MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

HETWELK BEKENTENISSEN EN STERFBEDDEN AFSCHETST: ZEER MELANCHOLIEK OM TE LEZEN.


„De Heer Blaek verlangt u te spreken,” riep Reynszen mij toe.

„Hij zal bakzeil inhalen!” schreeuwde Pulver.

„Hij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan,” zeide Helding.

„De Heer Van Lintz is al gewaarschuwd,” riep Heynsz.

„Mijne Heeren!” zeide ik, opstaande: „wij kunnen wel allen te gelijk zingen, maar niet te gelijk spreken; mag ik vragen, wat er is voorgevallen, of welke tijding gij brengt?”

„Stil! Stil!” zeide Reynszen, tegen de overigen, die opnieuw vooraan drongen: „ziehier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn vader ontvangen, die, God vergeve het hem, zichzelven verdaan heeft. Wat het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den geïnculpeerde, benevens den Heer Van Lintz en dien Heer” (op Reynhove wijzende) „te spreken. Ik wensch van harte, Mijnheer Huyck! dat het tot uw voordeel zij; doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed mij te volgen.”

Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik kleedde mij, en eenige oogenblikken later waren wij allen aan het huis van Doedes, die ons aan de voordeur ontving.

„Hoe is het met den lijder?” vroeg hem Reynszen. „Hm!” antwoordde hij: „slechte symptomata – brief gelezen – flauwten gehad – gisteren nog druk en woelig – met alles ontevreden – harde bedden – slechte bediening – rijkeluisklachten, – en nu – stil – gedwee – mak als een lam – geen koorts – erger – zwakte – vriendelijkheid – mis – slecht afloopen.”

Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de Heer Van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst oprezen en mij zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen wedergroet wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde, een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel ingevallen. Door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige bleekheid was over het geheele wezen verspreid en de in hun kassen weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in ’t oog kreeg, en vroeg, met een flauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.

„Notaris naar Midland” – antwoordde Doedes: „boodschap gestuurd – komen als hij terug is.”

Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om zich in ’t bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de oppasster, die hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met pijnlijk ongeduld te verbeiden, wat de uitslag zijner mededeeling zoude wezen.

„Mijne Heeren!” zeide hij, met een flauwe en bevende stem, die langzamerhand in kracht en vastheid toenam: „ik heb u verzocht, hier te komen. Ik voel, dat het spoedig.... met mij gedaan zal wezen.... en ik wil.... zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb.”

Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgende aanstaren, in gespannen verwachting.

„Het eerste wat ik doen moet,” vervolgde hij, „is, hier in tegenwoordigheid van den Voorzitter van Schepenen en van den Drost, te verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht.... en dat hij geheel onschuldig is aan de wond, die mjj het leven kost.”

„God zij gedankt!” hoorde ik Amelia, met een flauwe stem achter mij uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.

„Hm!” zeide Doedes: „confessio in articulo mortis: eerst zóó spreken – nu weer anders – moord toch gepleegd – dader op ’t kerkhof?”

„Dat zou je wel kunnen raden,” mompelde Heynsz, „want Zwarte Piet is begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan zoude zijn coupabel.”

„Och ja!” zuchtte Helding: „op het kerkhof ligt hij naast mijn arm kind! – verleden Maandag heb ik hen beiden ter aarde besteld. Zij zijn in den dood vereenigd, die levend van elkander gescheiden waren.”

„Indien het den zieke niet te veel vermoeide,” zeide Reynszen; „zou hij wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven, dan konden wij daar akte van opmaken.”

Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen, zich aan tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring op te teekenen.

„De Heer Van Lintz,” zeide Lodewijk, „zal zich herinneren, mij eenige woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thans, dat die bedreiging niet ijdel was; – maar hierover nader. Genoeg, zij verontrustte mij – en dit was oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn. – Ik was ongerust, ongedurig, als gejaagd – ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig voordeelige rol gespeeld had: – ik had uit blinde wraakzucht tegen den Heer Van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een handlanger der Justitie te worden – en zag te laat in, hoe verachtelijk mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom! ik was wrevelig en vol spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve mijzelven, en vloekte op den Heer Van Lintz, op mijn dwazen hartstocht, op Heynsz – maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand beschouwde. Ik was naar mijn jacht gekeerd; maar bracht den nacht slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uit te dagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het oogmerk van hem op te zoeken, toen ik den persoon van Sander Gerritsz op zijde kwam. Nauwelijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor den moordenaar zijner liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in ’t aangezicht; waarop hij mij in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem door ’t hoofd te schieten. Hij wankelde, maar zijn laatste krachten bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te gelijker tijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik, in ’t leven teruggeroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was het, of mij een helsche geest influisterde, dat ik hem van den moord betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing; later deden wraakzucht, haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij door mijn ongelukkigen vader gezonden, hebben mij de oogen geopend. Ik heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat. – Ik heb van mijzelven geijsd: – en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven heb. Gave de Heer, dat ik die alle kon herstellen, gelijk ik deze doe.... en gij, Mijnheer Huyck!.... Mejuffrouw!.... mijn goede Helding!.... vergeeft mij.... opdat God mij vergeve.”

Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij zakte in elkander, als iemand die een poging boven zijn krachten gedaan heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling te schenken welke hij verlangde. – „Ik vergeef u,” zeide Van Lintz: „want ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken.... ik ken dat gevoel.... ik heb het ook eenmaal.... en te vreeselijk.... ingewilligd.” Dit gezegd hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.

Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn vol gemoed uit te storten. „Ik betuig oprecht Mijnheer Blaek!” zeide ik, op mijne beurt naderende, „dat bij mij geen greintje wrok tegen u overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als ik u vergeef; – maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te verheerlijken.”

„Hm!” zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt den pols voelende: „zwak – lassitudo – niet allen hier blijven – heengaan – hm!”

„Wel ja!” zeide Reynszen: „mij dunkt, het is nu alles beklonken: ik heb de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want de depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de galg te kussen, dat er anderen aan te helpen.”

Lodewijk, eenigszins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid, de verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afecheid van hem nemen en ons verwijderen; maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer Van Lintz had af te handelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn, weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.

Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen, terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: „schuif den grendel dicht!” zeide hij met een ongeduldige beweging: „en gij, Huyck! schenk mij dat glas nog eens vol.... mijn lippen branden.”

Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder, haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen de vingers frommelde en, Van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:

„Gij hebt mijn vader vroeger gekend, Mijnheer?”

Van Lintz beantwoordde deze vraag met een koele buiging.

„Gij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest,” vervolgde Lodewijk: „maar wat gij noch iemand weet, hetgeen ikzelf eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij zoovele jaren geworsteld heeft en dat hem thans het leven gekost heeft. Het is echter nuttig dat gij drieën hiermede bekend zijt, opdat gij ten minste bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck! – en gij zult beseffen, welke uitwerking hij op mij maken moest.”

Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:

„Wanneer gij dezen brief ontvangt, mijn zoon! zal uw vader voor den rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn: – en, zoo de wroeging van een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leven te verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn, mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.

„O! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar, die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles vereffend! maar wat zeg ik? – Het heeft zoo moeten zijn: Gij waart een zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de straf voor mijn misdrijf te ontvangen en de schande, die mij wacht, in het graf te ontvlieden.

„Dan, de tijd is te kort: – en ik moet mij haasten, de laatste levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister dan: – beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering strekken.

„Gij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren, veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en dienvolgens onze fortuin buitenslands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thans voor ’t eerst de zuivere waarheid:

„Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aard, dat hij veel kon sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelingsjaren gekomen was, dat een goed huwelijk het eerste middel zoude zijn om mijn doel te bereiken. Ik slaagde naar wensch; – immers ik dacht zoo: – ik zag niet naar schoonheid of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw moeder leidde; – ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat haar vermogen op u zou komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zou mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de meervermogende familie uwer moeder achterliet.

De uitkomst beantwoordde wederom niet aan mijn verwachtingen. Na jaren vol tegenspoeds keerde ik terug en kwam te Lissabon aan. Daar ontmoette ik den Graaf van Talavera, die er voor de belangen van het Spaansche hof aanwezig was; en ik hernieuwde met hem de kennis, die ik vroeger met hem als Baron Van Lintz had gemaakt. Van hem bekwam ik tijding van mijn Broeder, die tevens zijn zwager was (zij hadden elk eene Juffrouw Reefzeil getrouwd) en vernam, hoe deze, die insgelijks zijn fortuin buitenslands was gaan beproeven, en zaken in de Levant had verricht, te Lissabon werd verwacht. Ik nam voor, zijn komst te verbeiden: en werkelijk, hij kwam weldra opdagen; maar zijn uiterlijk verried geen rijkdom. Nauwelijks was hij een paar dagen met ons geweest, of hij werd door een hevige ziekte overvallen, die hem, na een korte ongesteldheid, aan den rand des grafs bracht. De Graaf van Talavera deelde met mij de zorgen der verpleging en was de eerste, die hem waarschuwde, dat hij, naar het oordeel des geneesheers, weinige dagen levens meer overig had, en orde op zijn zaken stellen moest. Mijn broeder glimlachte op een droevige wijze. „Dit laatste zal mij weinig „moeite kosten,” zeide hij: „Ik had gehoopt mijn dochter, mijn eenigst pand, te zullen terugzien en haar de welvaart, die ik voor haar vergaarde, zelf te brengen: nu zal mijn broeder zich met die taak dienen te belasten.” – Wij zagen elkander verwonderd aan, de Graaf en ik; want wij begrepen niet, waar die welvaart schuilen kon. Toen haalde mijn broeder een dikken rotting voor den dag, die aan zijn voeteneinde lag, en waarmede wij, wegens haar lomp fatsoen, meermalen den spot hadden gedreven. Hij verzocht mij den knop er af te draaien en hetgeen zich daarin bevond op de tafel uit te schudden. Ik deed zulks, en nu ontdekten wij met verbazing, dat de stok hol en geheel gevuld was met edelgesteenten van een onsehatbaren prijs. Mijn broeder nam er eenige van af, en mij die ter hand stellende, zeide hij: „deze zijn voor u,” en zullen u, zoo gij die met overleg verkoopt, in staat stellen uw fortuin weder op te bouwen. De overige zult gij aan mijn dochter brengen, als haars vaders erfdeel....” Toen gelastte hij, dat men een juwelier, zou roepen: er werd een inventaris opgemaakt, waarop de prijzen volgens taxatie genoteerd werden: en daarvan een afschrift aan mij en een aan den Graaf ter hand gesteld; terwijl wij beide stukken teekenden en de bestemming der juweelen daarop vermeldden. Weinige dagen later stierf mijn broeder in mijn armen, en terwijl zijn stervende mond mij zijn dochter aanbeval. Ik bleef niet langer te Lissabon dan voor de begrafenis noodig was, en zeilde af naar Amsterdam.

„Ondertusschen was ik weinig tevreden, wanneer ik de fortuin, die mijn broeder gemaakt had, met de mijne vergeleek; en zonder te bedenken, dat hij geen genot van zijn moeizaam verkregen schatten had gehad, terwijl ik de toekomst nog voor mij had, dacht ik er, slechts aan, om mijn nicht te benijden, die zoo gemakkelijk aan een erfenis kwam, waarop ik, zonder haar, alleen aanspraak zoude gehad hebben. Nu fluisterde mij de duivel in: waarom zoudt gij dien schat aan uw nicht brengen? behoud hem voor u-zelf, drijf er handel mede, en maak het op een andere wijze goed met de dochter uws broeders. Geen haan zal er naar kraaien, en de Graaf van Talavera zal er zich in Spanje niet over bekommeren, of gij aan het vertrouwen uws stervenden broeders beantwoord hebt. Ik was te Amsterdam, zonder tot een besluit gekomen te zijn: men was aldaar reeds van den dood mijns broeders onderricht, en te gelijk overtuigd (zoozeer had hij zijn winsten bedekt gehouden), dat hij arm gestorven was. Nu had ik de zwakheid, of noem het de laagheid, de lieden niet uit den droom te helpen: ik verkocht mijn juweelen, of liever die mijner nicht, niet op eens, maar langzamerhand, en begon een handel, dien ik meer en meer uitbreidde, Ik was voorspoedig. Het scheen alsof het onrechtvaardig verkregen geld in mijne handen moest gezegend worden: dan, innerlijk was ik verre van mijn voorspoed te genieten.

„Eenige jaren waren verloopen, toen ik (nog sidder ik bij de herinnering) een brief van den Graaf van Talavera ontving. Hij had, schreef hij, vernomen, dat ik zeer vermogend was geworden, terwijl men van mijn nicht niets af wist: kortom, zijn brief gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij iets van de zaak vermoedde. Hij eindigde met mij te melden, dat hij het duplicaat van den inventaris naar Amsterdam zou overzenden en bij den Notaris Bouvelt doen deponeeren. Dit bericht ontzette mij: om tegen den dreigenden slag gewapend te zijn, liet ik terstond mijn nicht van de school komen, waar zij zich bevond, nam haar bij mij en behandelde haar als mijn eigen kind, voornemens zijnde om, zoo ik aangeklaagd werd, dadelijk rekening. en verantwoording te doen, maar nu bekwam ik de tijding, dat de Graaf in ongenade en naar Amerika was – en een jaar daarna verspreidde zich het gerucht van zijn dood. Ik was thans van mijn grootste zorg ontslagen; want ik hoopte altijd, dat hij zijn bedreiging om dat papier over te zenden, niet had ten uitvoer gelegd. Intusschen had ik Henriëtte als een dochter liefgekregen, en hoe meer ik haar leerde kennen en waardeeren, hoe feller verwijtingen ik mij deed van haar een vermogen te hebben onthouden, dat haar rechtmatig toebehoorde. Toen kwam het: denkbeeld bij mij op, dat een huwelijk tusschen u beiden alles in ’t gelijk zoude brengen: en ik behoef u mijn streven naar dat doel niet voor den geest terug te brengen: het is u genoeg bekend.

„Verbeeld u mijn schrik, toen ik, eenige dagen geleden, den man, dien ik dood waande, ten huize van den Notaris Bouvelt ontmoette en van hem hoorde, dat de bewuste inventaris zich onder andere papieren bevond, die hij indertijd, wel verzegeld, naar Amsterdam had overgezonden en nu was komen terugeischen; terwijl hij tevens dreigde, mijn gedrag openbaar te zullen maken. Ik bad ook toen nog mijn volslagen schande kunnen voorkomen, door aan mijn nicht haar vermogen uit te keeren en er bij te voegen, dat ik haar om wijze redenen tot nog toe verborgen had gehouden, hoe rijk zij was; maar valsche schaamte belette mij, dien stap te doen, daar ik vreesde, dat de ware toedracht der zaak bekend zoude worden. Ik smeekte derhalve den Heer Van Lintz, mij mijn goeden naam niet te ontrooven: ik stelde hem uw huwelijk met Henriëtte als een bepaalde zaak voor: ik bood hem mijn invloed bij onze bewindslieden, mijn hulp ter ontvluchting aan. Door mijn gebeden verwonnen, nam hij aan om, zoodra hij in veiligheid zou zijn en de tijding van uw huwelijk bekomen had, mij het noodlottig duplicaat toe te zenden.

Uw onberaden daad, om den man, van wien ik alles te vreezen had, in handen der Justitie te leveren, heeft al mijn pogingen verijdeld. Het bewuste stuk is daardoor, met de overige bij hem gevonden papieren, in beslag genomen, naar Amsterdam gezonden en in handen van den Heer Hoofdofficier. Zooeven kom ik van zijn kantoor. Hij had mij laten roepen om te vernemen, wat het opschrift: Inventaris der juweelen enz., toebehoord hebbende aan den Heer Hendrik Blaek en thans het eigendom zijner dochter Henriëtte Blaek, te beduiden had. Wat ik geantwoord heb, weet ik niet, maar ik weet wat bet gevolg zal zijn, indien dit stuk geopend wordt: en de schande, die mij wacht, wil ik niet beleven. God vergeve mij de misdadige wijze, waarop ik dit leven verlaat: Hij vergeve mij de slechte tucht, waaronder ik u gehouden heb, en doe u tot inkeer komen, opdat gij van den verkeerden weg terugtreedt, dien gij tot nog toe bewandeld hebt, en u spiegelt aan het vreeselijk voorbeeld van

Uw ongelukkigen vader

JACOBUS BLAEK.

„Gij ziet het, Mijne Heeren!” zeide Lodewijk, toen ik ten einde gelezen had, terwijl hij zijn hoofd in zijn handen verborg: „ik ben de oorzaak van mijns vaders dood. – Maar thans vraag ik u om raad, u, die tot nog toe alleen met het geheim bekend zijt, is er niets te doen om zijn nagedachtenis te sparen. – Wat Henriëtte betreft, zij zal hebben wat haar toekomt, en meer dan dat.”

„Mijnheer!” antwoordde Van Lintz: „de Heer Reynhove heeft, mij de mij ontnomen papieren teruggebracht: indien het bewuste stuk zich daarbij bevindt, zal ik het aan uwe nicht zenden. Zij alleen kan beslissen, wat daarmede gedaan moet worden.”

Hier werd aan de deur getikt en de Notaris aangediend, met wien wij den lijder alleen lieten: twee dagen later, gedurende welke ik, hem vaak bezocht had, blies hij den laatsten adem uit. Na het lijk te hebben doen kisten, nam ik, met dat overschot, en onze Hollandsche vrienden, de terugreis aan naar Amsterdam.

Het was, te Harlingen, dat ik afscheid nam van den Heer Van Lintz en zijn dochter, die nu voornemens waren hun reis te land voort te zetten. „Nu! mijn vriend!” zeide de eerstgenoemde, terwijl hij mij de hand schudde: „nu zal het toch eindelijk wel voor goed zijn, dat ik u vaarwel zeg. Veel zegen op uw ondernemingen; Ik draag u de belangen mijner nicht Blaek op, want ik verwijt mij half en half, dat ik er niet beter voor gezorgd heb; doch, zoo iemand, zult gij die behartigen: gij hebt er dubbele reden toe.”

„Ik vrees maar,” zeide ik, „dat zij nog te veel tegen mij zal ingenomen zijn, om mij tot haar zaakwaarnemer te benoemen.”

„Heb ik u niet van het tegendeel verzekerd?” zeide Amelia, langzaam het hoofd schuddende en op een toon van weemoedig verwijt: „ga tot haar, en vrees niet, haar de geheele, onbewimpelde waarheid te verhalen: zij zal u gelooven: – wees daar overtuigd van: en wanneer gij haar ziet, stel haar dan uit naam van haar nicht dit aandenken ter hand, en verzoek haar, het uit liefde voor mij te willen dragen.”

Dit zeggende, reikte zij mij een halsband toe, dien zij gedurende haar verblijf op Terschelling van haar eigen schoone haren gevloehten had, en aan welks uiteinde zij een effen gouden kruisje had vastgemaakt.

„En zult gij mij geen aandenken laten?” vroeg ik, terwijl ik haar met hartelijkheid de hand drukte. „Thans niet: ik zal wellicht u er een zenden, wanneer wij op de plaats onzer bestemming zullen zijn: – en dan wacht ik er een van u – en van uwe vrouw.”

Met deze woorden beantwoordde zij mijn handdruk, sloeg zich den sluier over ’t gelaat en stapte haastig in den wagen, die haar wachtte. Haar vader nam plaats nevens haar: de zweep des voermans klapte en het rijtuig voerde beiden uit mijn gezicht. Ik heb hen nooit teruggezien.

Achttien uren later was ik te huis, in de armen mijner moeder. Ik zal niet beproeven de gewaarwordingen te beschrijven, welke ons allen bij dit wederzien bezielden.

Den volgenden dag kwam Reynhove mij afhalen, om naar Mejuffrouw Blaek te gaan, die naar zijn zeggen, verlangd had, ons beiden te spreken. Wij vonden haar alleen, in een voegzaam rouwgewaad, bevallig als altijd, maar bleek, afgemat en diep bedroefd. Zij bloosde even toen zij mij wederzag, maar herstelde zich terstond, bood ons stoelen aan en zette zich over ons.

„Gij beiden, Mijne Heeren!” ving zij aan, „zijn getuigen geweest van het overlijden van mijn rampzaligen Neef....?”

„Ja Mejuffrouw! antwoordde ik, naar eenige papieren tasende, die ik in mijrokzak had: „en ik ben belast....”

„Een oogenblik!” hernam zij: „aleer wij over iets anders spreken, wenschte ik te weten, of iemand buiten u en den Heer Van Lintz kennis draagt van zekeren brief, door mijn oom aan Lodewijk geschreven?”

„Niemand,” antwoordde ik: „ik heb dien brief en zal u dien, zoo UEd. verlangt, ter hand stellen, benevens...,”

„Ik zal dien afwachten,” zeide zij: „maar vooraf moet ik u nog zeggen, dat ik een brief heb van mijn oom Van Lintz, waarin hij mij de aanleiding mededeelt, welke mijn ongelukkigen oom Blaek tot den stap, dien hij deed, bewogen heeft, en mij tevens een stuk zendt, volgens hetwelk ik recht op een aanzienlijk vermogen zou hebben. Ik heb geweend bij het zien van mijns vaders naamteekening, en bij de gedachte aan al de moeite, die de man zich gegeven heeft, om voor mij een vermogen te vergaderen; – ik heb die naamteekening er uitgesneden en het stuk zelf verbrand.”

„Hoe!” riep Reynhove verbaasd uit: „een zoo précieux document! ....”

„Ik ben te veel aan mijn oom verschuldigd, ik heb te veel bewijzen van zijn liefde ontvangen, om tot loon daarvan, nu hij dood is, zijn goeden naam aan te randen. Niemand dan ons is het geheim bewust. Lodewijk heeft het in het graf medegenomen: mijn oom Van Lintz zal zwijgen, indien ik het hem verzoek: ook van u, Mijne Heeren! wacht ik hetzelfde: men schrijft den dood mijns ooms aan een beroerte toe: – de ware toedracht der zaak kan dus voor elk verborgen bljven.”

„Maar weet UEd. wel, Mejuffer!” zeide Reynhove, „dat gij een important kapitaal hebt opgeofferd, ten gerieve van een paar dozijn collateralen, die er u geen dank voor zullen weten?”

„Mejuffrouw offert niets op,” zeide ik: „en, hoewel de verdiensten van haar handelwijze even groot blijven, de nadeelen daarvan worden geheel weggenomen door het stuk, dat ik de eer heb haar te overhandigen. Het is het testament van den Heer Lodewijk Blaek, natuurlijken erfgenaam zijns vaders, waarbij hij, op eenige legaten na, zijn nicht, Mejuffrouw Henriëtte Blaek, aanstelt tot zijn universeele erfgename.”

Henriëtte nam bevende het papier aan, dat ik haar ter hand stelde. Haar ontroering belette haar te spreken en zij antwoordde niets op de gelukwenschingen van Reynhove,

„Mejuffrouw!” vervolgde ik, toen zij weder wat bedaarder was geworden: „de overledene heeft in de laatste uren zijns levens verlangd, dat ik de man zou zijn, die u dit afschrift van zijn uitersten wil aanbood: hij voegde er bij, dat het u wellicht,... aangenaam zou zijn.... dat stuk uit mijne handen te ontvangen. Mag ik mij vleien, dat hij waarheid gesproken heeft?”

„Mijnheer!” antwoordde zij, terwijl een hoogrood haar gelaat overdekte: „het is u ongetwijfeld bekend, dat ik, op den morgen van haar vertrek uit Amsterdam, een bezoek heb gehad van mijn nicht Amelia.”

Ik zag verbaasd op. Zoo had die brave ziel niet geschroomd zich aan een wellicht onaangename ontvangst te vragen, om mijne voorspraak te zijn. Het stellige der verzekering, die zij mij gegeven had, was mij thans opgelost.

„En mag ik hopen,” zeide ik, „dat dit bezoek u gunstiger gedachten van mij heeft doen opvatten?”

„Amelia is een engel,” zeide Henriëtte, „en ik vergeef het u nooit, dat gij niet smoorlijk op haar verliefd zijt geraakt.

Wat zij zeide.... hoe zij.... in ’t kort, ik ben verplicht u verschooning te vragen voor de verkeerde gedachten, die ik van u had opgevat.”

Zes maanden later kondigde de Voorzanger in de Oude Kerk met zijn neusstem (waarvan in het derde Hoofdstuk dezer geschiedenis gesproken is), werkelijk aan, dat er trouwbeloften bestonden tusschen Willem Andries Reynhove, Heer van Wijdeplas, Groenewoud en Binnengeest, Jonkman, met Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck, Jonge Dochter: maar liet daarop een gelijke aankondiging volgen, betreffende Meester Ferdinand Huyck en Mejuffrouw Henriëtte Blaek.


Hier eindigt het verhaal van den Heer Huyck.
Daarachter stond, met de hand van Mejuffrouw
Stauffacher, het navolgende geschreven:

Indien het bovenstaande verhaal een roman ware, zou men den schrijver met recht ten laste kunnen leggen, dat hij den lezer in ’t onzekere laat omtrent het lot van sommige personen, die in zijn lotgevallen een merkwaardige rol spelen. Daar het echter zijn doel schijnt geweest te zijn, naar waarheid te vertellen wat hem overkomen is, moet men hem veeleer prijzen, dat hij niet meer heeft te boek gesteld, dan hij met zekerheid wist. Vreemd intusschen komt het mij voor, dat hij niet met een woord melding maakt van hetgeen er verder geschied is met den Baron Van Lintz en zijne beminnelijke dochter. Wellicht was hun latere levensloop aan zijne kinderen, voor wie hij zijn opstel vervaardigde, genoegzaam bekend. Wat mij betreft, ik wil niet ontveinzen, dat ik mij zeer teleurgesteld vond, toen ik, aan het slot komende, niet te weten kwam, of hij met den zwerver en zijn lieve dochter later nog door briefwisseling of anderszins de betrekking onderhouden bleef. Gelukkig echter kende ik den waren naam des mans, die in het Handschrift onder zooveel verdichte namen voorkomt, en wist ik uit de gesehiedenis, hoe hij den Russischen Czaar belangrijke diensten bewees en tot hooge waardigheden opklom, zonder echter ooit de bijzondere vriendschap des Alleenheerschers te verwerven. Dezelfde onbuigzaamheid van karakter, die hem vroeger reeds zooveel vijanden en tegenspoeden berokkend had, en die er met de jaren niet op verbeterd was, maar veeleer in balsturige hoofdigheid en wrevel ontaard, was niet geschikt om hem bemind te maken bij een vorst, die zelf een onverzettelijken wil bezat, waarnaar hij alles wilde doen buigen. Er ontstonden vaak hoog; loopende verschillen tusschen hen beiden: en: alleen het nut; dat hij begreep van den Baron Van Lintz te kunnen trekken, om zijn Moskovieten in bedwang te houden, weerhield Peter, hem naar Siberië te bannen. Wat Amelia betreft ziehier de narichten, die ik omtrent haar bekomen heb van lieden, die zich harer nog herinnerden. Zij leidde, in de eerste jaren van haar verblijf in Rusland, een stil en afgetrokken leven, en wederstond al dien tijd het verlangen baars vaders, dat zij zich ten hove zoude vertoonen. Eindelijk echter gaf zij toe, en schonk zelfs haar hand aan een gunsteling des Czaars, een beschaafd en waardig edelman, maar die tweemaal hare jaren had. Onzeker is het, of zij dit huwelijk alleen aanging om haar vader te believen: misschien was zij werkelijk den vreemdeling genegen en had zij de ongelukkige neiging, die zij in Holland had opgevat, overwonnen, welke haar handelingen bestuurde, meer dan de woorden van het verhaal doen vermoeden. Hoe dit zij, zij leidde een voorbeeldig leven, verspreidde weldaden om zich heen en stierf in hoogen ouderdom, gezegend door al wie haar gekend had.

De Heer Hoofdofficier Huyck en zijn brave gade hadden het geluk, meest al hun kinderen en zelfs ettelijke hunner kleinkinderen gehuwd en in goeden doen te zien. Uit den aanvang van het Handschrift kan men zien, dat het Ferdinand en den zijnen voorspoedig was gegaan: en nog zijn hun nakomelingen in Amsterdam en elders geacht en gezien. Ook Mevrouw Reynhove leefde zeer gelukkig met haar man, die, gelijk men heeft kunnen opmerken, innerljk veel beter was dan hij zich oppervlakkig had doen kennen. Zij wist hem met verstand te leiden en tot een nuttig en werkzaam leven op te wekken: hij zeide dan ook, na zijn huwelijk, of reeds vroeger aan alle slempmalen en wilde partijen vaarwel, klom tot hooge eereambten op en bewees den Staat belangrijke diensten.

Caspar Weinstübe, na vruchteloos gepoogd te hebben, zich toegang te verschaffen tot de hoogere kringen der maatschappij, en zich daar een echtvriend te zoeken, toch niet ongehuwd willende sterven, trouwde met zijn keukenmeid, bij wie hij ettelijke kinderen verwekte, die, betere opvoeding ontvangende, dan hem te beurt was gevallen, hun geringe afkomst langzamerhand deden vergeten: ook zij wonnen geld, en hun nageslacht verkeert thans dagelijks met die familiën, wier bekäntschafft de wellust van Caspar zou hebben uitgemaakt.

Van den Makelaar Velters heb ik weinig kunnen vernemen. Alleen blijkt mij uit een oud adresboekje, dat hij in de laatste helft der vorige eeuw Kerkmeester van de Ooster Kerk en dus nog in leven was. Hij schijnt wijselijk de, poëzie voor meer winstgevende werkzaamheden te hebben laten varen; althans gedichten van hem zijn nooit voorgekomen. De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. Gerustelijk mag men aannemen, dat hij het dubbele huwelijk, waar het verhaal mede sluit, zal bezongen hebben, en dat Tante Van Bempden niet achterlijk gebleven zal zijn een luisterrijk feest te geven.

Zacharias Heynsz ging ijverig voort met aan de Justitie trouwe diensten te bewijzen: met de aanvaarding zijner nieuwe betrekking zeide hij het schilderen vaarwel: en de kunst heeft er niet bij verloren.

Eindelijk kan ik hier nog bijvoegen, dat, volgens getuigenis mijner vrienden, een afstammeling van kleinen Simon den Marskramer, die sterk verdacht wordt gehouden van, op het voetspoor zijns voorvaders, der Politie bijwijlen ten dienste te staan, nog dagelijks op het Schapenplein te zien is, ’s winters met een vuurtest, ’s zomers met een schoenenbak, al roepende: „gheen dijt rijk, zoo waar zel je ghesond blijven.”

Marie Stauffacher.


[Hoofdstuk 37] [Jacob van Lennep pagina]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001