MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

BRIEF VAN DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER TOT INLEIDING DIENENDE.


Amsterdam, den....

Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van ongeveer drie-en-tachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het karakter, of, de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve, voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in betrekking geweest met een groot aantal van die personages, welke zich in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben verworven: vele hunner had zij zelfs van nabij gekend.

Quiconqae a basucoup vû
Peut avoir beaucoup retenu,

zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg gekroond werd, en had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende, zoogoed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende ook al de kleine anekdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt staan, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de echtheid daarvan niet dorst te twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans nit de eerste hand vernomen. Wat onze Nederlandsche familiën betreft, hoewel zij ruim vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de af komst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd, een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief. ’t Is waar, dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie aanleiding te geven.

Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als die van veel gezien en opgemerkt te hebben: – hoewel ook deze minder algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een gezond oordeel veel solide kennis, en was in de gelegenheid geweest, daarvan voor haarzelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken. Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen getrokken heeft. Zn bij die verstandelijke gaven voegde zij, – in weerwil van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en philosofen, met kwakzalvers en roués, in weerwil zelfs van het zwak, dat haar was bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij eener vrouw verbannen zoude, – een vromen, godsdienstigen zin: en haar werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op een onwankelbaren grondslag gebouwd.

Haar karakter was vroolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar het levendige, ja, ik zou zeggen, het kinderlijke van een jong meisje bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon maken: bijvoorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw De Montespan verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun miniatuuruitgaven en hun complete werken in één deel. Zij nam het zeer kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4º edities voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had gebannen en opgeofferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden te overwinnen; terwijl daarentegen, gelijk zij volhield, de muziek, die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was, en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte stem, een aria uit Blaise et Babet of Les trois Fermiers te zingen, of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid bezaten; – voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste is dat men hooren kan.

Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel; noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat, die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een welopgevoede muzikant, die zich, evenals alle verdienstelijke virtuozen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was aangespoord.

Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst, die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de le+erste beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en vernuftig als dat van den wijdberoemden kater Murr kan geweest zijn: en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door, heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen; het zou den kunstenaar, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt. Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat ze, ook na haar dood en zoolang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden, aan niets gebrek zou hebben.

Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij, uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt, nimmer terstond plompweg met de deur in huis te vallen: maar eerst eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer denzelfden dienst te doen, welken de pastijtjes en croquettes bewijzen wanneer zij het gebraad voorafgaan.

Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom met Mejuffrouw Stauffacher en haar alentours bekend maken, alvorens ik er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.

Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed, wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij haar genomen en zat, in afwachting cler koffie, tegenover haar voor het open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende, en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af vlogen, een blik toe te werpen, die zooveel aanduidde, als dat, indien zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen maken.

Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten, volgt, die zich vanzelf ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik recapituleerde bij mijzelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de misslagen en logens, voorkomende in zekere onlangs uitgekomene gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.

„Weet gij, wat mij verwondert?” zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering ontwakende.

„Wat? – Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te doen, dan een filtreerkan te gebruiken? – Gij hebt volkomen gelijk.”

„Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken, die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat naar mijn overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven, dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet dan door valsche of gedeelteljke opgaven een denkbeeld kunnen maken, die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoogoed te hanteeren weet als gij, er nooit aan gedacht heeft, zelve eens gedenkschriften te schrijven.”

„In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren betaamt het, eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene bezig houde.”

„Nu ja! – Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad, eenige boekdeelen te vullen.”

„Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer is na mijn dood vergeten te worden.”

„Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij in gezegend aandenken zult blijven: en het zou u zelfs leed doen te denken, dat die u vergeten konden.”

„Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zou geweest zijn, als schrijfster op te treden? – Zooals gij mij nu kent, houdt gij er van, mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw denken, als aan iemand, die nogal wat van den ouden tijd wist te vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of genen, die verkeerd onderricht is, toevoegt, hoe Jufvrouw Stauffacher, die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op haar woord geloofde, maar een schrijfster, die elk het recht zoude hebben met aanmerkingen en critieken op ’t lijf te vallen. – Spreek mij niet tegen,” vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als iemand, die niet overtuigd is: „ik weet het beter: – en dit ware niet alles; maar ik zou geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anekdote vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de beleefdheid hebt naar te luisteren, alsof zij u geheel nieuw voorkwam; – maar stond die eens gedrukt, dan zou ik immers den mond niet meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand mij op mijn boterham zou geven: „ja! dat hebben wij gelezen bladz. 53 van het Eerste Deel.” Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun dagelijksch bedrijf gezien: en ofschoon ik er geen kwaad in zie, over hen te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden, om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik gemaakt worden.”

„Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over ’t geheel mede gestreeld, wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben, waarde genoeg hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen, hoe.”

„Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam.”

„Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas hadt gebracht.”

„Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen, die er mede gemoeid zijn. Zou iemand zich b. v. de moeite ooit getroost hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrjven, die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden? – En echter vinden wij die in al de schoolboeken.”

„Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.”

„’t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik niet, of het mij gelukt zou zijn langs den door u aangewezen weg. Want het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid bezitten van die aaneen te voegen, indien men er een huis van wil bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anekdoten en grappen, ik diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan ’t lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedenleer bij te komen.”

„Hm!” zeide ik, glimlachende: „die zedenleer van de romans!”

„Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna schaamt, die gelezen te hebben; nu – voor mijn part, ik lees ze niet: ik hou mij bij ’t oude.”

„Er valt zeker niet veel op te roemen,” zeide ik, mij vermakende met de drift, waarmede zij sprak: „maar,” vervolgde ik, haar willende plagen door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: „daar is Fielding, met wien gij nogal ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch in zijn tooneelen.”

„Dat weet ik wel, en ik zou u ook niet zeggen, dat gij Tom Jones aan uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek geen goede zedenleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven, waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan: daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is, om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het kwade altijd zijn meester loont.”

„Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hiernamaals merkelijk verzwakt? – En leert ons eene, misschien ook wat oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft ?”

„Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan hecht: – verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke, onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar, geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niettemin leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den booze – want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te scheiden, goeden en slechten; – ik heb nooit zulk een volslagen schelm gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch daarentegen zondigt ook nog dagelijks – het moge, zooals ik zeide, den booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren (’t geen ik ook al niet geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een à plus forte raison); maar het gedane kwaad zal niettemin gevolgen hebben, die hem, soms na jaren en op ’t onverwachtst, voor ’t aangezicht zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen; maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets menscheljks paart, en vqj eigenlijk niets wezenlijk goeds kunnen uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zichzelf moet doen en niet om het loon, dat er uit voorkomt, en dat miskenning, ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn. Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg, welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschooning kunnen strekken, evenmin kan men beoordelen, of de oogenschijnlijk goede daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zichzelve te wijten heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zou men dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar oorsprong hebben in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger gepleegd.”

„Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid, indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat hij door eigen schuld ongelukkig ware?”

„Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons medelijden heeft.”

„Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij komt; doch – om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken, dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zou kunnen terugvinden, evenals men op een landkaart den oorsprong eener rivier kan opsporen.”

„Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Evenals de oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart kan gelegen zijn, evenzoo kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen, maar ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat elke levensgeschiedenis, mits naar waarheid geschreven, ons daarvan getuigenis geven zoude.”

„Nu! ik zou gaarne een zoodanige geschiedenis zien.”

„Ik zou gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de goedheid hebben, even aan de schel te trekken.”

De meid kwam. „Femmetje!” zeide mejuffrouw Stauffacher, haar den sleutelring gevende: „ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen te sluiten, als gij de kast weer dichtdoet: en neem het koffiegoed maar weg: Mijnheer drinkt toch niet meer.”

„Ziehier,” vervolgde zij, toen zij hst gevraagde uit handen der dienstmaagd bekomen had, „de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden; en ook zij moesten er de gevolgen van dragen.”

„En – de geschiedenis van de geschiedenis?”

„Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt: „oû trouvera-t-on le romanesque, si ce n’est dans les romans,” vroeg hij lachende. „Ja!” zeide ik: „dat is evenals de boef, die vroeg, waar de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?” – „Maar,” vervolgde hij: „ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden bestempeld worden.”

Le vrai peut quelquefois n’être pas vraisemblable,” zeide ik, maar voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans veroordeelde. „Nu!” zeide hij: „zoo ik op uw discretie staat kon maken, zou ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende, die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die nauwelijks in een roman zou aantreffen.” – Ik betuigde hem mijn verlangen om dat handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensch, en ik moest hem, na de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht hem afschrift er van te mogen nemen. „Daar heb ik niet tegen,” zeide hij: „op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de eerste veertig jaren niet: want er zijn te veel personen in gemoeid, wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij niet schelen: al wilde men het uitgeven; want dan zullen de daarin voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn.”

Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zou weten of het waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er mee naar welgevallen.” Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit haar eigen brein heeft tusschengevoegd, wil ik niet beslissen. Het laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar nauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en data heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken, kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren. Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop, tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd opgeroepen.

Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij het opruimen van oude papieren, onder de oogen kwam. Bij de herlezing scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen wekken, en dat, na verloop van zoovele jaren, geene zwarigheid meer bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend ik mij tot u, met de vraag of gij het peetschap over het papieren kind wilt op u nemen, overtuigd dat enz.....

Uw vriend
P.


Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn. Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven, echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat hiervan zij, ik geef het boek zooals ik het ontvangen heb: en heb er niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze e achter het onbepalend lidwoord en veelal ook achter de possessiva weglaat, tenzij wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen; misschien meer dan zijzelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik haar daarin geen ongelijk.

 

DE UITGEVER.


[Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 1]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.