MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN KRAAMKAMER.


Ten einde onze lezers in staat te stellen, zich terstond eenigszins van nabij bekend te maken met de hoofdpersonen van ons verhaal, zoo verzoeken wij hun, met hunne verbeelding terug te klimmen tot de maand Februari van het jaar 1666, en zich voorts te verplaatsen naar het Noordeinde te ’s-Gravenhage, en aldaar in de bovenzaal eener wel niet zeer aanzienlijke, maar toch deftige woning. Het vertrek, ofschoon niet zeer ruim te noemen, en dit nog minder schijnende dan gewoonlijk; ten gevolge van de buitengewone menigte van huisraad, die het bevatte op het tijdstip waarin ons verhaal aanvangt, was echter het grootste van het huis; en, was het al wat volgepropt met meubelen, de meeste dier meubelen getuigden toch niet alleen van den goeden smaak der bewoners, maar ook van den voornamen stand waartoe zij behoorden. Wel heerschte hier die pracht en kostelijkheid niet, die men in de pronkkamer der vermogende overheidspersonen of door de fortuin begunstigde kooplieden der zeventiende eeuw aantrof, en die doorgaans meer verblindde dan behaagde; maar tafels, stoelen en kasten waren naar het nieuwste fatsoen, en overal ontmoette het oog een menigte van die kleine, sierlijke, meestal onnutte voorwerpen, die in den winkel zeer duur zijn en bij verkoop niets opbrengen, en welke men nauwlijks behoeft aan te zien om er uit te besluiten, dat men zich bij jonggetrouwde lieden uit den deftigen stand bevindt. Wat echter meer dan al die snuisterijen voor het aanzien der bewoners sprak, waren de familiewapens, gedreven op de zilveren trommeltjes, die op de tafel stonden, gesneden in de bokaal, die den top des schoorsteenmantels versierde, gestikt in de geborduurde zitkussens op de stoelen, en gebeeldhouwd ir. de kroonlijst van het kabinet. Van die wapens vond men het eene terug op een schilderij, die naast de deur hing en een man vertoonde, in de kracht van zijn leven, edel van houding en gelaat, in volle wapenrusting, doch met het hoofd ontbloot, terwijl een Moorsche knaap den gepluimden helm achter hem droeg. Het portret eener vrouw in hofkostuum uit den tijd van Lodewijk XIII strekte tot pendant: en wie het paar aanschouwde, kwam terstond tot het drieledig besluit, dat het echtelieden waren, dat noch de een noch de ander in Holland waren geboren, en dat het ook geen Hollandsche meester was, die hunne afbeeldingen op het doek had overgebracht. Doch des te meer Hollandsch   –  wel niet in den engeren, maar in den aangenomen zin van ’t woord   –  en aan elken Hollander bekend, waren de gelaatstrekken van den grijsaard, wiens afbeeldsel, door Mierevelt geschilderd, naast den schoorsteen aan den wand prijkte. Het zwarte gewaad, de ketting om den hals, de pelsrok met bont gevoerd, de ernstige houding, alles kondigde den deftigen staatsman en geleerde aan: het niet minder deftige vrouweportret, dat tot pendant strekte, had men evenzeer aan het penseel van Mierevelt te danken. Niet van dezen schilder, maar van zijn niet min beroemden kunstbroeder Honthorst, waren de twee portretten, die aan den tegenovergestelden wand hingen. Het eene, mede oogenschijnlijk dat eens staatsmans, doch wiens kleederdracht iets meer modern was, werd gedeeltelijk verborgen door een ledikant, dat, als wij zoo aanstonds zullen zien, daar niet op zijn gewone plaats stond: het andere was dat eener zwierig gekleede vrouw, wier gelaat, ofschoon regelmatig en fraai, echter mishaagde door eene uitdrukking van spijtigen trots, welken de schilder maar al te getrouw op het oorspronkelijke had afgezien. Eindelijk, tegenover de deur en tusschen de kruisramen, zag men nogmaals het afbeeldsel herhaald des grijsaards, van wien wij reeds gewaagden” doch hier iets minder dan levensgroot en bezig om, uit een voor hem liggenden foliant, onderwijs te geven aan een knaap van ongeveer dertien- of veertienjarigen leeftijd.

Doch, wat op het tijdstip, waarin ons verhaal aanvangt, de oogen des bezoekers meer onmiddellijk tot zich getrokken zou hebben dan eenige schilderij, was een jonge vrouw, naast het turvenvuur, dat lustig aan den haard brandde, in een ruimen, wel met kussens opgevulden ziekestoel gezeten. De matte bleekheid van haar gelaat, het tochtschut, dat haar tegen den guren wind, welke op de ramen stond, beveiligde, de ongewone aanwezigheid, in dit vertrek, van het ledikant, waarvan wij gesproken hebben, doch bovenal die eener wieg, waarin een gebakerd kind lag te slapen, dit alles gezamenlijk duidde aan, dat het vertrek, waarin men zich bevond, aan zijn gewone bestemming onttrokken, tot kraamkamer ingericht geworden en onlangs getuige was geweest van een blijde verlossing. De jonge kraamvrouw was bleek, gelijk wij gezegd hebben, en hare gelaatstrekken waren meer regelmatig schoon dan bevallig, doch thans, zoo vaak zij haar bruine oogen op den zuigeling nevens haar sloeg, verspreidde zich een waas van beminnelijke zachtheid over heur gelaat, die de uitdrukking verteederde van haar niet levendigen, maar anders fieren en versmadenden blik. Aan dezelfde tafel als zij, was een meer bejaarde, in rouwgewaad gekleede vrouw gezeten, die men terstond aan de overeenkomst van trekken en gelaatsuitdrukking, voor de moeder der kraamvrouw herkennen kon: en half geleund tegen den stoel dezer laatste, stond de kraamheer, een beeldschoon man van tusschen de dertig en veertig jaren, wiens zware knevel en krijgshaftige houding zijn stand in de maatschappij genoegzaam aantoonden. Vergeleek men nu het drietal door ons beschreven personen met de afbeeldsels aan den wand, dan viel het niet moeilijk de betrekking te raden tusschen hen, die op het doek, en hen, die werkelijk leefden. Immers dan kon niemand twijfelen, of de beide afbeeldingen naast de deur waren die van de ouders des kraamheers. De kraamvrouw had de ronde kin, den aan de punt wat al te dikken neus en de kersroode lippen als gevormd naar die des grijzen staatsmans; doch daarentegen diezelfde donkere oogen en haren, welke men terugvond op het zwierig gekleede vrouweportret, waarvan wij gewag maakten: dit laatste was onmiskenbaar vervaardigd naar de vrouw in rouwgewaad, die aan de tafel zat, gelijk zij zich op jeugdiger leeftijd vertoonde: en evenzeer had deze weder een kennelijke gelijkenis met de beide portretten door Mierevelt. En wie nu geen volslagen vreemdeling in Den Haag was, die wist, dat de oude lieden naast den schoorsteen, niemand anders waren dan de als Raadpensionaris, maar vooral als volksdichter beroemde Jacob Cats en zijn huisvrouw: dat het evenzeer Jacob Cats was, die op de schilderij tusschen de ramen was voorgesteld, onderwijs gevende aan Prins Willem II: dat de Matrone, die aan de tafel zat en wier afbeeldsel aan den wand hing, de dochter was van den Raadpensionaris en de weduwe van den befaamden, door de Staatspartij zoozeer gehaten Cornelis Musch, in leven Griffier der Staten-Generaal: dat de kraamvrouw, Elizabeth Maria Musch, de dochter was van laatstgenoemd echtpaar en de wettige huisvrouw van den man, die over haar stoel leunde, met name van Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, Ritmeester in dienst der StatenGeneraal en zoon van wijlen den Kolonel Buat, wiens afbeeldsel naast de deur tegenover dat van zijne mede reeds overleden echtgenoote prijkte.

Uit een adellijk Fransch geslacht voortgesproten, zoon van een dier dapperen, die onder Maurits de kunst des oorlogs waren komen leeren en onder Frederik Hendrik tot hooger krijgsambten waren opgestegen, met voortreffelijke hoedanigheden naar ziel en lichaam toegerust, was de jonge Buat reeds van zijn vroegste jeugd af gerekend tot de zoodanigen te behooren, aan wie een glansrijke loopbaan beschoren was. Van omtrent gelijken leeftijd met Prins Willem II, was hij dezen door Frederik Hendrik als Page toegevoegd geworden, had hij hem op het oorlogsveld vergezeld en zich bij meer dan eene gelegenheid wakker onderscheiden. Na Willems noodlottig afsterven was hij een deel blijven uitmaken van de hofhouding des jongen Prinsen Willem III; doch, hoezeer zijn meeste dagen aan den dienst van dezen, zijn jongen meester, wijdende, meer dan eens, als de gelegenheid zich aanbood, toonde hij zich een wakker dienaar van den Staat. Vooral was dit het geval geweest in den jare 1659, tijdens den oorlog met Zweden, toen hij als vrijwilliger was uitgetrokken onder de ruiterbende, die, met het eskader van De Ruyter naar de Deensche kusten overgevoerd, zooveel bijbracht tot het bemachtigen van Nyborg. Wij lezen bij Brandt hoe hij, zich onder de troepen bevindende, die, met den kolonel Killegrew aan ’t hoofd, in sloepen van de vloot waren afgezonden om een landing te beproeven, en zwaren last leden van des vijands geschut, met het rapier in de vuist in het water sprong en aan de overigen het voorbeeld gaf om, onder een hagelbui van kogels, naar het strand te waden, de Zweedsche ruiters, die hen aldaar met groote overmacht afwachtten, kloekmoedig aan te tasten en na een hevig gevecht het veld te doen ruimen. De moed, door hem bij die gelegenheid betoond, was door de Staten-Generaal erkend geworden en Buat tot Ritmeester benoemd; maar het had hem niet mogen gelukken, zich na dien gedenkwaardigen dag door nieuwe heldendaden te onderscheiden. Volgens het stelsel der toen heerschende partij werden de gelden, waarover de Staat beschikken kon, dienstbaar gemaakt aan de uitbreiding van het zeewezen, en was het als verkeerde men in den waan, dat de Republiek alleen op zee kon beoorloogd worden. De verdediging van de landzijde daarentegen werd op de jammerlijkste wijze verwaarloosd, en de landmacht, voor zooverre zij anders dan op ’t papier bestond, bijna uitsluitend gebruikt om op de schepen dienst te doen: zoodat de officieren over ’t geheel weinig kans hadden om vooruit te komen, en nog blijde mochten zijn, indien zij niet afgedankt of op retraite gesteld werden.

Wat Buat betrof, hij meende, dat er nog een bijkomstige reden was, waarom voor hem in ’t bijzonder weinig kans bestond, om vooruit te komen. Opgevoed, en zijn jongelingsjaren doorgebracht hebbende aan het Hof der Prinsen van Oranje: begunstigd door Frederik Hendrik, vriend van Willem II, was hij met hart en ziel de belangen toegedaan van den zoon -des laatstgenoemden, en ijverig om waar hij kon, diens miskende rechten te doen gelden: en dit moest hem natuurlijk in de oogen der partij, die thans in Holland, en daardoor in de geheele Republiek, oppermachtig was, een slechte aanbeveling zijn. Zag men in een man als Tromp zijn Prinsgezindheid, zoolang De Ruyter afwezig was, over ’t hoofd, omdat men niemand buiten hem kende, in staat om een vloot te besturen en aan het zeevolk vertrouwen in te boezemen, landofficieren had men genoeg: en Buat begreep, dat hij nog dankbaar zijn moest, zoo men hem zijn Ritmeestersplaats wel wilde laten behouden. De gage, welke hij daarvoor trok, gevoegd bij die, welke zijn betrekking ten Hove hem opbracht, en de inkomsten zijner goederen in Frankrijk, hoezeer toereikend om een eenloopend gezel op een fatsoenlijken voet te doen leven, waren echter niet altijd geëvenredigd aan den staat, dien Buat in zijne betrekking begreep te moeten houden: en hiervan was het gevolg, dat bij, vooral wanneer, gelijk zulks dikwijls het geval was, de gelden, die hij uit Frankrijk wachtte, wat lang), uitbleven, of slechts ten deele inkwamen, in tijdelijke ongelegenheid geraakte. Hij had zich echter, zoolang hij vrijgezel gebleven was, buiten dringende schulden weten te houden; maar minder vroolijk werden zijn uitzichten, nadat hij in Maart 1664 een huwelijk uit liefde had aangegaan met Elizabeth Musch. Deze verbintenis, die voor hem, in andere tijden, hoogst voordeelig had kunnen zijn, was thans weinig geschikt om zijn tijdelijke belangen te bevorderen. De overleden Griffier was een der hevigste tegenstanders geweest van de Staatsgezinden; zij beschuldigden hem in ’t bijzonder, Willem II te hebben aangehitst tot het nemen dier doortastende maatregelen, welke de laatste jaren van ’s Prinsen bestuur hadden gekenmerkt: ja zijn nagedachtenis zelve was hun een gruwel. Ook zijn weduwe en dochter werden   –  wij zullen nader zien met welk recht   –   sterk verdacht gehouden van geheime deelneming aan elke kuiperij, die het herstellen van Willem III in ’t gezag zijner Voorvaderen ten doel had. Voor hem, die zich met haar verbond, waren dus geene gunsten noch ambten te hopen; en al bracht de jonge vrouw aan Buat iets ten huwelijk mede, de middelen, waarover zij te zamen beschikken konden, waren niet toereikend om hen in staat te stellen, in ’s-Gravenhage op een voet te leven, overeenkomstig met hun stand, en vooral met die behoeften, aan welke zij zich hadden gewend te voldoen. Wel hadden zij zich met een kleine woning beholpen; maar toch, in die woning mochten de gemakken en geriefelijkheden niet ontbreken, welke voor lieden van voornamen huize als onze beide echtelingen een tweede natuur geacht worden: er. het leven te ’s-Gravenhage was toen evenals thans, alles behalve goedkoop. De Weduwe Musch, hoezeer niet onbemiddeld, leefde op een deftigen voet, had meer kinderen dan Elizabeth, en ken voor deze dochter niet meer dan voor de overigen doen. Het was dan ook niet te verwonderen, dat Buat, hoezeer anders niet tot de zwaartillende lieden behoorende, de toekomst niet zonder eenige bezorgdheid inzag, en zulks te meer, sedert hij de heel> had van weldra vader te zijn. Die hoop werd in ’t begin van 1666 verwezenlijkt, niet lang nadat Buat teruggekeerd was van een uitstapje, hetwelk hij naar Bergen-op-Zoom gedaan had, waar zijn compagnie in garnizoen lag, of althans verondersteld werd te liggen: immers, naar de goede gewoonte van die dagen bestond zij (behalve uit den Ritmeester en den Luitenant, die doorgaans afwezig waren) alleen uit een Wachtmeester, een Sergeant-werver en een zestal ruiters, die nooit op ’t appèl verschenen, daar zij allen een beroep in de stad of in den omtrek uitoefenden. De overige manschappen moesten nog aangeworven worden.

Ritmeester Buat en zijn echtgenote Elizabeth kort na de geboorte van hun eerste kindDe voorspoedige verlossing van Buats echtgenoote, de goede gezondheid, welke kraamvrouw en kind genoten, en de vreugde van het vaderschap, hadden in de eerste dagen alle zwaarmoedige gedachten uit den geest van onzen Ritmeester verdreven; maar een paar min aangename ontmoetingen met lastige schuldeischers, en een allesbehalve opbeurend bericht, dat hem ter oore was gekomen, hadden hem, op den dag, waarop wij hem aan onze lezers voorstellen, niet weinig ontstemd. Voor het oogenblik echter had hij, in het bijzijn van vrouw en kind, zich weder geheel aan het gevoel van zijn geluk als echtgenoot en vader overgegeven:   –  doch er is dikwijls maar weinig noodig om het genot, dat iemand smaakt, te bederven: en zulks was ook hier het geval. Terwijl Buat, met een uitdrukking van blijde zaligheid in zijn schoone blauwe oogen, op het slapend wichtje staarde, vroeg Mevrouw Musch met een glimlach:

„Gij zijt er nu toch over getroost, Heer Schoonzoon! dat het kind maar een dochter is?”

Deze vraag wekte bij Buat de herinnering op van zijn benarde omstandigheden, en een floers van ontevredenheid bewolkte de helderheid van zijn blik.

„Niet alleen ben ik er over getroost, Mevrouw!” antwoordde hij : „maar ik ben er dubbel verheugd over, sinds er toch voor een zoon geen vooruitzichten meer bestaan.”

„En waarom niet?” vroeg lachende zijn vrouw: „Mr. Jan zal toch niet altijd regeeren, en,” vervolgde zij neuriënde

„Al is ons Prinsje nog zoo klein,
Al evel zal hij Stadhouder zijn,

en dan zal hij zijn oude getrouwe dienaars of hunne kinderen niet vergeten.”

.Amen!” antwoordde Buat: »maar gij moet niet vergeten, Betje! dat gij een kraamvrouw zijt en dat het zingen aan geen kraamvrouw past.”

,Jk wensch en bid van ganscher harte, dat de voorspelling spoedig vervuld worde,” zeide Mevrouw Musch, terwijl haar voorhoofd zich fronste: „maar voor het oogenblik zie ik er weinig kans op, en de Loevesteiners zitten zoo vast op ’t kussen als zij ooit gedaan hebben. Is niet De Witt zoo zeker van de afhankelijkheid der Staten, dat hij durft handelen alsof het gezag op hem alleen berustte? Heeft hij indertijd De Ruyter niet naar Guinea gezonden, zonder dat zelfs de Staten

Generaal, die ondersteld werden ’t besluit te nemen, er iets van afwisten? Heeft hij Tromp niet van het opperbevel over de vloot, dat hem van rechtswege toekwam, verstoken. ,om er zijn troetelkind, De Ruyter, mede te bek-leeden? Heeft hij, in de afgeloopen week, geen verdrag met Denemarken gesloten, zonder dat de Staten der Gewesten er kennis van hebben gedragen? iets, dat geen Stadhouder,. zelfs Frederik Hendrik niet, zich ooit zou hebben durven veroorloven?”

„Nu maakt URd. het toch wat te erg, Mevrouw!” zeide Buat: „dat verdrag is immers alom gepubliceerd?”

„Ja,” antwoordde Mevrouw Musch: „de zes eerste punten; maar er is nog een geheim punt, waarbij Denemarken zich verbindt, den oorlog aan Engeland te verklaren : en ziedaar wat in ’t geheim tusschen Amerongen en den Deenschen gevolmachtigde Clingenberg behandeld is.”

„Ik verwonder mij telkens over u, Mevrouw!” zeide Buat,. niet iets spotachtigs in zijn glimlach, „zooals alle geheime onderhandelingen terstond tot uwe kennis komen.”

„Men heeft ooren om te hooren, Heer Schoonzoon!” antwoordde de weduwe: „en er zijn altijd snappers genoeg, die meer vertellen dan zij moesten. Maar, om terug te komen op hetgeen ik zeide: heeft De Witt niet weten te bewerken, dat alle pogingen, aangewend voor de bevordering van Zijne Hoogheid, op niets zijn uitgeloopen? Heeft de voorspraak van ,den Keurvorst van Brandenburg wel iets gebaat? en heeft men het zelfs niet hoogst euvel opgenomen, dat een uitheemsch Vorst zich met de zaken van onzen Staat bemoeide? Heeft men het den Heer Van der Horst niet ten kwade geduid, dat hij Zijne Hoogheid onlangs te Rotterdam feestelijk onthaald ,en de verschuldigde eer bewezen had? ’t Is een schande voor het land! Vreemdelingen, als een Prins van Tarente, als Turenne, als Montbas, als Pain-et-Vin, zet men vooruit, en men onthoudt onzen Prins wat hem wettig toekomt. Ik wou dat nooit een van die Fransebe avonturiers hier een voet in ’t land gezet had.”

„Zeer verplicht, Mevrouw!” zeide Buat, terwijl hij lachte en een buiging maakte.

„Ik zeg dat niet voor u, Heer Schoonzoon!” hervatte Mevrouw Musch, eenigszins spijtig: „uw vader was een Franschman, dat is waar: maar hij is een trouw voorstander van de goede zaak geweest: en wat u betreft, gij hebt uwe dagen, van kindsbeen af, in Holland doorgebracht, en zoo gij .al van Fransche afkomst zijt, dan is liet dubbel lofwaardig in u, dat gij u met geen kuiperijen ten voordeele van Frankrijk inlaat!”

„Hoe fraai weet Moeder het weder goed te maken,” viel ,de kraamvrouw in: „nietwaar, Henry? Maar kom, wij moeten maar moed houden. De tijd zal toch eenmaal komen, dat de Prins zal zegevieren: geloof wat ik u zeg.”

„Wel mogelijk!” zeide Buat: „maar intusschen kunnen zijn vrienden wel geruïneerd worden.”

„Hoe meent gij dat?” vroeg Elizabeth, die, met den scherpen blik- eener beminnende vrouw, terstond bespeurde, dat de woorden van haar man niet losweg gesproken waren, maar een meer bepaalde beteekenis hadden.

„Och!” hernam hij: „ik spreek in ’t algemeen, en wil maar zeggen, dat de verheffing van den Prins nog zeer op zicht is, en onze haren wel grijs zullen wezen, eer wij er voordeel van trekken.”

„Neen!” zeide Elizabeth, hem met bezorgdheid aanziende: „gij verbergt mij iets, Henry! en dat is niet lief van u. Ik heb straks, toen wij het middagmaal hielden, reeds bespeurd, dat er iets was, wat u hinderde.”

„Och!” hernam Buat, de schouders ophalende: „’t heeft niets om ’t lijf: ’t zal misschien maar een los gerucht zijn en niets meer.”

„Maar wat wordt er dan verteld? Welk gerucht?” vroegen beide vrouwen uit éénen adem.

„Als ik het dan zeggen moet,” antwoordde Buat: „ik heb van morgen van den Heer Kievit vernomen, dat De Witt voornemens was de geheele hofhouding van den Prins te veranderen en er uitsluitend kreaturen van hem in te plaatsen.

„Inderdaad?” zeide Elizabeth, nog bleeker wordende dan zij reeds was: „maar dat zou ongehoord zijn!”

„Ik kan het nauwelijks gelooven; ik kan niet begrijpen, dat ik er niets van gehoord zou hebben,” zeide Mevrouw Musch, blijkbaar minder geraakt over het nieuws, dan over de omstandigheid, dat men er haar niet het eerst van onderricht had.

„Ik had het voor u bedekt willen houden,” vervolgde Buat tegen zijn vrouw: „want ik achtte het noodeloos, dat gij u vóór dien tijd verontrusttet; maar het is toch beter dat gij het van mij hoort, dan dat deze of gene gedienstige vriendin het u op ’t salet mededeelt.”

„Ongetwijfeld!” zeide Elizabeth: maar mijn hemel, Henry t wat zullen wij dan aanvangen, wanneer gij uw betrekking ten Hove verliest? Wij zullen ons moeten inkrimpen, en ik zie waarachtig geen kans om zuiniger te leven dan ik doe.” Bij deze laatste woorden, welke de jonge vrouw, die zich nooit een genot ontzegd had, met volle overtuiging uitsprak, begon zij bitter te schreien.

„Ziet gij, daar heb je ’t al,” zeide Buat, hare tranen wegkussende: „ik wist wel, dat het u zou aandoen. Intusschen, geen zorgen voor den tijd. Misschien is het maar een los praatje, dat op niets uitloopt: en in allen gevalle is het goed, vooraf gewaarschuwd te worden, dan kan men zijn maatregelen nemen. Op zijn ergst genomen, kunnen wij ons naar Bergen-op-Zoom begeven, waar ik toch ondersteld ben te wonen.”

„Gij zoudt Den Haag toch niet willen verlaten?” vroeg Elizabeth, hem met angstvalligheid aanstarende.

„Het zal wel noodig zijn,” antwoordde Buat, de schouders ophalende, „als wij er met fatsoen niet meer leven kunnen.”

„Ja, fatsoen of geen fatsoen,” hernam Elizabeth op een toon, die niet vrij van bitsheid was: „dit weet ik wel, dat ik bedank, om mij in een krot als Bergen-op-Zoom te gaan begraven.”

„Neen’’ zeide Mevrouw Musch, terwijl zij haar schoonzoon zoo verstoord aanzag, als had hij zich aan het grootste vergrijp schuldig gemaakt: „dat had ik niet van u verwacht, Mijnheer Buat! dat gij uw vrouw ooit zoudt willen dwingen, ver van haar familie en betrekkingen, in een akelige garnizoensstad te gaan leven.”

De goede Buat, geheel uit het veld geslagen door de wijze, waarop zijn zinspeling op een mogelijke verandering van woonplaats was opgenomen, haastte zich, een eerlijke retraite te maken. „Ik heb slechts bijwijze van onderstelling gesproken,” zeide hij: „en ik zou zelf weinig trek gevoelen om Den Haag te verlaten. In allen gevalle is het ons zeer aangenaam, Mevrouw!” hier boog hij zich hoffelijk voor zijn schoonmoeder, uwe meening op dit punt zoo duidelijk te mogen verstaan: en ik vlei mij dan ook, dat, zoo er ooit bezwaren waren tegen ons verder verblijf alhier, wij ons met ,des te meer vrijmoedigheid tot u zouden mogen wenden, ,om die uit den weg te ruimen.”

„Ik herhaal, dat ik nog niets van dat dwaze gerucht geloof,” zeide Mevrouw Musch, met voordacht over het laatste gezegde van Buat heenglijdende: en ik vlei mij ook, dat er niets van een dergelijke verandering zal komen. Doch in een zekeren zin spijt het mij niet, dat zulk een praatje loopt. Het zal de vrienden van den Prins wat wakkerder en waakzamer doen worden, dan zij in den laatsten tijd geweest zijn, ,en hen te meer aansporen om de handen ineen te slaan en zich onderling te verstaan tot omverwerping van het tirannieke bestuur, dat ons drukt.”

„UEd. spreekt er gemakkelijk over, Mevrouw!” zeide Buat; „doch volgens uw eigen gezegde van zoo straks is het gezag van den Raadpensionaris op dit oogenblik vaster geworteld dan ooit, en de tijd lang nog niet gekomen, waarop men met eenige vrucht zou kunnen weerstand bieden. Heeft hij niet in alle Staatscolleges zijn getrouwen, die naar zijn hand vliegen, en in alle kringen zijn verspieders, die hem van -alles onderrichten?”

Op dit oogenblik kwam de baker binnen, die een tijdlang afwezig geweest was, om de overblijfselen van het gehouden middagmaal naar de keuken te brengen.

„Menheir!” zeide zij: „daar was menheir Van Espenblad beneiden, die vraigt, of hei Menheir gein belet zal doen.”

„Nogal toevallig,” zeide Buat, halfluid tegen zijn vrouw. „wij spraken juist van verspieders.”

„Deze zal ons toch wel niet beluisterd hebben,” zeide Elizabeth: „ zult gij hem ontvangen, Henry?”

„Ik moet wel,” antwoordde Buat, terwijl zijn voorhoofd zich rimpelde, en hij moeite had een opwellenden zucht te bedwingen: „waar is die Heer?”

„De meid heeft hem in ’t zijkamertje gelaten,” antwoorddede baker.

„’t Is wel,” zeide Buat: „ sans adieu, Dames! Ik hoop, dat hij zijn bezoek niet lang zal rekken; en dan ben ik dadelijk weder bij u.”

Met deze woorden begaf hij zich naar voren om den bezoeker te ontvangen. 


[Jacob van Lennep pagina] – [Inleiding] – [2e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.