MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ZEVENDE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, WELKE TAAK DOOR DE WITT AAN BUAT WERD OPGEDRAGEN.


Een paar dagen nadat de bijeenkomst bij Mevrouw Musch had plaats gehad, werd Buat bij den Raadpensionaris ontboden. Het was niet zouder een gevoel van huivering en beklemdheid des harten, dat hij aan de huisdeur van De Witt klopte: niet, dat hij eenige persoonlijke vrees koesterde voor den machtigen Staatsman, wien hij meermalen te voren, zoo ten Hove als elders, had ontmoet; maar de dienst, welken deze van hem zou vergen, was van die natuur, dat Buat tegen het oogenblik opzag, dat hij beginnen zou, zich daartoe te leenen.

Het is algemeen bekend en schier noodeloos hier te herinneren, hoe eenvoudig de leefwijze en huishouding was van den man, die op dit tijdstip in de Vereenigde Nedenlanden een gezag uitoefende, zoo uitgebreid en krachtig als wellicht geen Vorst voor of na hem aldaar bezeten heeft. De eenige mannelijke dienstbode van den Raadpensionaris was uit, en het was dus een dienstmaagd, welke de deur opende, en Buat, toen hij zich aannieldde, in een spreekkamertje liet, waar zij hem kort daarop kwam vragen, of hij maar achter beliefde te komen.

De Witt was, toen Buat in zijn studeerkamer binnentrad. achter een met boeken en papieren overladen tafel gezeten in een dier stoelen met groen laken bekleed, en met hooge vierkante ruggen, gelijk men ze ziet afgebeeld op vele schilderijen der zeventiende eeuw. Hij stond niet op om den Ritmeester te verwelkomen, gelijk hij gewis zoude gedaan hebben, indien deze hem een bloot bezoek van beleefdheid was komen brengen: maar in den man, die voor hem verscheen, zag De Witt voor ’t oogenblik niets meer dan een eenvoudig bezoldigde van den Staat, gekomen om de bevelen te ontvangen van den Staatsdienaar, die in zijn persoon de achtbaarheid der Staten vertegenwoordigde: en daarom vergenoegde zich De Witt dan ook den nederigen groet van Buat met een eenvoudige hoofdbuiging te beantwoorden; waarna hij hem een vouwstoel aanwees aan de andere zijde der tafel. Vervolgens, na hem een wijl met zijn groote, doordringende oogen te hebben aangezien op een wijze, wel geschikt om hem van zijn stuk te brengen, zeide hij, met zijn welbuidende, heldere stem, doch tevens op den korten, beslissenden toon, die hem eigen was:

„Gij zijt in correspondentie met den Heer Sylvius, Mijnheer Buat?”

Buat boog toestenmmend.

„De Heer Van Espenblad heeft u gezegd, welke diensten van u zouden kunnen gevorderd worden.”

Nieuwe buiging van Buat.

„’t Is wel.   –  Wie van u beiden heeft het laatst geschreven?”

„De laatste brief,” antwoordde Buat, aarzelende, „was van Sylvius aan mij.”

„Dus zoude, in de onderstelling, dat gij een geregelde briefwisseling voert, thans aan u de beurt zijn om te schrijven: is het zoo niet?” vroeg De Witt.

„Ja en neen,” antwoordde Buat, opnieuw met eenige aarzeling.

Hoe, ja en neen?” herhaalde De Witt, een ontevreden blik op hem werpende: „mij dunkt, zoo Sylvius het laatst geschreven heeft, is thans de beurt aan u.”

„Uw gevolgtrekking zou juist zijn, Mijnheer!” zeide Buat: „indien wij enkel bij geschrifte onze gedachten aan elkander hadden medegedeeld; maar wij hebben elkander sedert onzen laatsten brief gesproken.”

„Ik weet het,” zeide De Witt: „gij hebt te Antwerpen een ontmoeting met hem gehad:   –  dat was vrij onvoorzichtig Van u.... doch dat daargelaten: waarover liep uw gesprek?”

„Over het wenschelijke van een spoedigen vrede,” antwoordde Buat.

„Een zeer geoorloofd onderwerp,” zeide De Witt: „en over niets meer? niet over de bevordering van Zijn Hoogheid?”

„Mijnheer... .” zeide Buat, weder een oogenblik aarzelende.

„Waarom schroomt gij het te zeggen?” vroeg De Witt: „de Heer Van Espenblad heeft u immers de verzekering gegeven, dat men de oogen zou sluiten voor het verbedene, mits gij u in de toekomst wijzer gedroegt.”

„Ik wil niet ontkennen,” hernam Buat, „dat, zoowel door mijn vriend Sylvius als door mij, de wensch is geuit, dat Zijn Hoogheid spoedig in de ambten zijner voorvaderen mocht worden hersteld:   –  maar ik betuig u in gemoede, niet in te zien, dat ik daarin misdaan zou hebben.”

„Zoolang het bij wenschen bleef, neen,” zeide De Witt: maar waarschijnlijk hebt gij het niet bij wenschen gelaten en ook tevens eens over de middelen gesproken, waardoor die wensch ’t best verwezenlijkt zou kunnen worden?”

„Ik heb te veel achting voor den Heer De Witt,” antwoordde Buat, „en te goede gedachten van de rechtschapenheid van zijn karakter, om te gelooven, dat hij mij woorden zou ontlokken, die later als een bekentenis van schuld zouden kunnen worden opgevat.”

„Ik heb u reeds gezegd,” hernam De Witt, op een gestrengen toon, „dat gij om het gebeurde niet achterhaald zoudt worden.   –   Doch om eenig nut uit het vervolg uwer correspondentie te trekken, dien ik het standpunt te kennen, waarvan zij moet uitgaan, en alzoo te weten, wat gij te zamen besproken en beraamd hebt, en op welke punten hij van u, of gij van hem, antwoord verwacht.”

„Mijnheer De Witt!” antwoordde Buat: „ik geloof, dat ik mij ongehouden zou kunnen achten, aan een derde over te brengen wat tusschen mij en mijn vriend in ’t vertrouwen verhandeld is:   –  maar ik schroom te minder u daar verslag van te geven, omdat wij inderdaad niets anders gezegd hebben, dan wat zelfs hier in Den Haag door velen luide verkondigd wordt: namelijk dat het voortduren van den oorlog tusschen ons Gemeenebest en Engeland tot niets kan leiden dan tot verderf van beider zeemacht en de verarming van beide Staten, waarvan alleen Frankrijk de vruchten kan plukken; dat het daarom zaak zoude wezen, dat hoe eerder hoe beter een Gezantschap van hier naar Koning Karel ging, om de onderhandelingen te openen, en dat de Steden, die vóór den vrede waren, zich krachtig verklaarden.”

„En dan zeker ten slotte,” zeide De Witt: „om het werk te kronen dat zij mij mijn ontslag gaven, Zijn Hoogheid Kapitein-Generaal en Stadhouder maakten en aan Frankrijk den oorlog verklaarden?”

„Er is van geen oorlog met Frankrijk gesproken,” zeide Buat, zich voorzichtigheidshalve niet uitlatende over de beide andere punten, welke De Witt had aangeroerd: „ik houd mij overtuigd, dat het voor ons zaak is, met die Mogendheid op een goeden voet te blijven.”

„En ik” zeide De Witt, bitter lachende en de schouders ophalende: „ik ben bereid op ’t oogenblik mijn ambt af te staan aan u en aan een iegelijk, die er kans toe zou zien, om, onder de bestaande omstandigheden, èn met Engeland èn met Frankrijk, goede vriendschap te houden.   –   Waarlijk,” voegde hij er bij, het hoofd langzaam schuddende: „men weet somtijds niet of men zich meer ergeren dan verbazen moet over de hersenschimmige uitzichten van sommige lieden: en ik kan het u zoo euvel niet duiden, dat gij u daarin toegeeft, wanneer ik in aanmerking neem, wat gezegd en gedaan wordt door anderen, die door hun betrekking en ondervinding in de gelegenheid zijn gesteld om de zaken helderder in te zien. Maar wel is het of sommigen willens blind zijn.

„Dan genoeg hiervan,” vervolgde hij, op eens den gestrengen toon hernemende, dien hij in het begin van het gesprek gevoerd had: „gij zijt met elkanderen tot een bepaalde afspraak gekomen;   –  welke was die afspraak?”

„Geene andere,” antwoordde Buat. „dan dat, indien er, hetzij hier, hetzij in Engeland, iets van belang gebeurde, de een den ander daarvan zoo spoedig mogelijk zou verwittigen.”

„’t Is wel,” zeide De Witt: „en is u sedert niets ter ooren gekomen,” vroeg hij, hem scherp aanziende, dat gij belangrijk genoeg oordeeldet om aan Sylvius over te brieven?”

„Hm! ja, wel het een en ander,” antwoordde Buat, denkende aan het geheim verdrag met Denemarken, waarvan hij zijn schoonmoeder had hooren spreken.

„Ik vraag een categorisch antwoord,” hernam De Witt gestreng: „en geen uitvluchten.”

„Ik had gedacht,” zeide Buat, „dat het voor Sylvius niet onbelangrijk zoude zijn, juiste narichten te ontvangen omtrent hetgeen dezer dagen bij de Staten van Holland is verhandeld over het aanstellen van een veldoverste.”

„Denkt gij dan,” zeide De Witt, „dat Engeland door zijn agenten zoo slecht gediend wordt, dat men er van u behoeft te vernemen, wat in de Staten verhandeld wordt?”

„Of misschien,” hernam Buat, „zou ik hem geschreven hebben over de loopmare omtrent de verandering van ’s Prinsen hof houding.”

„Dan zoudt gij hem over niets onderhouden hebben dan over een los gerucht,” zeide De Witt: „ik zie wel, dat, zoo gij eenig nieuws zult schrijven, ik zelf genoodzaakt zal zijn, het u mede te deelen. Daar ligt een pen en een blad papier: schrijf wat ik u zal voorzeggen.”Raadpensionaris deWitt dicteert Ritmeester Buat een brief aan Buat's vriend Sylvius

„Schrijf!” hernam De Witt.

„Waarde Vriend!”

„Ik ben gewoon, in ’t Fransch met Sylvius te correspondeeren,” merkte Buat aan.

„Om ’t even,” zeide De Witt: „gij kunt uw brief thuis vertalen en overschrijven, en dat is misschien beter: dan valt het verschil van stijl niet in ’t oog.   –  Ga voort:

„De hoop, welke men in Engeland wellicht nog vinden
„mocht, „dat de Bisschop van Munster aan de Staten
„de handen vol werks zoude geven, waardoor zij
„te eerder tot het sluiten van den vrede met Koning Karel
„zouden geneigd wezen, zal weldra blijken geheel ijdel
„te zijn. De krijgskans van den Bisschop is uitgeput en
„hij zal zich eerstdaags genoodzaakt vinden den vrede
„te sluiten, en de plaatsen, die hij bemachtigd heeft,
„aan de Staten terug te geven.”

„Inderdaad?” riep Buat, ondanks zich zelven uit, terwijl hij De Witt vragend aanzag.

„Ik laat u niets schrijven dan hetgeen waar is, of eerlang zal blijken waar te zijn,” vervolgde De Witt: „schrijf verder:

„Zoo de Staten zich alzoo aan de eene zijde
„van een lastigen vijand ontslaan, hebben zij zich
„aan de andere een vermogenden bondgenoot
„verworven. Het verdrag, op 11 dezer met
„Denemarken geteekend, „behelst zeven punten,
„waarvan de zes eerste u gewis bekend zullen zijn;
„terwijl hij het zevende, dat geheim is gebleven,
„de Koning van Denemarken „zich verbindt,
„om terstond, nevens de Staten, in oorlog te treden
„met Groot-Brittannië.”

Nogmaals zag Buat verbaasd op, niet over hetgeen hij vernam, daar dit hem, zooals wij weten, reeds ter oore gekomen was, maar daarover, dat De Witt er dus rond voor uitkwam. Hij bedacht niet, hoe deze zelf reeds zeer goed had vernomen, of wel kunnen begrijpen, dat de zaak langer geen geheim meer was, en hoe hij althans niet langer vreesde, dat iemand van de mededeeling misbruik zou kunnen maken.

„Vervolg,” hernam De Witt:

„De Staten alzoo de handen weder vrij hebbende,
„en door de hulp van een nieuwen bondgenoot gesterkt,
„zijn meer dan ooit bij machte en gezind, den oorlog tegen
„Engeland voort te zetten, waarbij zij staat kunnen maken
„op de medewerking der geduchte Fransche vloot, die uit
„de Middellandsche Zee naar het Kanaal stevent.

„Laat u derhalve niet misleiden door hen, die u zoeken
„diets te maken, dat men hier te lande algemeen naar
„den vrede met Engeland smacht: wel wenscht men dien;
„doch men zal er niet om bedelen, en dien althans niet
„onder bezwarende omstandigheden sluiten.”

„Vergun mij u te zeggen,” zeide Buat, hier de pen nederleggende: „dat de Heer Van Espenblad mij had doen verstaan, dat ik mijn diensten zou leenen om het vredewerk te bevorderen, en dat hetgeen UEd. mij schrijven doet, mij toeschijnt tot het tegenovergestelde geval te zullen leiden.”

„Ik had bij u geen gemoedsbezwaren van dien aard verwacht,” zeide De Witt, terwijl hij Buat aanzag met een blik, die tevens van minachting en van eenige verwondering getuigde.

„Ik geloof, Mijnheer De Witt!” hernam Buat, niet zouder fierheid: „dat ik verkeerd door u beoordeeld worde: ik heb den voorslag, mij door den Heer Van Espenblad gedaan, vrijwillig aangenomen; doch onder eene voorwaarde.”

„Een voorwaarde!” herhaalde De Witt, nog meer verwonderd: „en welke is die? De Heer Van Espenblad heeft mij van geen voorwaarde gesproken.”

„Dat ik terug zou kunnen treden, zoodra de dienst, waartoe men mij gebruiken wilde, mijn eergevoel kwetste.”

„Goed gesproken, Mijnheer Buat,” zeide De Witt, na hem lang te hebben aangestaard, als om het binnenste van zijn hart te doorschouwen: .,maar nu vraag ik u, of gij al dan niet op u genomen hebt, aan uw Engelsche vrienden te schrijven, wat ik u op zou geven, en mij hunne antwoorden mede te deelen?”

Buat zweeg en werd rood tot over de ooren. Wel had hij de vraag, zooals die letterlijk door De Witt gesteld werd, ontkennend kunnen beantwoorden; doch hij gevoelde, dat hij toch niet kon loochenen, een soortgelijke verbintenis te hebben aangegaan, als welke De Witt bedoelde.

„Ik erken,” zeide hij eindelijk, „dat ik toegestemd heb, om mij tot dien dienst te leenen; doch de Heer Van Espenblad zal moeten getuigen, dat het bevorderen van den vrede daarvan het doel moest wezen.”

„En bevorderen wij dien niet,” vroeg De Witt, de schouders ophalende, „wanneer wij aan de Britsche Ministers bewijzen, hoe weinig wij den oorlog vreezen. Geloof mij, niet zij, die hier vrede! vrede! roepen, zullen ’t meest toebrengen, om ons dien te doen verkrijgen: of wel, zij zouden dien alleen sluiten om binnenlandschen oorlog te verwekken, en daarvoor beware ons God.   –   Maar bovendien, gij hebt den sluitzin nog niet gehoord. Schrijf verder:

„Ik kan u ernstig aanbevelen, dit een en ander onder
„het oog van Lord Arlington te brengen.
„Dat Zijn Lordschap zich geen valsche denkbeelden
„make omtrent den waren staat van zaken hier te lande,
„noch Zijne Brit,sche Majesteit bewege tot maatregelen,
„die de belangen van hare kroon, zoomin als die van
„mijn Prins zouden kunnen bevoordeelen; maar dat
„integendeel Zijn Lordschap alles daarheen wende, dat
„Zijne Britsche Maijesteit, ingeval de vredesonderhandelingen
„hervat worden, geene voorwaarden stelle, dan die met
„de eer der Vereenigde Gewesten bestaanbaar zijn; terwijl ik,
„zoo Zijn Lordschap nadere inlichtingen verlangen mocht,
„steeds bereid zal zijn, die te geven.”

„Welnu!” vervolgde De Witt, toen Buat met schrijven geëindigd had: „gij ziet, dat ons einddoel hetzelfde is, en wij beiden den vrede wenschen. Richt nu te huis op uw gemak en naar uw goeddunken den vorm van uw brief in; doch zoo, dat het zakelijk deel onveranderd blijve: breng hem langs den u bekenden weg naar Engeland, en kom mij te zijner tijd het antwoord mededeelen.”

Dit gezegd hebbende, maakte hij een hoofdbuiging en een beweging met de hand, welke aan Buat te kennen gaven, dat hij zich verwijderen mocht; waarop deze dan ook zijn afscheid nam en naar huis keerde. Maar niet weinig was hij verwonderd en onaangenaam verrast, toen hij, bij het binnentreden in de zijkamer, aldaar niet alleen zijn vrouw aantrof, die tot op dat tijdstip nog niet door buis geweest was, maar ook zijn schoonmoeder, en, aan dezelfde tafel als deze beiden gezeten, de Heeren Van der Horst en Kievit, en toen hij het algemeen gejuich hoorde, waarmede hij verwelkomd werd.

Wij moeten, alvorens verder te gaan, onze lezers eenigszins bekend maken met de beide laatstgemelde Heeren, die wel reeds meer dan eens in den loop van ons verhaal zijn genoemd geworden, doch er nog niet als handelende in zijn opgetreden.

Zoowel Joan Kievit als Ewout Van der Horst waren Rotterdammers, en hadden in hun geboortestad onderscheiden regeeringsposten bekleed: zelfs was Van der Horst er nog Burgemeester, in welke hoedanigheid hij onlangs, als vroeger gezegd is geworden, den Prins deftig onthaald had. Ook was hij vanwege gemelde stad afgevaardigd in ’t college van Gecommitteerde Raden, een instelling, om dit in ’t voorbijgaan aan te merken, gelijk aan die van onze hedendaagsche Gedeputeerde Staten. Beiden, hij en Kievit, waren vermaagschapt met de voornaamsten uit den lande: hoewel sommigen het als een mésalliance hadden aangemerkt, dat een Magistraatspersoon als Kievit zich in den echt verbonden had met de dochter van Marten Harpertsz. Tromp, die nooit een regeeringspost bekleed had. ’t Is waar, Kornelis Tromp, de zwager van Kievit, was een man van deftige, ja aristocratische vormen die al van jongs af in de groote wereld verkeerd had; en daarom zag de hofpartij dan ook in hem, meer dan in De Ruyter, de burgerlijke afkomst over ’t hoofd.

Tot die hof partij behoorden, als ons reeds gebleken is, zoowel Kievit als Van der Horst, ja zelfs tot de voornaamste leidslieden daarvan: zouder dat men uit die omstandigheid de gevolgtrekking behoeft af te leiden, dat zij mannen van buitengewone bekwaamheid of doorzicht waren;   –  want het was het ongeluk dier partij, dat zij, althans tot den jare 1672 toe, niet een enkelen staatsman van schitterende talenten onder hare gelederen telde; terwijl al de groote en schrandere mannen, die onze Staat in die dagen bezat, De Witt, Van Beverningk, Van Beuningen, ook toen nog Fagel, tot de Staatsgezinden behoorden. Kievit was niet veel meer dan een drijver, zonder ervarenis of kunde, en weinig nauwziende op de middelen, welke hij bezigde om zijn doel te bereiken:

Van der Horst was ouder in jaren, en meende daardoor met meer gezag te mogen spreken; maar, hoewel hij het niet kwaad meende, zoo ontbraken hem genoegzaam doorzicht en vastheid van karakter, om zijn partij werkelijk van nut te kunnen zijn: eindelijk hadden beiden dit gemeen, dat hoeveel zij ook voor den Prins overhadden, het eigen Ik in hun Prinsgezindheid geen kleine rol speelde.

En toch waren zij het, die, in de bijeenkomst ten huize van Mevrouw Musch gehouden, door hun medestanders het meest geschikt waren gekeurd om de geheime correspondentie te regelen en te besturen, welke door Buat, naar men hoopte, zoude gevoerd worden. De Heer Van Zuylesteyn had zich verschoond van zich met de zaak in te laten, daar hij, als oom en gouverneur van den jongen Prins, te nauw in ’t oog gehouden werd en geen achterdocht verwekken wilde. Heenvliet verontschuldigde zich wegens zijn jaren en werd dan ook minder geschikt geacht om zich met détails te bemoeien. Tromp was maar nu en dan in Den Haag, en, hoezeer een man van ’t hof, bezat hij te veel zeemansrondheid om zich in te laten met wat naar knoeierij zweemde. Bromley, die, evenals Buat, Edelman van ’s Prinsenkamer was, kwam niet in aanmerking, juist omdat men vreesde, dat hij zich te veel met de zaak zou willen bemoeien, en, een Engelschman zijnde, de Nederlandsche belangen niet behartigen. Bosveldt was wel de schranderste van des Prinsen partij; maar juist daarom had bij beter dan de overigen ingezien, dat hetgeen men voorhad, hachelijke gevolgen kon hebben voor hen, die er zich mede inlieten, en, zoodra hij bespeurde, dat anderen zich wilden doen gelden, zich wijselijk op den achtergrond teruggetrokken. Doch, zoo Kievit en Van der Horst van meening waren, dat het spelen der hoofdrollen in ’t geen hun een alleraardigste klucht voorkwam, aan hen was overgelaten, dan hadden zij gerekend buiten Mevrouw Musch, die, èn uit-hoofde harer nauwe betrekking tot Buat, en omdat zij het eerste denkbeeld had gehad van de contra-mijn, welke men wilde doen springen, èn omdat zij zich zelve vrijwat knapper achtte dan al hare eedverwanten samen, van oordeel was, dat het bestier der zaak, voornamelijk, zoo niet uitsluitend, aan haar had moeten worden opgedragen. Zij was dan ook vast bepaald hij haar zelve, dat zij niet alleen haar loodje in de schaal der beraadslaging leggen, maar vooral zorg dragen zou, dat de meeningen der beide Heeren bij Buat de voorkeur niet boven de hare mochten verwerven. Hoe haar schoonzoon zelf zou denken over hetgeen van hem stond gevergd te worden, kwam bij haar niet in aanmerking.

Intusschen was er, behalve de reeds genoemden, nog iemand, die stem in ’t kapittel meende te moeten hebben, met name Mevrouw Buat. Aan den eenen kant had zij genoeg van den geest harer moeder overgeërfd, om het deelnemen aan een soort van samenzwering, als die hier gesmeed werd, zeer naar haar smaak te vinden, ofschoon dan ook het bijkomstig gevoel van wraakzucht over geleden rampen, dat haar moeder bezielde, niet, althans niet in zoo heftigen graad bij haar bestond:   –  aan den anderen kant, Buat hebbende overgehaald om te doen wat men van hem verlangde, begreep zij toch eenigszins verantwoordelijk te zijn voor de gevolgen, en daarom zooveel mogelijk te moeten waken, dat men hem tot geen stap verleidde, die hem in ongelegenheid zou kunnen brengen. Geen wonder dus, dat zij er op gestaan had, mede bij de samenkomst tegenwoordig te zijn, en, in weerwil van Moeder en baker, zich geheel gekleed, en de kraamkamer voor het zijvertrek verlaten had.

Na alzoo te hebben opgegeven, welke personen zich vereenigd hadden, om aan de te houden conferentie deel te nemen, zullen wij, voor hetgeen daarin verhandeld werd, een nieuw Hoofdstuk openen.


[Jacob van Lennep pagina] – [6e hoofdstuk] – [8e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.