet zich deze waarschuwing niet herhalen en dankte den Hemel, toen hij zich weder buiten de grenzen der Heerlijkheid bevond. – En die zelfde Heer van Murčl zat in de vergadering van H. E. Mogenden en was een van ’s Lands bestuurders. Prijs wie lust heeft, na dit voorbeeld, de vrijheid, welke men in dit Gemeenebest geniet,” voegde de Heer Van Lintz er met een schamperen glimlach bij.

„Met verlof,” zeide ik: „juist de omstandigheid, dat UEd. dit bijzonder geval aanhaalt en als iets schier ongeloofelijks vertelt, bewijst, dat het eenig in zijn soort is en daaruit alzoo geene gevolgtrekking ten nadeele onzer staatsinrichting in ’t algemeen kan getrokken worden.”

Pulver, als een goed patriot, rangschikte zich bij mijn gevoelen; terwijl Holmfeld daarentegen beweerde, dat zijn passagier gelijk had en dat in de Vereenigde Provinciën eigenlijk niemand van die zoo hooggeroemde vrijheid genot had, buiten eenige bevoorrechte familiën. Hieruit ontstond een vrij langdurige woordenwisseling; waaraan Van Lintz een einde maakte, door mij voor te stellen, zijn verblijf beneden eens te bezichtigen; ik nam dit gereedelijk aan, te meer, daar ik bemerkte, dat Amelia zeer naar de vrije lucht begon te verlangen: en, inderdaad, de damp, welke de beide schippers uitbliezen, had het vertrek zoodanig vervuld, dat men er den rook kon snijden.


[Hoofdstuk 33] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 35]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001