MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIERDE HOOFDSTUK,

HANDELENDE OVER DE NEGOTIE, WELKE BUAT DEED, ZONDER ER VEEL RIJKER DOOR TE WORDEN.


Toen Buat, gelijk wij in het vorige Hoofdstuk gezien hebben, met drift de deur was uitgeloopen, was er een hoofdgedachte die zijn brein vervulde, namelijk, om een middel te vinden, waardoor hij, dien avond nog, zijn schuld aan den Heer Van Espenblad kon voldoen. Het noodige geld hiertoe wist hij zeer goed niet in huis te hebben; wel had hij eenige snuisterijen kunnen bij elkander brengen en verkoopen of beleenen: doch al wat eenige waarde bezat, bevond zich in de kamer, waarin zijn vrouw en schoonmoeder zich bevonden: zoodat hij die voorwerpen niet kon wegnemen, zonder door dezen te worden opgemerkt, en hij wilde om lief noch leed, dat Elizabeth van zijn geld verlegenheid kennis dragen zou; ’t welk echter, gelijk wij gezien hebben, aan deze laatste door de gedienstigheid harer moeder niet verborgen bleef.

Op straat gekomen, liep Buat een tijdlang voor zich uit, zonder bepaald te weten waarheen, daar hij er nog verre af was, zelfs in de verte eenige bepaling te maken, tot wien hij zich vervoegen zou. Het denkbeeld hinderde hem, zich tot een zijner vrienden te wenden en hem geld te leen te vragen: het kon toch uitkomen, dat hij dit maar gedaan had om er een ander mede te voldoen, en dan zou hij zijn krediet bij zijn vrienden verliezen. Hij wist bij ondervinding, hoe men hen aanziet, die uit de beurs van anderen putten.

Evenzeer huiverde hij tegen de gedachte om bij een woekeraar te gaan, te meer, daar hij vreesde, dat zoodanig bezoek zelfs niet eens tot het beoogde doel leiden zoude. Immers men moest hij die heeren een soort van introductie hebben, daar het niet waarschijnlijk was, dat zij hun geld zoo maar dadelijk zouden afpassen:   –  of wel, men moest pand geven   –  en waar was dat pand vandaan te halen? Wel twijfelde hij niet, of, daar zijn naam genoeg bekend was, zonde hij wel een geldschieter vinden, wanneer hij b. v. de inkomsten zijner landgoederen in Frankrijk verbond; maar daartoe moesten akten worden opgemaakt: en dat nam tijd weg, terwijl hier dadelijk geld vereischt werd.

Eindelijk was het of hem een lichtstraal voor den geest kwam. „Mijn paard!” zeide hij bij zich zelven: „het is zoo goed 250 kronen waard als een duit een duit:    –  en de oude Nyssen, zoo eenvoudig als hij zich voordoet, zit er dik genoeg in, om mij die som er op te schieten.”

„Ja,’’ vervolgde hij, al bij zich zelven voortredeneerende terwijl hij op eens den weg insloeg, die naar het Smidswater leidde: „Nyssen heeft mij reeds dikwijls gezegd, dat hij wel een kooper voor mijn bruin wist:   –   liet is nu winterdag, en het beest vreet toch maar te mijnen koste, zonder dat ik er bijna gebruik van maak. Met het voorjaar kan ik een ander koopen: ’t is wel jammer; want ik vind er niet licht een beter en het heeft mij al menige weddenschap doen winnen;   –  maar liever niet te paard gezeten, dan langer met die gevloekte schuld belast te blijven.”

Vervuld van deze gedachte, welke niemand zal ontkennen dat hem hoogelijk vereerde, kwam Buat op het Smidswater en in de stalhouderij van Nyssen aan. De man zelf, een dikke, zwaargebouwde zestiger, wiens opgezet gelaat, rijk met karbonkels bezette neus en kleine gluipende oogen een uitdrukking hadden, waarin levenslustigheid en loosheid zonderling dooreengemengd waren, stond juist, met wijd van elkander staande beenen, aan den ingang van het wagenhuis zijn pijp te rooken.

Onwillig om terstond met de deur in buis te vallen, en daardoor zelfs den schijn van geldverlegenheid te verraden, begon Buat met een gemaakte boodschap, en vroeg, of het waar was, wat men hem verhaald had, dat bij Nyssen twee Holsteinsche paarden waren aangekomen, die voor de Princesse Douairière bestemd waren.

„Heden neen, Ritmeester” antwoordde Nyssen: .,ik weet niets van Holsteiners af, die zouden moeten komen,” en meteen liet hij de hand weer vallen waarmede hij even de bonte muts verschikt had, die zijn roodkleurige haren bedekte: de eenige vertooning van groeten, die hij ooit maakte.

„Niets!” herhaalde Buat, als met bevreemding over dit antwoord, ofschoon hij er wel geen ander verwachten kon, daar de Holsteiners alleen schepselen zijner verdichting waren: „maar hoe komen de UEden dan aan die praatjes?   –  Of kunnen zij ook bij Krijn Jelissen verwacht worden?”

„Pha!” zeide Nyssen, zijn pijp uit den mond nemende, en met een uitdrukking van diepe verachting naast zich neer spuwende: wat zou Krijn Jelissen paarden krijgen voor de Prinses? En wie zou hem dat vetje bezorgd hebben? De Ritmeester weet immers zoogoed als ik, dat dat allemaal alleen door Heenvliet gaat, en dat Heenvliet zich van niemands tusschenkomst bedient als van de mijne.”

„Ja, dat kan best waar wezen; maar ik had juist gehoord, dat deze bestelling niet door den Heer Van Heenvliet gedaan was,” zeide Buat, aan genoemden Edelman den titel teruggevende, dien Nyssen, met die gemeenzaamheid, welke van oudsher aan alle stalhouders, rostuischers en pikeurs eigen schijnt, hem onthouden had.

„’t Eind zal het leeren,” zeide Nyssen: maar ik geloof het niet, voor ik de knollen zie.”

„Nu!” hernam Buat: „ ’t kan zijn, dat het maar een praatje is geweest zonder grond.   –  Maar à propos,” vervolgde hij: „hoe maakt het de bruin?”

„De bruin?” herhaalde Nyssen: „dik en vet; ’t stomme dier vreet dat het een lust is om te zien; maar ’t neemt geen beweging genoeg.”

„Ja,” zeide Buat, een onverschilligen toon aannemende: „hij is mij wat al te hard in den bek: en het is mij nu ook te koud om uit te rijden. Ik wacht tegen ’t voorjaar een paar paarden uit Frankrijk.”

Nyssen had waarschijnlijk reeds in den neus, dat die geheele historie van de paarden, die de Prinses verwachtte, niet meer dan een inleiding was tot iets, dat komen moest; althans hij keek Buat, bij diens laatste mededeeling, van ter zijde aan, en zijn mond vertrekkende tot iets, dat een glimlach beteekenen moest, vroeg hij:

„Moeten die ook bij Jelissen gestald worden?”

„Denkt gij, dat ik een oude kennis zoo maar zonder reden verlaten zou?” vroeg Buat, zich houdende of hij de vraag ernstig gemeend hield. „Maar ik heb er over gedacht, of ik in deze omstandigheden den bruin wel langer houden zal. Hij staat hier toch, zonder dat ik er iets aan heb:   –  en totdat die andere paarden komen, zou ik het wel met een huurpaard kunnen doen.”

„Wel, ik hoop toch dat het geen meenens is,” zeide Nyssen, die al eenigszins begon te ruiken, waar Buat heen wilde: „hoe zou de Ritmeester het zoolang zonder paard stellen?”

„Wel, hoe heb ik het met u?” vroeg Buat, verwonderd opziende; „zijt gij mij niet herhaaldelijk aan boord geweest om mijn paard te verkoopen?”

„Nu ja,” antwoordde de stalhouder: „maar dat was verleden zomer, toen de paarden in trek waren en ik aan al de aanvragen niet kon voldoen;   –   maar wat zou ik nu met. het beest uitvoeren?”

„Hm!” zeide Buat: „er zijn toch nog altijd liefhebbers te vinden;     –  ik zou er niet van begonnen zijn, indien gij er niet van gesproken en mij op het denkbeeld gebracht ....... wel, ’t is nog geen veertien dagen geleden, dat gij mij zeidet, ik kon een goeden prijs voor den bruin bedingen, als ik hem wilde afstaan.”

„Ja, veertien dagen geleden is nu niet,” zeide Nyssen, terwijl hij geheel verdiept scheen in het nastaren der dikke rookwolken, die hij uitblies en wier kronkelingen zich tusschen de balken der zoldering verloren.

„Ik moet het anders met hem aanleggen,” dacht Buat: „welnu!” vervolgde hij overluid: „ik dacht u genoegen te doen; maar zoodra gij van gedachten veranderd zijt, dan spreken wij over de zaak niet meer. Als ik den bruin kwijt wil wezen, zal ik wel nooit verlegen zijn, waar een kooper te vinden. Ik groet u.”    –  En de onverschilligste houding mogelijk aannemende, wendde hij zich af.

„Hm! zoo is het niet,” zeide Nyssen, door de manoeuvre van Buat volstrekt niet misleid, en altijd naar de balken opkijkende: „ik zeg niet, dat ik den bruin niet zou willen koopen: maar ik zou er nu niet veel voor kunnen bieden.

„Ja, tegeef is hij niet,” zeide Buat, zich even op de hielen omwendende: „ik moet er een zak guldens voor hebben, of ik verkoop hem niet.”

„Nu verspreek je je ook, Ritmeester!” hervatte Nyssen, met ingespannen aandacht naar een spinneweb kijkende, dat boven in de staldeur hing: „je meent een zak schellingen:   –  en dan is het paard nog te duur betaald.”

„Een zak guldens, meen ik,” hernam Buat: „ik weet zeer goed wat ik zeg.”

„Is daarvan niets af te dingen?” vroeg Nyssen. „Niets,” antwoordde Buat.

„Met zaal en toom?” vroeg Nyssen.

„Zonder zaal of toom,” antwoordde Buat.

„Dank je, Ritmeester!” zeide Nyssen.

„Alleen laat ik vijf en twintig gulden vallen voor comptante betaling,” zeide Buat, met een gedwongen lach.

Och, hoe vriendelijk!” hernam Nyssen, voor het eerst weder zijn blik naar Buat wendende: „nu, weet je wat, Ritmeester! ik geef u honderd dikketonnen voor het paard, en dan doe ik het uit ouwe vriendschap. ’t Is tusschen broers niet meer waard.”

„Tweehonderdvijftig kronen,” zeide Buat, „dat is mijn laatste woord.”

„Dank je nog eens, Ritmeester!” zeide Nyssen: „ik had al berouw over mijn bod.”

„En ik ben met mijn paard niet verlegen,” zeide Buat: „tot weerziens.

„Kom!” zeide eindelijk Nyssen, na eenige keeren krachtig aan zijn pijp gehaald te hebben, die verstopt geraakt was:

„Wij willen het verschil deelen: tweehonderd kronen en daarmee uit.”

„De drommel, Nyssen! bedenk eens, hij kan zoo draven,” zeide Buat.

„Ja, maar hij draaft alles behalve gemakkelijk,” merkte Nyssen aan.

„En het is zoo’n mak beest,” vervolgde Buat.

„Och, kom! De liefhebbers zijn niet eens op dat heele makke gesteld.”

„Niets schrikachtig!” hernam Buat.

„Neen, hij loopt maar zoo dom voor zich uit,” zeide Nyssen.

„Er is er geen te vinden in de heele stad, die mooier loopt,” hernam Buat.

,Ja, ik ken al zijn deugden en gebreken beter dan iemand ter wereld,” zeide Nyssen: „maar als hij zoo goed is, waarom wil de Ritmeester er dan van af?”

„Wel! dat heb ik u immers al gezeid,” antwoordde Buat: ik wacht er anderen, die nog beter zijn.   –  Nu! hoe is het?”

„Tweehonderd kronen en geen penning meer,” antwoordde Nyssen.

„Maar comptant?” vroeg Buat: „geld bij de visch?”

„Comptant,” zeide Nyssen, zijn pijp uitkloppende.

„Geluk er mee,” zeide Buat, hem zijn hand toestekende.

„De bruin is mijn,” zeide Nyssen, zijn zware, dikke, ruig begroeide rechterhand met kracht latende neervallen op de zachte, fijne, aristocratische hand, die hem werd aangeboden en die in de zijne geheel verdween.

„En nu,” vervolgde de Stalhouder: „als de Ritmeester maar even wil wachten, dan zal ik hem dadelijk voldoen.”

Ritmeester Buat verkoopt, door schulden gedwongen, zijn paard.Met deze woorden liet hij Buat staan, en verdween door een zijdeur, welke zijn woning met het wagenhuis verbond. Terwijl zijn afwezigheid duurde, liep onze arme Edelman het wagenhuis op en neder, aan de eene zijde niet weinig mistroostig, dat hij zich van zijn paard had moeten ontdoen voor ’t geen hem een spotprjs voorkwam, doch aan de andere zijde opgeruimd door de gedachte, dat hij zijn plicht gedaan had, en zich nu van een schuld van eer zou kunnen kwijten. Na verloop van eenige minuten, die aan Buat zoovele uren schenen, kwam Nyssen terug. Het bleek, dat hij zich zijn afwezigheid niet alleen benuttigd had om het geld te halen, maar ook om een versche pijp op te steken; doch wat Buat zeer bevreemdde, was, dat de Stalhouder beladen was, niet alleen met een zeer klein geldzakje, maar ook met een test met vuur, eenige zwavelstokken, een lei, en een vrij smerig opschrijfboekje.

„Als de Ritmeester mij nu maar gelieft te volgen,” zeide Nyssen, „dan zullen wij de zaak wel gauw vereffenen.”

En meteen zijn weg nemende, tusschen wagens, koetskarren en kruiwagens heen, klotste hij op zijn zware holsblokken naar achteren, het koetshuis door en in den paardenstal, waar hij bij de haverkist stilhield. De avond was beginnen te vallen: het was in den stal volslagen donker, en nu bleek het aan Buat, waartoe de medegenomen vuurtest moest dienen, namelijk om een lamp aan te steken, die op de haverkist stond. Na dit verricht te hebben, knoopte Nyssen een vettig lint, van oorspronkelijk groene kleur, los, dat het bovengenoemde boekje omwond, en spreidde eenige vuile en als met hieroglyphen beschreven papiertjes, die er in lagen, op de haverkist uit. Daarna nam hij een stuk krijt op, dat voor hem lag, en toen, achtereenvolgens het boekje en enkele der notitiën raadplegende, zette hij eenige cijfers op de lei, die hij optelde. Buat stond hem inmiddels in stomme verbazing aan te staren, niet wetende waartoe dit alles leiden moest. Eindelijk, na herhaaldelijk cijfers uitgeveegd en weder neergezet te hebben, scheen Nyssen zijn rekening volbracht te hebben: althans hij zag met een blik van zelfvoldoening het facit aan, nam toen het geldzakje op, haalde er in achtereenvolgende handgrepen verschillende soorten van muntspeciën uit, die hij sorteerde, en waarvan hij kleine stapeltjes maakte. Wat de geldzak bevatte scheen echter niet toereikende te zijn: althans met een vrij zuur gezicht taste Nyssen nog in zijn broekzak, en bracht eenige muntstukken voor den dag, welke hij bij de overige voegde.

„Wat moet dat toch worden?” vroeg ten leste Buat: „daar liggen geen vijftig kronen bij elkander, laat staan tweehonderd.”

„’t Is juist akkoord!” riep Nyssen uit met een zegevierenden blik.

’ „Juist akkoord?” herhaalde Buat.

„Wel zeker!   –  Zie maar zelf na, Ritmeester!    –  Hier heb ik opgetrokken, wat ik van u te vorderen heb voor stalgeld, oppassing en voeding van den bruin, gedurende de eerste maanden van dit jaar:    –  net f77: 15 St.: hierbij mijn rekening over ’t jaar 1665, ten bedrage van f265: 13 St.: 8 Penn., maakt te zamen f343: 8 St.: 8 Penn.,   –  zoodat je nog komen f56: 11 St: 8 Penn.: als je nu maar na wilt tellen: zeven dikketonnen is f 22: 1 St.; vijf kronen is f 10; vijf Zeeuwsche Rijksdaalders is f 13; drie Daalders is f 4: 10 St.: vijf Acht-en-twintigen is f 7, en vier duiten maakt net f 56: 11 St.: 8 Penn.”

„Maar voor den Satan!” riep Buat: „Dat is nooit mijne bedoeling geweest, den prijs voor den bruin op die wijze te verrekenen”

„Niet?” vroeg Nyssen: „wel mij dunkt, dat was de gemakkelijkste en eenvoudigste weg, om op die wijs rnalkander met gesloten beurzen te betalen.”

„Dan is er niets geschied,” zeide Buat, zich wrevelig omkeerende

„Niet?” herhaalde Nyssen: „wel! is de bruin dan niet bij handslag mijn geworden?”

„Tegen comptante betaling,” antwoordde Buat: „en ik noem het geen comptante betaling, wanneer mij op zoodanige wijze vorderingen in rekening worden gebracht; die gedeeltelijk niet eens verschenen zijn.”

„Niet verschenen!” herhaalde Nyssen: „en wij hebben vandaag Dinsdag, en ik heb nog wel de rekening niet verder opgemaakt dan tot verleden Zaterdag, en er het stalgeld van deze week niet eens opgebracht, als ik had kunnen doen.”

„Ik wil geen geschenken van u hebben,” hernam Buat:

„Gij moogt opschrijven al wat gij van mij te vorderen hebt en er mij op zijn tijd de rekening van thuis sturen; maar niet het afhouden van hetgeen gij mij, volgens ons akkoord, in gereed geld moet voldoen. Zoo ik iets voor u in mindering kon laten strekken, zou het de rekening van het vorige jaar zijn; ofschoon ik nog uw handelwijze onordenteljk vind.”

„Nu wij zullen het dan maar zoo schikken,” zeide Nyssen: „dan hou ik er alleen de f265   –  zooveel van af: dan komt u nog per slot f134: 6 St.: 8 Penn.”

En nu bleek het, dat Nyssen op deze wijze van afdoening niet onvoorberejd was; want uit zijn linkerbroekzak een tweede geldzakje halende, telde hij daaruit de nog ontbrekende f77: 15 St. aan Dukaten, Acht en-twintigen, Guldens, Schellingen, Pietjes, Dubbeltjes en andere specie op de haverkist neer.

’t Is wel!” zeide Buat, innerlijk woedend over dezen afloop van den verkoop, doch te trotsch om de zaak af te breken en daardoor Zijne geldverlegenheid aan den dag te leggen: „maar nu uw quitantle voor de rekening.”

„Die had ik al geschreven,” zeide Nyssen, de quitantie uit het zakboekje voor den dag halende en aan Buat overhandigende: „ik was juist van zins geweest, u die morgen ter betaling te doen aanbieden.”

Zwijgend nam Buat de quitantie aan, streek het geld naar zich toe en stak het bij zich, zonder eens een zakje te vragen om het te bergen: zoo weinig wilde hij aan Nyssen ook de schijnbaarste verplichting hebben. En toen, zijn hoed diep in de oogen drukkende, zeide hij: „de bruin is de uwe; maar noem mij den grootsten schelm, die op aarde leeft, indien ik ooit of immer na dezen een paard bij u op stal zet of eenige zaken met u doe. En het zou mij hard verwonderen, indien Zijne Hoogheid of iemand van zijn Hof u voortaan hun klandizie laten behouden, wanneer ik ruchtbaar maak, op wat wijze gij met mij gehandeld hebt.”

„Wij zullen het afwachten,” zeide Nyssen, terwijl hij, de schouders ophalende, zijn opschrijfboekje weder vastbond en toen de lamp opnam om Buat uit te lichten. Maar deze was zonder afscheid reeds weder uit den stal en door het wagen-huis naar buiten geloopen.

„Ja! ja! je zult me wat doen,” mompelde Nyssen hem na: „ik ben maar blijd, dat ik mijn geld op deze wijs binnenheb, en den bruin voor een prijsje op den koop toe. Espenblad had mij net bijtijds gewaarschuwd, dat het met de zaken van den Ritmeester hard achteruitliep. Of hij om geld verlegen was! en of ik er van pas bij ben geweest! Wat had ik mooi achter ’t net kunnen visschen, als ik er niet dat middeltje op gevonden had: ja, zij moeten vroeg opstaan, die Govert Nyssen willen beetnemen. ’t Is waar, ik heb het stalgeld van dit jaar nog aan mijn been; maar dat maakt juist zooveel niet uit: en die schuld, die hij nog aan mij heeft, zal juist maken, dat hij niet te hard tegen mij durft te schreeuwen.”   –  En met deze troostrijke gedachten riep Nyssen zijn knecht om de staldeur te sluiten en begaf zich naar de herberg om zich zelven daar met een glas brandewijn over zijn behendigheid geluk te wenschen.

Minder vroolijk waren de gedachten, die Buat bezielden, terwijl hij zich met gejaagden tred van de stalhouderij verwijderde: en, ofschoon niet dan binnensmonds geuit, even hartelijk waren toch de vloeken, waarmede hij het oogenblik verwenschte, dat hij bij Nyssen was binnengetreden. „Hoe heb ik zoo ezelachtig dom kunnen wezen?” vroeg hij zich zelven af: „en wat is de uitkomst geweest van dat zotte bezoek?    –  Dat ik een rekening betaald heb, waar niemand mij om maande, en waarvan ik de voldoening nog gerust een jaartje had kunnen uitstellen, en dat ik een goed paard voor een spotprijs heb verkocht. En tot wat einde? Om een 25 rijksdaalders in mijn zak te krijgen, die mij toch niets helpen tot het kwijten van mijn schuld. Zotskap die ik ben; waarom heb ik mij niet terstond bij Perez vervoegd; die had mij misschien wel het noodige voor den bruin geschoten: en dan zou het beest nog mijn wezen en niet in handen van den vermaledijden Nyssen, die meer een jood is dan de ergste joden en een afzetter in folio. En waar zal ik nu heengaan om de som voltallig te krijgen?”

Ritmeester Buat wordt door Jakob, de zoon van Raadsheer van de Graef aangesproken.Terwijl hij aldus, peinzende en in zich zelven pratende, voorttrad, werd hij onverwachts in zijn mijmeringen gestoord door een knaap, die van de andere zijde der straat op hem kwam toegeloopen. Het was een fraaie jongeling van ongeveer veertienjarigen leeftijd, met helder blauwe oogen, een melkwit, gelaat en lange blonde krullen, die hem over nek en schouderen neervielen Aan de boeken, die hij in een riem samengebonden over den schouder droeg, kon men zonder moeite raden, dat hij uit de Latijnsche School kwam.

„Heer Ritmeester!” vroeg de knaap, de hand vertrouwelijk op den arm van Buat leggende: „mag ik u even iets zeggen?”

Buat zag den jongeling een poos aan, eer hij hem herkende want ofschoon de nacht nog niet geheel gevallen was, zou was het toch reeds donker genoeg om hij den eersten opslag niet te weten, wien men voorhad. De knaap liet echter Buat niet lang in verlegenheîd.

„Kent UEd, mij niet?” zeide hij: „ik ben Jakob, de zoon van den Raadsheer Van der Graef.”

„Aha! zijt gij het, beste jongen?” vroeg Buat; „en hoe maakt het uw Heer Vader?”

„Wel, wel,” antwoordde Jakob, haastig: „maar, wat ik u bidden mag, laat hem nooit vernemen, dat ik met u gesproken heb. Ik kwam juist van het schoolprivraat, en ik herkende u bij ’t licht van gindschen bakkerswinkel. En toen was het, of mij een Engel aanspoorde, tot u te spreken. Maar nog eens smeek ik er u om, vertel nooit aan iemand over, wat ik u zeggen ga:   –  Ik weet niet of ik er wel aan doe.... maar het is mij als ingegeven.”

„Ik beloof het u van harte gaarne,” zeide Buat: „maar wat kan dat voor een moordgeheim wezen, dat gij mij komt mededeelen?”

„Ja, lach er Vrij om, Mijnheer Buat!” antwoordde de knaap: „rnaar gij zult zelf oordeelen of het al dan niet een zaak van gewicht is. UEd. weet, dat mijn vader en moeder, en wij allen, u genegen zijn:   –  omdat wij allen weten, welk een ijverig en getrouw dienaar UEd. is van Zijne Hoogheid.”

„Ook al een politikus,” zeide Buat, terwijl hij lachende den’ scholier over de blonde haren streek, die zich van onder zijn vilten hoedje over de schouderen verspreidden.

„Nog eens, ’t is waarlijk niet om te lachen, Heer Ritmeester,” zeide Jakob, met een ernstigen blik: „hedenmiddag, toen wij gegeten hadden, en de andere kinderen de kamer uit waren, was ik alleen binnengebleven om mijn boeken, die in een hoek van het vertrek lagen, bij elkander te zoeken. Vader dacht zeker, dat hij met Moeder alleen was; althans ik hoorde hem tegen haar zeggen: „Onze vriend Buat mag „wel voorzichtig wezen! Zoo ik het behoudens ambt en plicht doen mocht, zou ik hem waarschuwen; want hij loopt groot „gevaar van wegens verstandhouding met Engeland vervolgd te worden.”

„Dat zeide uw Heer Vader!” riep Buat.

„Ja, Heer Ritmeester!” antwoordde de knaap:   –  „ik weet niet of hij er meer zou hebben bijgezegd; maar Moeder gaf hem een wenk, dat ik nog in de kamer was, en toen verliet hij plotseling het vertrek. Ik weet niet wat er van is, en of ik wel doe, u mede te deelen hetgeen een toeval mij hooren deed   –   maar toen ik u daar straks herkende, kwam de gedachte als een bliksemstraal bij mij op;   –  die ontmoeting is niet toevallig:   –   en nu kon ik niet nalaten u te vertellen wat mij op ’t harte lag. UEd. zult het toch aan niemand weer vertellen, nietwaar?”

„Neen, beste jongen! dat zal ik niet,” zeide Buat, den knaap vriendelijk streelende: „gewis, die ontmoeting was van Hooger zoo beschikt en ik zal u eeuwig dankbaar zijn voor de belangstelling, die gij mij bewijst. Ja   –  ik wil het u niet verhelen: het is mogelijk, waarschijnlijk zelfs, dat ik worde aangeklaagd;    –  maar dit durf ik er u bij verzekeren: zoo mijn geweten zoo zuiver ware op alle punten als op dat van staatsverraad, dan zou ik den Hemel danken.”

„Bah,” zeide Jakob, overluid, met de echte koenheid van een schoolknaap: „al had UEd. ook met de Engelschen een komplot gemaakt om ons eens van Mr. Jan cum suis te verlossen, wat zou dat nog? Heeft Oldenbarneveldt in zijn tijd ook de Engelschen niet ingeroepen om ons tegen Spanje te helpen? ofschoon hij hen naderhand slecht voor hun diensten beloonde.   –  Wil ik u wat zeggen, Heer Ritmeester! mijn vader is Raadsheer, en houdt zich daarom buiten alle politiek; maar zoo hij naar zijn hart te werk ging, dan zong hij, evengoed als ik, in spijt van al de verklikkers van Mr. Jan:

Al is ons Prinsje nog zoo klein,
Al evel zal hij Stadhouder zijn.”

„Stil! stil! zing zoo luid niet,” zeide Buat: „bedenk waar wij ons bevinden.”

En inderdaad, zij waren op dit oogenblik juist den Vijverberg afgewandeld tot aan den hoek van den Kneuterdijk, en bevonden zich dus vlak nabij het zoogenaamde Groene Zootje, die zoo beruchte gerichtsplaats van Den Haag.

„Weet gij wel,” vervolgde Buat, half lachende, half bestraffende: „dat het zingen van oproerige liedjes verboden is, en ons op gindsche plaats zou kunnen brengen?”

„Kom! kom!” zeide de knaap: „wat mij betreft, ik durf mijn Liedjes daarginds voor Mr. Jan zijn deur wel gaan zingen:   –  doch ’t is waar, ik mag er u niet door in gevaar brengen.... maar wil ik u eens wat zeggen, Heer Ritmeester?”

„Wel?” vroeg Buat.

„Dat ik niet begrijp,” vervolgde Jakob: „hoe Mr. Jan hier ooit voorbij kan gaan met een gerust hart. Mij dunkt, als hij zich herinnert wat met den ouden Advocaat op het Binnenhof gebeurd is, moet hij telkens denken: „wie weet, of ik ook nog niet eens op zulk een wijs aan mijn eind kom.” ’t Zou mij, ware ik hem, niet bevallen, zoo dagelijks voorbij de gerichtsplaats te kuieren.”

„Foei!” zeide Buat: „God zij ons allen genadig, Jakob! Gij moogt zoo luid niet spreken.”

„Dat is wel mogelijk,” zeide Jakob: „en toch, wie weet of de dag nog niet eenmaal komt, dat de Hagenaars onzen vriend van den Kneuterdijk daarginds aan de galg zien hangen   –  Goeden nacht, Heer Ritmeester! en draag maar zorg dat zij er u nooit heenvoeren.” En met deze woorden sprong de dartele knaap weg, en huppelde den Kneuterdijk op, nog steeds met baldadigen overmoed zijn liedje neuriënde; maar weinig dacht hij, de losse en vroolijke scholier, dat er geen zeven jaren verloopen zouden zijn, eer zijn onderstelling schrikkelijke waarheid geworden was: en nog minder, dat vóór dien tijd niet alleen de man, tot wien hij gesproken had, maar ook hij zelf dat straftooneel zoude betreden hebben.


[Jacob van Lennep pagina] – [3e hoofdstuk] – [5e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.