MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD ZICH VOLSTREKT NIET OP ZIJN GEMAK BEVINDT.


2294.gif (33985 bytes)

De maar van het gebeurde was ons reeds vooruitgeloopen en het was niet dan met moeite dat wij ons een weg konden banen door de gansche bevolking van het dorp, welke dit voorval op de been bracht. Geen oud wijf was aan ’t spinnewiel en geen kind op school gebleven: en alles was nieuwsgierig om te zien, hoe een Anisterdamsch rijkeluiskind werd opgebracht, omdat hij een anderen Heer had overhoop gestoken. Lodewijk werd in het huis van Doedes gevoerd, alwaar hij de noodige verpleging onderging, terwijl men Andries en mij op het Raadhuis bracht. Hier moesten wij wachten, tot de bijeengeroepen Schepenen in genoegzamen getale vergaderd waren om mij een voorloopig verhoor af te nemen. Eindelijk werd ik tusschen twee gerechtedienaars binnengebracht, en vond de Schepensbank vergaderd, aan wier hoofd vriend Reynszen in volle achtbaarheid gezeten was; die mij nu gelastte een verhaal van mijn wedervaren te doen.

Toen ik dit naar waarheid vericht had, werd Andries binnengeroepen.

„Hebt gij iets op dezen getuige aan te merken?” werd mij gevraagd.

„Zeer veel!” zeide ik: „hij is een erkende straatroover: en zoo men Heynsz laat roepen zal deze mijn gezegde bevestigen.”

„Wel mogelijk!” bromde Doedes, die, aan het einde der tafel gezeten, zich vast in de handen wreef van blijdschap over de belangrijke beschuldiging, die hij te vervolgen had: „Heynsz een bemoeial – geen bewijs tegen dien getuige – voortgaan!”

„Wij zullen den geaccuseerde akte verleenen van zijn wraking,” zeide Reynszen, met een deftigheid, die mij verbaasde: „en inmiddels voortgaan met den getuige te examineeren. Andries Matthijsen! wat hebt gij te deposeeren?”

Andries gaf hierop een verhaal, hetwelk niet dan een aaneenschakeling van leugens behelsde: hij had, zeide hij, een pistoolschot gehoord en was daarop komen aangieren: bij het naderen had hij Sander op den grond zien liggen en mij bezig gevonden met den Heer Blaek te worstelen, welken laatste hij na een kort gevecht had zien vallen; waarop hij dadelijk hulp was gaan roepen.

Ik maakte geen aanmerking op deze getuigenis; maar vergenoegde mij de schouders op te halen en bij mijn vroegere verklaring te volharden. Nu werd Pulver binnengeroepen en insgelijks ondervraagd.

„Ja!” zeide hij: „ik weet van het geval niets anders te vertellen, als dat, toen ik er met Sinjeur Helding bijkwam, wij Sandertje achterover op den grond zagen liggen, alsof hij zonshoogte nemen wou, en den Heer Blaek, dwars over hem heen, terwijl de Patroon er bij stond, als iemand die geen raad weet. Maar dat hij part of deel aan het geval zou hebben, dat kan ik op al de wereld niet begrijpen.”

„Hm!” zeide Doedes: „uw opinie niet gevraagd – deposeeren – meer niet.”

„Maar,” vroeg Reynszen aan Pulver: „hoe kwaamt gij daar aan het duin met uw makker?”

„Wij waren uitgegaan om den Heer Huyck te zoeken, over wiens lang wegblijven wij ongerust begonnen te worden,” antwoordde Pulver in zijn eenvoudigheid.

„Er was dus reden, om ongerust te wezen? Gij hadt dus vermoedens, dat zijn afwezendheid met verkeerde oogmerken gepaard ging?”

„Dat is te zeggen,” antwoordde de goede Schipper, verlegen: de Patroon had gisteren een kattebelletje ontvangen: en wij waren bang of het ook van den Heer Blaek ware en of er altemet.... in één woord – wij waren wel bang, dat zij mekaar reis in ’t vaarwater zouen zitten.”

Ik voelde een koude rilling door mijn leden varen; want ik begreep welke gevolgtrekking men uit deze verklaring trekken zoude.

„Hm! hm!” zeide Doedes, met een zegepralenden blik rondziende: „de zaak opgeheIderd – klaar als de dag – hm!”

Helding, die na Pulver optrad, verklaarde in substantie hetzelfde, en voegde er tevens het een en ander bij, betreffende de redenen van veete, welke Sander tegen Lodewijk Blaek kon voeden; en welke het niet onwaarschijnlijk maakten, dat er tusschen deze beiden een gevecht had plaats gehad. Zoowel hij als de Schipper werden ondervraagd of zij het ten processe overgelegde mes herkenden, als mij behoord te hebben. Beiden betuigden, het nooit te hebben gezien.

De laatste getuige, die gehoord werd, was schijnbaar in mijn voordeel. Het was een visschersknaap, die deposeerde, dat hij den avond te voren, van iemand, die naar zijn beschrijving volkomen met Sander overeenkwam, een briefje had ontvangen, met verzoek het aan mij te overhandigen, voor welke boodschap hij een stuiver genoten had.

„De Heeren zien dus,” zeide ik, „dat deze depositie met mijn verhaal overeenkomt, en dat ik naar het duin was gegaan om Sander Gerritsz te zoeken. Hier is bovendien de brief, dien ik te zijnen behoeve aan Kapitein Holmfeld geschreven had.”

„Hm ja!” zeide Doedes: afspraak met den gedecedeerde – den Heer Blaek aan te vallen – aan Sander een brief – hem uit de voeten helpen na perpetratie van het feit – slim overlegd – hm!”

„Als men aan al mijn daden een verkeerde uitlegging wil geven,” zeide ik, terwijl mij het bloed naar ’t aangezicht steeg.

„Hm!” hernam Doedes, een boek, ’t welk hij had medegebracht, opnemende en aan Schepenen toonende: „gelijkstaande casus – Consultatiën en Advysen, Deel I, bladz. 650 – depositie van den gekwetste – getuige bij avonture reprochabel – de geculpeerde gezien met een mee in de hand – duo visi rixari et unus vulneratusconcurreerende indicia – in alles gelijkstaande – en dus: gerechtigheid te contendeeren,” – hier rees hij op, en zeide met meerdere stemverheffing, als iemand die ambtshalve een eisch doet: „dat de gevangene zal worden getorqueerd ter discretie van den Rechter ende alzoo tot scherper examen gebracht.”

„Getorqueerd!” herhaalde ik, terwijl mij het bloote denkbeeld sidderen deed: „gij wilt mij toch niet ter pijnbank brengen op deze bloote praesumptie; – want, mijne Heeren! de getuigenis van den gekwetste is extra judicium gegeven en kan in dit oogenblik niet tegen mij worden aangevoerd; hij moet zich bedrogen hebben, en niet geweten, wat hij zeide. Hij zal, zoo hij geneest, hetgeen God geve, zijn verklaring herroepen, daar is geen twijfel aan.”

„De geïnculpeerde heeft gelijk,” zeide de Voorzitter: „en bovendien, Heer Drost! wij weten nog niet, waar gij hem van beschuldigt, van moord of van bloote verwonding. – Wij zullen daarom de zaak voor alsnog suspendeeren en bevel geven, den geïnculpeerde te incarcereeren, tot hij nader gemandeerd wordt. Ook de getuigen moeten zoo lang hier blijven, tot zij nader gehoord kunnen worden.”

Met deze woorden werd de zitting opgeheven, en ik naar de gevangenis gebracht. Dergelijke lokalen zijn zelden zeer geriefelijk en de Terschellingsche kerker maakte geen uitzondering op den algemeenen regel: het was een klein en vochtig vertrek, met naakte wanden, en dat tot eenig ameublement een tafel had, waar slechts drie pooten meer van in wezen waren, een stoel met gebroken zitting en een houten brits, die alle blijken droeg van veeljarigen dienst.

Alleengelaten zijnde, ging ik zitten en zocht mijn denkbeelden bijeen te zamelen; want de doorgestane ontroerring, schrik en angst hadden mij in een staat van verwarring gebracht, waarin mij al hetgeen mij was overkomen als een bange vreeselijke droom toescheen; maar het duurde een geruime poos, eer ik tot recht besef van mijn toestand geraakte. Eindeljk echter gelukte bet mij te bedaren: en nu stond de verschrikkelijke waarheid mij in al haar naaktheid voor de oogen. Ja! ik was het zelf, ik, Ferdinand Huyck, de zoon van den Hoofdschout, op wien het gewicht eener kapitale beschuldiging rustte: tegen wien zich zulke ontzettende verdenkingen verhieven: en, had ik in den aanvang de zaak licht geteld en vertrouwd op het bewustzijn mijner onschuld, ik zag nu in, dat er krachtige gronden zouden moeten bijgebracht worden om de tegen mij aangevoerde bewijzen te ontzenuwen. En dan dacht ik aan mijn ouders: aan mijn brave moeder, wier zwak gestel de tijding niet zou weerstaan, dat haar zoon van zulk een misdaad verdacht werd gehouden: aan mijn vader, die zijn leed met het Stoïcisme, dat hem kenmerkte, verkroppen, maar later des te meer bezuren zoude: en dan, de kwellende gedachte, dat ik hen zelfs niet van mijn onschuld overtuigen kon! – dat zij door een derde, die de zaak wellicht vergrooten of in een ongunstig daglicht stellen, van het gebeurde onderricht zouden worden; dat zij wellicht den naam zouden vloeken van den zoon, die hun grijze haren met schande bedekte.... dat alles was schrikkelijk: het deed mij het bloed in de aderen terugkrimpen en het koude zweet door alle poriën uitbersten. Nu wilde ik schrijven; maar daartoe ontbraken mij de middelen en niemand beantwoordde mijn geroep: ik was alleen en – verlaten – zonder toegang. Ik zag mij verplicht, te wachten, tot mijn verzoek zoude worden ingewilligd; want ik hing van de grillen van Meester Doedes af en ik had reeds genoeg bespeurd, dat hij er verre af was van mg genegen te zijn.

Eindelijk, na uren, pijnlijk doorgebracht, zag ik de deur van mijn kerker opengaan en werd ik aangenaam verrast door het binnentreden van Heynsz. „Goddank!” riep ik, zoodra ik hem zag: „ik ben dan nog niet geheel verlaten.”

„Mijnheer Huyck! Mijnheer Huyck!” zeide hij, zoodra ons de sluiter alleengelaten had, met een bedenkelijk gezicht: „dat is een geval voor mij, te zien den zoon van uw vader in zulk een ongelegenheid!”

„Nietwaar?” vroeg ik, hem de hand toestekende: „gij gelooft niet aan mijn schuld?”

Ma foi!” antwoordde hij, „alle praesumtie is tegen u; en er zouden in waarheid zijn termen, om op u te appliceeren de torture; maar ik begrijp niet, waarom UEd. niet bekent; want ik veronderstel, gij hebt toegebracht die wond in cas van zelfdefensie.”

„Hoe! ook gij zijt tegen mij?” riep ik, met bittere teleurstelling.

„Wat zal ik zeggen? Twee getuigen tegen u!”

„Waarvan de eene mijn vijand, en de andere een schurk is.”

„Ja, die Andries! – nu die zal er niet afkomen zeer gemakkelijk; want, vrijplaats of niet, hangen zal hij; maar waarom, uit wat reden, zou hij u bezwaren?”

„Redenen genoeg: vooreerst uit ingeboren kwaadaardigheid: ten tweede omdat ik een zoon van den Hoofdofficier ben: ten derde, omdat hij een oude veete tegen mij heeft; – want zonder den Heer Van Lintz had ik eens zijn mes in mijn ribben gevoeld.”

„Goed! – de Heer Van Lintz kan gehoord worden: – maar nu de Heer Blaek, zou die zoover drijven de slechtheid om u valsch te betichten van hem vermoord te hebben.... ’t Is mogelijk; maar dat is gruwzaam!”

„Ik moet nog gelooven,” zeide ik, „dat zijn beschuldiging het gevolg is, òf van een verzinning, òf van een onwillekeurige gemoedsopwelling, en dat hij, zoo hij in ’t leven blijft, die wel weder zal intrekken.”

„Dat geloof ik niet,” zeide Heynsz: „want hij is beter en heeft toch niet ingetrokken zijn verklaring: maar integendeel die bevestigd met nadere omstandigheden.”

„Welnu!” hernam ik: „in dat geval ben ik overtuigd, dat zijne depositie met die van Andries moet variëeren.”

„Dat doen zij ook,” zeide Heynsz: „ik heb die gelezen, allebei; want, gezegd tusschen ons, Reynszen is een verstandig man, die wel hooren wil naar raad en niet is een dwarshoofd als die Doedes: en hij heeft in dit geval geraadpleegd mijne ondervinding: ook heb ik te danken aan hem, dat ik heb bekomen permissie om u te bezoeken; want de Drost wilde u houden buiten accès; hij is wat in de drukte, die Meester Doedes: een belangrijk cacus als deze: doodslag en verwonding: en tot patiënt om te verzorgen een rijken Amsterdammer, dat is te veel plaisier op éénen tijd voor een man als hij.”

„Ik geloof het wel,” zeide ik: „maar nu de depositiën?”

„Aha ja! – Wel dan: de Heer Blaek vertelt, dat hij van u ontvangen heeft een cartel om te vechten in duel op het duin: dat hij, daar gekomen zijnde, is geattaqueerd door u en Sander, en dat hij ontvangen heeft van u een steek met een mes, op het oogenblik dat hij om te defendeeren zijn leven, door het hoofd schoot Sander: – of liever Zwarten Piet: – want het blijkt, dat het deze gevreesde gauwdief is geweest, die te dezer gelegenheid is omgekomen. – Andries vertelt daarentegen....”

„Ik heb de depositie van dezen laatste gehoord,” viel ik in: „maar in allen gevalle volgt uit beider verklaring dat Sander door Blaek is gedood, en dan is deze laatste insgelijks als getuige reprochabel, daar hijzelf ter verantwoording over een doodslag zal geroepen moeten worden.”

„’t Is juste! en dit heb ik al gezegd aan Reynszen. ’t Is doodjammer, dat UEd. zijt getreden in de negotie en niet zijt geworden Advocaat; want UEd. saisisseert de punten van defensie juist als ’t behoort, maar ma foi! al had UEd. in drift of anderszins overhoopgestoken dien canaille van een Blaek, ik zoude er UEd. niet te minder om achten.”

„Maar ik herhaal u, dat mijn handen zuiver zijn van zijn bloed; en....”

„Ik geloof u, Mijnheer Huyck! Ik geloof u – en zoo ik straks sprak anders, het is, omdat ik zoo ben gewend: wanneer men tegen een geculpeerde spreekt, moet men altijd beginnen te veronderstellen de schuld: anders komt men nooit achter de waarheid.... maar dat daargelaten. Hoe kan ik van eenigen dienst zijn aan UEd.?”

„Kan ik geen schrijftuig bekomen? Ik wenschte zoo gaarne mijn vader kennis te geven van dit ongelukkige voorval, eer hem zulks van een andere zijde ter ooren komt.”

„Ik vrees, dat men u daartoe niet zal geven de permissie,” zeide Heynsz, het hoofd schuddende: „maar laat mij over, te verrichten die onaangename taak. Ik zal Z.-Ed.-Gestr. voorbereiden op eene voorzichtige wijze en het voorstellen bij provisie als een zaak, waar UEd. slechts in gemoeid zijt of waarbij het onzeker is of UEd. als getuige of als geculpeerde zult paraisseeren. Ik zal wel geven een goede kleur aan de zaak: wees gerust.”

Helaas! Ik was zeer verre van gerust te zijn, of een onbepaald vertrouwen te bezitten op den gelukkigen briefstijl van Heynsz en op zijn voorzichtigheid en zijne wijze van de zaak voor te dragen. Ik moest echter wel berusten: er was niets anders aan te doen.

„UEd. is hier slecht gelogeerd,” zeide hij, nadat wij het voormelde punt hadden afgehandeld: „ik zal daarover spreken met Reynszen. Er is geen reden om te behandelen als een slechten boef iemand, die wel in staat is te betalen een goed logies. – Maar à-propos!” zeide hij: „eer ik het vergeet, ik moet UEd. de groete doen van den Heer Van Lintz, van zijn dochter en van den armen Helding. Ik weet niet, wie bedroefder is van de twee over uw geval, de oude poëet of de jonge Juffer. De eerste doet niets als schelden en razen, en de laatste is als een wanhopig mensch en beschuldigt zichzelve van de oorzaak te zjn van al deze ellende.”

„Amelia? – Zij is toch waarlijk geheel onschuldig aan het voorgevallene.”

Ma foi!” zeide Heynsz, glimlachende: „niet zoo geheel en al. Had zij niet in de oogen gestoken den Heer Blaek, deze haar niet had achterna gevolgd en was niet aangel-omen hier: – enfin! het eene is een gevolg van het andere.”

„En Kapitein Pulver?” vroeg ik.

„O ho! die ware al gegaan naar Amsterdam om zich te beklagen over de regeering van Terschelling, dat zij had de brutaliteit van u vast te zetten; maar ik heb hem gelukkig teruggehouden daarvan; te meer daar zijn getuigenis u wellicht kan zijn van dienst. – Maar ik moet u verlaten; want ik dien de gelegenheid waar te nemen, om te schrijven: – ik zal zorg dragen, dat UEd. ontvangt betere meubelen.”

Heynsz verliet mij en was zoogoed als zijn woord; want een uur later bezorgde men mij een bed met zijn toebehooren, benevens een tafel, stoelen, die, schoon niet nieuwerwetsch, echter bruikbaar waren, en mijn bagage. Ik zal hier geen beschrijving geven van de treurige nachten en vervelende dagen, welke ik sleet, zonder dat zich eenige verandering in mijn toestand of eenig uitzicht voor de toekomst opdeed. De eenige verstrooiing, welke ik had, bestond in de bezoeken van Heynsz, die mij tijdingen bracht van hetgeen er voorviel en van den toestand van Lodewijk. De wond van dezen scheen minder gevaarlijk dan men in den aanvang, gedacht had; maar de gestadige koortsen, welke hem teisterden, hadden hem zeer verzwakt. Men vleide zich echter, dat zijn jeugd en sterk gestel de kwaal zouden te boven komen. Ten opzichte van het gepleegde feit bleef hij echter dezelfde depositie staven; zoodat mijn zaak nog geen betere wending scheen te nemen.

Het was op den zesden ochtend na mijn gevangenneming, dat, terwijl ik mijmerend voor mijn tafel zat en aan de mijnen dacht, ik de grendelen van mijn kerkerdeur hoorde openschuiven. Ik rees op, eenigszins verwonderd; want dit was het uur niet, waarop ik eenig bezoek verwachtende was: de deur ging open: iemand trad met drift binnen: en ik deed van verbazing een stap terug op het zien van Reynhove.

2300.gif (28878 bytes)„Reynhove!” riep ik: „u was ik wel het minst te verwachten.”

„En ik had niet verwacht, ooit Terschelling te zullen zien,” antwoordde hij: „en voorwaar niet om zulk een reden. – Arme vriend! Gij zijt mager en bleek geworden; dit logies deugt u niets,”

„En mijn ouders!.... weet gij iets van hen?.... van waar komt gij?” vroeg ik, in gespannen verwachting.

„Allen wel: – een half uur geleden hier gearriveerd – rechtstreeks van Amsterdam – en met commissiën van allerlei genre – rechts en links.”

„Gij komt van Amsterdam? – Hebt gij mijn vader gezien? – Weet hij, weet mijne goede moeder?....”

„Stil.... Een oogenblik! Gun mij den tijd adem te halen,” zeide Reynhove, zich nederzettende en zijn paruik in orde schikkende: „ma foi,” vervolgde hij, rondziende: „gij zijt hier niet te best gelogeerd: – nu – dat is te begrijpen. – Uw vader is wel, ik ben bij hem geweest: hij poogt zich goed te houden en voor uw moeder te verbergen wat hier is gepasseerd; maar het goede mensch is toch in doodelijke inquiétude, want zij merkt wel, dat er iets gaande is. – Enfin, het is een mal geval: en ik wilde wel om duizend kronen, dat gij hier nooit heengetrokken waart.”

„Mijn arme ouders!.... en zij houden mij toch niet voor schuldig, Reynhove?”

„Gij vergeet wat ik u zeide, dat niemand iets van de ware toedracht der zaak soupçonneert, behalve alleen uw vader.... maar laat mij u alles toch ordelijk verhalen.”

„En mijn zuster P.... En.... de andere betrekkingen?”

„Uw zuster is wel, en uwe Tantes ook, en MejufFrouw Blaek ook – ofschoon zeer gesaisisseerd van dat fatale geval.”

„Ik wil wel gelooven,” hernam ik, „dat de toestand van Lodewijk....”

„Ja! en dan de dood van haar oom....”

„Hoe!” riep ik uit: „is de oude Heer Blaek dood?”

„De wereld geabandonneerd,” zeide Reynhove: „en wel zonder het appel af te wachten. – Maar zoo gij mij niet aan het woord laat, zult gij nooit iets naar behooren vernemen. – Antwoord mij eerst: wien denkt gij in mij te zien?”

„Een vriend, naar ik hoop,” zeide ik, eenigszins verwonderd over deze vraag.

„Dat spreekt vanzelf; – maar, behalve dat? Gij raadt het niet?”

„Ach!” zeide ik: „denk toch in welke omtandigheden ik mij bevind, en hoe weinig ik, zelfs tot onschuldige scherts, gestemd ben.”

„’t Is waar: gij hebt gelijk. – Welnu! gij ziet in mij een gedelegeerde van Hunne Hoogmogenden, pas moins que-ça. Ik ben hier op een missie uit en begin mijn diplomatieke carrière.”

„Ik wensch u geluk,” zeide ik, zuchtende: „maar in ’s Hemels naam....”

„Uw vader had gelijk,” vervolgde Reynhove: „het werd tijd, dat ik eens iets anders deed als rijden en mij amuseeren. Ik heb zijn raad gevolgd en ben in politieke betrekking gekomen. – Hoor nu verder: een paar dagen na uw vertrek van Amsterdam, werd door de Heeren in Den Haag, ten gevolge der voorspraak van den Russischen Gezant, met wien men gaarne goede vrienden wilde blijven, van een dringend advies van de Amsterdamsche regeering, en van de demarches, door ettelijke lieden van influentie gedaan, werd er goedgevonden, zeg ik, om primo den Heer Van Lintz, dien gij kent, niet uit te leveren aan Spanje: en secundo, om hem niet als deserteur te beschouwen; waartoe dan ook bleken geene termes aanwezig te zijn, daar zijn akte van onts1ag reeds, op een paar formaliteiten na, was opgemaakt voor zijn escapade met Mejuffrouw Reefzeil: – kort en goed: alle difficulteiten waren weggeruimd en het bevel van apprehensie moest gecontramandeerd worden. Ik werd door mijn vader gechargeerd, die goede tijding aan de Amsterdamsche regeering te brengen: – rechtuit gezegd: ik had mijzelven geoffreerd om die boodschap te doen: ik wist, dat de tijding uw vader welkom zoude zijn – en bovendien – waarom zoude ik het niëeren? – er was nog een trekpleister die mij naar Amsterdam en wel naar uw huis deed verlangen.”

„Hoe!” viel ik Reynhove in de rede: „hebt gij zulke gedachten in ’t hoofd?”

„Uw zuster Suzanna is een plaaggeest,” antwoordde hij lachende: „maar met dat al, ik zou mij hoogst gelukkig rekenen, indien zij mij levenslang tot het doel van haar plagerijen wilde nemen: wij zouden zien, wie het langst het uit zoude houden. – Maar dat daargelaten, want ik heb ernstiger zaken te behandelen. Ik vond uw vader aan ’t Stadhuis: de Heer Blaek ging juist van hem vandaan en scheen alles behalve opgeruimd. Uw vader wilde, toen hij mij gesproken had, terstond een tweeden expres naar Terschelling sturen om bevel te geven, den Heer Van Lintz te libereeren: – één had hij er reeds weggezonden, op een vroegere tijding, dat de zaak goed stond; – maar terwijl wij nog aan ’t praten Waren, daar kwam de brief aan van Heynsz, waarbij, werd gemeld, hoe Lodewijk was gewond en hoe men u als getuige bij de zaak hield.... ik zag den man verbleeken toen hij den brief las, en merkte terstond, dat er onraad moest zijn. Hij vermande zich echter en reikte mij met een kalm gelaat den brief toe. Ik ontstelde insgelijks over den inhoud: maar zag niet terstond alles door. „Die tijding zal den ouden Heer Blaek geweldig frappeeren,” zeide ik: „maar ik begrijp niet, hoe uw zoon daarin geïmpliqueerd is. – „Ik maar al te wel,” antwoordde hij: „zij hebben elkander geprovoceerd – de eene is als het slachtoffer gevallen van dat noodlottig punt van eer: en de andere.... (o God! mijn zoon!....) heeft de wraak der wet te duchten. O! Mijnheer Reynhove! ik ben een ongelukkig vader!” – Ik had innig medelijden met den braven man en bood hem aan, zelf als expres naar Terschelling te gaan en te onderzoeken hoe het met de zaak geschapen stond. Hij aarzelde eenige oogenblikken; maar nam eindelijk mijn propositie met dankbaarheid aan. Daar ik toch niet voor den avond vertrekken kon, ging ik eerst naar den Heer Blaek om hem het ongeval zijns zoons te verhalen – mede voorwaar geen aangename commissie; ik vernam, dat hij niet te spreken was, maar mij verzocht een uur later te komen. Ik voldeed aan het verzoek; – toen ik op den bepaalden tijd weder aan zijn huis kwam, was hij een lijk. – Hij had, naar men vermoedt, zich met vergif om ’t leven gebracht.”

„Ontzettend! en wat kan de reden zijn?....”

„Die is nog een raadsel: droefheid over het ongeval zijns zoons kan het niet geweest zijn; want dat kon hem nog niet bekend wezen; – maar dat zal zich wellicht later openbaren. Henriëtte was radeloos en onwetend wat te doen. Ik stuurde naar uw vader. Hij kwam, uw moeder kwam, Mejuffrouw Suzanna kwam.... in ’t kort – het was een tooneel vol desolatie en drukte. Op de schrijftafel van den overledene lag een toegelakte brief aan zijn zoon: dien vermoeden wij, dat licht over het geval zoude verspreiden: – enfin! hij moest kennis van het gebeurde dragen en ik zeilde dus naar dit eiland af met een driedubbele missie.”

„En....? Mejuffrouw Blaek....?”

„Zooals ik u gezegd heb, zij is violent geschrikt – bedroefd.... enfin; zooals men bij dergelijke gevallen gesteld is. Om kort te gaan: ik heb mij bij mijn komst alhier geadresseerd aan zekeren vent, die den naam van Doedes draagt, en een quibus in folio is.”

„Ik ken hem, tot mijn ongeluk,” zeide ik.

„Welnu! Ik ben begonnen met aan hem en aan Heynsz het bevel voor te lezen, om den Heer Van Lintz te libereeren: – , vervolgens heb ik mij naar Lodewijk begeven, en hem, met permissie van dienzelfden Doedes, die mij zoowel een zotte Dokter als een zotte Drost toeschijnt, na behoorlijke preparatie, het overlijden van zijn Heer Papa gecommuniceerd. Hij was, ’t is zonde dat ik het zeg, meer verbaasd dan bedroefd – enfin! hij scandaliseerde mij: en ik ben maar spoedig van hem afgeloopen, na hem den brief te hebben gelaten, die, hoop ik, meer impressie op hem zal maken. Toen heb ik aan dien Doedes gezegd, dat ik u moest zien en spreken, en de vent heeft, met al zijn wijsheid en waan, het niet durven weigeren aan iemand, die zulk een mooien rok aanhad, die hem een bevel van HH. HH. MM. bracht en die op zulk een hoogen toon tegen hem sprak. – En nu ben ik hier – en recht verdrietig, van u in zulk een gek parquet te zien; want ik hoor, dat het hier geen quaestie van een, duel is, maar dat Lodewijk u van moord beschuldigt.”

„Hij liegt, Reynhove! bij al wat heilig is, hij liegt.”

„In dat geval is het een heel gemeene leugen, en hoop ik, dat hij tot inkeer zal komen. – Maar....”

Op dit oogenblik werd ons gesprek gestoord door een groote drukte aan de deur, die met gedruisch openging; terwijl Reynszen, Pulver, Helding, Heynsz en de Stokbewaarder bijna allen gelijktijdig binnendrongen, en allen dooreen schreeuwden.


[Hoofdstuk 37] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 39]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001