MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ZESDE HOOFDSTUK,

WAARIN DE UITSLAG WORDT VERHAALD VAN HET BEZOEK VAN BUAT BIJ DEN HEER VAN ESPENBLAD.


 Het was, gelijk wij gezien hebben, niet dan tegen zijn overtuiging aan en in weerwil van zich zelven, dat Buat had toegegeven aan hetgeen zijn vrouw van hem verlangde, en verre van aangenaam en rustig was de nacht, welken hij, na dien gewichtigen dag, op zijn eenzame legerstede doorbracht. „Dwaas die ik ben,” bromde hij in zich zelven, terwijl hij, in slapeloze ongedurigheid, zich dan eens rechts, dan weder links omkeerde: „dwaas die ik ben, dat ik mij aldus tot speelbal laat gebruiken, door een ouden wijsneus, die zijn onbeduidendheid achter een schijn van gewicht verbergt, en door een onervaren jonge vrouw, die de papegaai is van haar moeder. ‘t Is waar, Heenvliet heeft zich edelmoedig getoond en mij van een lastige schuld verlost;    –  maar had hij er zijn oogmerken niet mede, zoogoed als Van Espenblad? En wat is de slotsom van dit alles? Dat ik van Charybdis in Scylla vervallen ben, en in plaats van mij te verkoopen aan De Witt cum suis, mij aan Heenvliet cum suis heb verkocht; of wel, als dat een troostrijker denkbeeld mag genoemd worden, dat ik in plaats van een enkele, een dubbele verrader ben geworden. Ik wou dat mijn hand verstijfd ware, toen zij voor het eerst een pen aanraakte. Hoe kon alles ook zoo samentreffen, om juist mij, die een hekel heb aan alle politiek, in zulk een doolhof van knoeierijen te sturen!    –  Die toevallige bekendheid met Sylvius, zijn vertrek naar Engeland, waardoor ik, volkomen onschuldig, met hem in briefwisseling geraakte; mijn huwelijk met de dochter van die eeuwige intrigante, ten gevolge waarvan ik mij laat verlokken, om, in spijt van mij zelven, over staatszaken te schrijven: die ongelukkige schuld aan Van Espenblad, waardoor hij zich gerechtigd acht, mij zulk een voorslag te doen!…… Had ik er ten minste maar niet tegen mijn vrouw en schoonmoeder over gesproken, dan ware de zaak uit geweest…... en waar zal die nu op uitloopen?”

Van dezen en dergelijken aard waren de verwijten, die Buat zich zelven deed: en gelukkig zou het voor hem en de zijnen geweest zijn, indien hij er naar geluisterd, het woord, aan zijn vrouw gegeven, teruggenomen, aan de zaak haar natuurljken loop gelaten en de mogelijke gevolgen had afgewacht; maar nu hij eens zwak genoeg was geweest om toe te geven, wilde hij, gelijk alle zwakke lieden plegen te doen, toch voor die zwakheid eenige verschooning vinden: en zoo begon hij langzamerhand de gronden op te halen, die men had aangevoerd om hem te bepraten: ja zelfs, vergetende, met hoeveel vuur hij die gronden bestreden had, begon hij langzamerhand zich zelven diets te maken, dat zij, wel beschouwd, toch niet van gewicht ontbloot waren, en dat er in de gegeven omstandigheden wel niet veel anders opzat, dan te doen wat men van hem vorderde. Ware het dan ook met moeite, het gelukte hem nochtans ten leste, de stem van zijn eergevoel tot zwijgen te brengen voor hetgeen hij de stem der rede noemde: en zoo gebeurde het, dat toen hij den volgenden morgen oprees, de eenige zwarigheid welke hem nog kwelde, bestond in de onzekerheid, hoe hij het zou aanleggen om Van Espenblad weder op het kapittel van de correspondentie met Engeland te brengen.

Dit was intusschen van latere zorg; zijn eerste taak moest zijn, zich van zijn schuld te kwijten, en te dien einde niet weer gevaar te loopen om van Espenblad niet thuis te treffen. Zoodra had hij zich dus niet aangekleed, zijn vrouw en kind goeden morgen gekust en een vluchtig ontbijt genomen, of hij nam hoed en degen en haastte zich naar het Plein. Toen hij echter aanbelde, bekroop hem de vrees, of hij ook wellicht, ten gevolge eener te ver gedreven zorg van niet te laat te komen, zich te vroeg aanmeldde, en of hij niet zou worden afgewezen uit aanmerking dat „Mijnheer nog niet bij de hand was.” Zijn vrees bleek echter ongegrond te zijn; want de jonge dochter, die hem de deur opendeed, verzekerde hem dat hij gerust naar boven kon gaan, en dat Mijnheer al lang in zijn studeerkamer zat. En inderdaad, toen hij de trap was opgegaan en, aan de deur van het hem bekende vertrek gekomen, getikt had, kondigde een luid gesproken „binnen”! hem aan, dat de man, dien hij zocht, zich aldaar bevond.

Men behoefde de kamer, welke Buat nu binnentrad, slechts met een vluchtig oog te beschouwen, om in den bewoner den man te herkennen, die zijn tijd verdeelde tusschen bezigheden en vermaken. Fraaie schilderijen aan den wand, keurig bewerkte hoekkasten, die een rijke verzameling van bekers, drinkhoornen fluiten en ander kostbaar glaswerk bevatteden, een verkeerbord van Japansch lakwerk, rijk gemonteerde degens, pistolen en rijzweepen, zijden kussens op de stoelen naast de ramen, en een onnoemelijk aantal kleine sieraden, hier en daar verspreid, verkondigden den man naar de wereld. Doch, evenals er in Van Espenblad twee menschen aanwezig waren, zoo waren er ook, om zoo te zeggen, twee vertrekken in zijn woonkamer: keek men van den schoorsteen af naar de zijde van de vensterramen, dan was alles licht, vroolijkheld en zwier;    –  keek men de andere zijde op, dan vond men zich in het kabinet van den man van studie verplaatst. Zware boekenkasten langs den muur, aard- en hemelgloben, land- en stedekaarten, tafels, beladen met papieren van allen vorm en grootte, alles wees op zaken, op geleerdheid, op wetenschap. Alleen de bewoner zelf, hoewel in dat diepere en donkere gedeelte van het vertrek bij het lustig brandend vuur aan den arbeid gezeten, scheen, wat zijn kleeding betrof, beter te huis behoord te hebben in het vroolijker gedeelte van het vertrek: en de witte, met hemelsblauw lint omboorde muts, die thans de pruik bij hem verving, de gebloernde Japansche rok, die hem om de leden fladderde, het blinkend vest van zijden stof met zilver doorweven, en de bonte das, leverden een sterk contrast op met den donker lederen leunstoel, waarin hij gedoken lag, met het eenvoudig groene kleed der studeertafel, met al de sombere voorwerpen in één woord, die den achtergrond der schilderij uitmaakten.

„Mijnheer Buat!” riep Van Espenblad uit, met een verheugd gelaat van zijn zetel opspringende en zijn bezoeker te gemoet komende: „wel, dat is een aangename verrassing!   –  Zoo vroeg had ik u niet verwacht:..., doch ga zitten, wat ik u bidden mag:   –  en waaraan ben ik de eer van uw aangename komst verschuldigd?”

„Verschoon mij, Mijnheer Van Espenblad!” antwoordde Buat, terwijl hij op den hem aangeboden stoel naast den schoorsteen plaats nam: „maar ik onderstelde, dat UEd. op mijn bezoek eenigszins was voorbereid, daar ik gisteravond reeds de eer heb gehad mij hier aan te melden en aan de dochter des huizes verzocht heb u, te verwittigen, dat ik van morgen zou terugkomen.”

„O! waart gij het, die hier gisteravond geweest zijt:...... die onnoozele deerne kon zich den naam niet herinneren en wist alleen te vertellen, dat er een officier was geweest. —Ja, ik was bij den Heer Van Montbas, met de Heeren Van Gent, Van Odijk, en nog een paar Heeren: ‘t was een partijtje ter eere van dien gewezen kamerdienaar van den Prins van Condé, die zich tegenwoordig de airs geeft van voor diplomaat te spelen, ofschoon in den grond de naam van spion hem beter zou voegen:     –  gij weet wien ik meen: Gourville.   –  Maar de Prins is machtig met hem ingenomen; vreemd genoeg, daar hij anders juist zoo Franschgezind niet is. Wij hadden Zijn Hoogheid ook verwacht; maar dat is mis geweest. ‘t is jammer, dat gij er ook niet gekomen zijt.”

„Ik was niet gekleed om uit te gaan,” antwoordde Buat: „en bovendien, gelijk u bekend is, ongenoode gasten……”

„O kom! gij zijt nooit ongenood,” zeide Van Espenblad: „en gij hadt Montbas zeker verplicht, die nu bijna alleen het gesprek moest ophouden met onzen Franschman; want, tusschen ons gezegd, die andere Heeren mogen al goed Fransch verstaan, zij zijn er geen heksenmeesters in, wanneer het op spreken aankomt.”

„Maar UEd. spreekt toch het Fransch volkomen zuiver,” merkte Buat aan.

„Ik geloof dat gij mij vleit,” zeide Van Espenblad, schamper lachend: „Althans ik heb een paar reizen gemist een Ambassade naar Frankrijk te vervullen, Omdat men bang was, dat men mij daar niet goed zou verstaan. Doch dat is tot daaraan toe…… ik moet u om verschooning bidden, dat ik nog niet naar den welstand van Mevrouw Buat heb gevraagd.”

„Mevrouw Buat is zoor węl naar tijdsomstandigheden,” antwoordde Buat.

„En de jonggeborene?”

„Evenzoo” antwoordde Buat nogmaals.

„En de Baker vrij lastig?   –  alles naar gewoonte,” hernam Van Espenblad: „en mag ik thans naar de aanleiding van uw bezoek vernemen?”

„Mij dunkt,” zeide Buat: „die kan u niet vreemd voorkomen, wanneer ons gesprek van gisteren niet geheel uit uw geheugen is geweken.”

„Volstrekt niet,” zeide Van Espenblad haastig, ,wij spraken van een voorstel, dat ik u deed, en dat...

„Wij spraken van een schuld, die ik aan u heb,” viel Buat in, „en waarvan ik beloofd had, mij gisteravond te kwijten. Vergun mij nu, zulks op dit oogenblik te doen.” En meteen zijn beurs voor den dag halende, telde hij de dukaten op de tafel neder.

„Moet het dan volstrekt zoo zijn?” zeide Van Espenblad, met een ontevreden gelaat naar de schrijftafel gaande, waar hij de schuldbekentenis van Buat uitnam en aan dezen ter hand stelde: „ik had veel liever gezien, dat gij mijn schuldenaar gebleven waart, dan dat gij u om mijnentwille in ongelegenheid brengt.”

„Zoo ik die schuld betaal, ik doe het vooral om mijnentwille, Mijnheer!” zeide Buat, op eenigszins hoogen toon.

„Zooals gij wilt,” hernam van Espenblad, het goud achteloos naar zich toe strijkende en in een bakje latende vallen, ‘t welk hij in de schrijftafel zette. Vervolgens terugkeerende, plaatste hij zich recht over Buat, zag hem sterk in de oogen en zeide toen op een vriendelijk verwijtenden toon, terwijl hij het hoofd langzaam schudde:

„Wilt gij mij dan volstrekt den oorlog verklaren?”

„Den oorlog!” herhaalde Buat: „wat brengt u tot die gedachten?”

„Wel,” hernam Van Espenblad: „wat anders kan ik, na ons gesprek van gisteren, uit uw handelingen opmaken, dan dat het u bepaald tegenstaat, eenige verplichting jegens mij te hebben.   –  Ik heb ondervinding ons te weten, dat men in de wereld nooit op dankbaarheid moet rekenen; en toch had ik die van uwe zijde meer verdiend dan ontevredenheid en wrevel.”

„Ik weet niet,” zeide Buat, die gevoelde, dat hij nu de pijnlijke rol moest beginnen te spelen, die hij had op zich genomen: „ik weet niet, dat ik reden tot ontevredenheid tegen u zou hebben: ik ben gisteren misschien een weinig driftig geweest, wat mij in mijn eigen huis allerminst voegde, en waarvoor ik gaarne nu verschooning verzoek.”

„Nietwaar?” vroeg Van Espenblad: „er bestond geen reden tot ontevredenheid:   –  en ik was wel overtuigd, dat gij zelf dit bij nader inzicht zoudt opmerken; gij hebt waarlijk de zaak, waarover ik gisteren met u sprak, uit een te eenzijdig oogpunt beschouwd, en u verbeeld dat wij een spion van u wilden maken, terwijl wij u eenvoudig een geheime onderhandeling wilden opdragen.”

Buat gevoelde al meer en meer hoeveel moeite het hem kostte, onoprecht te zijn, en het was of hij zijn mond vol brij had, toen hij antwoordde:

„’t Is mogelijk, dat ik de zaak verkeerd heb ingezien; maar gisteren kwam mij de taak, waarmede men mij belasten wil, alles behalve eervol voor.”

„Mijn waarde vriend!” hernam Van Espenblad: „gij zijt een man van eer: als zoodanig ken ik u en kent u de Heer Raadpensionaris:     –  wij zouden ons dus schamen, u voorslagen te doen, die een man van eer niet zou kunnen aannemen. Daarbij, gij hebt een helder oordeel, en zoo gij later in hetgeen wij van u vergen iets bemerkt, dat gij strijdig acht met uw eergevoel, dan zullen wij uw oordeel, zoowel als uw gevoel, eerbiedigen, en zijt gij aan niets verbonden.”

„Met uw verlof,” zeide Buat: „ik heb ook nu nog geen verbintenis aangegaan.”

„Neen, dat weet ik,” hernam Van Espenblad, een snuifje nemende uit een groote verlakte doos, die op tafel stond: „maar ik weet ook, dat gij u verbinden zult. Ik kan heden nog, door mijn invloed bij den Heer Raadpensionaris wellicht bewerken, dat er geen gevolg worde gegeven aan de klacht, welke men tegen u had willen inbrengen, wegens verboden brief wisseling maar dat zou niet beletten, dat zij, die van de zaak weten, u met een scheel oog aanzagen, en dat gij zoowel uw Ritmeesterschap als uwe bediening ten Hove zoudt kunnen verliezen.   –  Zie nu toch in mijn woorden, wat ik u bidden mag, niet, zooals gij gisteren deedt, eene bedekte bedoeling om u, door het voorspiegelen van een ingebeeld gevaar, te willen dwingen, datgene te doen, wat u in den grond tegenstaat;   –  maar alleen een bloote vermelding van feiten, welke ik mij uit oprechte belangstelling verplicht vind u niet te verzwijgen. En nu wordt eenvoudig de vraag: moogt gij, als man en vader, de gelegenheid afwijzen, welke u wordt aangeboden, om, door eerlijke middelen, niet alleen den slag, die u dreigt, van u af te wenden, maar zelfs uw uitzichten te verbeteren?”

En nogmaals zag hij, met zijn doordringenden, schijnbaar zoo openhartigen blik, den armen Ritmeester aan, die zwijgend voor zich keek en met de tressen van zijn degenhanger speelde. Zoo moedig en groet als Buat zich den dag te voren tegenover Van Espenblad gevoeld had, zoo klein en vernederd gevoelde hij zich thans. Want nu wist hij, dat hij niet weigeren zou, en, zoo hij aannam, wist hij, dat het zijn zou om misbruik te maken van het vertrouwen, dat in hem gesteld werd. Zijn toestand was hem ondraaglijk, en hij zou honderd voeten onder den grond hebben willen zitten.

„We! zeide eindelijk Van Espenblad: „hoe is het? meet ik uw stilzwijgen voor een toestemming opvatten?”

„Indien UEd. mij verzekeren kunt, dat ik niets tegen de belangen van den Prins, mijn meester, zal behoeven te verrichten,” stamelde Buat.

„Laten wij elkander wel verstaan,” zeide Van Espenblad ernstig, en deze reis met te meer klem, daar hij geen oprechtheid behoefde te veinzen: „alles hangt af van de uitlegging, welke gij aan dat woord „belangen” meent te moeten geven. Neen, gewis zal de Heer Raadpensionaris de belangen van den Prins niet voorstaan op die wijze, als een hoop verblinde lieden, die nooit wijs zullen worden door de ondervinding, zulks begeeren: neen, gewis zal hij thans niet instemmen met dezulken, die aan een baardeloozen knaap de leiding der zaken van ons Gemeenebest zouden willen toevertrouwen, in een oogenblik, dat zij een vaste hand en kloeke zinnen vereischt: integendeel, hunne bedoelingen zal hij tegenwerken met al de vastheid, die hem kenmerkt, en met al de macht, welke hij bezit. Maar het ware belang van Zijn Hoogheid te bevorderen, te zorgen, dat hij, door een treffelijke opvoeding te genieten, door zijn hart en zijn verstand te vormen, eenmaal geschikt worde om hooge staatsambten te bekleeden, zich in één woord de ware vriend van den Prins te toonen, meer en beter dan de schijnvrienden, die hem omringen, daarin zal de Heer De Witt nooit in gebreke blijven:   –   en zoo gij in waarheid uw meester dienen wilt, dan zult gij dit nooit beter kunnen doen, dan door te volvoeren, wat de Heer Raadpensionaris u oplegt.”

Van Espenblad had met warmte gesproken en deze reis uit den grond van zijn gemoed; want zijn oordeel was juist en helder, en, welke en hoedanig ook zijne eigene bedoelingen waren, De Witt was hem te lang en te goed bekend, dan dat hij niet in staat zou geweest zijn, aan diens bedoelingen recht te doen wedervaren.

Buat was getroffen. Hij stond op en reikte aan Van Espenblad de hand.

„Welaan!” zeide hij: „ik zal doen wat gij mij raadt;    –  doch, ook ik heb achting voer den persoon van den Raadpensionaris: gij staat mij borg, dat hij mij niet verachten zal om de rol, die ik vervullen ga?”

Een wolkje betrok even het gelaat van Van Espenblad, die op deze vraag niet was voorbereid, en zijn toevlucht nam tot zijn snuifdoos, om de verlegenheid van het oogenblik te bedekken. Hij toch wist maar al te goed   –  sommigen beweerden door eigen ondervinding   –  dat De Witt hierin Filippus van Macedonië en vele andere groote mannen navolgde, dat, zoo hij nu en dan verraders gebruikte, hij hen niettemin in den grond zijns harten verafschuwde.

Parbleu!” zeide hij eindelijk: „ik heb u immers reeds gezegd en herzegd, dat uw rol niets verachtelijks hebben zal: hoe wilt gij dan, dat iemand, die zoo verstandig denkt als de Raadpensionaris, en die beter dan iemand in staat is den aard der werkzaamheden, welke hij van u verlangt, te beoordeelen, u zou kunnen verachten.   –  Wat dat betreft, kunt gij volkomen gerust zijn.”

„Het zij dan zoo,” hernam Buat: „wanneer treed ik in functie?”

„Dat zal spoedig wezen,” antwoordde Van Espenblad: „eerlang zult gij wel nader van de zaak hooren. En nu”   –   hier wees hij op de tafel   –  „zult gij mij verschoonen. Over een uur moet ik naar de Vergadering, en ik heb nog een legio stukken te doorworstelen. Geloof mij, ik zat liever nog wat met u te keuvelen, dan mij met die vermakelijke quaestiën bezig te houden;.... maar helaas! de zaken moeten voorgaan.”

„Ik neem mijn afscheid,” zeide Buat: „nu! ik heb u wel verstaan:   –  indien de taak mijn gevoel tegenstaat, kan ik altijd nog terug.”

Van Espenblad antwoordde niet dan met een beleefde buiging, die tevens tot afscheid gold, en liet den Ritmeester de deur uit.

„Terug!” herhaalde hij, zoodra hij zich alleen bevond, met een bitteren glimlach, en terwijl hij het vertrek met langzame schreden op- en neerliep: „neen voor den duivel! terug zult gij niet: gij hebt u vrijwillig het net over ‘t hoofd gehaald en gij zult voortaan volbrengen, wat men van u verlangt, of wij zullen ‘t u leeren.   –  Maar vanwaar die snelle omkeering?” vroeg hij, op eenmaal stilstaande, zich zelven af: „gisteren wierp hij het voorstel zooverre van zich   –  en heden was het, of hij bang was, dat ik het niet herhalen zou. Dat is niet natuurlijk! Daar schuilt iets achter: maar wat?   –  De man was verward en verlegen: hij heeft mij mijn geld teruggegeven en er zelfs niet eens aan gedacht, om loon voor zijn werk te bedingen. Hij zal toch niet van plan zijn, om thans gratis te verrichten, wat hij gisteren voor geen schatten zou hebben willen doen. Onbegrijpelijk! zou hij ook door de Oranjepartij bepraat zijn geworden, om voor kijk in-den-pot te spelen?    –  zou het geval zich ook voordoen, dat, nu ik meende, hem beet te hebben, hij facto mij beet had?   –  Hij hoede zich in dat geval: het zou hem berouwen, mij om den tuin geleid te hebben.   –  Maar, dat is van latere zorg.”

En meteen, zich aan de tafel zettende, hervatte hij met ijver den arbeid, waarin de komst van Buat hem had gestoord: en weldra was hij, in het onderzoek der belangrijke quaestie, door de stad Den Briel aan de Staten van Holland onderworpen, of zwagerschap ophield door den deed van de vrouw, welke die had doen ontstaan, den geheelen Buat vergeten. Wij willen dit echter niet doen, maar hem integendeel volgen naar zijn huis, en bij zijn vrouw, tot welke hij na het afgelegd bezoek, onmiddellijk was teruggekeerd.

„Welnu!” zeide hij: „gij kunt aan uw moeder de blijde tijding mededeelen, dat uw man zich verkocht, heeft   –  aan wie, dat zal te bezien staan.”

„Maar Henry! hoe kunt gij zoo spreken?” zeide Elizabeth, aan wie deze uitval tranen uit de oogen lekte.

„En dit moogt gij er bijvoegen,” hernam Buat, „dat, zoo ik al heb aangevangen, den Raadpensienaris in de zaak ten dienste te staan, ik geweigerd heb, een blind werktuig te zijn in zijne handen;   –  maar dat ik evenzeer bedank, het blinde werktuig te wezen van uw moeder en haar politieke vrienden.”

Deze verklaring van Buat werd, met eenige wijziging, voor zooverre de uitdrukking betrof, door zijn vrouw aan haar moeder overgebracht: ‘t geen echter niet belette, dat reeds den volgenden morgen ten huize van Mevrouw Musch een soort van vergadering werd belegd, waarbij de Heeren Van Zuylesteyn en Van Heenvliet, Kievit, Van der Herst, Bosveldt, Bromley en nog een paar anderen tegenwoordig waren, doch waarop Buat niet genoodigd werd, en waar men overlegde op welke wijze men het voegzaamst de hem opgedragen taak zou doen strekken tot bevordering der inzichten van de Oranjepartij.


[Jacob van Lennep pagina] – [5e hoofdstuk] – [7e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.