MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN ZICH HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD VINDT, DAT MEN GEEN HEI MOET ROEPEN, EER MEN OVER DEN DAM IS.


De aankomst van dezen onwelkomen gast bracht geen geringe ontsteltenis teweeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden. Amelia werd doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar stoel met beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen zoude aanleiding geven; te meer toen ik den glimlach bespeurde, die op zijn lippen zweefde.

„Ik heb de eer het gezelschap nederig te groeten,” zeide hij, een spottenden blik op Van Lintz werpende; maar de uitdrukking van zijn gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.

„Ga zitten, Mijnheer Blaek!” zeide Holmfeld: „waarlijk, wij waren er verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u.”

„En waarom niet?” zeide hij, zijn onbeschroomdheid terugvindende, en plaatste zich meteen op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den haren verschoof: „ik ben immers een liefhebber van op het water rond te zwalken. Maar laat ik niemand storen. Houdt uw gemak, mijne Heeren! Ik hou, zooals ik zeide, veel van een speelreisje; en bovendien, ik wenschte Mijnheer (zich tot Van Lintz wendende) te bedanken voor de eer, die hij mijn jacht heeft aangedaan, door het tot zijn overtocht te gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder: men ziet den rook, waar het vuur is: – en als men zulke trekpleisters heeft....” hier zag hij, schamper lachende, naar Amelia.

„Mijnheer!” zeide Van Lintz, met nadruk: „ik ben hier slechts passagier aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewust waart van onze tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vult van al uw onbescheidenheden te mijwaarts.”

„Kom Heer Graaf! of welken naam UEd. thans verkiest te dragen,” zeide Lodewijk: „UEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongewenscht aan boord kwaamt bij dezulken, die u voor St.-Felten wenschten. Daar is Kapitein Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen.”

„’t Is bij mijn zolen niets anders als ik dacht,” zeide Pulver: „Ja! Ja! Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zooals ik zei.”

„En gij, Kapitein Holmfeld!” vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden Schipper: „gij moogt ook wel toezien, of uw geëerde passagier zou uw schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen.”

„Ellendeling!” riep Van Lintz, bleek van woede en zich met moeite bedwingende: „Wat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die gij voert?”

„Ik begrijp er niets van,” zeide Holmfeld: „uw eigen vader, Mijnheer Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontvangen.”

„Mijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer,” zeide Lodewijk: „maar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een zeeroover.”

Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen van Van Lintz rolden hem vreeselijk in ’t hoofd, het schuim stond hem op de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet Amelia, eene uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader geplaatst en hem omvat.

„Mijnheer mag wezen wie hij wil,” zeide Holmfeld, na zich een wijl bedacht te hebben: „hij is mijn passagier: ik heb geld voor den overtocht ontvangen en ik versta niet, dat hij aan mijn boord beleedigd worde.”

„Goed gesproken!” zeide Pulver: „of hij een deserteur is geweest weet ik niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen opknoopen.”

„Met u praat ik niet,” zeide Lodewijk, „en wat Kapitein Holmfeld betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het zou wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg voor ons kantoor.”

„Hoor eens,” zeide Holmfeld, op zijne beurt warm wordende: „Mijnheer Bos, of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van de Deensche vlag en niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft, Sinjeur! die hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gauw, dat gij van mijn bodem afkomt, of ik laat u tusschendeks smakken en pak u mede naar Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip.”

Lodewijk beet op zijn lippen: „ik ga,” zeide hij, op een sarrenden toon: „en zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kapitein Holmfeld misdadigers laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout een afscheidsglaasje met hen drinkt.”

Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze persoonlijke beleediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan: „Mijnheer Blaek!” zeide ik: „ik heb tot nog toe gezwegen: maar ik moet u zeggen, dat gij hier een ellendige rol speelt.”

„Met u heb ik thans niets te schaffen,” zeide hij: „maar later zult gij mij voldoening voor deze woorden geven.”

„Ik had u die reeds lang afgevergd,” zeide ik: „indien de eerbied voor uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden.”

„Mijn nicht!” hernam hij, schamper lachende: „het voegt u wel van mijn nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vind.”

„Dat is te veel!” riep ik uit: „zoodra wij aan wal zijn....”

„Gij hebt gehoord, wat ik gezegd heb,” zeide Holmfeld, terwijl hij Lodewijk in den kraag vatte: „nog één woord en ik smijt u in den kelder.”

„Een oogenblik!” zeide Van Lintz, die inmiddels zich geweld had aangedaan om bedaard te bljven: „indien hier iemand beleedigd is, zoo ben ik het. Ik had wellicht, uit aanmerking van den dienst, welken mij des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen verschoonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terugkeeren om daar haar goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke wapenen verkiest gij, mijnheer Blaek?”

Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd; hij sloeg even de zijne neder onder den ontzagverwekkenden blik van Van Lintz; maar zijn gelaat bleef dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn binnentreden af niet verlaten had.

„O ho!” zeide hij: „begint Mijnheer eindelijk te begrijpen, dat er een fatsoenlijker wijze is om tusschen cavaliers een twist te beslechten dan met de vuist, gelijk gemeene kruiers? – Wat zal ik u antwoorden? De wapens zijn mij vrij onverschillig; maar liefst vecht ik op den vasten wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik redelijk vast sta op de planken van mijn jacht, ben ik nooit gewend geweest – zooals andere lieden – het rapier of de pistool aan boord te bezigen!”

„Het, zij zoo!” zeide Van Lintz: „wij zijn in ’t gezicht van Terschelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden waar wij onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker niet tegen hebben, dat de Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken.”

„Ik zie niet, dat wij getuigen noodig hebben,” zeide Lodewijk; „maar, wat mij betreft, ik heb er niets tegen. – Hoewel de duinkant eenzaam zij, is het verkieslijk, zoomin geruchts mogeljk te maken: en alzoo stel ik voor, den degen te gebruiken.”

Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van een geoefend schermer te zijn, hij kon, op ’t oog af, niet gerekend worden zijn forsch gespierden weerpartijder in kracht of behendigheid te evenaren: en een gevecht met pistolen, had, naar onze meening, meer gelijkheid tusschen partijen gevormd. Er viel echter niets aan te veranderen, daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze, onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons, evenals die keuze zelve, onverklaarbaar.

Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op Amelia deed. Schoon haar oog geen traan ontvloot, teekenden al haar gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid.

„O God!” riep zij, de handen angstig wringende: „moet er dan om mijnentwil een tweegevecht plaats hebben? – Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de laatste stap, dien gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend worden? – Kunt gij dat niet beletten, Mijnheer Huyck?”

Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: „al wat ik kan voorstellen,” zeide ik, „is om zelf de plaats van uw Heer vader te nemen en den Heer Blaek, voor zijn lastertaal de straf te geven, die hij verdiend heeft.”

„Is het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te verminderen? en is deze de eenige troost, dien gij mij geven kunt?’ zeide Amelia met een verwijtenden blik.

„Wees vooralsnog niet voor uw lief bekommerd, Mejuffrouw!” zeide Lodewijk: „ik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn smadelijken woorden te doen opslikken: – eerst moet de zaak met uw vader afgedaan zijn.”

„Wees toch bedaard Amelia!” zeide Van Lintz, eenigszins ontevreden over den twijfel, welken zijn dochter over den uitslag van het tweegevecht scheen te voeden: de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig: en ik ben bereid, hem die te geven: zou UEd. de goedheid willen hebben, Kapitein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij, dat wij niet lang zullen wegblijven.”

„Te drommel!” fluisterde Pulver mij in ’t oor: „wie had dat kunnen vermoeden? Zou UEd. den Heer Lodewijk niet kunnen raden alsnog zeil te minderen? Hij mag groot en sterk zijn: maar tegen dien driedekker van een Don Manoël is hij niet opgewassen.”

„Het heeft zoo moeten zijn,” zeide ik: „en het ligt er nu eenmaal toe; maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de hemel weet, hoe men dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen.”

Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen gaan geven tot het klaarmaken der sloep: Van Lintz was naar beneden om zijn degen en mantel te gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord leunende, stond een. deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde mij Amelia en zeide:

„Gij belooft mij, toe te zien, Mijnheer Huyck! dat alles naar behooren toega. Ik kan het niet helpen, maar ik mistrouw dien Heer Blaek.”

„Ik heb nooit de beste gedachten van hem gehad,” zeide ik: „maar wij zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees: het zal beter afloopen, dan gij denkt. Uw vader is zich zijner kracht bewust en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te geven. – Intusschen ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had gehad.”

De sloep was nu gereedgemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg eerst af: vervolgens de Heer Van Lintz, na zijn dochter hartelijk vaarwelgekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en volgde met Pulver; maar, nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia boven aan de trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich naar beneden liet glijden.

„Wat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?” vroeg haar vader, op een strengen toon. „Ik wil met u naar wal gaan,” zeide Amelia: „niet dan door dwang zal ik u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat ik, wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben – vrees niet dat ik uw opzet storen of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven: gebeurt er eenig ongeval – ’tgeen de Heiligen verhoeden – dan ben ik immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden om mijn hulp te vorderen.”

Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de haven; terwijl wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het zwijgen bewaarden. Het jacht van Lodewijk, dat minder diep ging dan het Deensche vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de voorplecht. Eerst toen wij naderbijkwamen, bespeurde ik, dat die man een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Opeens verdween hij: en nu zag ik, dat de jol aan bakboordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde eerst, dat de knecht van het jacht, Lodewijk in ons midden herkennende, zijn bevelen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik, toen, één voor één, een viertal personen op het dek van het jaeht verschenen en in de jol afdaalden, die nu; met alle kracht van riemen naar wal werd geroeid, Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte, dat ook zijne oplettendheid op; deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden zou ik hem gevraagd hebben, wie die personen waren, die hij op zijn vaartuig had; thans echter schroomde. ik het stilzwij gen te breken, dat in onze sloep heersehte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te lokken. Weldra was de jol tusschen de in de haven liggende visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer Van Lintz had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, om te letten op iets, wat rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te slaan en zijn pijp aan te steken, toen de jol van het jacht afging, en zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.

Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen, uitgenomen Amelia, die zich tegen de, koele zeelucht in haars vaders mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier wederom verzamelde menigte heen en bevondem ons weldra op het gulle zand voor het dorp.

„Dunkt u niet best,” vroeg ik aan Van Lintz, „dat wij eerst naar de herberg gingen en ons van daar, quasi om een wandeling, te maken, naar het duin begaven? – Dat zou minder opziens baren en geen argwaan verwekken.”

„Die wandeling zal u wel bespaard worden,” mompelde Iodewjjk; en, op hetzelfde oogenblik trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn kwam, naar Van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de woorden: „Gij, zijt mijn arrestant.”

„Uw arrestant!” riep Van Lintz, verbaasd terugtredende en de hand aan zijn degen slaande. „Wij bidden u, niet te bieden eenige resistentie,” zeide Heynsz: – want hij was het zelf: – „mijn dienaars zijn gewapend, en ik heb slechts te vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie.”

„Geef in ’s Hemels naam toe,” zeide ik tegen Van Lintz: „alle weerstand zou voor het oogenblik nutteloos zijn.”

„Heer Graaf Van Talavera!” zeide Lodewijk Blaek, met een hoonenden lach, tegen Van Lintz: „gij zijt een fijne diplomaat; maar de kunstgreep, dien ik thans gebezigd heb om u van het Deensche schip te lokken, was toch nieuw.”

„Gij zijt de verachtelijkste mensch, dien ik ken,” zeide ik, over zulk een helsche list verontwaardigd.

„En de onvoorzichtigste,” zeide Van Lintz: „want zijn fieltestreek kan hem zijn halve vermogen kosten. – Maar dat daargelaten! Ik moet zwichten. Hier is mijn degen, Monsieur Heynsz! waar is het uw plan mij heen te voeren? Ik wensche vooraf nog mijn dochter eens te spreken en afscheid. van haar te nemen.”

„Om Godswille! Wat is er gebeurd?” riep Amelia, die, door een der matrozen ten halve onderricht, angstig kwam toesnellen.

„Niets, lief kind!” zeide Lodewijk: „als alleen dat het plan veranderd is, en dat gij met uw vader en mij in vrede naar Amsterdam terugkeert.”

„Is dit noodzakelijk?” vroeg ik aan Heynsz: „en moeten die lieden gedwongen worden, het gelaat van dien schoft op de terugreis voor oogen te hebben?”

„Ik zal u verzoeken, liever een vaartuig te mijnen koste te nemen,” zeide Van Lintz. „Ziedaar een billijk voorstel,” zeide ik tegen Heynsz: „gij zijt bovendien afgezonden, om Mijnheer gevangen te nemen, en niet om hem te pijnigen door den aanblik van iemand, die hem met reden hatelijk is.”

„Er is geen zwarigheid ter wereld,” antwoordde Heynsz. „wij willen den Heer Graaf niet jagen op kosten: wij willen huren een vaartuig en bedanken den Heer Blaek voor zijn verder konvooi. Zoo de Heer Graaf verlangt, wij zullen aan de roeiers, die hem gebracht hebben hier, last geven, van boord te gaan halen zijn bagage.”

„Die bagage zal zeker onderzocht worden?” vroeg Van Lintz, hem met een doordringenden blik aanziende: „doch om ’t even: – ik verlang er zelfs naar; want daardoor zal de wraak volkomen worden, die ik van dezen Judas nemen moet.”

„Wat.... wat beduidt dat toch?” vroeg Lodewijk, eenigszins ongerust: „wat hebben uw bagage en mijn vermogen onderling uitstaande?” Hij ontving geen antwoord en bleef eenigszins beteuterd staan. Het was mij duidelijk, dat hij gaarne naar zijn jacht zou zijn teruggekeerd, doch dat de zoo stellige woorden van Van Lintz indruk op hem hadden gemaakt: hij bleef dus, schoon op eenigen afstand, om ons draaien.

„Zouden wij niet inmiddels naar de herberg gaan ?” vroeg ik aan Heynsz: „wij hebben hier zooveel bekijks.”

Deze voorslag werd te gereeder door dezen aangenomen, daar hij de Overheid van Terschelling toch verwittigen wilde van het op haar grondgebied gedaan arrest: en terwijl een paar dienaars met de sloep naar den hoeker voeren om de bagage te halen, begaven wij ons naar de herberg: Heynsz ging vooruit met den goeden Pulver, die onophoudelijk zijn verbazing te kennen gaf over den zonderlingen loop, dien de zaak genomen had: Van Lintz volgde, den arm aan zijn dochter gevende, terwijl ik aan zijn andere zijde liep en twee dienaars den trein besloten: de halve bevolking klotste achter en om ons heen, en Lodewijk, blijkbaar met zijn figuur verlegen, liep aan de andere zijde van de straat. Hij volgde ons in de herberg, eischte een glas brandewijn, dat hij dadelijk naar binnen sloeg, en zette zich in een donkeren hoek, terwijl Van Lintz en Amelia aan een andere zijde plaats namen.

„Waar woont de Drost?” vroeg Heynsz aan Reynszen: „ik wenschte hem dadelijk te spreken.”

„Waar hij woont kan ik u makkelijk beduien,” antwoordde de waard: „maar gij zult hem thans niet aan zijn huis vinden, vermits hij hier is.”

„Hier! – Welnu! wees dan zoo goed, hem te roepen.”

„Hg zal zoo aanstonds terug zijn,” hernam Reynszen: „hij is hier achter bij een zieke; want hij is tevens Dokter, moet je weten.”

„Ja! dat is ook waar,” zeide Pulver: „hoe maakt het die arme meid?”

Reynszen schudde het hoofd en gaf ons te kennen, dat zij op het uiterste was. Ik begaf mij aan het raam, bij mijzelven nadenkende over het zonderlinge noodlot, dat in dit oogenblik zooveel verschillende personen, doch die allen in zekere betrekking tot elkanderen stonden, bijeenverzameld had. Nu vervoegde zich Heynsz bij mij en ik vroeg hem in stilte, hoe hij te weten was gekomen dat de Heer Van Lintz zich op het Deensche vaartuig bevond. Het geval had zich, gelijk hij verhaalde, op de navolgende wijze toegedragen: Lodewijk Blaek had van zijn schippersknecht vernomen tot welk einde zijn vader het jacht buiten zijn weten had doen dienen. Hij had terstond vermoed dat de ontsnapte persoon niemand anders als Amelia’s vader kon zijn, en zulks dadelijk aan Heynsz te kennen gegeven, die nog altijd in de omstreken van Naarden naar den voortvluchtige zocht. De vermoedens stegen bij verdere nasporing tot zekerheid, en nu had Lodewijk, die zich waarschijnlijk op deze wijze op Van Lintz en Amelia wilde wreken, zijn jacht aan Heynsz aangeboden, ten einde daarmede den vluchteling te achterhalen. Dit was hun, gelijk wij gezien hebben, gelukt; maar daar Heynsz eenige zwarigheid maakte om zonder specialen last een onder vreemde vlag zeilend vaartuig aan te doen en te doorzoeken, had Lodewijk op zich genomen, bij Holmfeld aan boord te gaan en den Heer Van Lintz weder van het vaartuig en op Hollandsch grondgebied te troonen.

„Het doet mij leed,” zeide ik, „dat gij in uw plan zoo wel geslaagd zijt; de Heer Van Lintz heeft mij het leven gered en het zou, geloof ik, ook mijn vader innig verheugd hebben, indien de man ontkomen ware.”

„Ik mag ook best lijden,” zeide Heynsz: dat Zijne Excellentie er behouden af kome; – maar toch! onze reputatie, van uw Heer papa en de mijne, zoude geweest zijn naar de maan, indien hij ware ontsnapt: bedenk eens, hoe zij konden hebben uitgelachen Monsieur Heynsz, als zij gehoord hadden, daarna, dat de man, dien hij zocht, gewoond had in zijn eigen huis en hij hem had laten echappeeren!.... maar die Dokter blijft lang weg.... ha! hier is hij.” En op dit oogenblik trad de Heer Substituut-Drossaard en Geneesheer Doedes door de achterdeur binnen.


[Hoofdstuk 35] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 37]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001