MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ACHTSTE HOOFDSTUK,

HANDELENDE OVER DE BIJEENKOMST TEN HUIZE VAN BUAT, EN OVER DE GEVOLGEN DAARVAN.


„Wel, hoe is het afgeloopen? Wat heeft Mr. Jan gezegd? Hebt gij uw instructies al ontvangen?” klonk het van onderscheiden kanten Buat, bij zijn binnenkomen, te gemoet.

„Met uw verlof,” zeide deze: „ik kan slechts aan één mensch te gelijk antwoord geven:” en meteen wierp hij een ontevreden blik aan zijn vrouw toe, als om haar de tegenwoordigheid te wijten van het gezelschap, dat hij zoo onverwachts aantrof. Die blik, noch de bedoeling daarvan, ontgingen aan Kievit, en daar hij, onder zijne weinige deugden, voor ’t minst die der wellevendheid telde, begreep hij voor de vrouw des huizes bij haar man in de bres te moeten springen.

„De Heer Van der Horst en ik,” zeide hij tegen Buat, „hadden van Mevrouw Musch vernomen, dat gij hedenmorgen bij den Raadpensionaris ontboden waart: en gij gevoelt, dat wij onze nieuwsgierigheid niet konden bedwingen, om te hooren, hoe gij gevaren waart.”

„En u, voor zooveel noodig, van goeden raad te dienen,” voegde Van der Horst er bij.

„En zoo hebben wij   –  onbescheiden genoeg   –   Mevrouw Buat overvallen,” vervolgde Kievit.

„’t Is dan ook niet meer dan natuurlijk,” zeide Mevrouw Musch, „dat wij deze bijeenkomst niet konden uitstellen; daar in allen gevalle, zoo er gehandeld moet worden, spoed wel een hoofdvereischte zijn zal. Maar gaat gij niet zitten, Heer Schoonzoon?”

„Buat nam werktuigljk een stoel, in den grond zijns harten de beide bezoekers, zoowel als zijn schoonmoeder, voor St.-Felten wenschende.

En vertel ons nu eens,” vervolgde Mevrouw Musch, „wat uw bezoek bij Mr. Jan heeft opgeleverd.”

Buat zag wel, dat er geen middel bestond om aan de noodzakelijkheid eener mededeeling te ontkomen.

„Hier,” zeide hij, „is hetgeen de Heer De Witt mij heeft laten schrijven.”   –  En met deze woorden haalde hij het papier uit zijn zak.

Verscheidene handen werden reeds uitgestoken om het meester te worden; maar toen men zag, dat Buat het bleef vasthouden, klonk de algemeene kreet:

„Lees! Lees!”

„Stel u dan Voor,” zeide Buat, „ dat ik op dit oogenblik niets anders ben dan de Secretaris van den Heer De Witt, en dat ik u lees wat hij mij in de pen heeft gegeven.”

Na deze voorafspraak zette hij zich tot het lezen van het opstel, ’t welk niet geschiedde, zonder dat zijn voordracht nu en dan werd afgebroken met kreten van: „is het mogelijk! —welk schandaal!   –  logen op logen!” en dergelijke.

„En denkt gij dien brief zóó te verzenden?” vroeg Mevrouw Musch, nadat de lezing volbracht was.

„Neen,” antwoordde Buat, op een koelen toon: „ik denk er eerst een vertaling van te maken.”

„Vertaling of geen vertaling,” riep Mevrouw Musch met levendigheid uit: „die brief kan zóó niet gaan: hij stelt alle zaken in een valsch daglicht voor.”

„Gewis!” zeide Van der Horst, een gewichtigen toon aannemende: „die vrede met Munster en die hulp van Denemarken zijn nog lang zoo zeker niet.”

„En de verzekering, dat de meeste lieden hier eenstemmig denken met den Raadpensionaris, is thans geheel logenachtig,” voegde Kievit er bij.

„Die brief moet op ’t vuur geworpen, en een andere geschreven,” hervatte Mevrouw Musch.

„Gij vergeet, Moeder!” zeide Elizabeth, „dat Buat het antwoord op dezen brief aan den Raadpensionaris brengen moet, en dat Sylvius, om den brief te beantwoorden, hem eerst dient te kennen.

„Volkomen juist aangemerkt,” zeide Van der Horst.

„Gelijk wij van Mevrouw Buat gewoon zijn,” voegde Kievit er bij.

„Inderdaad,” zeide Mevrouw Musch, goedkeurend knikkende:

„Betje heeft gelijk:   –  maar dan dient toch bij dezen een andere brief gevoegd, die de scheeve voorstellingen van den eersten te recht brengt en aan Sylvius berichte, waar hij zich aan te houden hebbe.”

„Maar, mij dunkt,” merkte Van der Horst aan, na een wijl te hebben zitten nadenken: „die brief moge de zaken dan in een wat al te gunstig daglicht stellen, de slotsom is toch zoo dwaas niet: wat wil De Witt er mede bedoelen, dan den vrede op goede voorwaarden te bevorderen?   –  Welnu! dat willen wij immers ook.”

„Met dit kleine onderscheid,” zeide Mevrouw Musch: „dat De Witt en de zijnen geen anderen vrede verlangen, dan een zoodanigen, waar zij al de eer van inoogsten en er des te vaster door op ’t kussen zitten; en dat wij, als hoofdvoorwaarde van dien vrede, de herstelling van Z. Hoogheid in de ambten zijner vaderen eischen. Neen, liever oorlog, dan een vrede, waar de Prins buiten blijft gesloten.”

„Hm! hm!” hernam Van der Horst, terwijl hij aan zijn glimlach een snuggere uitdrukking poogde bij te zetten: „ik zie wel, dat Mevrouw niet in den Raad van State zit, en niet te denken heeft over het vinden der middelen, om den oorlog gaande te houden.”

„Ja! mijn waarde Heer!” viel Kievit in: „ dat moge zoo zijn: maar ik kan toch niet af zijn, Mevrouw gelijk te geven. Wij willen, ja, den vrede; maar toch zie ik niet in, hoe wij de Loevesteiners er ooit toe dwingen zullen, den Prins tot Kapitein-Generaal te benoemen, zoo het niet is, omdat zij anders geen kans zien den vrede te sluiten; en daarom is het noodig, dat de oorlog voortdure.”

„Ik weet niet,” zeide Elizabeth: „maar zoo ik den Heer De Witt wel ken, zal hij zich, noch door het voortduren van den oorlog, noch door eenig ander middel laten dwingen om toe te stemmen in iets, dat hij uit beginsel af keurt.”

„Hij kan er althans door gedwongen worden, om zijn ontslag te nemen,” hervatte Kievit: „en dan zijn wij ten minste zooveel gevorderd. Is de slang haar kop kwijt, dan is zij ook niet schadelijk meer.”

„Nu! wat mij betreft,” zeide Elizabeth, bezorgd over den loop, welken de beraadslagingen namen: „ik hoop, dat Buat wijzer zal zijn, en het Engelsche Ministerie in allen gevalle niet tot het voortzetten van den oorlog aansporen: zoo het ooit uitlekte, dat hij een dergelijk advies gegeven had, zou men hem met recht van landverraad beschuldigen.”

„Recht zoo!” bevestigde Van der Horst met een goedkeurenden hoofdknik: „ik geloof ook bovendien, dat wij het lot van zoovelen, die de oorlog in rampen en ellenden stort, niet in de waagschaal mogen stellen. Ik zou veeleer van meening zijn, dat onze vriend Buat aan Sylvius den raad gaf, bij het Britsche Ministerie te bewerken, dat het bij De Witt aanhield op het zenden van onderhandelaars, die minder bekend stonden als uitsluitende voorstanders der Loevesteinsche partij. Buat zou eenige namen kunnen opgeven van voorstanders van het Huis van Oranje.”

„En het zou tot niets leiden,” viel Mevrouw in: „of denkt gij, dat De Witt ooit iemand naar Engeland zou afvaardigen, die een andere politieke denkwijze dan de zijne voorstond?”

„Geen gedachten!” zeide Kievit: „neen, de Engelschen moeten krijg blijven voeren: geen ander middel om Mr. Jan weg te krijgen.”

„Maar Mr. Jan vreest den krijg niet,” hernam Elizabeth, „zoolang hij over een goede vloot beschikken kan en zeevoogden heeft als uw zwager, en als de Heeren De Ruyter en Evertsen: en gij weet zelf, dat wij op dit oogenblik, zelfs al liet Frankrijk ons in den steek, gelijk te verwachten is, toch best in staat zijn ons met de Engelschen te meten. Bedenk dus, dat, indien wij de overwinning op zee behalen, zulks alleen strekken zal om het gezag van De Witt des te meer te bevestigen.”

„Op zee zou gewis de kans vrij gelijkstaan,” zeide Kievit: „maar men zoude aan de Engelschen den raad kunnen geven, in de Ommelanden of elders een landing te doen. Dat zou meer schrik verspreiden dan zelfs de ergste neerlaag op zee.”

Buat had tot hiertoe gezwegen, gedeeltelijk uit wrevel, gedeeltelijk omdat hij wilde afwachten, wat de einduitslag der beraadslagingen zijn zoude, en tot zoolang zijn meening voor zich gehouden. Bij dit laatste advies van Kievit kon hij echter niet langer zijn kalmte bewaren en driftig berstte hij uit:

„En denkt gij, Mijnheer Kievit! dat ik er mij ooit toe leenen zou, een raad aan den vijand te geven, die het verderf van een onzer Gewesten ten gevolge zoude hebben? Neen voorwaar, mijn vrouw had wel recht: door zoodanige handelingen zou ik den strop verdienen.”

„Maar wie het doel wil, moet ook de middelen willen,” zeide Kievit, de schouders ophalende.

„Gij spreekt er gemakkelijk over, Mijnheer!” hernan Buat: „maar gij zijt nooit in krjgsdienst geweest als ik: en gij hebt nooit met oogen aanschouwd, wat er plaats heeft bij een landing: als de arme, op geen kwaad bedachte ingezetenen overvallen, de woningen geplunderd of verbrand, de mannen beroofd, mishandeld, doodgeslagen, de vrouwen geschoffeerd, en al de gruwelen des oorlogs bedreven worden in een streek, waar nog kort te voren rust en vrede heerschten. En al die ellende wilt gij overbrengen in een Gewest (dat waarschijnlijk uw belangstelling niet opwekt, omdat het verre van hier gelegen is), onder vreedzame, in volle zekerheid wonende lieden?   –  Ik, die een krijgsman ben, huiver bij het denkbeeld aan een landing, zelfs in een vijandelijk land ondernomen! en gij wilt er eigen landslieden aan blootstellen?”

.,Alles zeer fraai,” zeide Kievit: „maar er dient toch iets gedaan te worden, waardoor de volkshaat tegen De Witt worde opgewekt.”

„Nu ja,” zeide Mevrouw Musch: „maar mijn schoonzoon heeft gelijk: het middel, dat gij hem aan de hand doet, is wat al te kras:” en meteen zich het gelaat wrijvende, fluisterde zij achter haar hand Kievit toe: „een toontje lager: zoo iets krijgt gij vooreerst niet van hem gedaan.”

Ziende dat de overigen zwegen, nam Van der Horst weder het woord op.

„Kom!” zeide hij: „wij dienen toch tot eenig besluit te komen omtrent hetgeen wij door den Heer Buat zullen doen schrijven.”

„Veroorloof mij u te zeggen, Mijnheer Van der Horst!” merkte Buat aan, „dat zoo UEd. zich verbeeldt, dat ik van Zins ben blindelings te schrijven al wat door dit gezelschap zou kunnen goedgevonden worden mij voor te zeggen, UEd. zich grootelijks bedriegt. Het is volstrekt mijn roeping noch mijn wensch, een lijdelijk werktuig te zijn van de bedoelingen van anderen.”

„Een lijdelijk werktuig,” herhaalde Kievit op een half verdrietigen, half verzoenenden toon: „dat is ook volstrekt de bedoeling niet. Maar gij zijt     –  althans voor zooverre Wij weten   –  een medevoorstander van de Oranjepartij : wij vormen hier te zamen een soort van commissie aan welke de meest invloedrijke leden dier partij de taak hebben opgedragen om te beslissen, hoe men op de meest voordeelige wijze nut zou kunnen trekken van de gelegenheid om naar Engeland te schrijven. Elk heeft het recht zijn meening bloot te leggen: gij natuurlijk zoogoed als een ander:   –  doch ten slotte moet men zich wel, zoogoed als in elke geregelde vergadering, aan het gevoelen der meerderheid onderwerpen!”

„Dan is de Vergadering der Staten van Holland al zeer ongeregeld,” zeide Buat: „want daar kan de meerderheid ook zelf de geringste minderheid niet dwingen.    –  Doch wat daarvan zij, ook ik ben evenmin van zins, mij in dezen door de meerderheid te laten dwingen, en u ten gevalle brieven te schrijven, die het verderf van mijn land, en het mijne daarbij, tengevolge zouden kunnen hebben.”

„Indien gij toch voornemens zijt, uwen eigen zin te doen,” riep Kievit, ongeduldig wordende, „dan weet ik niet, waarvoor wij hier zitten.”

„Neen, dat weet ik ook niet,” zeide Buat, droogjes weg.

Mevrouw Musch begreep, dat hare tusschenkomst noodzakelijk was, om een vredebreuk in het kamp der Bondgenooten te voorkomen: „Mijn waarde neef Kievit!” zeide zij: „wees bedaard, en bedenk, dat wij Buat, die de verantwoording der zaak op zich neemt, niet kunnen verplichten tegen zijn gemoed te handelen. Wij zijn hier dan ook niet zoozeer bij elkander gekomen om hem een brief in de pen te geven, als om te overleggen wat best geschreven zou kunnen worden:   –  en de Heer Van der Horst heeft wel gelijk met te zeggen, dat wij tot een besluit dienen te komen. Bij het verschil van meeningen, dat hier heerscht, zou ik voorstellen, of het niet meest raadzaam ware, dat Buat het geven van een bepaalden raad aan Sylvius uitstelde tot een volgende gelegenheid, en zich vergenoegde, hem thans den brief te zenden, zooals die door den Raadpensionaris is opgegeven, met bijvoeging alleen, uit wiens koker dat geschrijf komt, en dat het althans de zaken vrij eenzijdig voorstelt. Dan hebben wij tijd om met onze vrienden te spreken, en later, zoowel naar aanleiding van den raad, dien zij ons geven zullen, als van het ontvangen antwoord van Sylvius bij een volgend schrijven meer breedvoerig en stellig te berichten, wat ter zake dienstig wezen zal.”

Deze raadslag, werkelijk de verstandigste, die in de bestaande omstandigheden kon uitgebracht worden, vond ingang bij de aanwezigen: en, hoewel Kievit nog een wijl zijn teleurstelling te kennen gaf, dat er tot geen beslissenden stap werd overgegaan, voegde hij eindelijk zich mede bij de overigen, om Buat te verzoeken, in den voorgestelden geest te handelen:   –  waarna de beide bezoekers afscheid namen.

Daar de klok reeds halfeen sloeg, en het gewone uur van den middagmaaltijd alzoo ophanden was, kon Mevrouw Musch geen voorwendsel vinden, om langer te vertoeven. Vruchteloos vleide zij zich nog een poos, dat haar schoonzoon haar verzoeken zou, te zijnent te blijven eten: doch hij repte er zoomin van als zijn vrouw, die betuigde, wel wat vermoeid van de bijeenkomst te zijn: en zij zag zich genoodzaakt af te trekken, hoewel zij beloofde, terstond na den eten terug te zu]len komen, om Buat te helpen in het opstellen van den brief aan Sylvius.

„Ik zal er wel deugdelijk zorg voor dragen,” zeide Buat tegen zijn vrouw, zoodra zij zich alleen bevonden, „dat die brief klaar is, eer uw moeder terugkomt.    –  Waarlijk, Betje! men zou een schrik van de menschen krijgen, wanneer men Ziet, hoe zelfzucht en eigenbelang de eenige drijfveeren zijn, die hen doen handelen. Dat heet dan, dat zij niets zoeken, dan de verheffing van den Prins te bevorderen: en ondertusschen, Van der Horst heeft niets anders in ’t oog, dan een gezantschap naar Engeland te bekomen: Kievit wil zijn landgenooten er aan opofferen, mits de oorlog dure, die zijn zwager Tromp onmisbaar maakt, en hem zelven verrijkt door de fooien, welke de leveranciers hem in de handen stoppen: en uw moeder denkt alleen om de voldoening van haar bijzondere wraakzucht!   –  En nu spoedig den brief geschreven.”

„Laten wij het werk onder ons beiden verdeelen,” zeide Elizabeth: „dan zal het spoediger gaan.”

„Verdeelen!” herhaalde Buat: „hoe meent gij dat?”

„Wel ja,” hernam zijn vrouw: „geef mij uw opstel, dan zal ik er een Fransche vertaling van maken: gij correspondeert immers altijd in het Fransch met Sylvius: en terwijl schrijft gij hem wat u goeddunkt, ter opheldering.”

„Neen!” zeide Buat: „uw voorstel is heel vriendelijk; maar gij moet aan uw toestand denken: ik weet zeer goed, dat u dit werk vermoeien zou.”

„Och wat, vermoeien!” riep Elizabeth uit: „denkt gij dan, dat het mij niet veel meer kwaad zou doen, indien ik het lijdelijk moest aanzien, hoe gij zat te tobben over het vertolken van dien epistel? Ik heb immers minnebrieven genoeg van u ontvangen om te weten, hoe fraai gij, ondanks uw Fransche afkomst en vlugheid in ’t Fransch, zoodra het er op aankomt, er in te schrijven, met de orthographie haspelt, en woorden neerplakt, daar hond noch kat uit wijs kan worden. Gij kwaamt nooit klaar vóór Moeders terugkomst. Neen!   –  zooals ik gezegd heb, laat mij het eene doen, en doe gij het andere: dat is het eenige middel om het werk ter gezetter tijd tot een einde te brengen.”

Buat zwichtte voor het krachtige, hoezeer dan ook voor Zijn eigenliefde minder streelende argument, dat zijn vrouw gebezigd had, en weldra zaten beiden voor elkander, ieder met een pen in de hand en een blad schrijfpapier voor zich. Elizabeth toonde zich geen onwaardige kleindochter te zijn van den vlijtigen en met de veder zoo wakker omgaande Cats; want reeds had zij hare taak volbracht, en het geheele epistel, dat De Witt aan Buat had voorgezegd, in een Franschen brief teruggegeven, toen haar man nog ternauwernood, en niet dan na vrij wat doorhalens en veranderens, een klein biljet had geschreven, waarin hij, naar de gemaakte afspraak, aan Sylvius bericht gaf, met wiens voorweten de correspondentie tusschen hen beiden, althans gedeeltelijk, gevoerd zou worden:     –  en nog zag Elizabeth zich genoodzaakt, hier en daar een woord te verbeteren en een punt of komma ter verduidelijking aan te brengen. Desniettemin, of liever ten gevolge van haren bijstand, waren de beide brieven in een groot halfuur geschreven, gevouwen, in elkander gesloten en verzegeld: zoodat het echtpaar, met een luchtig hart    –  immers voor zooverre de opgevatte taak betrof    –  aan het maal konde gaan zitten, en dit bereids volbracht had eer Moeder Musch terugkwam. Het zal den lezer niet verwonderen, te vernemen, dat zij Vrij zuinig keek, toen zij hoorde, hoe men het werk zonder hare medehulp geklaard had. Intusschen bleef voor haar niets anders over, dan zich zooveel mogelijk goed te houden, en zich zelve te beloven, een volgende reis beter op te passen, en zorg te dragen, dat er geen brief naar Engeland ging, waar zij de hand niet in had gehad.


[Jacob van Lennep pagina] – [7e hoofdstuk] – [9e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.