MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN DE GESCHIEDENISSEN VAN DE HEEREN BOS, VAN BEVEREN, DEN VLIES-RIDDER, DEN BARON VAN LINTZ, DEN GRAAF VAN TALAVERA, DEN ZEEROOVER DON MANOËL ENZ. ENZ. WORDEN VERHANDELD, EN HETGEEN EVENWEL, WAT DE LENGTE BETREFT, MEE ZAL VALLEN.


Ik begreep, dat het bezoeken van zijn verblijf aan boord slechts een glimp was, door den Heer Van Lintz aangewend, om gelegenheid te vinden, mij alleen te spreken. Wij liepen dan ook de nauwe slaapplaatsen slechts even door, en, langs een andere trap weder op het dek komende, begaven wij ons naar de voorplecht.

„Het verheugt mij,” zeide ik, „dat ik u hier beiden in veiligheid en van alle vervolging ontslagen zie.”

„Ja Mijnheer!” zeide Van Lintz, terwijl hij met den vinger de blanke streep aanwees, die, van Vlieland naar Terschelling loopende, de grenzen tusschen het ruime sop en de binnenzee scheen af te teekenen: „daarginds is het open vaarwater en de weg der vrijheid.”

„Droevig genoeg,” zeide ik, „wanneer men dien buiten zijn vaderland moet zoeken.”

„Mijn vaderland!” herhaalde hij, met een bitteren lach: „wat noemt gij mijn vaderland? Is het dat rampzalige Graafschap, waar ik geboren ben en waar de eenzelvigheid van een onbeduidend plantenleven alleen gevarieerd wordt door buurt familietwisten? Zijn het die Zeven Provinciën, die, verdeeld in zeden en belang, gestadig met elkander overhoop liggen, en waar eenige laatdunkende kooplieden, die men in andere landen nauwelijks de tafel der lakeien zoude waardig keuren, onbeschaamd het meesterschap voeren en de wereld willen regeeren? Is het dat Spanje, dat mij vogelvrij verklaard heeft? – Ik ben een wereldburger, Mijnheer!”

Ik achtte het onnoodig, dezen onbillijken en onbetamelijken uitval te beantwoorden, welken ik overigens zag, dat door Amelia niet werd goedgekeurd: want zij schudde het hoofd en zag haar vader met weemoed aan.

„Ik versta u, mijn dochter!” zeide hij, zich tot haar wendende: „ik weet, wat gij denkt, schoon gij het schroomt te zeggen; gij beschuldigt mij in uw hart, dat ik menschen en staten onrechtvaardig beoordeel, en dat ikzelf in vele opzichten de rampen, die u en mij troffen, door mijn handelwijze heb verwekt. Het is mogelijk: ik heb nooit willen buigen voor onrechtmatig gezag, noch voor wetten, door willekeur ingesteld. – Maar hierover genoeg: de oogenblikken zijn kostbaar en behoeven niet verbeuzeld te worden: ik ben den Heer Huyck schuldig, zijn weetgierigheid te voldoen en hem die omstandigheden uit mijn levensloop mede te deelen en op te helderen, welke hem nog duister mochten voorkomen. Ik had gedacht, dit bij brief te doen: onze wederontmoeting biedt mij een gemakkelijker gelegenheid aan, om mij van die taak te kwijten.”

Ik betuigde hem mijn genoegen over zijn toezegging: en zich op een affuit gezet hebbende, begon hij zijn verhaal: „Ik ben geboren uit een adellijk geslacht van het Graafschap Zutfen, de jongste en thans eenig overgeblevene van een aantal kinderen. Mijn vader, de Baron Van Lintz, bracht zijn dagen op zijn afgelegen landgoed door, daar hij geen eigen middelen bezat om in de groote wereld eenig figuur te maken, en de Roomsche godsdienst, welken hij beleed, hem van het bekleeden eener winstgevende bediening uitsloot. Ik scheen dan ook bestemd om, gelijk mijn broeders, stil en onopgemerkt als een boeren-edelman voort te leven; maar het was anders door het lot beslist. Mijn moeder, die tot de heerschende Kerk behoorde, had in ’s-Hage en elders vele en aanzienlijke bloedverwanten: en dezen, een meer dan gewonen aanleg in mij meenende te bespeuren, beduidden haar, aan mijn opvoeding een meerdere zorg ten koste te doen leggen, dan mijn broeders ten deel viel; terwijl zij met elkanderen de daartoe vereischte uitgaven op zich namen. Ofschoon ik door mijn vorderingen aan hun verwachting vrij wel beantwoordde, en een kennis van zaken en personen verkreeg, welke mij in mijn volgende loopbaan wel te stade kwam, had ik echter geen trek, om, gelijk zij verlangden, een geleerde te worden. Ik helde meer tot den zeedienst over, waartoe – ’t geen zeker vreemd genoeg scheen in iemand, die, als ik, in een land-provincie geboren was – een bijzondere neiging gevoelde, welke nog versterkt was geworden door de tochtjes, die ik jaarlijks, staande mijn verblijf bij mijn oom te Murčl, op de Noordzee deed en waarvan ik u zooeven het een en ander verhaalde. Deze, mijn oom Van Murčl, was de eenige, die mijn neiging billijkte. Tegen den zin mijner overige bloedverwanten, die het belachelijk vonden, dat ik een loopbaan in zou treden, waar ik het, uithoofde mijner kerkleer, nooit ver in kon brengen, werd ik, door zijne bemoeiingen, als adelborst aangesteld: en na een paar jaren dienst zag ik mij, ’tzij door toedoen mijner beschermers, ’tzij omdat ik het werkelijk wel maakte, tot Luitenant bevorderd. Dit was nu zeer goed en wel; maar nu was ik ook tot dien rang gestegen, waar de slagboom neerviel: en kleingeestige staatsinstellingen moesten mij beletten, hier te lande ooit hooger op te klimmen.

Ik leerde ondertusschen, te Amsterdam zijnde, de dochters van den op pensioen gestelden Kapitein Reefzeil kennen. Ik werd verliefd op de jongste, en zag mij weldra gelukkig door haar wedermin. Het verschil van Godsdienst was echter een hinderpaal, waartegen mijn ouders minder zouden hebben opgezien (daar, gelijk ik zeide, mijn moeder insgelijks de hervormde leer beleed), doch die voor den ouden streng rechtzinnigen Reefzeil onoverkomelijk was. Bij de teleurstelling, welke ik hierdoor ondervond, voegden zich de verdrietelijkheden, welke mij dagelijks kwelden, wanneer ik jongere of min bekwame officieren mij over ’t hoofd zag stijgen, alleen omdat zij der heerschende Kerk waren toegedaan. Ik had dit vroeger, bij ’t aanvaarden mijner loopbaan minder geteld; doch nu ik het ondervond, werd het mij onverdraaglijk. Ik was, daar mijn geboorte mij den toegang tot de hoogste. kringen verschafte, in kennis geraakt met den Spaanschen Gezant, en deze opende mij de gunstigste vooruitzichten, indien ik konde besluiten, in den dienst van Z. Katholieke Majesteit te treden. Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep dat ik op deze wijze mijn twee vurigste wenschen, het bezit mijner dierbare Cornelia en een hooger stand in de maatschappij, zoude kunnen bereiken. Ik haalde haar over, met mij te vlieden, zond mijn ontslag in, trouwde heimelijk in de kapel van den Gezant en vertrok, door hem van goede brieven van aanbeveling voorzien, met mijn echtgenoote naar Spanje. Ik werd aldaar goed ontvangen. Men had juist bekwame zee-officieren noodig: en het leed niet lang of ik zag mij aan boord van een oorlogsbrik geplaatst. Alles liep mij in den aanvang mede: ik had het geluk, gewichtige diensten aan mijn nieuw vaderland te bewijzen en genoot een snelle bevordering. Door toevallige omstandigheden geraakte ik ook in diplomatieke betrekkingen: en een voordeelig tractaat, met Portugal gesloten, deed mij in de gunst des Konings klimmen. Ik werd Admiraal, Grande van Spanje, Vlies-ridder, Graaf van Talavera, in één woord, ik zag weinigen mij gelijk en alleen den Koning boven mij verheven. Mijn eenige smart was, dat mijn gade de mij beschoren eer niet had kunnen deelen: zij was kort na mijn aankomst in Spanje overleden, na mij een dochter geschonken te hebben.

Mijn voorspoed (en hoe kon dit anders?) had den nijd van velen opgewekt, en men zocht mij van de hoogte, waartoe ik was opgestegen, te doen nedertuimelen: dagelijks kwamen den Koning geheime inblazingen ter ooren: men klaagde mij aan van geldverspilling, van misbruik van gezag, in ’t kort van tallooze wandaden, welke ik, zoo ze mij openlijk waren verweten geweest, met gemak bad kunnen wederleggen; doch waar ik mij, zoolang ik die niet kende, niet tegen verdedigen kon. Langen tijd weerstond de Koning de kuiperijen mijner haters; maar eindelijk begon hij te wankelen, en zijn vertrouwen op mij verminderde. Ik ontving een zending naar Mexico. Ik begreep, dat deze verwijdering met een ballingschap gelijkstond; maar er viel niet anders te doen dan te gehoorzamen. Ik oordeelde echter, mij tegen de omstandigheden te moeten dekken en zond daarom verscheidene papieren van waarde, ook eenige bescheiden, welke tot mijn justificatie konden strekken, en bij sommige waarvan aanzienlijke lieden uit Spanje gecompromitteerd waren, met een zekere gelegenbeid naar Holland, met last om die bij een Notaris te deponeeren, onder voorwaarde van die aan niemand, dan op mijn schriftelijke vergunning ter hand te stellen. Ik: vertrok dan naar Mexico en nam mijn dochter mede, die na den dood van haar moeder in een klooster was opgebracht geweest. Mijn afwezigheid gaf ruim baan aan mijn beschuldigers, en zij verzuimden de gelegenheid niet. Een half jaar had ik in de nieuwe wereld doorgebracht, toen een vaartuig de tijding kwam brengen dat ik naar Spanje teruggeroepen werd om mijn gedrag te verantwoorden. Ik moest gehoorzamen; maar nauwelijks was ik met mijn dochter aan boord van het transportschip gekomen, of mijn degen werd mij afgeeischt en ik zag mij als gevangene behandeld. Op de terugreis werd ons vaartuig door zeeroovers aangerand en genomen. Alles werd over de kling gejaagd en ik had mijn behoud en dat mijner dochter alleen te danken aan de omstandigheid, dat een der roovers, die vroeger onder mij gediend had, mij herkende. Terwijl men mij naar de schuilplaats der vrijbuiters voerde, kwam mijn oom Van Murčl met zijn verhalen mij voor den geest. Ik vormde het besluit mij op het ondankbare Spanje te wreken en voortaan als een Noordsche Zeekoning te leven. Ik liet mijn voornemen aan mijn beschermer bemerken: deze juichte het toe: en toen hij, aan wal gekomen, mijn naam, de smadelijke behandeling, die ik tot loon mijner diensten ondergaan had, en mijn besluit om mij bij hen te voegen, aan de zeeroovers openbaarde, werd ik met algemeene stemmen tot hun opperhoofd verkoren. Wat in de jaren, die ik in het Meer van Maracaibo doorbracht, door mij verricht is, ga ik liefst voorbij: genoeg zij het, dat ik geduchte wraak op Spanje nam van de beleediging, mij aangedaan: en de goede Kapitein, die ginds zijn pijp zit te rooken, kan u verhalen, hoe gevreesd de naam van Don Manoël in den Mexicaanschen zeeboezem en in de Zee der Antilles was.”

Hier viel ik den verhaler in de rede. – „Gij wildet wraak op Spanje nemen,” zeide ik: „maar kwam die wraak over beleedigingen, u door de Rijksgrooten aangedaan, niet op het hoofd neder van onschuldige kooplieden en schippers, die wellicht te voren uwen naam met eerbied genoemd en uw bestuur gezegend hadden? – moest op deze wijze niet de onschuld het gelag betalen?”

„Ik erken, dat uw aanmerking juist schijnt,” zeide Van Lintz: „maar is dit niet bij elken oorlog het geval? Boeten de soldaten, die in den veldslag sneuvelen, de arme landlieden, wier oogst vernield en weggeroofd wordt, de burgers, die hun woningen geplunderd en verwoest zien, niet voor het vergrijp der vorsten, in wier raadsvertrek de krijg besloten is? Ik ook, ik had den oorlog aan Spanje verklaard en aan al wie met Spanjaards heulde: en ik strafte den ondankbaren vorst in zijn onderdanen. Gij zult mij wellicht tegenwerpen, dat ik – naar het gewone gevoelen, een roover was en geen vorst door Gods genade; maar ik erken het onderscheid niet, dat door een partijdige beschouwing gemaakt is! ik was Souverein: ik heerschte met onbepaalde macht over de mijnen, en het eenige verschil tusschen mijn tegenpartij en mij bestond daarin, dat ik slechts over vijfhonderd, hij over vijftig millioen onderdanen gebood – maar des te grootscher scheen het mij, zijn overmacht te tarten.”

„Ik zal hierover in geen woordentwist treden, die ons te verre zoude leiden,” zeide ik, glimlachende over de drogredenen, waarmede Van Lintz zijn handelingen zocht te vergoelijken: „ik acht het met dat al gelukkig, dat niet iedereen zich geroepen voelt, om een dusdanige nieuwe maatschappij te stichten en op roof en doodslag te gronden. Intusschen schijnt die tijdelijke heerschappij, hoe grootsch ook, u verdroten te hebben. UEd. heeft die; meen ik, vrijwlllig verlaten.”

„Vrijwillig!” herhaalde Amelia, zich aan haar vader klemmende: „ja gewis, Mijnheer Huyck! Vrijwillig, en uit weerzin tegen de leefwijze, die wij leidden. O! geloof toch niet, dat mijn vader in ernst het gevoelen voorstaat, dat hij zooeven uitte. Neen! de omstandigheden, de dwang der roovers, in wier macht vrij ons bevonden, noodzaakten hem, in het eerst, hun opperhoofd, of hun slachtoffer te worden; en een gevoel van wraakzucht kan zich daarmede gemengd hebben; maar ik heb te vaak gezien, met deelneming bijgewoond, hoe dat lijden van onschuldigen, hoe die buit, op ongelukkigen verworven, hem bittere uren en slapelooze nachten gekost hebben, hoe de omgang met zijn woeste gezellen hem tegenstond, en hoe het besef, dat hun handwerk strafbaar in Gods oogen was, hem ieder oogenblik den boezem benauwde. Vergeef mij, mijn vader, zoo ik te vrijmoedig spreek; – maar uw hart was beter dan uw daden: en vaak hebt gij ook naderhand het uur gezegend, waarin gij het besluit volbracht, om aan die leefwijze voor eeuwig vaarwel te zeggen.”

„Ik zal ten minste altijd het uur blijven zegenen, dat mij u tot dochter gaf,” zeide Van Lintz, Amelia vriendelijk over de wangen streelende: „en ik wil gaarne bekennen, dat ik zonder u, dat besluit, waar gij van spreekt, niet zoo licht zoude genomen hebben; – want, hetzij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was er in vele opzichten aan gehecht: en men moet zeeman geweest zijn, Mijnheer Huyck! om zich het alles overwinnende genot voor te stellen, dat men smaakt, wanneer men, met een goed schip onder de voeten en aan ’t hoofd eener stoutmoedige en voor niets vervaarde manschap, de zeeën beheerscht en geen meester erkent: – doch genoeg hierover: welke dan ook mijn beweegreden moge geweest zijn, ik verliet mijn nieuwe onderzaten en droeg het bevel over de bende aan een jongeling over, die met dienzelfden Kapitein Pulver, die mij straks herkende, in mijn handen geraakt is. Gij hebt den knaap gezien: hij was het, die aan den weg nabij Naarden, op dien avond....”

„O!” riep ik uit: „ik heb hem sedert genoeg weder gezien: en wat meer is, hij bevindt zich op dit oogenblik hier geen half uur vandaan: UEd. zoude hem desnoods met een gewonen kijker kunnen zien. – Doch daarover nader; laat ik uw verhaal niet storen.”

„Het overige,” hernam Van Lintz, „heeft weinig te beteekenen. Ik trok weder naar Europa en kwam behouden in Frankrijk aan. Daar bood ik mijn dienst aan verschillende hoven; maar reeds had zich het gerucht, althans het vermoeden verspreid, dat de Graaf van Talavera en de Zeeroover Don Manoël één persoon waren: en ik ontving allerwegen afwijzende beschikkingen op mijn voorslagen. Eindelijk slaagde ik er in, betrekkingen aan te knoopen met het Russische hof. Het werd echter noodig geoordeeld, opdat de zaak haar beslag krege, dat ik een persoonlijke samenkomst had met den Gezant van den Czaar te ’s-Hage en zijn agent te Amsterdam. Ik kwam derhalve naar de Nederlanden: doch werd reeds aan de grenzen gewaarschuwd, dat men mij in Holland als deserteur beschouwde, omdat ik indertijd zonder verlof was weggereisd, en dat bovendien de Spaansche Gezant mij opeischte. Men raadde mij dus, zoo ik het wagen wilde, onder een bedekten naam over te komen. Ik had in het Graafschap mijn ouden vader teruggezien; maar helaas! het was alleen om hem de oogen te sluiten: mijn moeder, al mijn broeders waren reeds lang gestorven. – Niemand van al mijn naaste betrekkingen was meer in leven, dan Martha, mijn oude voedster, welke ik vernam, dat thans de hoeve nabij Naarden bewoonde. Ik vormde toen het plan mij aldaar schuil te houden, tot ik bericht ontving, of ik mij in Amsterdam mocht wagen, en inmiddels mijn dochter derwaarts te zenden, om de gewichtige papieren te lichten, welke onder den Notaris Bouvelt berustende waren. Het overige is u bekend.”

„Omtrent,” antwoordde ik: „alleen weet ik niet, hoe gij beiden u thans hier bevindt, noch welke uw uitzichten voor de toekomst zijn.”

„Bij weet,” hernam Van Lintz, „dat mij de heer Blaek, om redenen voor u van geen belang, zijn dienst had toegezegd. Op den morgen, toen het feest aan de hoeve zoude plaats hebben, zorgde hij een half uur voor de andere gasten aanwezig te zijn: en, in zijn koets verscholen, reed ik naar Huizen, waar mij een boot wachtte, die mij naar den boeier bracht van den Heer Blaek, met welken ik naar dit vaartuig werd gesmokkeld, hetwelk gedeeltelijk door hem bevracht is, en waar hij voor mij en mijn dochter plaatsen had besproken. Amelia, in stilte van ons plan verwittigd, was in Amsterdam reeds scheep gegaan; en het gelukte ons alzoo ten einde toe de vervolging en de list van uw Heers vaders agenten te ontduiken. Thans vlei ik mij, op de plaats onzer bestemming gekomen, gelegenheid te vinden om mij naar Rusland te begeven, alwaar de Hemel mij vergunne, mijn dagen, na zooveel wisselvalligheden, in vrede te slijten en aan mijn arme dochter die rust te bezorgen, welke haar geschokt gestel behoeft. – Neem gij intusschen, Mijnheer Huyck! nogmaals mijn dankbetuiging aan. Ik weet, dat het bewaren van ons geheim u een bron van verdriet is geweest.”

„Neen mijn vader!” zeide Amelia: „gij weet nog niet alles: – ach! gij weet niet, welk leed wij den Heer Huyck onwillekeurig veroorzaakt hebben. Zijn zoetste hoop, zijn vurigste zielswensch hebben gevaar geloopen, van door onze noodlottige kennismaking voor altijd verstoord te worden. – Ja!” vervolgde zij met klimmende aandoening, ziende dat ik zwijgend voor mij staarde, terwijl haar vader ons beurtelings met eenige verwondering beschouwde: „een paar woorden, aan Mejuffrouw Jetje Blaek ontvallen, hebben een lichtstraal bij mij doen geboren worden, en ik heb niet gerust voordat mij alles was opgehelderd: – ik heb vernomen, hoe gij, Mijnheer Huyck! Mejuffrouw Blaek bemindet: hoe zij u met wederliefde loonde, hoe haar oom deze verbintenissen tegen was, en hoe lastertongen, die haar onze betrekking als misdadig voorstelden, haar hadden doen besluiten, u alle verdere aanspraak op haar te ontzeggen.”

„Hoe!” riep Van Lintz uit, mij met een blik aanziende, waarin zich de uiterste verbazing teekende: „bestond er een teedere betrekking tusschen u en Mejuffrouw Blaek?.... de nicht van den ouden Blaek?”

„Ik kan het niet ontkennen,” antwoordde ik: „maar thans, daar uw vertrek mijn gelofte heeft opgeheven, vlei ik mij, mijn gedrag ook bij haar te zullen kunnen rechtvaardigen.”

„Voor uwe rechtvaardiging zal ik zorgen,” zeide Van Lintz, terwijl hij opstond en onstuimig heen en weder op het dek wandelde: „vervloekt zij de belofte, die mij de oude zondaar heeft afgeperst! – Maar ben ik er dan aan gehouden, nu het blijkt, hoe hij mij misleid heeft? – Hij heeft mij verhaald dat het huwelijk tusschen zijn zoon en zijn nicht een stellig bepaalde zaak was.”

„Ik weet,” zeide ik, „dat zulks zijn verlangen was; en men gelooft gaarne wat men wenscht; maar tot nog toe is het mij niet gebleken, dat de beide jonge lieden genegen waren, de door hem gekoesterde hoop te vervullen. Wat echter de reden betreft, waarom hij zoo sterk op die verbintenis gesteld is, deze kan ik niet gissen.”

„Maar ik des te beter,” riep Van Lintz: „hij heeft mij misleid, ik herhaal het; maar hij moet niet denken, dat men mij straffeloos tot speelbal neemt. Ik zal hem schrijven: – hij zal u zijn nicht geven – en een goeden bruidsschat bovendien, of ik zal hem het masker afrukken en aan de kaak stellen, den schijnheiligen bedrieger; ik heb er de middelen toe: en hij weet dit.”

„Hoe!” vroeg ik, op mijne beurt verbaasd: „UEd. zou in staat zijn....”

„Ik ben de oorzaak van uw verdriet,” zeide Van Lintz: „en het is niet meer dan billijk, dat ik goedmake, wat ik bedorven heb. Wees gerust: het hart van een jong meisje laat zich niet dwingen; doch, zoo het slechts aan de toestemming van Jacobus Blaek mangelt – hij zal die geven, dat zweer ik u. De zwarigheid zal alleen daarin bestaan, om zijn nicht van de verkeerdheid harer vermoedens te overtuigen.”

„O!” zeide Amelia, terwijl zij mij met een betooverenden glimlach aanzag, en tevens eenige tranen afwischte, van welke ik mij geen rekenschap wist te geven: „een vrouw slaat zoo gaarne geloof aan de onschuld van hem, dien zij liefheeft. Laat de Heer Huyck geen moed verliezen; hij zal, vlei ik mij, bij zijn terugkomst geen moeite hebben, om. zijn Henriëtte te overtuigen, dat hij nooit iemand buiten haar bemind heeft.”

„Hoe!” zeide ik, aangenaam gestreeld door de hoop, die zij mij gaf, en tevens verrast door het stellige van haar belofte: ,gij gelooft waarlijk....”

„Ik ben er zeker van,” zeide zij: „maar,” vervolgde zij, zich half omwendende: „nu niet meer over dit onderwerp.”

„Neen!” zeide Van Lintz, ziende dat zij hevig ontroerd was: „over iets anders gesproken. – Gij zeidet mij zooeven, dat gij mijn voormaligen Luitenant Sander Gerritsz, of Zwarten Piet, zooals hij zich naderhand noemen liet, op Terschelling hadt gelaten?”

Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van Van Lintz. Mijn verhaal wekte zijne deelneming en die zijner dochter: en beiden gaven den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en evenals Van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten Czaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voormaligen meester koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef Klaartje in ’t leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus alleen over, door Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins naar ons toekwamen.

„Wel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?” vroeg Pulver, en zich toen tot Van Lintz wendende, die op wilde staan: „blijf zitten, Mijnheer! hou uw gemak, zooals de havik tot de duif zei terwijl hij haar plukte: ja, wou jelui zien, waar de Fortuin gebleven is? – naar den kelder, Mijnheer! en de visschen zitten er misschien al in de kajuitkamer een kaartje te spelen.”

„Inderdaad!” zeide ik, den blik naar de zandbank wendende, waar ik den dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: „zij is verdwenen! Hoe kan, in zulk een korten tijd....?”

„O!” zeide Pulver: „het zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te verleeren. Wij liggen hier nu goed en wel op Maklijk-Oud en hebben water in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen, als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert.”

De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, op dit oogenblik dat ik schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke schuilplaats aan.

„Bedrieg ik mij?” vroeg Schipper Holmfeld, die middelerwijl met zijn kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: „of is het de boeier, die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzetten? Gelieft UEd. eens te zien?”

„Inderdaad!” zeide Van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken: „ik heb er niet veel op gelet; maar nu gij ’t zegt, hij heeft er veel van.”

„UEd. heeft toch niets vergeten?” vroeg Pulver.

„Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen: – ja waarljk.... hoe meer ik hem beschouw: – zie zelf eens, Mijnheer Huyck....”

„Het is het jacht van Lodewijk Blaek!” riep ik uit, door den kijker ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende, waar het zilveren schuim tegen opspatte: – en vervolgens, Van Lintz ter zijde trekkende: „was hij mede in ’t geheim van uw vertrek?” vroeg ik hem.

„Dat gewis niet,” antwoordde Van Lintz: „en al wist hij er van, hij althans zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij opnieuw onder de oogen te komen.”

„Het zou toch nogal toevallig zijn,” zeide ik, „indien hij juist in den zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. in allen gevalle zullen wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft.”

Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig ons merkelijk naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was te laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met sierlijk, in den zonneglans fonkelend loofwerk pronkenden spiegel vertoonde. Eindelijk kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel gezeten, had Pulver nauwelijks een mondjevol soep binnen, of hij begon weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn ouden kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hooren, en tevens, hoe hij op Terschelling zijn ouden kennis Sander teruggevonden had. Ik nam hieruit aanleiding om den Heer Van Lintz, na hem een geheimen wenk te hebben gegeven, de vraag te doen, of hij niet een bediende noodig had en hem Sander als zoodanig aan te bevelen.

„Wat drommel, Patroon!” riep Pulver uit: „wou UEd. nou van Sander een huisknecht maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt?”

„Daarom zou hij mij des te liever zijn,” antwoordde Van Lintz. „Ik heb iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want tusschen ons gezegd: mijn reis staat met de zeevaart in betrekking.... ik ben in mijn leven verder dan op moeders bont boezelaar geweest: – en zoo die Sander Gerritsz....”

„UEd. heeft zijn naam goed onthouden,” zeide Pulver, wiens vermoedens weder bovenkwamen en versterkt werden door de zeemansuitdrukking, welke Van Lintz gebezigd had: „en ik wil mijn leven op een vermolmde ra doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren noemen. Nu! – dat daargelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet wat ik denk, zooals de vent in ’t dolhuis tegen den oppasser zei.”

Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een verklaring onvermijdelijk werd, toen wij opeens een groote drukte aan boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat er iemand aan boord gekomen was.

„Ik hoor vreemd volk, Kapitein Holmfeld!” zeide ik: „pas maar op: men zou uw boeier prijsmaken eer gij er op verdacht waart.”

„’t Zal misschien die Don Manoël wezen, daar de Schipper zooeven van vertelde,” zeide Holmfeld, lachende, terwijl hij opstond.

„Neen: daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen,” zeide Pulver: „ofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:” en hij zag Van Lintz wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te gaan zien, wat het wezen kon.

„Het is, zoo waar ik leve, het jacht van den Heer Blaek, dat van ons afgaat,” zeide Van Lintz, uit het raam ziende: „wat kan dit beduiden?”

Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur openging. Kapitein Holmfeld trad binnen, deed een stap zijwaarts en liet iemand door, wiens bijzijn wij er verre af waren te verwachten of te wenschen – Lodewijk Blaek.


[Hoofdstuk 34] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 36]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001