MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

DERDE HOOFDSTUK.

’T WELK AANTOONT, HOE ALLE ZAKEN TWEE KANTEN HEBBEN.


Nauwelijks had Buat de huisdeur achter Van Espenblad gesloten, of hij snelde de drie treden op, welke aan ’t eind van de gang naar de achterzaal voerden, en trad met onstuimigen tred binnen.

„Wat scheelt er aan, Henry?” vroeg zijn vrouw met een glimlach: „gij schijnt te vergeten, dat gij in een kraamkamer komt, en moogt een anderen keer de deur wel wat zachter openen en sluiten.”

„Vergeef mij,” antwoordde Buat, terwijl hij de baker, die met het kind nevens den haard zat, schuins nanzsg: „het was.... ik dacht.... ik zocht....”

„Hapert er iets aan?’ vrocg Mevrouw Musch: „die Mijnheer Van Espenblad heeft het vrij lang gemaakt, dunkt mij. Welk nieuws heeft hij u al zoo medegedeeld?”

„Nieuws?.... geen nieuws ter wereld!” zeide Buat verstrooid.

„Wat schort u toch, Henry?” vroeg Elizabeth, met blijkbare ongerustheid.

„Niets, lieve engel, niets!” antwoordde hij: „kunt gij mij den sleutel ook geven van de verlakte doos?”

„Heden! moet gij dien juist nu hebben?” vroeg Elizabeth! „ik weet waarlijk voor ’t oogenblik niet, waar ik hem gelaten hcb.”

„Niet?” vroeg Buat, met zulk een uitdrukking van ontsteltenis op het gelaat, dat zijn vrouw er van verschrikte.

„Mijn hemel, Buat!” zeide zij: ”Gij maakt mij doodelijk verlegen. Wacht, ik weet het al: de sleutel zit aan den ring. Och baker! geef mij mijn naaikistje eens aan.”

„Hier is het al,” zeide Buat, haastig naar het hoektafeltje gaande, waar het kistje op stond: en dit laatste openende haalde hij er den sleutelring uit.

„Wat zoekt gij toch,” vroeg zijn vrouw, „waar zulk een haast bij schijnt te zijn?”

„Niets belangrijks,” antwoordde Buat, en meteen, het kabinet openende, nam hij er een Chineesch verlakte doos uit, ontsloot die met behulp van eenen der sleutels, die aan den ring zaten, en doorzocht toen eenige papieren, welke de doos bevatte. Het scheen dat hij het voorwerp zijner nasporingen niet spoedig genoeg naar zijn zin kon vinden; althans hij bleef een geruimen tijd het eene papier voor, het andere na, opnemen, en weder in de doos werpen, terwijl het ongeduld op zijn gelaat te lezen stond.

„Wat zoekt gij toch?” vroeg Elizabeth, met klimmende nieuwsgierigheid. „Den laatsten brief van onzen vriend in Engeland,” antwoordde Buat, in ’t Fransch, om door de baker niet verstaan te worden: „ik dacht, dat gij hem hier geborgen hadt.”

„Dat had ik ook,” antwoordde zij, in dezelfde taal; „maar ik heb hem sedert aan Neef Kievit geleend, die hem wenschte te lezen.”

„Een fraaie zaak!’ riep Buat, verdrietig de doos dichtslaande: „en Neef Kievit heeft hem zeker, met zijn gewone voortvarendheid en nonchalance, aan zijn zwager Tromp uitgeleend, en deze aan Van der Horst, en deze weer aan een ander, zoodat hij zich nu de hemel weet waar bevindt!”

„Wel wat zou dat?” vroeg Elizabeth: „Er staat immers in dien brief niets, of iedereen mag het lezen?”

„Alsof dat iets beteekende?” hernam Buat: „hoe licht kunnen de eenvoudigste zaken verdraaid en in een slecht daglicht worden voorgesteld. Het is al erg genoeg, dat lieden, als de man dien ik daareven bij mij had, en zelfs de Raadpensionaris, weten, dat ik met S. correspondentie houd.”

„Weet de Raadpensionaris dat?” vroegen de beide Dames, als uit éénen mond.

„Ja! anders zoude hij mij niet door zijn handlanger het infame voorstel hebben durven laten doen, hetwelk ik van dezen heb moeten hooren.”

„En wat is dat?” vroegen beiden.

Buat deelde haar, altijd nog in de Fransche taal mede, wat eigenlijk, meer dan een bloote aanbieding van gelukwensching, de reden van de komst van Van Espenblad geweest was.

De oogen van Elizabeth fonkelden van verontwaardiging, terwijl haar echtgenoot sprak; haar moeder daarentegen luisterde met blijkbare aandacht; doch haar gelaat scheen, vreemd genoeg, eer tevredenheid dan afkeuring te kennen te geven, en, toen Buat gesproken had, vroeg zij op zeer bedaarden toon:

„En wat hebt ge op den u gedanen voorslag geantwoord?”

„Hoe!” riep Buat verrast uit: „kunt gij u dan voorstellen, Mevrouw! dat ik eenig antwoord zou hebben kunnen geven, dan hetgeen, dat van elk man van eer op een zoodanige propositie, moest wezen?”

„Gij hebt haar dus gansch en al afgewezen?” vroeg de weduwe, blijkbaar eenigszins teleurgesteld.

„Wel ongetwijfeld! en voorgoed,” antwoordde Buat, terwijl hij, zoowel als zijn vrouw, Mevrouw Musch met bevreemding aanstaarde.

„Mij dunkt,” hernam deze laatste, „dat gij bevorens wel eens den raad had mogen inwinnen van den Heer van Heenvliet, of van Neef Kievit.”

„Raad innemen om te weten, of ik mij al dan niet tot een verklikker moet laten gebruiken?” vroeg Buat, wien het bloed naar het hoofd sloeg: „Morbleu, Mevrouw, ik geloof, dat . . . .” hier verbeet hij zich intijds.

„Dat ik niet wijs ben, nietwaar?” zeide Mevrouw Musch, den zin aanvullende. „Mijn waarde Heer Schoonzoon! wat mijne ondervinding betreft, die heeft mij geleerd, dat het ons doorgaans berouwt, een overijld besluit genomen te hebben, en dat, wanneer het zaken van eenig aanbelang geldt, men altijd weldoet, die een tijdlang in overweging te nemen.”

„Dan moet ik alleen zeggen, dat wij, waar het de eer geldt, naar andere beginselen te werk gaan,” zeide Buat, op een koelen toen; „en dat, wat mij betreft, al dacht ik er nog zoolang over, ik nooit tot een ander besluit zou kunnen geraken dan dat, waartoe ik eenmaal gekomen ben.   –  Het zal mij zelfs zeer aangenaam zijn, indien dit hatelijke onderwerp nimmer weer wordt aangeroerd.   –   Het heeft mij althans zoo onaangenaam aangedaan, dat ik behoefte gevoel om wat lucht te scheppen, en dus de vrijheid neem u te groeten. Vaarwel, liefste!” hier drukte hij een kus op het voorhoofd zijner vrouw:   –  „ik heb toch nog het een en ander te verrichten, en dus, tot van avond.”

En met een vrij stijve buiging voor zijn schoonmoeder, verliet hij het vertrek, en kort daarop het huis.

„Tot van avond!” zeide Mevrouw Musch, zijn laatste woorden herhalende: „dat wil zooveel zeggen, als: ik kom hier niet terug, voordat Moeder Musch vertrokken is.”

„Maar Moeder! hoe kan UEd. zoo iets denken?” zeide Elizabeth, op een verschoonenden toon.

„O! men behoefde den blik, waarmede de Heer Buat de kamer verliet, maar gezien te hebben, om zich te overtuigen, hoe hij over mij denkt, en hoe deerlijk ik het bij hem verkorven heb.”

„Maar, Moederlief!” hernam Elizabeth: „ik begrijp zelve ook niet, hoe het in u kan opkomen, zijn gedrag in de bewuste zaak te misprijzen. Mij dunkt, in zijne plaats had ik ook zoo gehandeld. Ik zou hem niet lief kunnen hebben, noch hem de minste achting toedragen, indien hij aan zulke schandelijke voorslagen het oor had geleend.”

„Dat begrijp ik zeer goed,” zeide haar Moeder, „en gij  moet ook niet denken,” vervolgde zij glimlachende, „dat ik het beginsel afkeur, waaruit uw man gehandeld heeft, of eenigszins boos op hem ben, omdat hij mij wat zuur heeft aangekeken.   –  Maar hij had niet geheel uit het oog moeten verliezen, dat Mr. Jan een gevaarlijke vijand is, en dat het nog gevaarlijker is, iemand als Van Espenblad voor het hoofd te stooten.”

„Had UEd. dan verlangd, Moeder!” vroeg Elizabeth, dat hij, om die Heeren te believen, de rol van verrader gespeeld, en de gunsten, hem door den Prins en diens vader en schoonmoeder bewezen, met den schandelijkste ondank beloond zou hebben?”

„Wel, nu nog fraaier!” hernam Mevrouw Musch: „nu word ik van mijn eigen dochter beschuldigd, verraad tegen Zijn Hoogheid te prediken! Kent gij mij dan zoo weinig, Betje! om te veronderstellen, dat ik ooit iemand zou aanzetten tot een handeling, strijdig met de belangen van het Huis van Oranje?”

„Nu wordt het mij een volkomen raadsel, wat UEd. bedoelt,” zeide Elizabeth.

„Ik zal het u zoo meteen oplossen, als wij geen Fransch meer behoeven te spreken,” antwoordde haar moeder, met een zijdelingschen blik op de baker: „Is hier ook een velletje papier te bekomen? Ik wenschte wel een briefje te schrijven.”

„Daar in die lade zult gij alles vinden wat noodig is,” zeide Elizabeth tegen de baker, die weldra een blad schoon papier en een inktkoker voor Mevrouw Musch plaatste. Zij zette zich tot schrijven, en, aan den ernst, waarmede zij dit verrichtte, aan de wijze, waarop zij nu eens ophield om te peinzen, dan weder met blijkbare zelfvoldoening driftig voortschreef, kon men bespeuren, dat de inhoud van den brief gewichtig wezen moest. Elizabeth zag haar met nieuwsgierige verbazing aan: zij wist, dat hare moeder eene der ijverigste bondgenooten was van de Oranje-partij en bracht natuurlijk het geschrevene in verband met het voorstel van Van Espenblad; doch vergeefs poogde zij het voor zich tot klaarheid te brengen, hoe Mevrouw Musch, gelijk toch het geval scheen, in dat voorstel iets kon zien, dat voordeelig voor gezegde partij kon werken.

„Ziezoo!” zeide eindelijk Mevrouw Musch, toen zij den brief voleindigd en dichtgevouwen en er het opschrift op gesteld had. „Dat is nu zooverre klaar. Is er nu iemand, die dit biljet aan den Heer Van Heenvliet kan bezorgen?”

Ja,” antwoordde haar dochter: „ik zou er Stijntje wel mee zenden; maar het schaap is zoo dom, dat het nooit de woning vinden zal. Zoudt gij er u ook mede willen belasten, baker? Het kind is nu stil, en zoolang moeder hier nog is, heb ik hulp genoeg. Gij weet toch, waar de Heer Van Heenvliet woont.”

„Of ik het weit,” antwoordde de baker: „ik heb er voor vijf en twintig jaar een kraamkamer gehad: Een deftig Heďr, die Heir Van Heinvliet.”

„Gij zult mij zeer verplichten met er heen te gaan,” zeide Mevrouw Musch, haar den brief ter hand stellende: „Zoo Mijnheer niet te huis is, zal hij zich waarschijnlijk in De Oude Zwaan bevinden. In allen gevalle wenschte ik wel antwoord te hebben.”

„’k Zal ’t wel bezorgen,” hernam de baker, en, na nog een weinig door de kamer gedraaid en het een en ander van zijn plaats genomen te hebben, om het op een andere plaats te leggen, zonder dat er voor die verplaatsing eenige reden ter wereld bleek te zijn, en nog zeer langzaam haar boezelaar afgelegd en haar kaper opgezet te hebben, begaf zij zich ter deur uit.

„Ziezoo,” zeide Mevrouw Musch, „nu zijn wij alleen en kunnen vrij en open spreken.”

„Ja,” antwoordde Elizabeth: „daarom juist heb ik de baker van de hand gezonden; maar ik hoop toch niet, Moederlief dat UEd. hetgeen Buat ons straks verteld heeft, alles aan den Heer Van Heenvliet heeft overgebriefd. Ik ben zoo bezorgd, dat deze zaak mijn man in ongelegenheid brengt, en hoe minder menschen er in gemoeid zijn, hoe beter, dunkt mij.”

„Het is juist, opdat uw man niet in ongelegenheid kome,” antwoordde de weduwe, „dat ik den bijstand inroep van Heenvliet, in wien hij vertrouwen heeft, en ook den uwen, Betje!”

„En wat moet ik dan doen?” vroeg Elizabeth: „UEd. kan toch niet verlangen, dat ik hem een raad geve, strijdig met zijn eer.”

„Hoor eens,” zeide haar moeder: „het is u zoogoed als mij bekend, dat Buat, zoo bij brief als in een mondgesprek te Antwerpen, met Sylvius de middelen besproken heeft, die in liet belang van Zijn Hoogheid zouden zijn aan te wenden. Doch nu blijkt het, dat dit ook voor De Witt niet langer een geheim is: en het staat te vreezen, dat ’t avond of morgen uw man deswege ter verantwoording geroepen worde.”

„Gij maakt mij bang, Moeder!” zeide Elizabeth, die zich het bloed naar ’t hart voelde terugvloeien bij de gedachte, dat haar man door een gevaar van dien aard zou kunnen bedreigd worden: „maar toch, zooverre ik weet, heeft Buat nooit iets anders geschreven dan hetgeen hier iedereen vrijuit zeggen durft; en niemand kan daar iets misdadigs in vinden, dat hij den Prins voorstaat, wiens brood hij eet.”

„Alles is bij die Heeren misdaad, wat met hun politiek niet overeenkomt,” hervatte Mevrouw Musch met bitterheid: „en al kon men geen bezwaren genoeg ten zijnen laste vinden, om een veroordeelend vonnis tegen hem te verkrijgen, ware het dan niet reeds erg genoeg voor hem, zoo hij eenige maanden op de Hofpoort in voorloopige gevangenis gehouden werd?” „’t Is of Moeder er vermaak in schept mij te kwellen en te folteren,” zeide Elizabeth, wie de tranen in de oogen schoten: „het is niet op mijn aanraden geweest, dat Buat zich zooverre met Sylvius heeft ingelaten, en hij is er grootendeels door uw eigen aandrijven toe gebracht geworden.”

„Ja,” zeide Mevrouw Musch, terwijl zij strak voor zich heen zag, zonder eens te denken op den nadeeligen indruk, dien haar woorden op het nog zwak gestel harer dochter konden maken: „ja, ik heb er hem toe aangedreven, gelijk ik overal, waar mijn stem maar eenigen invloed heeft, er ieder toe zal aandrijven, om te overleggen, om te beramen, om aan te bevelen, wat afbreuk kan doen aan hen, wier uitzinnige haat mij van een gelukkige vrouw tot een rampzalige weduwe gemaakt heeft: van overal, van uit de hel, zal ik vijanden verwekken tegen de moordenaars van mijn braven man.”

„Moeder!” riep Elizabeth, in tranen losbarstende bij de gedachte aan haar vader, die, indertijd, door radelooze vrees gedreven voor de vervolgingen, welke hij van de Staatsgezinde partij wachtte, zich het leven door vergif ontnomen had.

„Gij hebt gelijk, Betje!” hernam Mevrouw Musch, haar met een somberen blik beschouwende: „ik handel niet wel, door die gemoedsaandoeningen bij u op te wekken: en toch, het is mijn plicht u, uit hetgene vroeger gebeurd is, voor oogen te spiegelen wat gebeuren kan. Ziet gij, Buat zou ook eens in omstandigheden kunnen gebracht worden, dat hij, evenals uw vader, geen uitweg zag om niet te vallen onder het oordeel der menschen, dan door zich te werpen onder het oordeel Gods. En toch, uw vader was altijd te voren een bezadigd en verstandig man, ja een vroom Christen geweest.”

„Verschrikkelijk!” zeide Elizabeth, zich de oogen afvegende: „Moeder! Heb toch medelijden!”

„Laat ons bedaard spreken,” ging Mevrouw Musch voort: Buat moet gered worden voor de gevaren, welke hem boven ’t hoofd zweven.”

„Dat moet hij,” zeide Elizabeth: „maar moet hij daarom een huurling van de Loevesteinsche factie worden? O! laat hij liever zich door de vlucht aan alle vervolging onttrekken. Ik ontzie geen ballingschap, geen zwerven in den vreemde, geen armoede zelfs, wanneer ik die met hem deele: alles doe ik liever, dan dat ik toestemme, dat hij zich door een laagheid onteere.”

„Gij spreekt er goed over, Betje!” zeide Mevrouw Musch: maar ik geloof, dat gij een slecht figuur zoudt maken, als gij u aan zulk een leven gewennen moest. Neen! wij moeten een middel vinden, om te maken dat Buat gewaarborgd worde tegen alle vervolging van de zijde der Staatsgezinden, ja zelfs hUfl protectie geniete, en tevens, dat de belangen van Zijn Hoogheid bevorderd en De Witt met de zijnen in hun ontwerpen gedwarsboomd worden.”

„Maar het is onmogelijk, dit een en ander te vereenigen,” zeide de jonge vrouw, haar moeder verbaasd aanziende.

„Dat is niet onmogelijk,” hernam deze: „integendeel, niets is gemakkelijker; en het is mij onbegrijpelijk, dat niet alleen Buat, die met zijn hart en eergevoel, en niet met zijn verstand is te rade gegaan, maar dat gij, in wie ik meer scherp-zinnigheid vermoedde, niet terstond de zaak uit het juiste oogpunt hebt beschouwd. Zagen de welgezinden niet sedert lang naar een geschikt middel uit, om veilig met onze vrienden in Engeland briefwisseling te houden?”

„Zoo is het,” zeide Elizabeth: „maar....

„Welnu!” viel haar moeder in: „en is dat middel dan nu niet gevonden? Werd het niet door Van Espenblad zelven aan Buat aangeboden? En kan deze nu niet veilig, aan wie hij wil, in Engeland schrijven, niet alleen zonder vrees, dat Mr. Jan en de zijnen hem deswege zullen bemoeilijken, maar zelfs onder hunne goedkeuring en bescherming?”

„Hoe, Moeder!” riep Elizabeth uit, terwijl een blos opeens haar bleeke wangen verfde: „versta ik u wel? Gij wilt, dat Buat den hem gedanen voorslag aanneme, om daardoor ’s Prinsen belangen te bevorderen?”

„Ik wil,” vervolgde Mevrouw Musch, „dat hij De Witt en Van Espenblad in hun eigen netten vange, dat hij het middel, ’t welk zij door Zijne hulp zoeken te bezigen om den Prins afbreuk te doen, aangrijpe om den Prins te dienen: dat het werktuig, waarvan zij zich bedienen willen om hun schendig doel te bereiken, tegen hen zelven gekeerd worde.”

„Maar Moeder!” zeide Elizabeth, na een wijl te hebben nagedacht, en terwijl het haar ingeschapen gevoel van recht en billjkheid voor een wijl alle andere overleggingen zwijgen deed: „hoe fraai ook uw plan klinke bij de eerste beschouwing, leidt het niet ten slotte daarheen, dat Buat in allen gevalle een verrader worden moet, is het niet van den Prins, dan toch van den Heer De Witt.”

„Hoe nu!” zeide Mevrouw Musch, op hare beurt rood wordende van toom: „is het dan de plicht niet van alle oprechte voorstanders van het Huis van Oranje, langs alle gepaste middelen afbreuk te doen aan de Staatsgezinden?”

„Langs gepaste middelen, ja, Moeder!” zeide Elizabeth: „maar mag Buat het vertrouwen schenden, dat zelfs een vijand in hem stelt?”

A trompeur, trompeur et demi, zegt het Fransche spreekwoord,” hernam Mevrouw Musch: „wanneer De Witt en Van Espenblad niet schromen, verraad te bezigen tot het bereiken van hun doel, moeten zij er zich op verwachten, verraden te worden.    –  Doch bovendien, wat verlangen zij? Dat Buat aan de Enge1sche Heeren schrijve, wat zij hem in den mond geven, en hun de antwoorden late zien. Welnu! dat kan geschieden. Maar hoe kunnen zij of iemand er nu ooit iets in vinden, dat Buat bovendien nog afzonderlijk schrijve wat ons nuttig voorkomt, en daarop antwoorden bekome, die hij hun hiet laat zien?   –  Ja, ik weet niet wie dommer is, ňf Buat ňf Van Espenblad, van niet terstond te begrijpen, welke partij van het gedane voorstel in ’s Prinsen belang te trekken viel.”

„Ja, Moeder! wat gij zegt is waar,” zeide Elizabeth, na een poos te hebben nagedacht: „en toch vrees ik, dat Buat, nu hij eens het voorstel heeft afgeslagen, niet licht te bewegen zal zijn, om weder toe te treden.”

„Daarom reken ik ook op u, om er hem toe over te halen,” hernam Mevrouw Musch: „niet alleen het belang van den Prins vordert, dat wij een zoo schoone gelegenheid niet laten voorbijgaan om hem te dienen, maar ook het uwe, mijn kind! en dat van Baat zelven. Ik hoor nu en dan wel zoo het een en ander. Buat heeft schulden: ook, naar men mij verzekerd heeft, aan dien Van Espenblad: en bovendien staat hij, als ik zooeven zeide, aan vervolging bloot: hij moet dus zijn vijanden in slaap wiegen niet alleen, maar hen zelfs tot zijn vrienden en beschermers maken, en ik weet daartoe geen beter middel, dan hetgeen zich voordoet.”

Mevrouw Buat poogde nog eenige tegenwerpingen te maken; maar het gevoel van rechtschapenheid, dat eerst in haar gesproken had, sprak alreeds minder luid, nu zij er het belang van haar man, het hare en dat van de zaak, waaraan zij was toegedaan, tegenover stelde. Daarenboven, het denkbeeld van een komplot te helpen besturen was voor haar, evenals voor haar moeder, niet geheel zonder bekoorlijkheden, en zoo was zij langzamerhand overreed geworden, om haar rol te spelen in het drama, ’t welk Mevrouw Musch ontworpen had, toen de baker terugkwam, en aan deze laatste een schriftelijk antwoord van den Heer Van Heenvliet medebracht. De weduwe haastte zich, het briefje te openen, ’t welk alleen deze regels behelsde:

„Mevrouw!

Ik dank UEd. voor uwe mededeeling, en gevoel
volkomen het belang der zaak. Ik zal niets
onbeproefd laten om Buat te beduiden,
ons hierin te dienen.”

UEd. D. V. Dienaar,

HEENVLIET.”

„P.S. Uw biljet heb ik verbrand.”

 „Welnu!” zeide Mevrouw Musch, terwijl zij met een zegevierenden blik het briefje aan hare dochter overreikte: „gij ziet, dat er meer verstandige lieden zijn, die eenstemmig met mij denken.   –  Zorg gij nu ook het ijzer te smeden, terwijl het heet is:   –  en praten wij van wat anders.”


[Jacob van Lennep pagina] – [2e hoofdstuk] – [4e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.