MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN TREURIGE EN INDRUKWEKKENDE TOONEELEN VOORKOMEN, GELIJK MEN DIE SOMTIJDS IN HET DAGELIJKSCHE LEVEN, MAAR ZEER DIKWIJLS IN ROMANS EN VERSIERDE GESCHIEDENISSEN AANTREFT.


„Hm!” zeide Doedes, verwonderd rondziende: „groot gezelschap – veel vreemde gezichten – dienders met stokken! – hm!”

„Hoe is het met de arme lijderes?” vroeg ik, naar hem toegaande.

„Hm! – zooeven afgeleid – omnes mortalessumus – affectio pulmonaris – mijn taak afgeloopen – naar huis gaan – rekening schrijven – hm!”

„Heb ik het genoegen, den Heer Drost te zien?” vroeg Heynsz, terwijl hij groette en zijn naam en hoedanigheid bekend maakte: „ik wenschte UEd. even te spreken.”

„Hm! – dieven zoeken – pakhuis bedreigd – aanslag op het Deensche schip – reeds vier gepakt – deze Heer mij gewaarschuwd.”

„Met uw verlof!” zeide Heynsz: „ik weet niet, wat UEd. bedoelt; maar mijne komst heeft een andere oorzaak.”

Dit zeggende, trok hij den Dokter naar het venster, waar beiden zich een wijl onderhielden. Ik bespeurde intusschen uit de gelaatstrekken van den Drost, dat de hem gedane mededeeling hem niet bijzonder naar den zin was.

„Hm!” mompelde hij eindelijk: „Terschelling een vrijplaats – oude privileges – inbreuken genoeg – volhouden – hm?”

„Hoe!” riep Heynsz uit, twijfelende of hij wel gehoord had: „wat bedoelt gij?”

„Niet toelaten – Schepensbank bijeenroepen – zaak van gewicht – violatie van jurisdictie – hm!”

„Wat meent gij toch?” vroeg Heynsz: „acht gij het noodig te roepen bijeen een Schepensbank om te beslissen een zaak zoo eenvoudig als deze? Gij ziet immers mijn orders: die zijn duidelijk en peremptoir. Gij kunt lezen, hoop ik.”

„Orders – hm!” zeide Doedes, het hoofd schuddende en het hem aangeboden bevelschrift afwijzende: „hier niet geldig – Amsterdamsche Hoofd-Officier te huis regeeren – hier niet den baas spelen.”

„Maar ziet gij dan niet, dat het is een bevel van de Staten,” hernam Heynsz onverduldig. „Hm! – jawel – maar dit een exceptioneel geval – voorrecht – hm! – Terschelling een vrijplaats – apprehensie zonder jurisdictie – Schepenen beslissen.”

Heynsz bleef met open mond staan, een oogenblik buiten staat tot spreken, zoo verbaasd was hij, dat een gerechteljk ambtenaar een bevel dorst weerstaan, waar zelfs de Amsterdamsche Regeering aan had toegegeven. Terwijl hij, zijn gewone gevatheid en tegenwoordigheid van geest voor een wijl verliezende, scheen te overpeinzen, hoe hij best den koppigen Drost tot toegeeflijkheid zoude brengen en van zijn ongelijk overtuigen, wendde hij, ’t zij toevallig, ’t zij uit vrees van hem uit het oog te verliezen, den blik naar Van Lintz: en de angst, dat deze het zonderling beweren van den Terschellingschen overheidspersoon gehoord zou hebben en daarvan partij trekken, deed hem het zweet op het aangezicht stijgen; terwijl zijn gelaat een zoo kluchtige uitdrukking aannam, dat ik, in weerwil van mijzelf, niet kon nalaten te glimlachen.

Ook Van Lintz glimlachte; want, schoon op een afstand gezeten, had hij de woorden van den Drost zeer goed verstaan: hij was geen man om die onopgemerkt of ongebruikt voorbij te laten glippen. Hij rees op en naar de beide rechtsbeambten toetredende: „mij dunkt, vriend Heynsz!” zeide hij: „dat gij u een weinig vergaloppeerd hebt, althans naar het oordeel van dezen Heer.”

„Niet in het minste,” zeide Heynsz, zijn spijt vruchteloos zoekende te bedwingen: „ik heb mijn orders om u te apprehendeeren waar ik u vinde, – orders, geëmaneerd van onze Heeren Staten: – en het is maar een plaisanterie dat die Heer zich zou opposeeren daartegen: – of behoort Terschelling niet langer aan de Heeren Staten van Holland en WestFriesland? par exemple!”

„Ongetwijfeld!” antwoordde Van Lintz: „sedert het door Karel, Hertog van Aarschot aan H. H. M. M. is verkocht en overgedragen: maar die koop kan hun geen recht geven de privileges te vernietigen, welke dit eiland bevorens van zijn wettige Heeren verkregen had en sedert onheuglijke jaren bezat.”

„Dat geloof ik,” zeide Heynsz, met een smalenden lach; – „zoo onheuglijk, dat niemand zich kan herinneren, door wien of wanneer die ooit gegeven zijn.”

„Hm!” bromde Doedes er tusschen in: „de geapprehendeerde heeft gelijk – privilegium rite concessum – Schepenen uitwijzen – morgen partijen hooren – beiden cautie praesteeren – hm!”

„Morgen!” herhaalde Heynsz, met de uiterste verbazing: „denkt gij, dat ik hier kom om mij te amuseeren en dat mijne praesentie zoo maar kan gemist worden te Amsterdam dagen achtereen.”

„Het is voorwaar wat erg,” zeide Van Lintz, glimlachende, ik wed, dat de dieven reeds illumineeren wegens uwe afwezigheiden, zonder gekscheren gesproken, ht doet mij oprecht leed, dat gij zooveel moeite om mijnentwille hebt gedaan.”

Parbleu!” riep Heynsz: „in welk wespennest ben ik gevallen? Mijnheer Huyck! Schipper Pulver! – Zijt toch zoo goed en helpt mij dien Drost, of wat hij wezen mag, te brengen tot rede. Beduidt hem toch, dat hij zich blootstelt te worden gesuspendeerd, gecasseerd, ja exemplaarlijk met, boete en aan den lijve gestraft als rebel, zoo hij niet obtempereert aan de instructiën en bevelen van H. H. Staten, onze hooge Souverein.”

„Hm!” zeide Doedes: – „cautie stellen – Terschelling een vrijplaats en daarmede uit – hm!”

„Voor den duivel!” schreeuwde Heynsz: „Terschelling zal geen vrijplaats zijn voor u, dat beloof ik u: en ik zal een relaas opmaken maar het behoort; – maar al deze praatjes hebben niets te beduiden: geef mij een behoorlijke sententie of andere legale afwijzing, en ik zal zien wat ik te doen heb.”

„Gij kunt dat niet weigeren,” zeide ik tegen den Drost: „en in allen gevalle moet ik u dringend aanraden, te bedenken wat gij doet, en of de gronden, waarop gij uw beweren bouwt, eenige kracht hebben; – bedenk, dat gij moeielijk iets tegen ’s Lands Hooge Regeering kunt volhouden.”

„Mij dunkt!” zeide Reynszen, die geheel niet van oordeel ontbloot was en, als zelf Lid van Schepensbank, begreep, zich in de zaak te moeten mengen: „wat Mijnheer daar zeit, is zoo gek niet: en je meugt wel bedenken wat je doet, Meester Doedes; want wat gij verricht, dat moet het eiland naderhand ontgelden, zooals gij weet.”

„Hm! – Zelf Schepen – daarom meepraten – Drost beter weten – hm!”

„Juist!” hernam Reynszen: „ik ben zelf Schepen en een geboren Terschellinger daarenboven: en ik dien de oude herkomsten dus al zoo goed en beter te weten dan iemand, die hier van den vasten wal gekomen is.”

„Hoe!” riep Heynsz, deze omstandigheid in zijn voordeel aangrijpende: „is de Drost geen Terschellinger? dan mag hij dubbel voorzichtig zijn, hoe hij het aanlegt in deze zaak.”

Twee of drie andere personen, die gedurende het gesprek waren binnengekomen en, gelijk mij naderhand bleek, tot de Notabelen van het dorp behoorden, vereenigden zich met de gevoelens van Reynszen en drongen bij den Drost aan, dat hij Schepensbank zou beleggen, en niet, om een onzeker privilege vast te houden, de ontevredenheid wekken van het hooge Landsbestuur. Terwijl al de aanwezigen met het behandelen van dit vraagpunt bezig waren, naderde mij de vrouw des huizes, en fluisterde mij in het oor, dat de oude Heer, die met mij op Terschelling gekomen was, mijn terugkomst vernomen hebbende, mij liet verzoeken even bij hem te komen.

Ik gevoelde een oogenblik berouw, den goeden Helding in het midden der drukte vergeten te hebben en te gelijk kwam het denkbeeld bij mij op, dat het raadzaam ware, Sander te waarschuwen, eer hij binnenkomen en Heynsz met zijn dienaars in den mond mocht loopen. Ik begaf mij dus naar achteren, waar mij een treurig schouwspel wachtte. Helding zat naast de bedstede, en hield de hand der ontslapene tusschen de zijne, terwijl hem de stille tranen langs de wangen liepen: en zijn blikken waren met een uitdrukking van diepe, maar gelatene droefheid naar den hemel gewend. Tegenover hem stond Sander tegen den wand te leunen; zijn oogen waren strak en stijf op het lijk gevestigd; maar het hevige zwoegen van zijn boezem verried de innerlijke gemoedsbeweging die hem kwelde.

Zwijgend drukte ik de hand van den goeden Helding: „Het heeft zoo moeten wezen,” zeide de arme man: „en ik zal in Gods wijzen wil berusten; maar het is hard voor een vader, te moeten zeggen; haar dood was beter dan haar leven.”

„Ik beklaag u,” zeide ik: „ook u, Sander Gerritsz! maar” – vervolgde ik, laatstgemelde ter zijde trekkende: „wees voorzichtig; want ook uw eigen leven loopt gevaar: Heynsz en zijn dienaars bevinden zich hiernaast.”

Hij zag mij aan met een verwilderden blik, die mij nauwelijks deed gelooven, dat hij mij verstaan had.

„Ik herhaal het,” hernam ik: „vertoon u niet: blijf hier, tot ik u waarschuwe. Er is misschien gelegenheid voor u, om met Kapitein Holmfeld te vertrekken. Ik zal u een brief voor hem medegeven. Het is hier voor u te gevaarlijk:” – en meteen sloeg ik het raam open, dat een uitgang naar den duinkant opende. Hij zag mij een wijl als sprakeloos aan, en toen, zich bezinnende, knikte hij, dat hij mij begreep.

„Wat is er!”’ vroeg Helding, opstaande en hem verbaasd aanziende.

„Onderzoek het niet,” antwoordde ik: „hij is hier in gevaar: ik zal u de opheldering later geven. Spreken wij thans over de schikkingen, die er in deze treurige omstandigheden te maken zijn.”

Hiertoe werd ons echter weinig tijds gegund: wij hadden slechts even het punt der begrafenis aangeroerd, toen de vrouw van Reynszen weder aankwam.

„Die vreemde Heer,” zeide zij, zich tot mij wendende, „heeft mij gezeid, hij wilde u nog gaarne eens spreken, aleer hij naar boord keerde.”

„Welke Heer? Wien bedoelt gij?” vroeg ik, eenigszins verwonderd.

„Hij zeit dat hij.... – ja.... wie kan al die vreemde namen onthouen....? Blaek hiet hij, ’eloof ik.”

„Blaek!” herhaalde Sander, plotseling opspringende met een uitdrukking van hevige drift.

„Bedwing u,” zeide ik, voor een uitbersting bevreesd: „denk aan de gevolgen! Wees bedaard.”

„Blaek!” zeide Helding: „Wie? Lodewijk Blaek? Komt hij hier, om den ouden man te tergen, wiens kind hij bedorven, wiens grijze haren hij met schande bedekt heeft? – Hou mij niet tegen, Mijnheer Huyck! Ik wil hem spreken! – Gij zult het een vader niet beletten, den moordenaar zijner dochter op te zoeken.”

Ik zag het oogenblik, dat beiden zich naar het voorhuis zouden begeven, en daar ik beiden niet kon tegenhouden, achtte ik het raadzaam den onstuimigen Sander, wiens drift ik het meest vreesde, bij den arm te nemen en den doortocht te beletten. Helding was mij intusschen ontsnapt; maar nauwelijks was hij met vrouw Reynszen de deur uit, of ik volgde hen, stootte Sander naar binnen, sloeg de deur dicht en schoof er den grendel op, waarna ik mij in de herberg spoedde.

Hier was men gedurende mijn afwezigheid tot een besluit gekomen, in den zin als door Reynszen was voorgesteld, en had men rondgezonden om de Schepenen bij elkander te roepen. Lodewijk, die tot dien tijd getoefd had, om te zien, of hij kon te weten komen, wat de raadselachtige uitdrukking van Van Lintz bedoelde, had eindelijk, bemerkende, dat het nog lang kon duren, eer deze vervoerd werd, besloten naar boord te keeren; doch mij eerst willende spreken, stond hij alsnu mij midden in de herberg af te wachten, toen Helding, wien ik op den voet volgde, eensklaps voor zijn oogen stond.

„Helding!” riep hij, verbaasd: „hoe drommel komt gij hier verzeild, poëet?”

„Komt gij uw werk zien, moordenaar van mijn kind?” riep de verbolgen vader uit, zich voor hem plaatsende: „ha! gij dacht, omdat gij gewoon waart den ouden man te bespotten, dat het u ook vrijstond, de dochter te misbruiken. Maar kom! – volg mij, en zie wat gij hebt uitgericht.”

„Wat beduidt dit?” vroeg Lodewijk, wrevelig: „vertoont gij een treurspel van uw maaksel? – Of is het een klucht?”

„Neen! God weet het,” zeide Helding: „het is wel een wezenlijk en waarachtig treurspel, en wee, driewerf wee u, die er de stoffe toe geleverd hebt. Mijn kind is dood: dood, verstaat gij? en van hier kunt gij haar beschouwen. Zie of zij u nog bekoren zal.”

„Wat heb ik met uw dochter uitstaande?” mompelde Lodewijk, op wien door dit voorval de algemeene oplettendheid gevestigd was.

„Hebt gij een dochter verloren?” vroeg Amelia, den ouden man met deelneming naderende.

„En UEd. ook hier!” riep Helding, haar de hand drukkende: „O Mejuffer! gij hebt welgedaan, dien man daar uw kamer te ontzeggen. Hadt gij aan zijn verleidelijken praat gehoor gegeven, wellicht ware ook uw’ lot aan dat van mijn arme Klaartje gelijk geworden. O! waarom heb ik ook niet, evenals uw vader, den slang van mijn kamer geworpen, in stede van zijn verfoeilijke geschenken aan te nemen! – Maar kom! – volg mij!” vervolgde hij, Lodewijk bij den arm grijpende: „gij moet, gij zult uw slachtoffer zien.”

Het was voorwaar voor iemand, die, als ik, deze beide personen te voren gekend had, een opmerkelijk schouwspel om den geheelen omkeer gade te slaan, die er in hun onderlinge betrekking had plaats gevonden. Helding, de anders zoo kruipende, vreesachtige, afhankelijke slaaf van de grillen zijner meerderen, dwong thans, met het hoofd omhoog, den arm gebiedend uitgestrekt, zijn voormaligen patroon hem te volgen: terwijl deze, de trotsche, rijke, laatdunkende jongeling, met neergeslagen oogen en bevende stappen zijn geleider, voor wiens zedelijk overwicht hij zwichtte, naar het achterhuis volgde.

Ik, en verscheidene onder de aanwezigen met mij, vergezelden hen naar de kamer, waar Klaartje op het doodsbed lag uitgestrekt en waar zich, tot mijn blijdschap, Sander niet meer bevond. Waarschijnlijk had hij zich, op het hooren der naderende voetstappen, door het open venster verwijderd. Aan de bedstede gekomen, sloeg Helding het dekkleed op, en de ziellooze gelaatstrekken zijner dochter aan Lodewijk vertoonende, zeide hij: „aanschouw uw slachtoffer!”

2284.gif (32365 bytes)Lodewijk stond een oogenblik als verplet: zijn gelaat was doodsbleek, zijn lippen blauw, en zijn oogen rolden hem wild door ’t hoofd. Hij vermande zich eindelijk, en, mij een woedenden blik toewerpende, zeide hij: „het is aan u, dat ik dat alles verschuldigd ben. Maar ik zal het u betaald zetten.”

„Aan wie wilt gij mij overleveren?” vroeg ik, hem met verachting aanziende.

„Vervloekt!” riep hij, stampvoetende; en zich met een hevige beweging van den arm van Helding losrukkende, verliet hij de kamer en herberg.

Na zijn vertrek bleef ik insgelijks niet langer, dan noodig was om met Helding en de vrouw des huizes de noodige schikkingen voor de begrafenis te maken, en begaf mij toen naar het Raadhuis, waar de Schepensbank reeds vergaderd en Heynsz met zijn gevangene heengetrokken was, Terwijl men alhier beraadslaagde, kwam de bagage van Van Lintz van het vaartuig terug: en kort daarna meldde zich iemand bij Heynsz aan, dien ik terstond voor een der boden van mijn vader herkende.

„Gelukkig, dat ik u vinde, Sinjeur!” zeide hij, zich met Heynsz een weinig ter zijde begevende: „UEd. kon nauwelijks Pampus uit zijn, toen Z.-Ed.-Gestrenge, ten gevolge van berichten, uit Den Haag ontvangen, mij gelastte u te gaan opzoeken. Hier is de brief.”

Heynsz had dien nauwelijks gelezen, of hij riep mij ter zijde: „dit verandert de zaak merkelijk,” zeide hij: „Z.Ed.Gestr. gelast mij, zoo ik in handen krijge den Heer Van Lintz, hem te houden in custodie tot nader order, en alleen op te zenden de papieren, die bij hem gevonden worden.”

„Dat is een goed teeken voor den Heer Van Lintz,” zeide ik: „het bewijst, dat men het in Den Haag nog niet eens is, of men hem houden wil.”

Heynsz ging terstond den bekomen last aan schepenen mededeelen, en hun verzoeken, hem in het uitvoeren daarvan behulpzaam te zijn. Zij bewilligden gereedeljk in den voorgestelden maatregel van bewaking, waardoor hun voorgewend privilege vooralsnog ongeschonden bleef, en er werd een tijdelijke verblijfplaats voor den Heer Van Lintz en zijn dochter aangewezen: terwijl diens bagage onderzocht en zijn papieren na behoorlijk verzegeld te zijn, met een geleidenden brief van Heynsz aan mijn vader, waar ik er zelf een bijvoegde, aan den bode ter hand werden gesteld, die een paar uur later weder onder zeil ging.

Het eerste voornemen van den Drost was geweest Van Lintz in de gewone gevangenis van Terschelling te doen bewaren; maar Heynsz, de middelen van voorzorg en bewaking, die het eiland aan mocht bieden, weinig vertrouwende, had beter geoordeeld, den gevangene zijn woord als edelman af te nemen, dat hij niet ontsnappen zoude, en op deze belofte gerust, hem met zijn dochter logies bezorgd bij een der gegoedste ingezetenen, waar wij nu dien dag gezamenlijk het avondeten gebruikten. Op het nagerecht ontving ik een geschreven briefje van Sander, waarin deze mij verzocht, mijn belofte ten aanzien van den brief van aanbeveling aan Holmfeld gestand te doen, zeggende, mij den volgenden morgen te zeven uren bij de meest noordelijke lantaarn te zullen wachten.

Ik verscheurde dit briefje terstond na de lezing en bleef eenige oogenblikken in gedachten. – „Ik hoop,” zeide Van Lintz, „dat dit geen cartel van den Heer Blaek is? – Wacht u voor dien man; hij ware niet te goed om u zonder waarschuwing overhoop te schieten.”

„Neen,” zeide ik: „dit briefje is niet van hem; maar echter vordert het van mij, dat ik mij iets vroeger van hier verwijdere, ten einde het antwoord gereed te maken.”

Dit gezegd hebbende rees ik op en verliet het vertrek. Aan de voordeur gekomen zag ik, dat Amelia mij volgde. „Doe geen moeite,” zeide ik, „ik zal er wel uitkomen.”

„Mijnheer Huyck!” zeide zij, met een bevende stem: „Vergeef mij mijn vrijpostigheid; maar ik ben zoo gewoon geraakt, altijd het ergste te vreezen. Is dit briefje wezenlijk niet van den Heer Blaek?”

„Ik ben gevoelig voor uwe belangstelling,” zeide ik: „maar ik verzeker u, dat uw vrees zonder grond is:” en ik gaf haar in korte woorden te kennen, wat het geval was.

„De Hemel zij gedankt!” hernam zij: „ik herinner mij dien Sander wel, en den noodlottigen naam van Pedro Negro, dien wij hem gaven, en dien hij naderhand, hoor ik, maar al te berucht heeft gemaakt. Er zat een goede aard in den man: en God geve, dat hij zijn vroegere verkeerdheden door een verbeterd levensgedrag uitwissche.”

Ik keerde naar de herberg en schreef den brief, dien ik Sander beloofd had, waarna ik mij ter rust begaf, met last dat men niet verzuimen zou mij te wekken. Den volgenden morgen was ik dan ook vroegtijdig op de been, en de aanbiedingen afslaande van Pulver en van Helding, die mij vergezellen wilden, begaf ik mij naar de bestemde plaats. Het was een fraaie morgen: de wind was naar het Zuiden omgeloopen, en deze gelegenheid werd te baat genomen, zoowel door enkele koppels vinken en bonte kraaien, die mij over ’t hoofd vlogen, aankondigende dat het najaar gekomen was, als door ettelijke vaartuigen, die, de ree van ’t Vlie verlaten hebbende, noordwaarts opstevenden; maar niet weinig was ik teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat ook de Kjöbenhavn het anker gelicht had en met uitgespannen zeilen het zeegat uitstevende. Kapitein Holmfeld had zeker niet langer durven vertoeven, en nam ook de laatste hoop van Sander met zich mede.

Welhaast had ik het duin bereikt, waarop zich de vuurbaak verhief: een eenvoudige, van ruwe balken saamgestelde toestel, en welken men beklom langs een op verscheidene plaatsen van sporten ontbloote ladder. Ik zag om mij heen, of ik Sander ook ergens gewaarwerd; maar hij kwam niet opdagen. Langen tijd wandelde ik op en neder: eindelijk werd ik ongeduldig: ik begon te vermoeden, dat ook hij het Deensche schip had zien wegzeilen, en, geen trek hebbende, den morgen hier door te brengen, besloot ik, weder naar het dorp te keeren.

Ik had ongeveer de helft van den terugtocht afgelegd, toen het mij voorkwam, dat ik in de nabijheid een geluid hoorde als van iemand, die angstig steunde. Ik zag rond en ontdekte, in een laagte tussehen de duinen, een voorwerp, dat mij, voor zooveel de struiken mij toelieten te zien, een menscheljk lichaam toescheen. Ik snelde derwaarts heen, en nog na zoovele jaren gaat er een huivering door mijn leden, bij de gedachte aan het schouwspel, dat zich aan mijn oogen voordeed.

Op het naakte zand lagen twee lichamen uitgestrekt: het eene was dat van Sander: hij lag op den rug: de doodskleur was op zijn gelaat verspreid, en zijn bloed, dat tappelings uit een aan ’t hoofd bekomen wond vloeide, vormde, een rooden plas op den, barren grond. Dwars over hem heen lag Lodewjk Blaek, met het aangezicht, in het zand en een pistool naast, hem op den grond.

2290.gif (27477 bytes)Met een kreet van ontzetting trad ik nader en keerde het lichaam van dezen laatste om. Zijn hemd en vest waren stijf van bloed, en zijn trekken als die eens dooden; maar een pijnlijke zucht, die hem bij deze beweging ontsnapte, kondigde mij aan, dat het leven hem nog niet verlaten had en redding misschien mogelijk was. Ik rukte hem het hemd open, zag dat hij een diepe wond in de borst had, en hield er mijn zakdoek voor, om de bloedvloeiing zoo, mogelijk te stelpen. Wat Sander betrof, hij was reeds koud en had blijkbaar den adem uitgeblazen. Het bebloede mes, waarmede hij, zijne weerpartij waarschijnlijk verwond had, was aan zijn hand ontvallen.

Onwetend wat te doen, den gewonde niet willende verlaten, en, toch buiten staat, hem zonder hulp te, vervoeren, sloeg ik de oogen rond om te ontdekken, of zich ook een levend wezen in de nabijheid opdeed, toen ik plotseling op een kleinen afstand, vlak voor mij iemand gewaarwerd, die mij met aandacht scheen gade te slaan. Zijn aanblik verwekte in het eerste oogenblik dien indruk op mij, welken het staroogen der slang op den onschuldigen vogel teweegbrengt: ik had Andries herkend. Mijn volgende beweging was, het mes van Sander op te vatten, om mij desnoods tegen een aanval van dien schelm te verdedigen. Maar wat hem betrof, hij keerde zich om, zonder een woord te spreken, en liep, onder het geschreeuw van „moord! Moord!” naar den kant van het dorp toe. Ik stond op: en zag terzelfder tijd Pulver en Helding, die met drift kwamen aanloopen.

„God beware ons! Wat is hier geschied?’ vroeg de laatste.

„Wij zijn toch nog niet tijdig genoeg gekomen om een ongeval te verhoeden,” zeide Pulver: „ben je ook gekwetst, Patroon?”

„Raak de doode lichamen niet aan, Mijnheer Huyck!” riep Helding, die op dit stuk met het gewone vooroordeel behept was: „daar komt nooit eenig goeds van.”

„Maar wie heeft dat toch gedaan?” vroeg Pulver.

„Ja! Wie heeft dat gedaan?” vroegen nu onderscheidene stemmen: en eenige eilanders, wier getal meer en meer aangroeide, verzamelden zich om de plek, doch altijd, ten gevolge van hetzelfde vooroordeel, op zekeren afstand blijvende. Ik zag, dat sommigen het hoofd schudden, mij schuins aanzagen en elkander met den elleboog aanstootten of toewenkten.

„Helpt mij toch, om deze ongelukkigen naar het dorp te brengen,” zeide ik: „de eene leeft nog.”

„Wij zullen wachten, tot de Drost komt – wij zullen er geen hand aan slaan – of wij mal waren? om een lijk aan te raken en zoodoende den boedel te aanvaarden,” mompelden de omstanders. „Zij hebben elkander vermoord,” zeide ik, den vragenden blik van Pulver beantwoordende: „dat lijdt geen twijfel.”

„Nu ja! – dat zal de Drost wel beslissen,” hernamen de dorpelingen: en ik zag, dat hun blikken gevestigd waren op het mes, dat ik in de hand hield.

„Hij doet wel, dat hij de schuld aan de dooien geeft,” mompelde Andries, die mede onder den hoop was teruggekeerd: „ „dooien spreken niet tegen,” denkt hij: hij is zoo leep als het hout van de galg.”

Ik zag, dat ik algemeen van den moord verdacht werd gehouden: mijn toestand was alles behalve aangenaam: ik begreep echter, alvorens mij te verdedigen, nogmaals een beroep op hun menschlievendheid te moeten doen. „Vrienden!” riep” ik, Lodewijk half oprichtende: „deze leeft nog. Wilt gij hem zonder hulp laten sterven?”

„Wacht!” zeide Pulver: „ik zal u helpen, Patroon. Als hij nog niet naar zijn grootje is, is er geen gevaar bij.”

„En ik ook,” zeide Helding: „ofschoon hij het juist aan mij niet verdiend heeft, maar ik heb te veel verplichting aan. Mijnheer Huyck, om hem alleen in den steek te laten.”

Op dit oogenblik kwam Doedes met Reynszen en eenige andere notabelen aanloopen.

„Hm!” riep de eerste: „twee lijken? – Moord gepleegd? – door wien?”

Allen zwegen: een der aanwezigen wees op Andries en zeide: „die man is ons komen roepen.”

„Ja!” zeide Andries, mij aanziende: „ik zal geen grooteluiskinderen betichten, zoomin als met een kotter een Admiraalsschip aanzeilen; – maar wanneer men een bebloed mes in de hand houdt....”

„Menschen!” riep ik, met een krachtige stem: „gelooft dien man niet: hij is een schelm, een straatroover, van wien gij u verzekeren moest. Ik ben hier gekomen, toen zij beiden op den grond lagen: – dit mes behoorde aan den doode; – doch verliest geen tijd in onnut gepraat: de Heer Blaek is misschien nog te redden.”

„Hm!” zeide Doedes, het hoofd schuddende: „de Heer Blaek uw vriend niet – vroeg uitgegaan – tweegevecht – hm! – nog te redden?” en te gelijk naderende, onderzocht hij de wond:, „hm!” zeide hij: „snijdend werktuig diep ingedrukt,” en toen mij aanziende: „dat mes, hm!” – Ik gaf het hem. „wond met dit mes toegebracht – vena jugularis kraakbeen gekwetst – langzame genezing – spoedig vervoeren.” – Onder het spreken haalde hij zijn gereedschappen voor den dag en legde een haastig verband; waarna hij zich bij Sander begaf en diens wond peilde: „hm!” zeide hij: „kogel in ’t hersenvlies – dood als een pier – hm! vulnus letale.”

Hiermede besloot bij zijn lijkschouwing en begaf zich met Reynszen en nog twee of drie andere der met hem gekomen notabelen op zijde. Hun gesprek was kort en levendig: ik zag, aan de blikken, die zij naar mijn kant wierpen, dat ik daarvan het onderwerp was. Na den afloop daarvan, trad Doedes naar mij toe en zeide: „Gij ons volgen – verantwoorden.”

„Dat wil ik gaarne doen,” zeide ik: „maar gij zult toch geen geloof hechten....”

„Ja!” zeide Reynszen, het hoofd schuddende: „’t zou mij van Mijnheer spijten: maar er is een zware praesumtie – UEd. was geen vriend van den gewonde.”

„Ben je dol?” vroeg Pulver: „Mijnheer Huyck voor een moordenaar aan te zien!”

„Goed recht geven,” zeide Doedes: „geen aanziens des persoons – hei wat!” vervolgde hij, ziende dat Andries zich verwijderde: „die man blijven – meegaan – getuigenis afleggen.”

„Zorg, dat hij niet ontsnappe,” zeide ik: „hij is de vent, waar ik met den kastelein over sprak, – de man, die plan had het pakhuis te berooven.”

Men verzekerde zich van Andries en plaatste Lodewijk op een burrie, die inmiddels was aangebracht. Terwijl dit geschiedde, opende hij de oogen, zag rond en vroeg met een nauwelijks hoorbare stem: „waar ben ik?”

„Nu zult gij allen de waarheid hooren!” riep ik verheugd uit. „Blaek, om ’s hemels wil! zeg ons: wie was uw moordenaar?”

De gewonde zag mij een poos sprakeloos aan, als wilde hij zich bedenken, terwijl zich de omstanders in gespannen verwachting om ons heen drongen, ten einde de woorden van zijn lippen op te vangen. Opeens scheen hij zich te bezinnen, een boosaardige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat, en mij scherp aanziende: „gij,” zeide hij.

„Ellendige!” riep ik: „wilt gij met een leugen de eeuwigheid ingaan?”

Een diepe stilte volgde bij de aanwezigen. Reynszen zag mij met een medelijdenden blik aan, terwijl hij de schouders ophaalde, als wilde hij zeggen: „gij hoort het.” Pulver zuchtte en beet op zijn vingers; Helding stond als versuft; hij drukte mij de handen, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. Wat mij betreft, ik was zoodanig door de beschuldiging verplet, dat ik geen woord meer kon uitbrengen en werktuiglijk mij op weg begaf in den trein, die nu met den gekwetste en den doode langzaam naar het dorp trok.


[Hoofdstuk 36] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 38]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001