MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT VOORSTEL.


De man, die op dit oogenblik in het zijkamertje de komst van Buat zat te verbeiden, de Heer Van Espenblad, was een dier lieden, zooals men ten allen tijde in alle hofsteden aantreft,. die, zonder met iemand bijzonder bevriend, veelmin door iemand geacht of bemind te zijn, overal wel ontvangen worden en carričre maken, zonder dat iemand recht weet waarom.. Er had in Den Haag, sedert de laatste tien jaren, nauwelijks eenige belangrijke politieke handeling plaats gehad, waar Van Espenblad niet aan te pas was gekomen, en evenmin was er eenig feest gegeven, waar men hem niet op genoodigld had Hij scheen even onmisbaar op alle vroolijke partijen als in alle commissiën, en nauwelijks had men hem den kaatsbal zien slaan in het Bosch, of de dobbelsteenen werpen met de lustigste habitués der Oude Zwaan, of men kon hem in ernstige conferentie vinden met de leden van het Staatsbestuur, of met de gezanten van vreemde mogendheden. Zonder buitensporige uitgaven te doen, leefde hij op een ruimen, ja weelderigen voet, speelde zoo hoog men wilde, ontzag zich niet paarden te koopen voor een prijs, die aan den Spaanschen Ambassadeur te hoog was voorgekomen, toonde zich alom mild en royaal, en betaalde toch zijn schulden, tot verbazing van al wie hem van meer nabij kende, en tot ergernis van sommigen, die op de vingers wisten na te rekenen, dat noch het vermogen, hem door zijn ouders nagelaten, noch de ambten, die hij bekleedde, toereikende konden zijn om zijn verteringen te dekken. Ja, er waren er onbarmhartig genoeg, om te beweren, dat hij, om te leven als hij deed, oneerlijke middelen bij de hand moest nemen: de een hield staande, dat hij door De Witt betaald werd om het werk te doen waarmede deze zich niet bezoedelen wilde; een ander beschuldigde hem, geld te trekken voor de octrooien en privileges, welke de Staten verleenden; een derde verdacht hem, in soldij van Frankrijk te staan, tot welk vermoeden zijn om gang met den Franschen Ambassadeur d’Estrades eenigen voet gaf; een vierde ging verder, en beweerde, dat Van Espenblad, verre van eenige voorliefde voor Frankrijk te voeden, elke Mogendheid diende, die zijn diensten maar ruim genoeg beloonde; een vijfde eindelijk zeide, dat wanneer men al die beschuldigingen te zamen nam, men nog niet de helft genoeg gezegd had. Maar wat er van die praatjes wezen mocht, zeker is het, dat Van Espenblad er zich niet aan stoorde, maar even vroolijk en onbekommerd zijn gang ging, en dat zelfs zij, die ze uitstrooiden of die er geloof aan schenen te hechten, niet nalieten, hem het volgende oogenblik even beleefd te groeten, hem even voorkomend ten hunnent te ontvangen, of met hem uit te gaan: sommigen wellicht. omdat zij hem heimelijk vreesden, en ’t beter achtten hem tot vriend dan tot vijand te hebben; de meesten, omdat zij niet konden nalaten te erkennen, dat Van Espenblad, alles wel beschouwd, een aangenaam man in gezelschap was. Wat de politieke gevoelens van Van Espenblad betrof, zoover men die kon opmaken bij iemand, die met alles schertste en lachte, zoo scheen men uit zijn daden te moeten besluiten, dat hij der Staatsgezinde partij was toegedaan: en toch was hij altijd op den besten voet geweest met wijlen Mevrouw de Princesse Royaal, en was het nog met Mevrouw de Princesse Douairičre, en verzuimde nooit, aan deze laatste, zoowel als aan den Prins, op gezette tijden zijn opwachting te maken. Zoo op Honselaarsdijk als aan ’t Huis-ten-Bosch bleef hij een welkome gast, die een onuitputtelijke bron van onderhoud en vroolijkheid medebracht, en, in zijn kwinkslagen, noch den Raadpensionaris, noch diens broeder Cornelis, noch Pieter De Groot, noch Van Beverningk, noch eenen der leiders van de Staatsgezinde partij verschoonde. Vlug, vernuftig, gevat, en ook werkzaam, wanneer het er op aankwam, en een rond en open voorkomen medevoerende, ’t welk men zich bijna schaamde te wantrouwen, had hij in zijn uiterlijke niets van een diplomaat, en was daarom te meer geschikt om het te zijn. Uit dit laatste oogpunt hadden sommigen zich verwonderd, dat De Witt hem nooit een zending had opgedragen; maar anderen merkten hiertegen aan, dat de Raadpensionaris daartoe te veel doorzicht had: dat hij den man te wel kende om hem uit het oog te willen verliezen: dat hij hem juist bij zich hield, ten einde partij van hem te kunnen trekken, zonder zich door hem te laten verschalken. In hoeverre nu onze lezer uit al het gezegde in staat zal zijn om zich een goed denkbeeld van het karakter des Heeren Van Espenblad te vormen, laten wij daar: te meer, daar het vervolg van ons verhaal hem in staat zal stellen, met meerdere juistheid over zijn persoon te oordeelen. Het wordt nu tijd, dat wij tot ons verhaal terugkeeren, en den nieuwen acteur in ons drama sprekende invoeren.

„Wel! mijn waarde Ritmeester!” riep Van Espenblad, opspringende uit den leunstoel, waarin hij zich had neergevlijd, en met beide handen naar Buat toekomende: „het verheugt mij van harte, u thuis te treffen. Geluk, driewerf geluk met uw vaderschap: ik ware reeds vroeger bij u geweest, hadden de beslommeringen van dat fraaie tractaat met Denemarken niet al mijn tijd geroofd. En ik hoop, dat alles naar wensch gaat?”

Buat had bij het binnentreden zich bepaald bij het maken eener hoffelijke buiging; maar er lag zoo iets hartelijks in den toon, ja in de geheele houding, die Van Espenblad jegens hein aannam, dat hij, ondanks zich zelven, niet kon nalaten, die met wederkeerige hartelijkheid te beantwoorden, de hem toegestoken handen aan te nemen en te schudden, en met ,een vroolijken blik te zeggen: „Wel zeer verplicht voor uwe deelneming: alles gaat door Gods goedheid bij uitstek voorspoedig.”

„Nu, dat verheugt mij recht,” hernam Van Espenblad, na,dat beiden onder de gebruikelijke plichtplegingen hadden plaats genomen: alleen vrees ik maar, dat, nu gij, behalve een lief jong vrouwitje, ook nog een aanvallig wichtje gekregen hebt, gij wel geheel en al aan uw huis zult gekluisterd wor,den, en wij, vrijgezellen, minder kans dan ooit zullen hebben, u in de herberg te ontmoeten.”

„Op mijn woord,” zeide Buat, bij wien het gewag maken van de herberg de onaangename herinnering deed ontstaan van eenige aldaar aangegane schulden wegens spel en vertering, en wiens gelaat eenigermate betrok: „op mijn woord, ik geloof, dat ik daar al dikwijls genoeg ben geweest.”

„Hoor eens,” hernam Van Espenblad, met. opzet de woorden van Buat in een anderen zin opnemende dan waarmede zij gesproken waren; „het is braaf en goed, op zijn tijd, den huisvader te spelen; doch gij moet uw oude vrienden niet geheel verwaarloozen. Wij zouden te veel spijt hebben, indien wij uw gezelschap bij voortduring misten. Als wij rondom den haard zitten te keuvelen, weet ik er weinig, die zoo vroolijk en onderhoudend praten als gij, en als wij aan de speeltafel zitten, ken ik niemand, die zich altijd zoo kordaat: houdt, en op wiens gelaat het minder te zien is of hij wint dan of hij verliest,”

„UEd. herinnert mij, dat ik nog een kleine schuld aan u heb,” zeide Buat, kleurende: „en ik schaam mij, u die nog niet voldaan te hebben. Maar mijn reis naar Frankrijk en de daarop gevolgde drukten aan mijn huis hebben mij belet mijn plicht hieromtrent na te komen. Ik zal echter....” Hier stond hij half op, als om het geld te gaan halen, hoewel hij volkomen overtuigd was, dat hij de noodige som op dat oogenblik vruchteloos in zijn huis zou zoeken.

„Wel, wie dacht daaraan?” vroeg Van Espenblad, terwijl hij goedmoedig lachte en de hand op den arm van Buat legde, om dezen weder tot zitten te noodzaken: „ik waarachtig niet. Gij stelt u, hoop ik, niet voor, dat ik kom manen om die ellendige twee- of driehonderd kronen, ik weet zelf de juiste som niet meer. Ik had geene andere bedoeling, dan u geluk te komen wenschen.” „Honderdvijfenzeventig kronen,” zeide Buat: „het is mij niet ontgaan, en daar het een schuld van eer is, mag ik niet langer verzuimen er mij van te kwijten. Het spijt mij,” vervolgde hij, met het pijnlijk gevoel dat ieder welgeaard mensch bezielt, wanneer hij zich genoodzaakt ziet, de toegevendheid in te roepen van iemand, wien hij in den grond achting noch vertrouwen kan schenken: „het spijt mij inderdaad; maar ik durf u gerust bekennen, dat die bevalling mijner vrouw bij mij een groote schaarschheid aan comptanten heeft veroorzaakt...., intusschen, ik wacht eerstdaags het geld van de houtverkooping in mijn goed van la Foręt de Gest.”

„Gekheid,” zeide Van Espenblad: „’t is geen schuld van eer: had ik het u met spelen afgewonnen, dan ware het een snder geval geweest: of liever, dat geval had nooit kunnen plaats hebben; want gelijk gij weet,” vervolgde hij, langzaam een snuifje nemende uit een fraaie porseleinen doos: „ik speel nooit op krediet: argent sur table is mijne leus.... Maar ’t is geld, dat ik u geleend heb om te spelen, en ik heb u gezegd, dat ik met de terugbetaling geen haast had.”

„Zeer edelrooedig van u,” zeide Buat: „maar ik beken u, dat ik de fijnheid van het door u gemaakte onderscheid niet vat, en mij evenzeer verplicht gevoel om u terug te geven, wat u naar rechte toekomt.”

„Vat gij het onderscheid niet?” vroeg Van Espenblad, lachende: „dat komt, omdat gij geen jurist zijt. Hoor eens!” vervolgde hij, terwijl hij zijn rechterbeen over het linker legde en met de fraaie blanke vingers de snuif van zijn das knipte: „een speelschuld geeft aan den winner geene vordering in rechten, en deze heeft voor de voldoening geen anderen waarborg dan de eer des verliezers.”

„Dat weet ik,” zeide Buat, wien het onderwerp van het gesprek slechts matig beviel: „rnaar....”

„Maar tusschen ons is de zaak geheel anders,” vervolgde Van Espenblad, zonder op de stoornis acht te geven: „ik sta tegen u over als geldschieter, en heb eene schuldbekentenis in optima forma van u te huis liggen, welke schuldbekentenis ik u kan doen aanbieden, wanneer het mij goeddunkt, en op grond waarvan ik u, in geval van wanbetaling, voor den rechter zou kunnen roepen. Zie! dat maakt een notabel verschil.”

„Ik ben er ten volle van overtuigd,” zeide Buat, zich op de lippen bijtende tot op het bloed.

„Maar, gelijk ik u reeds gezegd heb,” hernam Van Espenblad: „ik heb met de zaak hoegenaamd geen haast en zal uw convenientie afwachten. Zou ik een krraamheer willen lastig vallen? Wel foei!”

„Convenientie of geen convenientie,” zeide Buat, wien het denkbeeld van te moeten afhangen van de goede gezindheid van Van Espenblad, hoe langer hoe onverdraaglijker werd: „ik wil geen schulden hebben en ik zal zorg dragen, dat het geld u van deze week worde ter hand gesteld,”

„Doe dat toch niet,” hernam van Espenblad: „ik weet, hoe dat in een jeugdig huishouden toegaat: de crediteuren schieten op als paddestoelen, en men weet niet waar zij vandaan komen. Het zou mij geweldig hinderen, indien gij, door mij te betalen, misschien genoodzaakt waart, anderen te ]aten wachten, die het meer noodig hebben dan ik.”

Van Espenblad kon niet juister treffen, en al zijne woorden waren dolksteken in ’t hart van den armen Buat, die juist dien morgen vernieuwde aanvragen had bekomen van den behanger en van den schrijnwerker om hunne rekeningen te voldoen. Beiden waren huisvaders, en Buat wist, dat zij om hun geld verlegen waren. „Mijnheer!” zeide hij, zijn wrevel niet langer verkroppende: „wij moesten, dunkt mij, dit onderwerp laten varen. Ik heb Ooddank! nog middelen genoeg om 100 percent uit te betalen aan al wie iets van mij te vorderen heeft.”

„Het was volstrekt mijn doel niet,” hernam Van Espenblad, „eenige de minste onaangename gewaarwording bij u te doen oprijzen. Ik heb daartoe te oprechte genegenheid voor u; en diezelfde genegenheid spoort mij aan, u met belangstellenden raad te dienen, op het gevaar af van onbescheiden te zijn. Hoor eens:” vervolgde hij, zijn stoel naderbijschuivende en sprekende op dien toon van vertrouwelijke openhartigheid, waarmede hij de harten, ook huns ondanks, wist in te nemen: „ik ben zelf nooit getrouwd geweest; maar ik heb genoeg ondervinding, om te weten hoe dat gaat in de wereld en vooral in onze dure Haagsche wereld, wanneer jongelieden van uwen rang en stand een huishouden beginnen. Te bezuinigen, te bekrimpen, zie, dat behoort onder de onmogelijkheden. Men moet voor zijn fatsoen wel meedoen: en dan is ’t niet genoeg, een mooi stuivertje, als men ’t noemt, te hebben, men moet rijk zijn, om het vol te kunnen houden. Van de tien huisgezinnen, die ik gekend heb of nog ken, zijn er negen, die meer dan hun inkomen verteren. Dan moet men wel of schulden maken, of zijn toevlucht nemen tot woekeraars: en in dit laatste geval is men er nog erger aan toe: ’t is slechts een verplaatsing, en daarbij vermeerdering van schuld, en de vervaldag moet toch eenmaal komen. Nu heb ik niet in uwe kas gekeken; maar ik onderstel, dat het bij u toch wel zoo gesteld zal zijn als bij de overigen.”

„Mijnheer!” riep Buat uit, wiens drift, een wijl door den „gemoedeljken toon van Van Espenblad nedergezet, bij deze directe toespeling op zijn eigen toestand weder in vlam geraakte: „met welk recht moeit gij u in mijne zaken?”

„Met het recht, dat elk verstandig en menschlievend arts hoeft, om de kwaal bij haar naam te noemen, wanneer hij tevens het middel ter genezing aanbiedt,” antwoordde Van Espenblad, altijd even bedaard en zonder zich van zijn stuk te laten brengen.

Het middel ter genezing?” zeide Buat, verast.

„Althans in zekere mate,” herhaalde Van Espenblad: „zie! Ik zou ongaarne zien, dat iemand, in wien ik belang stel, onvoorzichtigheden deed, vooral wanneer ze onnoodig waren. Gij zoudt misschien uw goederen in Frankrijk bezwaren, geld opnemen of iets dergelijks. Liever, dan dat ik u hiertoe over zag gaan, wachtte ik al mijn leven naar mijn geld: en zie! het zou u gemakkelijk vallen, mij met gesloten beurs te betalen.”

„Hoe meent UEd,?” vroeg Buat, met open mond en verwonderde oogen op hem starenade.

„Hoor eens! Gij waart vroeger zeer bevriend met Sylvius, den voormaligen Hofmeester van wijlen de Princesse Royaal, en die, sedert haar dood, in dienst van haar broeder, den Koning van Engeland, is overgegaan.”

„Welnu?” vroeg Buat, al minder en minder begrijpende, waar de ander heen wilde.

„Welnu!” zeide van Espenblad: „gij waart dan met hem bevriend en hebt met hem een vrij drukke correspondentie blijven onderhouden.”

„Ik hoop niet, dat men zulks als landverraad zal aanmerken,” zeide Buat, gedwongen lachende.

„Hm!” zeide Van Espenblad, den duim en voorvinger in zijn snuifdoos dompelende: „er zijn hier rigoristen, die, nu wij met Engeland in oorlog zijn, een geheime correspondentie met ie mand, die in Engeland woont, vooral met een dienaar des Konings, al is het een Nederlander, hoog zouden kunoen opnemen; maar, wat mij betreft, ik zou alleen vragen: is de inhoud der correspondentie misdadig? en mijn oordeel richten naar het antwoord, dat ik op die vraag bekwam. Wat daarvan zij, gij ontkent niet dergelijke briefwisseling onderhouden te hebben?”

„Mag ik weten,” vroeg Buat, wien de snaren, welke Van Espenblad thans aanroerde, even onaangenaam, zoo niet onaangenamer, in de ooren klonken, als die, welke hij vroeger bespeeld had: „mag ik weten of mij hier een geheim verhoor wordt afgenomen?”

„Juist,” antwoordde Van Espenblad: „en wel zoo geheim, dat niemand er, buiten ons beiden, iets van weet. Nu! gij erkent alzoo dat gij met Sylvius correspondeert, en dat gij”   –  hier bracht hij het genomen snuifje aan den neus en snoof het met blijkbaar behagen op   –  „met gemelden Sylvius, op uw terugreis uit Frankrijk, te Antwerpen, conferenties gehouden hebt.”

„Maar wat begeert gij toch? Waar wilt gij heen?” vroeg Buat, meer en meer onrustig wordende.

„Nu! er steekt geen kwaad in,” zeide Van Espenblad, terwijl hij zijn doos weder dichtsloeg: „men kan een oud vriend toevallig ontmoeten, en dan is het natuurlijk, dat men te zamen over verledene   –  misschien ook over toekomstige zal en spreekt. Ik zie daar niets strafbaars in: integendeel, ik zie in uwe vriendschap met Sylvius een gelegenheid, welke zich als van zelve voor u opdoet, om den Staat grooten dienst en u zelven voordeel te doen.”

„Hoe moet ik dat verstaan?” vroeg Buat, wiens hoofd zich in gissingen verloor.

„Luister!   –  Die oorlog met Engeland kost ons jaarlijks ontzettende sommen: en de Provincien roepen luidkeels om vrede. Nu zou men dien misschien kunnen verkrijgen door onderhandeling; maar die weg is altijd omslachtig en langzaam, wanneer hij niet vooraf ornder de hand is voorbereid: en daartoe kunt gij ons van nut zijn.”

„Ik!” herhaalde Buat.

„Ja:   –  gij gaat voort met aan Sylvius te schrijven: verre van uwe correspondentie te bemoeilijken, zal men die integendeel gemakkelijker pogen te maken. Nog meer! gij tracht, door zijn tusschenkomst, u in betrekking te stellen tot een of meer van hen, die thans het oor des Konings hebben, tot Arlington of tot Glifford b. v. Gij onderhoudt u met hen over ’s Lands aangelegenheden, over de beste middelen om tot een eerlijken vrede te geraken.... en gij bezorgt de antwoorden, die gij ontvangt, aan den Heer De Wit.”

„Hoe!” riep Buat verontwaardigd uit: „versta ik u wel?”

„En voor de moeite, die gij neemt,” vervolgde Van Espenblad, op den koelsten toon mogelijk, en als sprak hij over de loffelijkste transactie, die er bestaan kon, „beginnen wij met uwe schuld aan mij vereffend te rekenen, en wordt gij, later, wanneer de uitslag aan onze wenschen beantwoordt, rijkelijk beloond.”

„En gij gelooft, dat ik mij tot zoo iets leenen zou?” zeide Buat, terwijl hij hevigen lust gevoelde, het venster te openen en er Van Espenblad uit te werpen.

„En waarom niet?” vroeg deze: „het is een dienst, welken gij aan den Staat bewijst, en waardoor gij aanspraak maakt op de erkentenis van alle goede ingezetenen.”

„Zeg liever, op hun verachting!” zeide Buat: „hoe! een dubbelhartige rol te spelen! het vertrouwen eener correspondentie te schenden! mij tot verklikker, ja tot verrader te verlagen! en dat is een taak, die gij durft gelooven, dat een edelman, een man van eer, op zich zou nemen?”

„’t Is, dunkt mij, een zeer geoorloofde krijgslist, zooals men die tegen vijanden in ’t werk mag stellen,” zeide Van Espenblad: „maar ik vergeet, dat gij misschien de Engelschen zoozeer niet als onze vijanden beschouwt.”

„Mijnheer!” zeide Buat, zonder deze laatste opmerking te beantwoorden: „ik ben een krijgsman, en heb nooit dan met open vizier en loyale wapenen gestreden.”

„Uitmuntend!” zeide Van Espenblad: „in den slag heb ik daar vrede mede, ofschoon ik nooit gehoord heb, dat, een goed Generaal een krijgslist, ja desnoods het bezoldigen van geheime diensten als beneden zich achtte. Maar op het veld der staatkunde is de strijd, dien men voert, noodwendig een bedekte strijd, en moet men wel zijn toevlucht tot list nemen, om er de list der tegenpartij mede te keer te gaan. Denkt gij niet, dat zoowel Engeland als Frankrijk hier evenzeer hun correspondenten hebben, die hen inlichten omtrent hetgeen hier voorvalt? En is het niet de plicht onzer Staatslieden, van hunne zijde, gelijke middelen aan te wenden om de belangen van ons Gemeenebest te bevorderen?”

„Ik herhaal het u, Mijnheer!” zeide Buat: „ik ben geen Staatsman. Zoo ik het ware, zou ik misschien denken zooals gij, en begrijpen, dat het mijn plicht ware, verraders te bezoldigen; maar in geen geval zou ik zelf de bezoldigde verrader willen wezen,”

„Maar hoe kunt gij dat woord van verrader hierbij te pas brengen?” vroeg Van Espenblad, de schouders ophalende: „indien men u voorstelde, de geheimen van onzen Staat aan een vreemde Mogendheid over te brengen, en gij neemt dat aan, dan, ja, zoudt gij dien naam verdienen; maar hier wordt integendeel gevergd, dat gij in belang van Hun Hoogrnogenden, in wier dienst gij staat, het uwe bijdraagt, om door gepaste middelen, en die niets schandelijks in zich hebben, den vredehandel te bevorderen. Steekt daa,r nu zooveel kwaads in, dat gij het voorstel, daaromtrent gedaan, met zooveel verachting verwerpt?”

„Ik kan tegen u niet redeneeren, Mfijnheer Van Espenblad,” zeide Buat met waardigheid: „maar mijn hart zegt mij, dat een taak, als die gij mij wilt opdragen, het karakter vernedert van den man, die er zich mede afgeeft: en ik verklaar ronduit, niet te beseffen, hoe gij mij met zulk een voorste1 aan boord hebt durven komen.”

„Wel, ik kom er u mede aan boord,” hernam Van Espenblad, „omdat juist gij met Sylvius correspondeert, en dus een onderhandeling, als die ik bedoelde, reeds door die correspondentie is voorbereid.   –  En dan is er nog iets, dat ik u, als vriend, in overweging moet geven: of niet juist uw bereidvaardigheid in het aannemen van mijn voorstel het beste middel zoude wezen om aan den Heer De Witt en aan anderen, die uwe bedoelingen verdenken, te bewijzen, dat uw vorige brieven aan Sylvius en uw gesprekken met iemand, die bekend staat alles behalve op de hand van onze Regenten te zijn, volkomen onschuldig waren, en dat gij integendeel bereid zijt het Land te dienen als een vroom Patriot.”

„Mijnheer!” zeide Buat, opstaande: „ik weet niet, of ik deze laatste woorden als een bedreiging moet opvatten;   –  maar dit verklaar ik u, dat aanbiedingen noch bedreigingen in staat zullen zijn, mij van besluit te doen veranderen.” „Zooals gij wilt,” zeide Van Espenblad, op een onverschilligen toon, en terwijl hij insgelijks opstond: „ik dacht, dat het eenvoudig middel, ’t welk ik u aanbood, om uw financiën te herstellen en u in beteren reuk te brengen bij onze Regenten, u niet onwelkom zoude wezen. Maar gij wilt er niet van hooren: basta! geen woord er meer over gesproken. Zullen wij hedenavond het genoegen hebben, u in de Kaatsbaan te zien?”

„Ik zal hedenavond het genoegen hebben,” zeide Buat, met een stijve buiging, om mij ten uwen huize te vervoegen, en mijn schuld bij u af te doen.”

„En u, uit een valsch begrip van eer, in ongelegenheid te brengen,” zeide Van Espenblad: „ik vertrouw, dat gij, verstandiger zult handelen en nog eens nadenken over ons gesprek. Misschien komt gij wel tot andere gedachten.”

„Nimmer!” zeide Buat.

„Patiëntie!” zeide Van Espenblad: „Wees in dat geval voorzichtig met betrekking tot hetgeen gij schrijft, en bedenk dat verstandhouding met den vijand een staatsmisdaad is, waar hier te lande niet mede gespot wordt.”

„Sylvius was de vriend mijner jeugd,” zeide Buat: „en hij is toch geen vijand van onzen Staat. Wat ik hem geschreven heb, wil ik desnoods op de daken verkondigen.”

„Des te beter,” zeide Van Espenblad: „des te beter! Nu, gij zijt gewaarschuwd.   –  Vaarwel! en moge het zich spoedig met de kraamvrouw schikken.” Met deze woorden schudde hij de hand, die Buat hem niet dan met tegenzin gaf, en verliet het huis.


[Jacob van Lennep pagina] – [1e hoofdstuk] – [3e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.