MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

NEGENDE HOOFDSTUK,

WAARIN DE ANTWOORDEN UIT ENGELAND KOMEN EN WAT DAARMEDE VOORVIEL.


Eenige avonden na het gebeurde, waarvan wij in ons laatste Hoofdstuk hebben gewag gemaakt, bevond zich het jonge echtpaar bij elkander in de achterzaal, welke thans haar tijdelijke bestemming van kraamkamer weder verloren en haar gewone bestemming terugbekomen had. Buat, in zijn zwierigste hoflivrei uitgedost, stond nevens de tafel, waaraan zijn vrouw gezeten was, die den post van kamerdienaar bij hem vervulde, en met haar blanke vingeren de strikken in orde bracht der fraaie Oranjelinten, die, op de schouders gespeld, langs den bovenarm nedergolfden, of den degenknop versierden: en met niet weinig welgevallen beschouwde zij de rijke gestalte en het bevallig voorkomen van haren echtgenoot, thans nog voordeeliger uitkomende in de zoo prachtige kleedij, waaraan de fenix der Haagsche kleedermakers al zijn talent had ten koste gelegd. Nog was de taak, welke zij opgenomen had, niet geheel volbracht, toen de dienstmaagd binnentrad met het bericht, dat er iemand aan de deur was, die den Ritmeester in persoon wenschte te spreken, en geweigerd had, haar de boodschap te doen.

„Iemand om mij in persoon te spreken,” herhaalde Buat, wien de gedachte aan een schuldeiseher onmiddellijk voor den geest speelde: „wie kan dat zijn?......Zeg, dat ik mij kleede om uit te gaan: dat ik nu niemand te woord kan staan.”

„Dat heb ik al gezeid,” hernam de meid: „maar hij zei, hij zou wel wachten: hij moest Menheir noodzakelijk spreiken.”

„Hoe lastig!” zeide Elizabeth: „en wat slag van een man is het, Stijntje?”

„Wel, ’t ljkent een visschersman,” antwoordde Stijntje: „althans gein man hier uit de stad.”

„Ha!” riep Buat uit, terwijl zijn gelaat op eenmaal opklaarde; „ik weet al, wie het wezen moet:   –  ik kom dadelijk bij hem.”

En inderdaad, toen hij in het voorhuis kwam bevond hij, dat hij zich in zijn onderstelling niet bedrogen had. Het is bekend, dat de visschers van Scheveningen, sedert eeuwen her, in tijden van oorlog met Engeland, de toevlucht zijn geweest van al, wie met de overzeesche kust betrekkingen wenschte te onderhouden; en zoo was het ook een dier visschers, die zich belast had met het pakket aan Sylvius zijn bestemming te doen bereiken, en die thans het antwoord brengen kwam. Buat haastte zich het aan te nemen, den man te betalen en tot zijn vrouw terug te keeren.

„Tijding van Sylvius,” riep hij, het pakket op tafel werpende.

„Inderdaad!” zeide zij, terwijl haar oogen fonkelden en zij het pakket naar alle kanten omdraaide.

„Dat kon nooit gelukkiger komen,” hernam hij, „dan nu wij alleen zijn en juist den tijd nog hebben om te zien wat het behelst.”

Het pakket, geopend zijnde, leverde het bewijs op, dat Sylvius, overeenkomstig het uitgedrukte verlangen, den brief van Buat aan den Engelschen Minister Arlington had medegedeeld: althans het eerste, wat Buat in handen kwam, was een brief, door gezegden Staatsman tot hem gericht, en waarvan hoofdzakelijk de strekking was, dat men in Engeland niet ongenegen was, den vrede te sluiten; mits de onderhandelingen daarover buiten medewerking van Frankrijk werden gevoerd, en deze Mogendheid niet in het vreeverdrag begrepen werd.

„Ziedaar, wat aan den Heer De Witt niet bevallen zal,” zeide Elizabeth: „dat men zijn lieve Franschjes zoo overal buiten wil sluiten.”

„Gij zult moeten erkennen, Liefste!” merkte Buat aan, „dat het ook weinig dankbaarheid van zijne zijde toonen zou, indien hij op zoodanige wijze zijn trouwsten beschermer afviel. Maar zien wij verder: hier is een brief van Sylvius.”

Deze brief, blijkbaar mede geschreven met het doel om aan De Witt vertoond te worden, behelsde ongeveer hetzelfde als die van Arlington, doch trad in meer bijzonderheden en gaf eenige punten op, welke Arlington .aan Sylvius gezegd had, dat als grondslagen van een vredes-tractaat zouden kunnen dienen. De brief eindigde met het verlangen van den schrijver te kennen te geven, om binnen weinige dagen zelf over te komen, waartoe hij Buat verzocht, hem brieven van vrijgeleide te bezorgen.

„Heden!” riep Elizabeth uit: „Sylvius zou hier komen: dat zal Z. Hoogheid genoegen doen, die zoo aan hem gehecht was.”

„Weet gij wel, Betje!” zeide Buat, terwijl hij dreigend den vinger ophief, ofschoon zijn glimlach toonde, dat het zoo kwaad niet gemeend was: „weet gij wel, dat gij mij jaloersch zult maken van den Prins? zoo uitsluitend te denken aan zijne blijdschap over de ophanden zijnde komst van Sylvius, en niet aan de mijne?”

„Welzeker! ik zou eens jaloersch worden van ons kleine Prinsje,” zeide Elizabeth lachende.

„Klein, nu ja, dat mag wel zoo zijn,” hernam Buat: „hij is toch al zestien jaar en nadert hoe langer hoe meer den leeftijd, waarop men voor vrouwen gevaarlijk wordt..., vooral als men Prins heet. Lieve hemel!” voegde hij er bij, met een half vroolijke, half weemoedige herinnering, „als ik denk wat al streken zijn vader zaliger op dien leeftijd uitrichtte en hoe..., doch kom, zien wij liever, wat er in den derden brief staat.”

„Ja, dat geloof ik ook, dat beter is,” zeide Elizabeth, met een schalkschen blik: „gij zoudt anders misschien in de war geraken, en mij, bij ongeluk, behalve de stichtelijke avonturen van wijlen Z. Hoogheid, ook de uwe gaan opbiechten; -want ik denk, dat gij hem mooi ter zijde zult gestaan hebben.”

„Als mijn plicht was,” zeide Buat, een stemmig gelaat zettende: „waar was ik anders zijn Page voor? Doch weg met die gekheid. Wat zegt die brief?”

De derde brief droeg het opschrift: pour vous mesme. Hij was van Sylvius en in een geheel anderen geest geschreven dan de twee, die Buat reeds gelezen had. Sylvius verklaarde er ronduit in, dat er aan geen vrede zou te denken vallen, zoolang de Prins niet tot Kapitein-Generaal der Ruiterij bevorderd, en men hier te lande van de tot nu toe gevolgde politiek geheel was afgeweken.

„Dien brief zult gij nu niet aan De Witt toonen?” zeide Elizabeth.

„Niet aan De Witt, maar evenmin aan uw moeder of aan Kievit,” hernam Buat: „hij zoude alleen dienen om hen in hun oorlogzuchtige gevoelens te versterken:     –  en daarom acht ik het voordeeligst, hem maar aan Vulkaan ten offer te brengen.”

En onder het bezigen van deze mythologische uitdrukking, welke, in die eeuw, zelfs uit den mond eens Ritmeesters komende, niemand verwondering baren kon, bevestigde hij terstond zijn woorden met de daad en wierp den brief op ’t vuur.Ritmeester Buat gooit enige bezwarende brieven in het haardvuur, onder protest van zijn vrouw.

Maar Buat!” riep zijn vrouw uit: „is dat nu niet te overijld gehandeld? Onze vrienden hebben toch eenig recht om...

„Om mij in ongelegenheid te brengen?” vroeg Buat, terwijl hij de tang nam en den brief dichter in de vlam stak: „volstrekt niet!   –  Ziezoo, nu is hij denzelfden weg gegaan, als de brief, dien Kievit zoolang onder zich gehouden en die mij zoo ongerust gemaakt heeft. Ik doe reeds genoeg ten gevalle van hem en de anderen:    –  maar ik wil de kat niet wezen, die de kastanjes voor hen uit het vuur haalt.    –  En nu Liefste! hoe laat is het?”

„Het zal zoo meteen zeven uren zijn,” antwoordde Elizabeth, op een prachtig horloge ziende, dat aan hare zijde hing.

„Uitmuntend!” hernam Buat: „De Prins zal niet voor achten bij Montbas zijn; dus heb ik nog juist den tijd, om bij De Witt aan te loopen, en hem de brieven te laten lezen.”

„ Heeft dat zulk een haast? Ik had mij gevleid, dat gij ten minste bij mij zoudt blijven, tot gij naar de speel-partij gingt.”

„Ook had ik dit liever gewenscht,” zeide Buat: „maar toch durf ik die mededeeling niet uitstellen; men kan nooit weten, hoe het De Witt ter ooren kon komen, dat ik die brieven hedenavond ontvangen heb, en hij zou in dat geval ontevreden zijn, indien ik ze hem eerst morgen bracht.”

Wel waagde Elizabeth nog een paar bedenkingen; doch zij moest eindigen met zelve te gevoelen, dat haar man gelijk had; en zoo begaf deze, na een hartelijk afscheid, zich op weg. Ten huize van De Witt gekomen zijnde, en vernemende dat deze zich nog op het Binnenhof bevond, begaf hij zich derwaarts, naar het kantoor van den Raadpensionaris, in het gebouw der Staten van Holland, aan de westzijde van het portaal gelegen. Van den bode hoorende dat De Witt alleen was, verzocht hij, dat men hem zou aanmelden, en werd onmiddellijk binnengelaten.

„Hebt gij reeds antwoord, Mijnheer Buat?” vroeg de Raadpensionaris, bij des Ritmeesters komst opziende van de tafel, waaraan hij zat te schrijven: „dat is spoediger dan ik verwachtte.”

„Twee brieven voor eenen,” antwoordde Buat, terwijl hij die aan De Witt overhandigde.

„Van Arlington!” zeide De Witt, met een uitdrukking van tevredenheid: „Zoo, ja,” vervolgde hij, den brief doorloopende: „wat ik wel verwachtte; maar denkt hij, dat wij, om Engelands vriendschap te winnen, ons Frankrijk te vijand zullen maken? Onze Staat moet in de Engelsche oogen al voor wonder ongezond worden aangezien, dat men ons nog zou willen aan boord komen met voorstellen, om zonder Frankrijk in onderhandeling te treden.   –  En wat schrijft Syivius? Hm! fraaie propositiën! Hij althans moest beter weten.   –  Zoo! hij wil zich hier vertoonen. Hm! misschien om zijn vroegere sollicitatiën te hernieuwen, en naar een bediening bij den Prins te staan, ter vergoeding van die, welke hij bij de Princesse Royaal bekleedde.   –  Nu! wat mij betreft, mag hij vrij komen: alsdan kan ik hem zelf zeggen, dat hij zich met geen hersenschimmen vielen moet:    –  ik zal zorgen, Mijnheer Buat! dat u morgen het vrijgeleide worde ter hand gesteld.”

„En wat zal ik aan lord Arlington antwoorden?” vroeg Buat.

„Ik zal het u morgennamiddag zeggen, wanneer gij tevens het vrijgeleide kunt afhalen,” zeide De Witt: „en thans,” vervolgde hij, met een glimlach de kleeding van Buat gadeslaande, „wil ik u niet langer ophouden. Gij wordt zeker bij den Heer De Montbas verwacht, waar, naar ik verneem, Z. H. den avond weer moet doorbrengen.

Buat boog toestemmend.

„Nu!” hernam De Witt, „dan roepen ambt en plicht u derwaarts. Principibus placuisse viris...... maar gij verstaat waarschijnlijk geen Latijn. Alleen dit mag ik u zeggen, dat, zoo gij eenigen invloed op Z. Hoogheid hebt, gij wel zult doen, die liefhebberij voor ’t spel, welke den Prins bevangen heeft, eer af te raden dan aan te moedigen.”

„Ik kan UEd. verzekeren,” antwoordde Buat, „dat ik er niet de minste schuld aan drage. Het zal u misschien bekend zijn, dat ik, ten gevolge der bevalling mijner huisvrouw, veertien dagen verlof uit mijn dienst heb gehad, en daardoor Z. Hoogheid in al dien tijd niet gesproken heb. Het is in dien tusschentijd, dat de Heer De Gourville, zoo ik hoor, den Prins heeft overgehaald, zijne avonden bij Montbas te komen slijten.”

„Nu!” zeide De Witt, op een koelen toon: „de Prins is nog een knaap, en weet niet beter; maar ’t wordt tijd, dat hij onder verstandiger leiding kome. Vaarwel, Mijnheer Buat! ik zie u morgen na noen, als gezegd is.”

Buat boog zich op nieuw en verliet het kabinet. Bij het afdalen van de achtertrap, die naar buiten voerde, liep hem iemand, die naar boven ging, en wien hij in de duisternis niet herkende, tegen ’t lijf aan.

„Pardon!” klonk het over en weder.

„Mijnheer Van Espenblad!” riep Buat.

„Wel mijn waarde Buat!” antwoordde Van Espenblad lachende: „keert gij terug van uw diplomatieke conferentie? Nu! à tantôt!” en met de gezwindheid van een jongeling snelde hij naar boven.

„Wel! vroeg De Witt, toen Van Espenb1ad, na aangemeld en binnengelaten te zijn, tegenover hem had plaats genomen: „wat brengt gij mij voor goeds?”

„Niet veel,” antwoordde Van Espenblad: „ik heb alle devoiren gedaan om een kolonelschap te bezorgen aan den Markies De Montpouillan, en heb het overal luid doen klinken dat hij door Turenne en door Van Beuningen beiden wordt aanbevolen; maar het heeft nog niet mogen baten. Men heeft voor die betrekkingen van Hoofdofficieren    –  van KapiteinGeneraal af tot Overste toe   –  al honderd candidaten tegen ééne vacante plaats.”

„Patientie!” zeide De Witt, de schouders ophalende: „ik wilde wel, dat Van Beuningen wat kariger was met zijn aanbevelingen van gelukzoekers met fraaiklinkende namen, die allen zich voordoen alsof zij wonderwat verricht hebben en ons een grooten dienst en bijzondere eer bewijzen zullen, door de bedieningen aan te nemen, waar zij aanspraak op maken: en hoe ellendig loopt het niet af met de meeste hunner! Daar was voor een paar jaren Mortaigne, ook al een beschermeling van Van Beuningen, die met Mademoiselle Orleans wegliep en ons al die onaangenaamheden berokkende met Kuilenburg en Bremen, ja zelfs met Gelderland.   –  In November 11. gold het een Kolonelsplaats, die gevraagd werd voor Du Bret; eene maand later was het Sanitest, die een compagnie te paard moest hebben: en nu is het Montpouillan, die geholpen moet worden.”

„Indien men de Heeren van Zeeland eens over dezen laatste sprak,” zeide Van Espenblad.

„Men kan het beproeven,” antwoordde De Witt: „maar ik weet te voren, dat zij allen ijveren op de bevordering van een der Luitenant-Kolonels, die ter hunner repartitie staat, alleen om diens plaats te kunnen inruimen aan hun lieveling Buat.

„Buat!” herhaalde Van Espenblad met verbazing.

„Verwondert u dat?” vroeg De Witt: „bedenk, dat zijn schoonmoeder een Zeeuwsche is, een dochter van Cats, al heeft hij ’s mans wijsheid niet geërfd,    –  en dat hij in Zeeland voor een warm Prinsgezinde doorgaat. De Raadpensionaris De Huybert heeft mij nog onlangs over zijn belangen gesproken.”

„Ik kan toch niet denken, dat hij goeden troost hij u zal gevonden hebben?” zeide Van Espenblad.

„En waarom niet?” vroeg De Witt: „Buat is een verdienstelijk officier: en wanneer het tot een hervorming van ’s Prinsen hofhouding zal moeten komen, en hij mede zijn ontslag krijgt, dan zou hij in die betrekking van Overste een schadeloosstelling kunnen vinden.”

„Hm!” zeide Van Espenblad: „er is een reden, waarom gij wel zult zorgen, dat hij die betrekking niet bekome.”

„En welke?” vroeg De Witt.

„Omdat gij niet begeeren zoudt, dat men naderhand verhaalde, dat Buat tot Overste was benoemd ter vergelding van geheime diensten, die hij u bewezen had.”

„Mij?” zeide De Witt: „het is de Staat, dien hij dient, en daarvoor moet hij te zijner tijd beloond worden. Gij noemt een aanspraak te meer op, die hij kan doen gelden.”

„Ik weet, Mijnheer De Witt!” zeide Van Espenblad, „dat nimmer eenige andere overwegingen uw handelingen besturen dan het welzijn van den Staat, en dat alzoo hij, die u dient, gezegd kan worden, den Staat te dienen; maar het algemeen maakt zulke fijne onderscheidingen niet: en wanneer men verneemt, dat Buat, u ten gevalle, die correspondentie met Engeland voert, zal men, ik herhaal het, hem als uw werktuig beschouwen, en niet als dienaar van den Staat: ja nog meer, men zal het een schandaal noemen, dat iemand bevorderd werd, die, in den grond genomen, niet beter was dan een verklikker.”

„Gij vergeet, Mijnheer Van Espenblad!” merkte De Witt meesmuilende aan, „dat gij de man zijt, die hem heeft overgehaald, ons op die wijze ten dienst te staan, en dat gij alzoo, indien hij een verklikker mag genoemd worden, zulks gedeeltelijk op uw geweten hebt.”

„Ziedaar nu mijn loon,” zeide Van Espenblad, een snuifje nemende en gemaakt lachende: „ik belast mij, u ten gevalle, met een netelige en hatelijke commissie, en nu wordt het mij van achteren nog verweten. In allen gevalle kom ik terug op hetgeen ik zeide: Buat is uw werktuig, of dat van den Staat, om ’t even: wij willen over woorden niet twisten; maar hij is een dier werktuigen, die men met geld betaalt, die men veracht, en die men wegschopt als men ze niet meer noodig heeft.”

„Ik beken,” hernam De Witt, „dat ik in den beginne evenals gij over hem gedacht heb. Maar reeds in onze eerste samenkomst heb ik meenen te bespeuren, dat ik hem te gestreng beoordeeld had. Ik heb de overtuiging, dat hij een man van eer is, die door geen gouddorst gedreven wordt en oprecht de bevordering van een eerlijke vrede verlangt.”

En een Luitenant-Kolonelsplaats,” voegde Van Espenblad er bij: „ik herhaal u, ik vertrouw hem niet.”

„Wees trouw en vertrouw niemand, gelijk het spreekwoord zegt,” hernam De Witt: „eerstdaags komt zijn vriend Sylvius hier, en zoo zij eenig kwaad brouwen, zal het spoedig uitkomen. Zorg, dat er alsdan op beiden scherp gelet worde.”

„Sylvius hier komen!” herhaalde Van Espenblad.

„Daar, leest” zeide De Witt, hem ’s mans brief toewerpende: „gij zult er meteen in kunnen zien, op welke voorwaarden men ons den vrede wil gunnen.”

„Hm!” zeide Van Espenblad, den brief opnemende en de voorgeslagen vredesartikelen overluid oplezende: „Artikel I. „De som van tweehonderd duizend pond Sterling aan den Koning te betalen, tot vergoeding van de schaden, door den oorlog geleden;” wel waarom niet!   –  alsof wij van onze zijde geene schadevergoeding te vorderen hadden! maar wat staat er verder: „en de vervulling van het jongste tractaat in al zijn punten.” „Gij ziet het,” zeide De Witt: „dit is blijkbaar aangelegd om ons van Frankrijk los te scheuren. Maar lees verder.”

„Artikel II. Een reglement op den handel, waaromtrent, bij zooverre eenige aannemelijke voorwaarden aan Zijne Majesteit voorgeslagen worden, deze zich zal vergenoegen met hetgeen redelijk zal wezen; en dat Zijne Majesteit daarop een spoedig antwoord zal geven aan dengene, dien de Heeren Staten willen afzenden en aan wien zij de zaak zullen vertrouwen.” -„Wel!   –  en hebt gij reeds de keuze van een onderhandelaar gedaan?”

„Daar zal nog wel zooveel haast niet bij zijn,” zeide De Witt, glimlachende: „doch vervolg: er is nog een artikel.”

„Artikel III. De Koning belast zich te zorgen, dat zijn Bondgenooten zich tevreden zullen houden met hetgeen redelijk is.”

„Alles fraai en wel!” hernam De Witt: „maar zal Engeland ook onze Bondgenooten tevreden stellen? Ziedaar een andere vraag.”

„En wat,” vroeg Van Espenblad, „denkt gij op deze brieven te doen antwoorden?”

„Te doen antwoorden!” herhaalde De Witt: „ja waarlijk, die uitdrukking doet een licht voor mij opgaan. ’t Zij dat Buat aan Sylvius heeft overgebriefd, hoe de vork in den steel zat, ’t zij dat Sylvius het geraden hebbe, die brief van hem en dat noemen dier drie artikelen, was niet bestemd om onder de oogen alleen van Buat te komen, maar opdat het mij zou worden meegedeeld. Welnu! wat daarvan zij, ik zal Buat doen antwoorden en hem tevens machtigen er bij te voegen, dat hij het uit mijn naam doet. Maar wat het antwoord wezen zal, ja, daarover moet ik eerst mij met den Heer d’Estrades beraden, aan wien deze stukken dienen te worden medegedeeld.   –  Gaat gij van avond naar den Heer De Montbas?”

„Zoo is mijn voornemen,” antwoordde Van Espenblad.

„Welnu, gij zult er d’Estrades zeker vinden: geef hem deze brieven, dan kan hij ze op zijn gemak lezen en den inhoud overwegen: en vraag hem, of ik morgen tijdig mijn opwachting bij hem maken kan.   –  Maar zorg, dat geen derde door u iets van de zaak verneme: en laat vooral die Gourville er buiten blijven, die hier den geheimen onderhandelaar speelt, en mij ll. Zaterdag insgelijks zijn diensten heeft doen aanbieden om den vredehandel te bevorderen.”

„Met medeweten van d’Estrades?” vroeg Van Espenblad.

„Dat is mij nog niet klaar,” antwoordde De Witt: „hij zegt, door den Markies van Castel Rodrigo gemachtigd te zijn, en wil de onderhandelingen te Brussel doen plaats hebben: doch ik zie niet in, dat Spanje hier de verkieselijkste bemiddelaar wezen zou, en ik weet zeker, dat dit nooit in den geest van ’t Fransche hof kan liggen.    –  Nu, gij zult mijn boodschap aan d’Estrades doen?”

„Wees gerust,” zeide Van Espenblad, de brieven bij zich stekende; „maar alles wel beschouwd: waarom gaat gij zelf niet naar Montbas?”

„Ik dank u,” antwoordde De Witt: „die partijen zijn niet voor mij geschikt: ik heb nog bovendien veel werk, zoo zelfs, dat ik mijn vrouw vandaag ternauwernood gezien heb,   –  ik wenschte hedenavond nog aan Van Beuningen te schrijven en hem mededeeling te doen van de gedane voorstellen.”

„Hebt gij daartoe de brieven niet noodig?” vroeg Van Espenblad: „of hebt gij er reeds kopie van genomen?   –  Maar neen.….. gij hadt ze pas gekregen, toen ik hier kwam.”

„Ik heb ze hier,” zeide De Witt, op zijn voorhoofd wijzende:    –  „maar zeg mij, gij hebt zeker nog meer want ik kan niet denken, dat gij hier alleen gekomen zijt, om over dien Montpouillan te spreken.”

„Wel geraden!” antwoordde Van Espenblad, „en een zaak van meer gewicht dan al de Montpouillans.   –  Gij herinnert u, dat, toen wij onlangs stemden, het Opperbevel in den aanstaanden veldtocht aan Turenne op te dragen, Leiden tevens voorsloeg, hem den Prins van Oranje toe te voegen, en Haarlem zelfs van Turenne niets weten wilde.”

„Zeer juist,” zeide De Witt: „vervolgens?”

„Gij herinnert u tevens, dat gij mij toen uw denkbeeld te kennen gaaft, om, bijwijze van schikking, en om iedereen tevreden te stellen, Z. Hoogheid tot Generaal der Ruiterij te doen benoemen, mits de Staat vooraf verzekerd ware, dat hij geheel los was gemaakt van Engelschen invloed, en voortaan in goede verstandhouding wilde leven met onze Bondgenooten.... Gij ziet, in ’t voorbijgaan gezegd, dat hij al mooi op weg is tot dit laatste; want hij heeft tegenwoordig geen omgang dan met d’Estrades, Gourville, Montbas en andere Franschen of Franschgezinden.”

„Zoo is het,” zeide De Witt, peinzende: „maar, ga voort.”

„Wel!” vervolgde Van Espenblad: „gij zeidet mij, dat d’Estrades uw project had goedgekeurd, en gij verzocht mij, er de Princesse Douairière over te polsen, gelijk ik toen gedaan heb.”

„Dat weet ik,” zeide De Witt: „en volgens uw bericht niet alleen, maar ook in een onderhoud, dat ik nog onlangs met haar had, scheen zij het plan zeer toe te juichen.”

„Juist zoo!” hernam Van Espenblad: „maar nu doet zij het niet meer.”

„Niet?” herhaalde De Witt met blijkbare teleurstelling.

„Neen!” zeide Van Espenblad: „althans hedenmorgen, toen ik de eer had mijn opwachting bij haar te maken, was zij geheel van gedachten veranderd, en gaf mij te kennen, dat het denkbeeld haar hoe langer hoe meer hinderlijk werd, dat haar kleinzoon, wiens voorzaten hier altijd de hoogste militaire charges bekleed hadden, zich met een ondergeschikte rol zou moeten tevreden stellen.”

„Zij vergeet Maurits,” merkte De Witt aan, „die onder Leycester stond..., hoewel het niet lang duurde.   –  Maar wat is, volgens u, de reden dier plotselinge verandering?”

„Hm!” antwoordde Van Espenblad: „ik stel voor vast, dat die Heeren van Haarlem haar het hoofd hebben warm gemaakt: en dan die oude gek van een Heenvliet, die, naar ik heb meenen te bemerken, haar verteld heeft, dat de vrede met Engeland ophanden was, en dat alsdan Frankrijk zich niet tegen de bevordering des Prinsen zou durven verzetten. Heenvliet is de groote vriend van Mevrouw Musch, en deze weet gewis, wat haar schoonzoon weet. Nog eens, wantrouw Buat.”

„Ik dank u voor uw bericht,” zeide De Witt nadenkende: „maar ik zal zelf bij haar gaan, en haar tot betere gedachten brengen. Zij is te verstandig en kent haar eigen belangen te goed, om op dit oogenblik het hoofd te bieden aan den vasten wil van de meerderheid der Staten. Het komt er alleen op aan, dat zij inzie, hoe nietig en zwak voor ’t oogenblik de partij is, die, meer nog om eigen inzichten te bevorderen dan uit wezenlijke gehechtheid aan ’t Huis van Oranje, mijne bedoelingen tegenwerkt.”

„Ik hoop, dat gij bij haar slagen zult,” hernam Van Espenblad: „en. rechtuit gezegd, ik twijfel er niet aan; want, wat gij wilt, dat kunt gij.    –  Maar nu heb ik u reeds lang genoeg opgehouden, en het past mij er verschooning voor te vragen.”

„Wel! gij hebt mij dienst gedaan met uwe mededeelingen, en ik mag u ook niet langer van aangenamer gezelschappen aftrekken,” zeide De Witt.

„Nog eens,” antwoordde Van Espenblad: „’t is jammer, dat gij niet medegaat. Men leert soms meer op een vrooljke partij dan op tien ernstige conferentiên.”

„Maar gij gaat er immers,” hernam De Witt: „en dat komt op ’t zelfde neer. Het valt mij te lichter, mij van het bijwonen van dergelijke partijen te verschoonen   –  ook al hadden zij iets aanlokkelijks voor mij    –  omdat ik de overtuiging bezit, dat, zoo er iets gesproken wordt, wat mij van belang kan zijn te vernemen, er zich iemand bevindt met een scherp oor en een goed geheugen, die het mij later wel wil mededeelen.”

„Daar kunt gij op rekenen,” zeide Van Espenblad: „en nu    –  werk met genoegen.”

„En goede fortuin,” antwoordde De Witt, terwijl hij hem naar de deur geleidde: „Hoe jammer!” vervolgde hij, toen hij zich alleen bevond: „een zoo helder hoofd, een zoo wakkere geest, een zoo werkzame aard! waarom mag ik er niet bijvoegen een zoo eerlijk hart?   –  Maar hij weet dat ik hem doorzie, en dat hij mij niet misleiden kan:   –  en waarom zou hij het ook doen? Het is zijn belang niet! neen, nu niet, maar later misschien! Treurige ervaring, welke men opdoet, hoe meer men de menschen kennen leert.”

En opeens die sombere gedachten van zich afschuddende, rep hij met luider stemme:

„Van Santen!”

„Mijnheer!” antwoordde de stem van den klerk, die uit het nevenvertrek te voorschijn kwam.

„Is er kopie gemaakt van de secreete memorie des Heeren d’Estrades, nopens ’t vormen van desseynen om afbreuk aan den vijand te doen? benevens van mijn bedenkingen daarop en de contra-memorie van dien Heer?”

„Ja, Mijnheer!” antwoordde de klerk.

„En van de Tractaten met Denemarken?”

„De geheime artikelen moeten nog overgeschreven worden,” antwoordde Van Santen.

„En de akte van Garantie?……

„Is overgeschreven,” zeide de klerk.

„Zeer wel! zoodra van de artikelen behoorlijk kopie is genomen, voegt gij alles in een pakket bij elkander, zoodat het morgen aan den Heer Van Beuningen kan worden gezonden,    –  met den brief, dien ik nog schrijven moet. Verzuim ook niet kopie te doen nemen van de missive, die ik uit Kleef van den Heer Van Beverningk heb ontvangen betreffende het gesloten Tractaat met den Keurvorst van Brandenburg.”

„Het zal geschieden,” antwoordde de klerk.

„En cijfer eens nauwkeurig de berekening na, die vanwege de Admiraliteit van de Maze is gezonden, aangaande de geraamde kosten van het uitrusten van twaalf schepen van oorlog: ik vermoed, dat daar een abuis is ingeslopen:   –  en maak een lijst op van de kapiteins bij het leger, naar rang van dienstjaren, en met zoodanige aanmerkingen er bij, als geschikt zijn om hen te beoordeelen.   –   Voorts moet ik morgenochtend een nauwkeurige opgave hebben van de verliezen, die onze zeemacht geleden heeft, sedert den aanvang van den oorlog, uit de bescheiden opgemaakt.   –  Zorg ook, dat de aanstellingen gereed worden gemaakt voor de nieuw benoemde loodsen:   –  en zeg aan Smit, dat hij zich wat haaste met de vertaling der oorlogsverklaring van Engeland aan Frankrijk. Meer weet ik voor ’t oogenblik niet;   –  of ja: ik had u gevraagd, een verslag op te maken over den juisten staat der inkomsten van het Zweedsche rijk. Waarom is dat nog niet in gereedheid?”

„Er is nogal werk geweest, Mijnheer!” antwoordde de klerk, zich het hoofd krabbende, „met al die gesloten verdragen, en. . .

„Ik weet het,” zeide De Witt: „maar ik weet ook, dat men veel kan doen, wanneer men gezondheid en een goeden wil bezit, en zijn tijd niet verbeuzelt.    –  Ik zeg dit laatste niet als een verwijt, Van Santen!    –  maar als een waarschuwing. Ga nu   –  ik heb niets meer…… of wacht, breng mij den cijfersleutel, dien de Heer Van Beuningen en ik bezigen.”

En, zoodra de cijfersleutel gebracht was, zette de werkzame man,   –   die alleen een arbeid verrichtte, waar de hoofden van zeven verschillende departementen van algemeen bestuur onder gebukt zouden zijn gegaan, maar die het kon doen, omdat hij alleen was en Jan De Witt heette,   –  zich weder aan zijn schrijftafel, en begon aan Van Beuningen een der brieven te schrijven, zoo rijk van inhoud en bondig van stijl, welke aan de nakomelingschap als onschatbare gedenkteekenen van zijn helderheid van hoofd en onvermoeide werkzaamheid zijn nagebleven.


[Jacob van Lennep pagina] – [8e hoofdstuk] – [10e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.