MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIJFDE HOOFDSTUK.

WAARIN DOOR EEN NIEUW VOORBEELD DE WAARHEID BEWEZEN WORDT VAN DE OUDE SPREUK: DAT NIETS VERANDERLIJKER IS DAN DE MENSCH,


Buat schudde het hoofd en vervolgde zijn weg over de Plaats, van meening zijnde naar huis te gaan en daar eens meer op zijn gemak te overleggen, hoe hij aan het noodige geld zou komen om Van Espenblad te voldoen, toen het zien van een welbekend gebouw opeens eenige wijziging in zijn voornemen bracht. Hij bevond zich namelijk voor de herberg „De Oude Zwaan,” dat huis, hetwelk, volgens de overleveringen, het jachthuis der eerste Graven van Holland en alzoo het oudste gebouw van s-Gravenhage zou geweest zijn. Nadat in 1436 Wouter Jan Baleyanszoon daarmede verlijd was geweest, was het in verschillende handen overgegaan, had, naar de afbeelding in den gevel, beurtelings den naam van „St.-Joris” en van „De Draak” gevoerd en, sedert het in 1541 gekomen was aan den President, Mr. Hypolitus Persyn, naar dezen den naam van „het huis van Persyn” bekomen. Door den zoon van dezen magistraatspersoon was het verkocht. geworden aan Hendrik Michiels; doch, hoewel sedert niet minder beroemd dan te voren, had het niet meer de eer genoten van door aanzienlijke lieden bewoond te worden. Immers Hendrik Michiels had de deftige huizinge in een herberg en den van ouderdom versleten Draak in een Zwaan herschapen: en dewijl er sedert meer herbergen gekomen waren, die dat uithangbord voerden, was het logement, waarin thans de kleinzoon van genoemden Michiels het bedrijf zijns grootvaders uitoefende, gemeenlijk onder de benaming van „De Oude Zwaan” bekend.

Daar de eigenlijk gezegde koffiehuizen in die dagen nog niet bestonden, vereenigden zij, die hun tijdverdrijf buitenshuis zochten, zich doorgaans in de gelagkamer van deze of gene herberg, en „De Oude Zwaan” behoorde onder die, welke omstreeks de helft der zeventiende eeuw het meest en door het aanzienlijkste deel der Haagsche burgerij bezocht werden. Ook Buat had er menigen avond gesleten, ofschoon hij, gelijk wij uit het gesprek met Van Espenblad kunnen hebben opgemerkt, er sedert zijn huwelijk minder trouw verschenen was. Doch nu, daar hij het licht zoo vroolijk branden zag, kwam het plotseling bij hem op, dat het niet kwaad zou wezen, indien hij zich daar even binnenbegaf: wellicht zou hij er iemand vinden, die hem hulp of raad kon geven; en in allen gevalle zou het den aanwezigen tot een bewijs strekken, dat hij niet schroomde zich te vertoonen. Wel deed de gedachte, dat hij Van Espenblad hier ontmoeten kon, hem een oogenblik terugdeinzen; maar hij herinnerde zich, dat deze hem van de Kaatsbaan gesproken had, en waarschijnlijk den vooravond daar zou doorbrengen, zoodat er geen kans was, hem op dit uur in „De Zwaan” te vinden. Intusschen, ofschoon al deze gedachten den geest van Buat doorkruisten, zij oefenden geen bepaalden invloed uit op Zijn handelwijze: en het was meer door een werktuiglijke aandrift voortgestuwd, dat hij de herberg binnentrad.

Zijn komst in de gelagkamer verwekte die opschudding onder de habitués, welke doorgaans plaats heeft bij de verschijning van iemand, die een trouw bezoeker placht te wezen en dien men nu in lang niet gezien heeft. Uitroepen als: „heden! daar is Buat!    –  Wel Ritmeester hoe gaat het?   –  Waar hebt gij al dien tijd gezeten?   –  Zijt gij weder op reis geweest?    –  Heeft de vrouw u thuis gehouden?   –  Hoe maakt het de jonggeborene?” enz. enz., rezen verward door elkander van een tafel, om welke verscheiden jongelieden bijeenzaten.

„Inderdaad,” zeide Buat, zich verontschuldigende: „ik wilde mijn vrouw in hare omstandigheden niet alleen laten.”

„Nu!” zeide een uit den hoop: „thans zal alle zorg en ongerustheid wel voorbijwezen en hopen wij in u weder als vroeger een trouwen comparant te vinden. Maar kom! wij dienen u toch te verwelkomen Hier Michiels! een flesch hermitage. Plaats, plaats voor den Ritmeester. Wij moeten de gezondheid eens drinken van de kraamvrouw en den jonggeborene. Wat is het ook weer, Buat, een zoon of een dochter?”

Buat nam aan tafel de plaats in, die hem werd ingeschoven, en deed heuschelijk bescheid op de dronken, die ter zijner eer werden ingesteld. Het kostte hem echter moeite, zich te voegen in de vroolijke stemming, die de overigen bezielde, te meer, daar hij reeds eenigszins berouw begon te gevoelen, dat hij gekomen was. „Van deze Heeren,” dacht hij bij zich zelven. „is er wel niet een, van wien ik hulp en raad te wachten heb, en ondertusschen verbeuzel ik hier mijn tijd, en ook, als ik hen weerom trakteeren moet, mijn geld; terwijl ik beide noodig heb.”

In weerwil van deze bedenkingen, die bij hem opwelden, begreep hij weldra, dat hij in geen geval neerslachtigheid moest laten blijken, en deed dus zijn best om te deden in het luidruchtig gesprek der vroolijke gasten, die hem omringden. Weldra werd er een spelletje voorgeslagen, en de kaarten voor den dag gehaald, en, eer hij er om dacht, zat onze held met de overigen aan het reversi.

„Wie weet?” dacht hij: „het geld, dat ik van Nyssen ontvangen heb, zal mij misschien zijn rente opleveren en in staat stellen mijn schuld af te doen bij Van Espenblad.”

En inderdaad, in den aanvang was de fortuin hem gunstig en was reeds een stapeltje dukaten voor hem geplaatst, toen hij toevallig omkeek en zijn oog op iemand viel, dien hij nog niet had opgemerkt, en die in een hoek der kamer een partij toccadielje zat te spelen. Het was een reeds bejaard, doch nog kloek en sterk gebouwd man, van een deftige en rechte gestalte. Zijn gelaat, evenals dat van een zeeman of jager van beroep, door de zon tot perkament verzengd, kondigde aan, dat hij, wien het toebehoorde, nooit weer of wind geschuwd had. Zijn kleeding was eenvoudig, als bestaande alleen uit een rok, die van boven tot onderen was dichtgeknoopt en met galons noch nestels was versierd: zijn das was niet veel meer dan een strop, en, in plaats der schoenen met hooge hakken, die toen in de mode waren, droeg hij een paar, nauwsluitende, tot boven de knie opgetrokken jachtlaarzen. Maar in weerwil van dat verbrand gelaat en van die eenvoudige kleeding, duidden de regelmatigheid der trekken, de kalme, hoogmoedige uitdrukking van den blik, ja het geheele voorkomen, den man aan van rang en geboorte: althans den man, die zich in de aanzienlijkste kringen op zijn plaats bevond. Ook was de rok van het fijnste laken, en de laarzen van het beste leder:   –  terwijl een en ander, zoowel als de bruine pruik, die zich in breede krullen over zijn ach ouderen verspreidde, naar Engelseh fatsoen gesneden waren:   –  ja, over ’t geheel had de man iets Engelsch in zijn manieren en zelfs in zijn tongval. Dat hij aan Buat niet onbekend was, zal onzen lezers te minder verwonderen wanneer zij vernemen, dat zij ’s mans naam reeds een paar keeren in ons verhaal hebben hooren noemen, Zoowel door Mevrouw Musch als door den Stalhouder Nyssen: in ’t kort, dat hij niemand anders was dan de Heer Van Heenvliet

„Mijnheer Van Heenvliet!” riep Buat, hem uit de verte beleefdelijk met een hoofdbuiging groetende.

„Uw dienaar, Mijnheer Buat!” zeide Heenvliet, den groet met een stijven hoofdknik beantwoordende: „het zal mij aangenaam zijn,” vervolgde hij: „vóór mijn vertrek van hier een paar Woorden met u te spreken.”

„Zou hij mede van de zaak weten?” dacht Buat: „in allen gevalle is hij wel de man, dien ik zocht en die mij misschien met zijn raad en hulp kan bijstaan.”

En waarlijk, Joan Van den Kerkhove, gezegd Polyander, Heer Van Heenvliet, Baron van Bury in Engeland, Houtvester van Holland, was wel iemand, die door jaren, rang en betrekking geschikt scheen geraadpleegd te worden, althans in een zaak als die, welke Buat in bekommering hield. In ’t jaar 39 naar Engeland gezonden, om de Prinses, dochter van Karel 1, voor Prins Willem II ten huwelijk te vragen, had hij, later, de weduwe van den onthoofden Monarch, zoolang zij zich in Holland onthield, getrouw met raad en daad bijgestaan, en was, ter vergelding van de haar bewezen diensten, door Karel II, na diens troonsbestijging, met de Baronie van Bury beschonken. Gedurende het leven van Willem II had hij bij dezen Vorst in hooge gunst gestaan, en zelfs was zijn zoon met de bediening van Stalmeester zijner Hoogheid begiftigd, die hij ook thans nog bij Willem III bekleedde:    –  ofschoon het meer bijzonder de oude Heenvliet was, die, uit aanmerking zijner bijzondere kennis van paarden, geraadpleegd werd, zoo dikwijls er een nieuwe aankoop voor de Prinselijke stallen gedaan moest worden. Prinsgezind dus, zoowel als Engelschgezind, door zijn genegenheden en betrekkingen en door de omstandigheden, was hij, gelijk van zelf sprak, niet bijzonder gezien bij de partij van De Witt, doch des te meer bij de voorstanders van het Huis van. Oranje, die in hem een hunner achtbaarste leidslieden zagen. Wel kon hij geen aanspraak maken op een Vorsteljke afkomst, als Zuylestein, noch op invloed bij de vloot, als Tromp, noch op invloed op de staatszaken, als Van der Horst, noch op de voortvarendheid van Kievit, noch op de kundigheden van Van der Graef:   –  maar hij was rijk en vermogend; en rijkdom gaf ook toen reeds gewicht en aanzien! Bovendien bezat hij zekere routine van zaken, was meer dan iemand in Engeland bekend en bevriend, en vooral had hij, zonder een hoogvlieger te zijn, iets in zijn vormen, dat ontzag en eerbied inboezemde, iets, ’t welk maakte, dat men hem, om zoo te zeggen, niet dorst voorbijgaan, wanneer over een zaak van eenig belang een besluit genomen moest worden. Het was dus geen wonder, dat ook Buat, nu de gelegenheid zich als van zelve opdeed, het voornemen opvatte, zich tot hem om raad te wenden.

Doch evenmin was het wonder, dat onze held, denkende over het onderhoud, dat hem wachtte, daardoor minder aandacht schonk aan zijn spel, en door zijn verstrooidheid van gedachten eenige misslagen beging, welke alras ten gevolge hadden, dat hij niet alleen verloor wat hij gewonnen had, maar ook het grootste gedeelte van het geld, dat hem van den verkoop van zijn paard was overgebleven. Ja, hij ware misschien alles kwijtgeraakt, wat hij bij zich had, en nog het een en ander bovendien, ware hij niet verplicht geweest zijn partij te verlaten, omdat ook die van den Heer Van Heenvliet was afgeloopen.

„Ik ben tot uw dienst, Mijnheer!” zeide Buat, zich tot den grijsaard wendende, die reeds om zijn stok en mantel gevraagd had.

„Zeer goed,” antwoordde deze, en vroeg toen fluisterend aan den knecht:

„Is het spreekkamerje onbezet? Zoo ja, breng er dan licht, en zorg, dat men ons niet store.”

Vervolgens Buat wenkende hem te volgen, stapte de wakkere grijsaard, met een deftigen groet aan het vergaderde gezelschap de gelagkamer uit en naar het spreekkamertje, waar de bediende een licht geplaatst had en toen de beide Heeren alleen liet.

„Ga zitten,” zeide Heenvliet, zelf mede een stoel nemende: „wij moeten een ernstige zaak behandelen, en wel hoe spoediger hoe beter. Van Espenblad heeft u voorslagen gedaan, die gij geweigerd hebt aan te nemen.”

„UEd. weet reeds... .” zeide Buat verbaasd.

„Gij hebt gedacht wel te doen, en gij hebt verkeerd gedaan,” hernam Heenvliet, op een beslissenden toon.

„Verkeerd gedaan,” herhaalde Buat, „door te weigeren voor verrader te spelen?”

„Door te weigeren iets te doen, waardoor gij de partij van Zijn Hoogheid zoudt kunnen dienen. Gij hebt alleen uw eergevoel laten spreken, en gij hadt ook gehoor moeten geven aan hetgeen de belangen van den Prins, wiens dienaar gij zijt, van u vorderen.”

„Maar ik begrijp niet...

„De zaak is toch doodeenvoudig,” viel Heenvliet in, en begon toen nagenoeg dezelfde redenen te ontwikkelen, van welke Mevrouw Musch zich reeds tot overreding harer dochter had bediend, doch waarvan de kracht, zoo zij op Buat niet geheel zonder invloed bleef, echter niet genoegzaam was, om hem over te halen tot verzaking van het beginsel, waaruit hij gehandeld had.

„Hoor eens,” zeide eindelijk de Heer Van Heenvliet „ ik verg niet, dat gij reeds terstond in de zaak een besluit neemt; maar ik heb, geloof ik, eenig recht om te vorderen, dat gij de gronden, die ik heb aangevoerd, in ernstige overweging neemt.     –  Ik wil u dus gaarne tot morgen tijd laten om er u op te bedenken. Intusschen besef ik zeer klaar, dat eene omstandigheid u vooral op het harte drukt, omdat zij, ingeval gij er toe overgingt aan het verzoek van Van Espenblad gehoor te geven, de blaam op u zou kunnen laden, dat gij zulks uit vrees of uit baatzucht deedt. Gij zijt Van Espenblad geld schuldig.”

„Is ook dit u bekend?” vroeg Buat.

„Och!” antwoordde Heenvliet: „dergelijke transactiën worden zelden zoo geheim aangegaan, of er komt iemand achter Van Espenblad heeft een schuldbekentenis van u in handen? en, zoo hij nu misschien den grootmoedige speelt, op een fraaien dag zal hij u daarmede aan boord komen, als gij er het minst op verdacht zijt. Hoe groot is het bedrag?”

„Honderd vijf en zeventig kronen,” antwoordde Buat, zich op de lippen bijtende.

„Heel goed:   –  en het zal u op ’t oogenbllk misschien slecht schikken, die som bijeen te brengen?”

„Ik zou wel honderd vijf en zeventig kronen kunnen vinden,” antwoordde Buat, gemaakt lachende: „maar ik wenschte? om geheel van den kerel af te wezen, ze hem van avond nog te kunnen bezorgen, en ik beken u openhartig, dat ik op ’t oogenblik zooveel comptant geld niet bezit. Het spijt mij recht; want ik kan het denkheeld niet verdragen, eenige verplichting aan dien man te hebben.”

„Wel, waarom spraakt gij niet eerder?” vroeg Heenvliet? terwijl hij meteen een welgevulde goudbeurs uithaalde. „Zie! hier zijn vijf en zeventig dukaten: betaal uw schuldeischer en geef mij het geld terug wanneer het gelegen komt. Ik ben er niet om verlegen.”

„Uw goedheid is al te groot,” zeide Buat: „maar ik weet niet of ik er gebruik van durf maken. Het verplaatst alleen mijn schuld en....

„En gij zult toch liever verplichting aan mij hebben dan aan Van Espenblad,” zeide Heenvliet, den zin aanvullende, „maar indien gij het beter oordeelt een meubelstuk te verkoopen, of bij een woekeraar geld op te nemen, gij zijt er volkomen meester van.”

„Ik blijf u ten uiterste dankbaar,” hernam Buat, het goud bij zich stekende: „ik zal u niet lang op de terugbetaling doen wachten en mij nu onmiddellijk van mijn schuld gaan kwijten. UEd. toont zich inderdaad een waar vriend in den nood.”

„Wel, ik ben steeds die van uw vader geweest, en ik wensch de uwe te blijven,” zeide de grijsaard; „maar nog eens, denk over de zaak na, en geef de belangen van uw Meester niet prijs aan een denkbeeldig punt van eer.   –   Doch komaan!” vervolgde hij, opstaande en de deur ontsluitende: „mijn dienaar heeft reeds een poos gewacht en het zal mijn tijd wezen naar huis te gaan. Gaat gij zoover met mij mede?”

„Ik zal de eer niet kunnen hebben, u gezelschap te houden,” antwoordde Buat: „ik wenschte nu maar dadelijk. . .

„Ik begrijp u al,” zeide Heenvliet: „nu! ik hoor dan wel nader van u!” Met deze woorden trad hij het huis uit en? verzeld van zijn dienaar, die hem met een brandende flambouw in de gang had staan wachten, sloeg hij den weg in naar zijn huis, terwijl Buat, na hem gegroet te hebben, zich weder den Vijverberg over begaf en van daar over het Plein, waar Van Espenblad op gemeubileerde kamers woonde. Hij wist, dat deze tot vaste gewoonte had, wanneer hij uit de Kaatsbaan of de Herberg kwam, ook dan wanneer hij het overige gedeelte van den avond elders doorbracht, eerst nog naar huis te gaan, om te zien of er ook iets voor hem gekomen was, en hij hoopte hem dus nog te zullen aantreffen. Doch toen hij de dochter des huizes vroeg naar den man, dien hij zocht, hoorde hij, niet zonder teleurstelling, dat deze wel te huis geweest was, maar onmiddellijk daarna weder was uitgegaan, om den avond door te brengen bij den Heer Van Montbas.

„Ik kan hem daar niet gaan spreken,” dacht Buat hij zich zelven. „en zoo hij slechts weet, dat ik er geweest ben, zal dat wel voldoende zijn. Nu!” vervolgde hij overluid tot de deerne, die hem de deur geopend had: „Wees zoo goed den Heer Van Espenblad te zeggen, dat ik er geweest ben en morgenochtend tijdig hoop terug te komen.”

Het meisje beloofde „het waar te nemen,” Buat nam de terugreis aan naar zijn woning. Het was acht uren toen hij aldaar kwam, op welken tijd, in die eeuw, de dames gewoon waren, haar saletten te verlaten: hij vond dan ook Mevrouw Musch reeds vertrokken, waar hij juist geen rouw over gevoelde. Zijn vrouw was zooeven te bedde gegaan, en de baker was bezig de kamer weder behoorlijk in orde te maken. Weldra echter scheen zij te beseffen, dat haar tegenwoordigheid op ’t oogenblik gemist kon worden, en, met een bescheidenheid, die in een baker schier ongelooflijk mocht genoemd worden, verliet zij het vertrek en ging bij Stijntje in de keuken een praatje maken.

„Zijt gij in „De Oude Zwaan” geweest, Henry?” vroeg Elizabeth, het hoofd leunende tegen den schouder van haar echtgenoot, die zich naast het ledikant nedergezet en den arm om haar heen geslagen had.

„Ja, liefste!” antwoordde hij.

„En waren er kennissen?”

„Ja.... zoo de gewone comparanten, en, onder anderen, de oude Heer Van Heenvliet.”

„Zoo!” hernam zij met levendigheid: „en wat heeft die u gezegd?”

„Hij heeft mij tot mijn groote verbazing gezegd,” antwoordde Buat, „dat hij mijn gedrag omtrent dat voorstel van Van Espenblad niet goedkeurt.”

„Die goede oude man,” zeide Elizabeth, de fonkelende oogen bljmoedig opslaande.

„Hoe heb ik het met u, Schatje?” vroeg Buat verwonderd: „Gij zijt toch niet van gedachte, dat ik verkeerd gehandeld heb?”

„Ik heb er u te liever om gehad, Henry!” antwoordde zij, hem een kus op de wang drukkende: „dat gij het voorstel zoo wakker hebt afgeslagen en zoo om niets anders gedacht dan om het handhaven van uw eer. Maar toen ik er over nagedacht heb, toen, ja, toen ben ik zelve tot de slotsom moeten komen, dat gij u door dat eergevoel al te ver hebt laten meesleepen, en er uwe veiligheid, het belang van uw vrouw en kind, en de groote zaak, waaraan wij gehecht zijn, aan hebt ten offer gebracht.”

„En gij ook!”   –  riep Buat uit:   –   „juist wat de Heer Van Heenvliet tot mij zeide. Maar is het dan een samenzwering, die gij met hem gemaakt hebt?”

„Bedenk, Henry!” hernam Elizabeth, zonder de vraag van haar man bepaald te beantwoorden, „dat de woorden van een bejaard en verstandig man, als de Heer Van Heenvliet, wel in overweging dienen genomen te worden, en dat iemand als hij den raad niet zal geven om iets te doen, dat strijdig is met eer en plicht.”

„Hm!” zeide Buat: „ik wenschte daaromtrent wel mijn eigen begrippen te volgen. De eer is een zoo teedere zaak, dat ieder die voor zich zelven bewaren moet, en die bewaring aan geen ander, ook aan den vroomste en voorzichtigste niet kan toevertrouwen    –  Maar nogmaals zeg ik, ik begrijp er niets van. Gij erkent zelve, dat gij in den beginne mijn gedrag goedkeurdet.”

„Dat deed ik,” zeide Elizabeth: „maar bij rijper overleg...

„Gekheid!” hernam Buat: „de eerste opwelling bij een vrouw is altijd de ware en die de man weldoet van in te volgen.   –  En daarbij, zoo wil ik er mijn hoofd onder verwedden, dat gij uit u zelve er niet toe gekomen zijt, dus van gedachten te veranderen. Daar heeft moeder Musch de hand in gehad.... en    –  nu ik het een en ander in verband breng   –  het zou mij gansch niet verwonderen, dat Heenvliet het parool van haar ontvangen heeft.    –  Ik wilde,” vervolgde hij, een weinig knorrig, „dat die vrouw zich wat minder met mijne zaken bemoeide.”

„Lieve, beste Henry!” zeide Elizabeth vleiende: „denk, dat mijn goede moeder niets dan ons geluk voor ’t oog heeft.”

„Niets dan ons geluk?” herhaalde Buat: „zij bekommert zich wat over ons geluk. Als zij maar kuipen en intrigreeren kan, dan heeft zij haar zin;   –   maar ik bedank er voor, het werktuig te zijn van haar geheime knoeierijen.”

„Foei, Henry!” zeide zijn vrouw, terwijl zij begon te schreien: „het is niet lief van u, dus van mijn goede moeder te spreken. Bedenk, wat zij geleden heeft, en dat, zoo zij zich afgeeft met wat gij knoeierijen gelieft te noemen, zij dit alleen doet in het belang van den Prins, welken gij ook dient en wiens zaken gij ook wenscht voor te staan.”

„Ik bedenk alleen, Betje!” antwoordde Buat, haar de tranen van de wangen kussende: „dat ik u van harte liefheb, en dat ik niet wil, dat men ooit van u zeggen zal: daar gaat de vrouw van den verklikker Buat.”

„Maar integendeel, lieve Henry!” hernam Elizabeth: „als Zijn Hoogheid in rang en eer hersteld is, gelijk toch zeker eenmaal geschieden moet, dan zal men van mij zeggen: daar gaat de vrouw van Buat, van den man, die zooveel heeft. toegebracht om de verheffing van den Prins voor te bereiden, door de correspondentie, welke hij met Engeland gevoerd heeft. Wat is het toch, dat zij van u verlangen?   –  Alleen, dat gij voortgaat met schrijven en onderhandelen evenals tot heden, met dit eenige onderscheid, dat gij het tot nu toe niet %onder gevaar kondet doen, en dat het. thans onder bescherming uwer tegenstanders zelven geschieden kan. Is dat nu zooveel gevergd? vooral, wanneer gij, door uwe weigering, de verbolgenheid van de machtigen in den Lande op u laadt, en u zelven aan vervolging, mij en uw kind misschien aan armoede, blootstelt? En houd vooral in ’t oog, dat, zoo gij uwen dienst al weigert, Van Espenblad gemakkelijk een ander zal vinden, die de door u afgeslagen taak aanvaardt, en die, niet tot de welgezinden behoorende zooals gij, de schoone plannen van den Raadpensionaris bevordert, en daardoor eene onherstelbare schade aan onze partij kan toebrengen.”

„Inderdaad!” zeide Buat, getroffen door een beweeggrond, die hem nog niet was voorgekomen: „maar toch!”   –  voegde hij er bij, zich snel hervattende: „omdat het licht zal wezen een ander te vinden, die het schelmstuk pleegt, moet ik er mij daarom mede belasten?”

„Neen,” hernam zijn vrouw: „nu stelt gij de vraag verkeerd voor: gij moet ten goede leiden, wat onze vijanden ten kwade bedacht hebben. Gij moet den slag krachteloos maken, dien men voorheeft, en de boozen met wapenen uit hun eigen tuighuis bestrijden.”

„Onmogelijk,” zeide Buat: „het stuit mij tegen de borst: ik zou mij zelven verachten, indien ik mij verlaagde tot het spelen eener zoo dubbelzinnige rol.”

„Gij hebt dan niets meer over voor onzen goeden Meester,” zeide Elizabeth op een verwijtenden toon: „voor dien Prins, wien gij beweert zoo verknocht te zijn, die u zooveel goedheid toont, en ten wiens behoeve gij niets wilt doen, nu zich daartoe de gelegenheid voordoet?”

„Ja, voor den drommel!” antwoordde Buat: „kon ik hem maar dienen, zooals ’t mij zou voegen, met de wapens in de Vuist, in een open oorlog tegen Mr. Jan en de zijnen, dat zou mij niet kunnen schelen;   –  maar voor al dat knoeiwerk, daartoe voel ik mij ten eenenmale ongeschikt.”

„Och, wat!” zeide Elizabeth, jammerende: „gij zijt tot alles geschikt; maar gij wilt u met opzet zelf in het ongeluk storten, en u de gansche wereld tot vijand maken, zoo wel den Raadpensionaris en zijn kliek, die u van verstandhouding met Engeland zullen beschuldigen, als de partij van den Prins, die ’t u niet vergeven zal, dat gij weigert hem in een zoo nuttige zaak ten dienst te staan. Leedt gij nog om de goede zaak, dan zou ik mij troosten; maar nu zult gij lijden alleen om den wille uwer stijfhoofdigheid, en gij niet alleen, maar ook ik en onze kleine Elizabeth, en God weet wat er het einde van zal wezen! Och, Buat! wees toch verstandig en heb medelijden met uw vrouw en kind.”

„Waarljk,” zeide Buat: „gij brengt mij in de beroerdste stelling, waar ik mij ooit in bevonden heb.   –  Ik wou, dat ik nooit zoo dwaas ware geweest, een woord over politieke zaken aan Sylvius te schrijven.”

„Maar dat is nu eenmaal geschied,” hernam Elizabeth: „en gij keert niet meer terug. Nog eens, Buat, neem een verstandig besluit, gelijk het een man voegt.”

„Maar al wilde ik uw zin doen,” zeide Buat, half overgehaald: „ik kan het niet meer. Ik heb eens aan Van Espenblad op de stelligste wijze verzekerd, dat ik zijn voorstel nimmer zou aannemen: en het zou geen houding hoegenaamd hebben~ zoo ik mij nu bij hem vervoegde en aannam te doen, wat ik op zoo hoogen toon van mij heb afgeworpen.”

„Is dit al de zwarigheid?” vroeg Elizabeth, terwijl haar oogen tintelden van vreugde over de reeds meer dan halfbehaalde zegepraal: „wel, mij dunkt, gij zult wel een voorwendsel kunnen vinden om bij hem te gaan.”

„Ja, dat zou ik,” zeide Buat, half glimlachende bij de gedachte, dat dit voorwendsel reeds gevonden was, half zuur kijkende, toen hem de aanleiding tot dat bezoek voor den geest kwam.

„Een tegenbezoek dient gij hem toch te brengen, nietwaar?” vroeg Elizabeth.

„Nu ja, dat is ’t minst,” zeide Buat, ongeduldig: „maar dan?”

„Dan zal hij wel weder met hetzelfde voorstel voor den dag komen,” hernam zijn vrouw: „dan houdt gij u in ’t begin, of gij er niets van weten wilt, laat u langzamerhand door hem bepraten, en eindigt, met toe te stemmen.”

„Hij zal er niet weder over beginnen,” zeide Buat: „hij heeft zelfs van middag afscheid genomen met te zeggen, dat hij de zaak als afgedaan beschouwde.”

„Nu ja! zoo iets zegt men; maar als de gelegenheid zich voordoet, komt men er op terug:   –  en doet hij het niet, dan zijt gij slim genoeg, er hem weder op te brengen.”

„Neen! dat in eeuwigheid niet,” hernam Buat: „al wat ik kan doen, en wil doen, daar ’t nu toch eenmaal zoo zijn moet, is toe te stemmen in den voorslag, als die herhaald wordt; maar dien zelf uit te lokken, daar bedank ik voor.”

„Nu! dat verg ik ook niet, beste Henry!” zeide Elizabeth, verheugd dat zij het zooverre gebracht had, en haar man omhelzende: „wanneer gaat gij naar hem toe?”

„Morgen,” antwoordde Baat: „de zaak hindert mij genoeg, en hoe spoediger er op de eene of andere wijze een eind aan komt, hoe beter.”

Hier begon hun kind te schreien: ’t geen ten gevolge had, dat de baker boven kwam en het vertrouwelijk gesprek tusschen de beide echtgenooten voor dien avond een einde nemen moest.


[Jacob van Lennep pagina] – [4e hoofdstuk] – [6e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.