MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

HOOFDSTUK TIEN

EEN SPEELPARTIJ BIJ MONTBAS.


Wij moeten ons thans, uit het stille kabinet van den Raadpensionaris verplaatsen naar de prachtige zaal, waarin de Heer Van Montbas, de bekende zwager van Pieter De Groot, zijn aanzienlijke genoodigden vereenigd had. Een Franschman van geboorte, en met de weelde van het Fransche Hof bekend, streefde hij er naar, die in zijn woning te doen terugvinden: terwijl de goede smaak en toon, die bij hem heerschten, en de hoffelijkheid, waarmede bij zijn gasten ontving en voor hun gemak en genoegen zorgde, zijn huis als een der aangenaamste van ’s-Gravenhage deed beschouwen.

Het beschot der zaal, van een kostbare en in Nederland toen nog weinig bekende houtsoort, was van kunstig snij- en beeldwerk voorzien: en van afstand tot afstand prijkten rijk vergulde luchters, waarop talrijke waskaarsen haar helderen schijn verspreidden. Fraaie schilderstukken van beroemde meesters versierden de wanden; doch wat meest de aanmerking trok, was een levensgroote afbeelding van den beroemden Huig De Groot, hangende tegenover den schoorsteen, wiens vooruitspringende mantel rustte op vier Korinthische kolommen van gevlekt marmer, met witte kapiteelen. Onder dien mantel en ter weerszijden van het helder brandende turvenvuur (waarop Montbas, die als Franschman kouwelijker van aard was dan zijn Hollandsche vrienden, altijd zorg droeg dat ook een genoegzaam aantal zware houtblokken gestapeld werden) stonden vier stoelen van verlakt rood hout, met zittingen van fijn gevlochten matwerk en welgevulde hemels-blauwe kussens, waar het wapen des eigenaars op gestikt was, en van welker hoeken zware zilveren kwasten af hingen. Dwars voor den schoorsteen stond een langwerpig vierkante tafel, met een groen kleed bedekt, en waar stoelen met hooge leuningen om heen geschikt waren, doch in dier voege, dat de plaatsen voor den haard onbezet bleven, zoodat de warmte van het vuur niet ten nadeele van wie verder afzat kon onderschept worden. Over die ledige ruimte en nagenoeg in ’t midden van de tafel was Gourville gezeten, die bij het Trente et quarante, toen het spel naar de mode, en dat op dit oogenblik in vollen gang was, de bank hield, en de kaarten ronddeelde. Aan zijn rechterhand, gedoken in een ruimen, prachtigen leuningstoel, zat een schrale, magere knaap, van een ziekelijk voorkomen, die gedurig door een schorren hoest gekweld werd, en den zakdoek, welken hij voor den mond hield, bijna nooit wegnam, dan om een teug gerstewater met suiker te drinken uit een kostbaren kristallen beker, die voor hem stond. Zijn kleeding was eenvoudig, eenvoudiger althans dan die van de overige gasten, en ook zijn bleek en onbeduidend gelaat zou bij niemand een ander gevoel dan van deelneming met zijn zwakken toestand hebben opgewekt, zoo niet nu en dan de holstaande oogen geflikkerd hadden van een zoo ongewoon en levendig vuur, dat men er als door gedwongen werd hem met meer aandacht te beschouwen, en dan weldra tot de overtuiging geraakte, dat gewis geen alledaagsche ziel in dat broze omkleedsel verborgen was. Spreken deed hij bijna niet: en, als hij nog sprak, dan had hetgeen hij zeide echter alleen betrekking tot het spel, waar al zijn gedachten voor ’t oogenblik in verdiept schenen.

Aan de linkerzijde van Gourville zat de Fransche Ambassadeur, de beroemde Graaf d’Estrades, wiens naam gedurende een tijdvak van zoovele jaren met de geschiedenis onzer Republiek verbonden bleef, die vroeger, tot hare verdediging, het zwaard onder Frederik Hendrik gevoerd had, en later, door den loop der omstandigheden, zich verplicht zag, tot een der voornaamste werktuigen te strekken, waarvan de heerschzuchtige Lodewijk XIV zich bediende om de Zeven Gewesten, zoo mogelijk, onder zijne heerschappij te krijgen. Naast hem zat de Heer Van Zuylesteyn, die zoon van Frederik Hendrik, wien de opleiding van Willem III was toevertrouwd en weldra zou ontnomen worden, en wierp nu en dan een schuinschen blik op den Heer Van Gendt, die wat verder gezeten was, en wien men als zijn opvolger doodverfde. Het overige gezelschap aan deze tafel, tot welke het een bijzondere eer strekte te worden toegelaten, bestond uit de aanzienlijksten onder de genoodigden, meest oude of tegenwoordige Regenten, of vreemdelingen van rang. De minder bevoorrechten onder de gasten stonden, achter de stoelen der spelers, de wisselingen der fortuin met ware of geveinsde belangstelling gade te slaan, of hadden zich, ’t zij onder de schouwe, ’t zij in eenen der hoeken van de zaal, ’t zij in het voorvertrek, dat daarmede gemeenschap had, in verschillende groepen verdeeld, waar zij, meestal in de Fransche taal en met gedempte stem, elkander over ’t nieuws van den dag onderhielden. Een kleinere speeltafel, in een hoek van het voorvertrek geplaatst, had nog maar weinig spelers uitgelokt. Dienaars, in sierlijke livreien uitgedost, liepen af en toe met ververschingen; terwijl de gastheer zelf, zich nu hier dan daar vertoonende, zijn best deed om ieders wenschen te raden, en zoo mogelijk te voorkomen.

„Gij speelt niet, Mijnheer Buat?” vroeg hij, zich tot onzen held wendende, die in het voorvertrek stond te kijken naar een partij, welke gespeeld werd tusschen een Fransch Edelman en eenige rijke jongelieden, waaronder des Prinsen Stalmeester Heenvliet.

„Ik dank u,” antwoordde Buat: „een armen drommel als mij betaamt het slecht, zich te meten met zulke rijkaards, tenzij hij de fabel vertoonen wil van den aarden tegen den ijzeren pot.”

„Integendeel,” merkte Montbas aan: „men moet juist spelen met hen, die wat te verliezen hebben. Wat helpt liet, of men al wint van hen die arm zijn? òf men krijgt zijn geld niet, òf men steekt het met een gevoel van leedwezen in zijn zak.”

„Een man van ondervinding als de Heer Van Montbas,” zeide Buat, „weet te goed, dat, waar de arme met den rijke speelt, hij altijd eindigt met geplukt te worden.”

„Nu”, hernam Montbas, glimlachende: „als gij ’t ernstig opneemt, moet ik u wel gelijk geven. Maar ik heb u vroeger toch als een liefhebber van ’t spel gekend, die niet vroeg waarom, noch met wien hij speelde.”

„En dat zou ook wel de reden kunnen zijn, waarom ik er thans niet aan doe,” zeide Buat.   –  De ware oorzaak, dat hij niet naar de speeltafel ging, was echter daarin gelegen, dat hem het denkbeeld hinderde, grof te spelen in tegenwoordigheid van den jongen Heenvliet, terwijl hij geld schuldig was aan diens vader: te meer, daar hij dezen mede onder de gasten, die zich aan de groote speeltafel bevonden, had opgemerkt.

Montbas had zich, na de laatste woorden van Buat, met een minzame buiging van hem verwijderd om een ander aan te spreken. Dan nu nam Bromley, die, als vroeger gezegd iS, evenals Buat, Edelman van ’s Prinsenkamer was, het gesprek, tusschen Buat en Montbas gevoerd, op, waar laatstgemelde het gelaten had: „Gij zijt geheel en al een philosoof geworden,” zeide hij: „is dat sedert uw huwelijk? of wel, sedert gij u met diplomatieke onderhandelingen inlaat?” „Ik?” zeide Buat verdrietig.

„Nu! veins maar niet verwonderd te zijn,” hernam Bromley: „met mij behoeft gij toch zoo geheimzinnig niet te wezen.   –  Maar zeg eens,” fluisterde hij, hem bij een knoop van zijn rok nemende, en ter zijde trekkende: „wanneer gij weder naar Engeland schrijft, denk dan ook om mij. Het is tien tegen een, dat Mr. Jan mij mijn afscheid laat geven: en waar moet ik dan heen?”

„Alweder een, die alleen zijn eigen belang zoekt,” dacht Buat. „Hoe nu!” vroeg hij: „waar beklaagt gij u over? Gij trekt immers pensioen van Koning Karel?”

„Te veel om te sterven, en te weinig om te leven,” antwoordde Bromley, „als ik daar niet anders bij heb.”

„Maar denkt gij dan,” hernam Buat, „dat ik eenigen invloed heb bij Zijne Britsche Majesteit of Hare Ministers? Wie u dat verteld heeft, heeft den draak met u gestoken.”

„Nu, indien gij niet wilt...... zeide Bromley, verstoord.

„Maar, beste Vriend! bedenk toch,” vervolgde Buat, „dat als men u wegzendt, zonder u iets in de plaats te geven, gij een martelaar voor de goede zaak zult wezen, aan wien de Koning voor zijn eigen eer wel niet zal kunnen nalaten, een vergoeding te schenken voor wat de gehechtheid aan zijn belangen u heeft doen verliezen, en dat mijn aanbeveling hier niet zal toe- of afdoen. Voorwaar: ik, die vrouw en kind heb, ik zal, wanneer ’s Prinsen hof houding veranderd wordt, meer te beklagen zijn dan gij.”

„Gij?” herhaalde Bromley: „wel, men zal u immers een Luitenant-Kolonelsplaats geven. Ik weet, dat de Staten van Zeeland daarop door hun Raadpensionaris, den Heer de Huybert, hebben doen aandringen.”

„Ik hoop, dat de aandrang wat helpen zal,” zeide Buat: maar ik vrees, dat er niet licht een vacante plaats zal komen. Er doen zich, naar ik hoor, te veel vreemde liefhebbers op voor Kolonelsplaatsen.”

„Zoo! en wie dan?”

„Stil,” vervolgde Buat, den blik zijdelings naar den Franschen edelman wendende, die aan het speeltafeltje zat: „daarover wel eens nader.”

„Juist,” hervatte Bromley: „laten wij liever tot ons onderwerp van daareven terugkeeren. Hebt gij reeds van Sylvius....”

„Noem toch geen namen,” viel hem Buat levendig in de rede: „wij zijn hier door veel ooren omringd, die op wat nieuws gespitst zijn.”

Op dat oogenblik ging de deur, waar hij nevens stond, open en trad Van Espenblad binnen.

„Aha:” zeide deze, Buat op den schouder kloppende: „hoe gaat het u sinds zooeven? Het is hier wat vroolijker, nietwaar?” blies hij hem in ’t oor, „dan in dat kabinet van den Heer De Witt, en wij zijn hier beiden juist als scholieren, die pas hun thema van den meester hebben opgekregen, en zich haasten het bij spel en vroolijkheid te gaan vergeten. Maar stil, ik zie de fonkelende oogen van Z. Hoogheid door de open deur op mij gevestigd, en het past mij mijn hof te gaan maken.”

En meteen zich naar de zaal begevende, doorliep hij deze, totdat hij zich bij den armstoel bevond van den ziekelijken knaap, van wien wij gesproken hebben, en die werkelijk, hoe ook schijnbaar door het spel alleen beziggehouden de binnenkomst van Van Espenblad terstond had opgemerkt.

„Het is wel laat, dat wij het genoegen hebben u te zien,” zeide hij, al kuchende, terwijl hij den diepen groet van den nieuwaangekome met een hoofdknik beantwoordde en zijn kaarten nederlegde: een voorbeeld, ’t welk terstond door al de aanwezigen gevolgd werd.

„Uwe Hoogheid zal mij verschoonen,” antwoordde Van Espenblad: „ik kom uit een conferentie met den Heer De Witt.”

„En staatszaken gaan voor alles,” hernam de Prins -want onze lezers zullen reeds begrepen hebben dat de bleeke jongeling niemand anders was dan Willem III:     –  „en hoe maakt het de Heer De Witt? Ik ben dikwijls bezorgd over hem, wanneer ik bedenk, hoevele zaken hij op zich geladen heeft en hoe weinig hij zijn gezondheid en zijn krachten raadpleegt.”

„O!” zeide Van Espenblad: „de Heer De Witt is ijzersterk en zal eer duizend zaken afmaken dan dat de zaken ’t hem doen.”

„Men is wel gelukkig als men een sterk gestel heeft,” hernan, de Prins, niet zonder spijt aan zijn eigen zwakheid denkende: „en als het lichaam nooit den geest in zijn werkzaamheden belemmert.”

„Ja! ik kan mij ook dikwijls niet verklaren, hoe de Heer De Witt het uithoudt,” zeide Zuylesteyn: „staatszorgen van den ochtend tot den avond en nooit een enkele verstrooiing.”

Bah!” viel Gourville in: „om zelfs bij de drukste bezigheden gezond te blijven, heeft men maar één ding noodig, te weten: een goede spijsvertering.”

„En geruste nachten!” voegde d’Estrades er bij;   –   „om van een gerust geweten niet eens te spreken!   –  nu! al die vereischten bezit onze waardige vriend De Witt.”

„Geruste nachten!” herhaalde de Prins: „maar men is zelf geen meester van zich die te bezorgen.”

„De Heer De Witt kent er toch een geheim voor, waarvan ik Uwe Hoogheid het aanwenden durf aanbevelen,” zeide Van Espenblad.

„En dat is?” vroeg de Prins.

„Zoodra hij het hoofd op het beddekussen legt, alle zorgen van den dag te vergeten,” antwoordde Van Espenblad.

„Gelukkig zeker wanneer men dat doen kan,” hernam de Prins: „ik, wat mij betreft, heb geen staatszorgen, die mij kwellen......” hier werd hij door een hevige hoestbui gedwongen even op te houden.

„Arme knaap!” zeide Gourville tegen d’Estrades, terwijl hij den lijdenden vorst met een blik van deernis beschouwde.

Ma foi!” antwoordde deze, zacht: „ik beklaag hem zoo goed als gij; maar deze reis kan ik in die hoestbui niet anders zien, dan een verdiende straf voor de grollen, die hij ons zocht te verkoopen.”

„Hoe dat?” vroeg Gourville verbaasd: „zou hij dan inderdaad staatzuchtig zijn?”

„Mijn waarde Gourville!” hernam de Ambassadeur. „die zwakke en ziekelijke knaap, die Schijnbaar alleen op jagen en spelen verzot is, denkt in den grond om niets dan om zijn aanspraken op het Hoog Bewind: en, vroeg of laat, hij zal het De Witt, in spijt van diens macht en bekwaamheden, nog eenmaal te benauwd maken. Maar stil!    –  de hoestbui is bedaard.”

„Zie maar,” hernam de Prins: „staatszorgen of niet, wie kan er slapen, wanneer hij, zooals ik, gestadig door den hoest gekweld wordt?”

„Wij willen hopen, dat het slechts een voorbijgaande ongesteldheid is, die spoedig genezen zal,” zeide Van Espenblad.

„Dat willen wij,” zeide Willem: „doch, van wat anders gesproken;     –  mijn hoest is al vervelend genoeg voor anderen, en zou dubbel vervelend worden, als ik er langer over ging praten:   –  brengt gij goed nieuws, Mijnheer Van Espenblad?”

„Uwe Hoogheid zal zeker reeds weten, dat de Keurvorst van Brandenburg ons zijn hulp tegen Munster beloofd heeft.”

„Ja!” antwoordde de Prins: „ik schaamde mij reeds over mijn ooms: gelukkig, dat, nu de oom ten westen ons beoorloogt, de oom ten oosten het weder poogt goed te maken.... en ziedaar wat mij denken doet, dat ik hier ook een oom ten westen heb, die mij alles behalve gunstig is,”   –  hier wees hij op Gourville: „Kom, Mijnheer Van Espenblad,” vervolgde hij, de kaarten weder opnemende „laten wij zien of uwe komst mij geluk zal aanbrengen.”

Van Espenblad uit deze woorden bermerkende, dat de Prins hem niets meer te zeggen had, hoog zich en plaatste zich achter d’Estrades wien hij veelbeteekenend aanzag. De Gezant begreep terstond dat er eenig nieuws voor hem was: althans, nadat het spel nog een wijl geduurd had, verzamelde hij het Voor hem liggende goud, en stak zijn beurs bij zich.

„Kom,” zeide hij: „elk zijn beurt. Wilt gij zelf de fortuin niet eens beproeven Montbas?”

„Het zonde mij slecht staan, aan mijn gasten hun geld af te winnen,” antwoordde de Heer des huizes.

„Wel: handel dan nog nobeler, toon u in alle opzichten tractant: en verlies uw geld aan uw gasten.” En met deze woorden stond d’Estrades op, nam Van Espenblad bij den arm en begaf zich met hem naar het voorvertrek. Op hunne komst weken de aanwezigen, beleefd groetende, rechts en links op eenigen afstand terug, terwijl de beide Heeren zich op de breede vensterbank nederzettenden, waar zij hun gesprek konden voeren zonder vrees van beluisterd te worden. „Gij hebt mij iets te zeggen?” zeide d’Estrades.

„Ik heb u iets te overhandigen,” antwoordde Van Espenblad: „een klein ontwerp van verdrag tusschen Engeland en onzen Staat.”

„Hoe!” zeide de Gezant, terwijl hij werktuiglijk terugdeinsde, zonder zelfs de hand uit te steken naar de brieven, die de andere hem aanbood: „de Heer De Witt zou er aan denken, om in deze oogenblikken een verdrag met Engeland te sluiten!”

„Wees gerust,” antwoordde Van Espenblad, glimlachende: „het is geen ontwerp van den Raadpensionaris: het komt uit een geheel anderen koker;   –   maar in allen gevalle zal het hem aangenaam zijn, er uw oordeel over te vernemen, en wel, zoo mogelijk, morgen bijtijds.”

„Daar mag hij gerust op wezen,” zeide d’Estrades,” „ik ben morgen na het ontbijt aan zijn kabinet. Kent gij den inhoud van dit stuk?”

„Zooveel weet ik er althans van,” antwoordde Van Espenblad: „dat de strekking is, Frankrijk buiten den vrede te houden.”

„De Staten zullen toch niet denken vrede te maken, zonder ons er in te kennen!” zeide d’Estrades: „dit zou voorwaar te grove ondankbaarheid zijn, na den ijver, waarmede Frankrijk hun belangen heeft omhelsd.”

„Dat heb ik aan den Raadpensionaris gezegd,” hernam Van Espenblad: „en ik vlei mij, dat mijne redenen niet zonder invloed bij hem geweest zijn.”

„Wees overtuigd, Mijnheer!” vervolgde de Gezant: „dat zoo dikwerf gij de belangen van mijnen Koning behartigt, gij tevens die behartigt van dezen Staat en uwe eigene.”

„De Heer Graaf is, hoop ik, genoegzaam overtuigd,” zeide Van Espenblad, „dat ik het mij steeds tot een aangenamen plicht maak, den Koning van dienst te zijn, zooveel min zwakke vermogens het gedoogen.”

„Fraaie woorden, mijn waarde Heer!” hernam d’Estrades: „maar gij hadt mij beloofd, dat gij uw beste pogingen zoudt aanwenden, om den Heer De Witt terug te brengen van zijn gevoelen, dat een barrière zoude noodig blijven tusschen Frankrijk en de Republiek.”

„Ik heb gedaan, wat ik kon,” zeide Van Espenblad: „maar ik behoef u niet te leeren, dat de Heer De Witt geenszins de man is om van een eenmaal opgevatte meening afstand te doen.”

„En toch, na de waarborgen, die Frankrijk thans geeft,” zeide de Gezant, „is het onbegrijpelijk, dat hij er bij kan blijven volharden: men heeft barrières noodig tegen een vijand niet tegen een bondgenoot.”

„Hm!” merkte Van Espenblad aan, terwijl hij zijn snuifdoos opende: „een bondgenoot kan somtijds in een vijand verkeeren   –  daar bestaan voorbeelden van    –  kan ik u dienen?”

„Ja!” zeide d’Estrades, het snuifje naar den neus brengende en veinzende de scherts van Van Espenblad niet op te merken: „daar zijn voorbeelden van. Maar mijn Koning kan er nimmer belang bij hebben, dezen Staat te beoorlogen.”

„Zelfs dan niet,” vroeg Van Espenblad, „wanneer eens, door een mogelijken samenloop van omstandigheden, het hoogste gezag hier te lande werd opgedragen aan gindschen knaap, wiens slapeloosheid en bleeke kleur minder uit eene physieke reden voortspruiten dan uit de onrust en nijd, welke de grootheid van uwen Koning bij hem verwekt.”

„Gij acht hem dus ook den onbeduidenden knaap niet, dien sommigen in hem meenen te zien?”

Bah!” zeide Van Espenblad: „onbeduidendr wie dan ezels zouden het gelooven kunnen! Hij paart de zelfbeheersching van Willem I aan de onverzetteljkheid van Maurits: en daarbij, zoo één hartstocht hem beheerscht, het is een ingekankerde haat tegen uwen Koning.”

„Dan vooral is het dubbel zaak, te zorgen, dat hij buiten het bewind blijve,” antwoordde d’Estrades.

„Hm!” hernam Van Espenblad, de schouders ophalende: „Zeeland werkt ijverig„ dat men hem een plaats in den Raad van State geve.”

„Tusschen ons gezegd,” zeide d’Estrades, glimlachende: „ ik geloof niet, dat De Witt zich juist veel stoort aan wat Zeeland wil.”

„Dat niet,” vervolgde Van Espenblad: „maar men zal, vrees ik, wel iets moeten doen, om het volk, dat in zijn blindheid den Prins verafgoodt, tevreden te stellen. Een Generaalschap zal hem niet kunnen ontgaan.”

„Zelfs dat moet hij niet bekomen,” zeide d’Estrades met nadruk.

„De Witt meent, dat het de eenige weg is om een iegelijk tevreden te stellen,” hernam Van Espenblad: „hij is van oordeel, dat, als de Heer Van Turenne het Veldmaarschalk-ambt bekleedt, deze wel zorg zal dragen, dat de Prins onschadelijk blijve.”

„Neen,” zeide d’Estrades, het hoofd schuddende: „De Witt moge zich vleien, dat de omgang met Turenne en diens leiding den Prins van zijn Engelschgezindheid zullen doen afzien, en hem gevoelens, die hem beter passen, doen omhelzen: ik heb hem in de laatste maanden te goed leeren kennen, om die hoop te koesteren. Eens een voet in den stijgbeugel hebbende, zal hij het ros ook willen besturen en zich met geen ondergeschikte rol vergenoegen. Bovendien, het is zeer waarschijnlijk, dat Turenne het aanbod niet aanvaardt.”

„Niet?” vroeg Van Espenblad: „ik dacht in mijn onnoozelheid, dat ’s Konings belang medebracht, een zijner Maarschalken aan ’t hoofd van ons leger te hebben.”

„Dat zou het zeker,” hernam de Gezant: „indien het hoofd van uw leger niet altijd ondergeschikt bleef aan het goeddunken van Gedeputeerden te velde.”

„Wel!” zeide Van Espenb]ad: „dat hebben Maurits en Turennes leermeester, Frederik Hendrik, zich wel getroost.”

„Een Maarschalk van Frankrijk zou het zich niet getroosten,” hervatte d’Estrades, met trotschheid: „maar wat daarvan zij, weigert Turenne, en is de Prins van Oranje eenmaal Generaal, dan zal men er als van zelf toe overgaan, hem tot Veldmaarschalk, wellicht tot Kapitein-Generaal, te verheffen. Gij hebt mij geen dienst gedaan, Van Espenblad door dat plan van De Witt bij de Princesse Douairière aan te prijzen.”

„Integendeel,” antwoordde Van Espenblad: „van dien kant hebt gij, dank zij mijne bemoeiingen, geen tegenwerking te vreezen.”

„Hoe!” riep d’Estrades, verbaasd.

„Ik heb,” vervolgde Van Espenblad, „ten gevalle van De Witt haar schijnbaar zoeken over te halen, om hare goedkeuring aan het plan te schenken;     –  maar inderdaad zoodanige bedenkingen geopperd, dat haar eerzucht voor haar kleinzoon geprikkeld is, en zij verlangt dat hij, òf niets, òf Kapitein-Generaal worde. Daar nu De Wit dit laatste bij geen mogelijkheid gedoogen kan, zal het wel niets worden.”

„Uitmuntend!” zeide d’Estrades, met een goedkeurend hoofdknikken: „maar zoo De Witt haar eens tot andere gedachten bracht? Gij weet, hoe zij, ondanks al haar fierheid, bij de bewustheid zijner macht, beducht voor hem is. En in deze zaak zal hij met dubbele klem kunnen spreken, omdat hij ruggesteun vindt, niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij de tegenpartij.”

„De Witt zelf zal niets liever verlangen dan van de zaak niet meer te reppen, zoo de Steden, die voor de bevordering des Prinsen geijverd hebben, zich gelieven stil te houden,” zeide Van Espenblad.

„Ja, Haarlem en Leiden,” hernam d’Estrades; „maar zouden de Afgevaardigden dier beide Steden niet kunnen overgehaald worden tot het omhelzen van een verstandiger gevoelen?”

„Hm!” antwoordde Van Espenblad, na een wijl te hebben nagedacht: „er zijn er sommigen bij, die misschien anders zouden spreken, indien zij wisten, dat zij er den Koning een dienst mee deden. En”   –  hier veranderde hij op eens van toon: „hoeveel is het u waard?”

Ma foi!” antwoordde d’Estrades; „zoo gij denkt, dat vijf duizend livres .

„Denkt gij met een Duitschen Keurvorst te doen te hebben?” vroeg, met een geveinsde verontwaardiging, Van Espenblad, zinspelende op de geringe sommen, waarvoor de Fransche Regeering onlangs eenige Duitsche Vorsten had omgekocht.

„Nu, de prijs moet geëvenredigd zijn naar den invloed en het gezag van hen, die men begeert te winnen,” hernam de Gezant: „indien gij meent, dat men meer moet bieden

„Laat gij mij carte blanche?” vroeg Van Espenblad.

„Zorg, dat deze veldtocht afloope, zonder dat de Prins een bediening bij ’t leger bekome: en ik bezorg u twintig duizend livres,” zeide d’Estrades.

„Wat mij betreft,” hernam Van Espenblad, op den koelsten toon van de wereld: „mij is uw woord genoeg; maar er zijn er, die niet zullen begeeren, zonder voldoende garantie, tot het eind van ’t jaar te wachten op de vervulling der belofte, die ik hun zal moeten doen.”

„Kom morgen bij mijn Tresorier,” zeide d’Estrades: „ ik viel mij, dat gij over mij tevreden zult zijn, en Hier zweeg hij plotseling, daar Van Espenblad, den vinger op den mond leggende, hem met den blik naar den ouden Heenvliet wees, die, het spel verlaten hebbende, hun ongemerkt genaderd was.

„Vergeeft mij, Mijne Heeren!” zeide de grijsaard: „ik stoor misschien uw onderhoud; maar ik wist niet, dat gij ’t over zaken hadt.”

„Wensch den Heer Graaf geluk met den koop, dien hij gedaan heeft,” antwoordde Van Espenblad, die niet licht zijn tegenwoordigheid van geest verloor: „hij heeft mij mijn beste paard afgekocht.”

„Welk paard?” vroeg Heenvliet, terwijl d’Estrades Van Espenblad, half verwonderd, half goedkeurend, aankeek.

„Dat bruine, ’t welk aan Buat heeft toebehoord, en dat eerst onlangs mijn eigendom geworden was.”

„Zoo, ja, een treffelijk dier,” zeide Heenvliet: „ik wist niet, dat Buat er zich van ontdaan had;   –  maar het verwondert mij, dat gij, het eenmaal gekocht hebbende, er afstand van doet.”

Wat zal ik u zeggen?” hernam Van Espenblad: „de Heer Ambassadeur had er bijzonder zijn zinnen op gezet.”

„En men doet gaarne iets om den Heer Ambassadeur genoegen te geven, nietwaar?” vroeg Heenvliet, zijn beide vingers in de snuifdoos dompelende, die de ander hem aanbood.

„De waarheid is, dat het een deugdzaam paard is,” zeide d’Estrades, die zich zocht te binnen te brengen of hij het beest ooit gezien had.

„Zoo mak: een kind kan het regeeren,” merkte Van Espenblad aan.

„Nu! dat is ’t minst,” zeide Heenvliet: „de Heer d’Estrades is lang gewend, met paarden en menschen om te gaan, en ze naar zijn hand te zetten.”

„Waarachtig, Mijnheer Van Heenvliet begint op zijn ouden dag nog stekelig te worden,” hernam Van Espenblad, lachende.

„Ik wist niet, iets zoo geestigs gezegd te hebben,” zeide Heenvliet, terwijl hij Van Espenblad uit de hoogte aanzag. „In allen gevalle, Heer Graaf!” vervolgde hij tegen d’Estrades: „het is een deugdzaam paard, en zoo ik had kunnen denken, dat Buat er zich van had willen ontdoen, zou het bij mij op stal staan.”

„Ik moet mij dan dubbel met mijn aankoop gelukwenschen,” zeide d’Estrades, met de hem eigene wellevendheid, „wanneer een kenner als de Heer Van Heenvliet dien goedkeurt.”

„Al te beleefd,” antwoordde Heenvliet: „maar de Heer Graaf moest zelf een goed kenner zijn, als hebbende vroeger bij de ruiterij gediend.”

„Dat is wat lang geleden,” hernam de Ambassadeur: „en sedert heb ik mij minder met mijn stal kunnen bezig houden, en de zorg om dien te voorzien aan anderen moeten overlaten.” Hier zag hij Van Espenblad zijdelings aan.

„Juist, zooals ik daareven zeide,” hernam Heenvliet: „eerst paarden dresseeren, en dan menschen.   –  Nu, wat een en ander betreft, er gaat niets boven praktijk; en ’t spreekt van zelf, dat wanneer men een geruimen tijd verloopen laat zonder zich er mede op te houden, men langzamerhand den slag kwijtraakt. Met mij is het andersom gegaan dan met u, Heer Graaf! In vroeger jaren had ik de eer den Staat als gezant te dienen, en moest menschenkennis opdoen;   –  maar sedert lang heb ik de politiek vaarwel gezegd en hen meer uitsluitend tot de paarden teruggekeerd. Wanneer het u eens gelegen komt, mijn arme huizinge op Heenvliet met een bezoek te vereeren en mijn stoeterij in oogenschouw te nemen, dan vlei ik mij, dat gij niet geheel onvoldaan zult terugkeeren. Ik heb daar eenige veulens van Spaansch ras gekweekt, die ik vertoonen durf.”

D’Estrades drukte op heusche wijze zijn bereidwilligheid uit out van het beleefde aanbod gebruik te maken, en de drie Heeren, zich van de vensterbank verwijderende, wandelden langzaam, en al pratende, naar de andere kamer. Intusschen oogde de voormalige eigenaar van het paard, waarvan de gefingeerde verkoop aanleiding tot hun onderhoud gegeven had, en wien het niet ontgaan was, dat zij zijn naam een paar reizen genoemd hadden, hen van verre na, en was half in den wil hen te volgen, om te vernemen, wat zij van hem vertelden, toen hij aangesproken werd door Kievit, die uit de zaal kwam, en hem met zich naar de pas door de andere Heeren verlaten vensterbank voerde.

„Welnu, Buat!” zeide deze: „hoe staat het? reeds antwoord uit Engeland ontvangen, naar ik hoor?”

„Hoe?” antwoordde Buat, spijtig: „gij weet reeds……

„Ik ben zooeven aan uw huis geweest en heb Mevrouw Buat gesproken, gelijk mede Mevrouw Musch, die bij haar was. Zij hebben mij reeds het een en ander verteld.     –  Geen vrede op dien voet, hoop ik?”

„Ik denk ten minste niet, dat de Heer De Witt er toe zal overhellen,” antwoordde Buat, de schouders ophalende.

„Neen, neen!” hernam Kievit: „oorlog, oorlog moeten wij hebben, dat is het eenige middel om Mr. Jan hateljk bij ’t volk te maken, en hem ons van den hals te schuiven.   –  Nu, ik kom morgen bij u aan, wij moeten overleggen, wat er geschreven zal worden.”

„Foei! foei! alweder over politiek?” vroeg Van der Horst, die van ’t spelen af kwam: „Bedenkt toch, Mijne Heeren! dat wij hier voor ons genoegen zijn:    –  althans dat moet men zich wijsmaken, als men, gelijk ik, een paar honderd dukatonnen heeft laten zitten. Die drommelsche Franschman heeft ons allen, en Z. Hoogheid in de eerste plaats, op de beleefdst mogelijke wijze geplunderd.    –  Nu, hij is de eerste niet, en zal ook wel de laatste niet zijn, aan wien wij, onnoozele Hollanders, ons goede geld opbrengen.   –  Maar à propos, Kievit! Z. Hoogheid heeft naar u gevraagd.”

„Naar mij?” vroeg Kievit: „Z. Hoogheid is wel goed!” en meteen haastte hij zich naar de zaal terug te keeren.

„Goed, dat hij weg is,” hernam Van der Horst tegen Buat: „want hij behoeft niet te hooren, wat ik u te zeggen heb. Luister, Buat! ik ben voor zeker onderricht, dat de Heer Van Gogh in Engeland nooit meer welkom als Afgezant wezen kan, en er ook zelf niet verlangt terug te keeren. Er dient dus iemand in zijn plaats gevonden te worden; en het moet daarheen gericht, dat het iemand van onze kleur zij. Ik heb al rondgezien; maar ik ken onder hen, die wij vertrouwen kunnen, schier niemand, die vloeiend genoeg Engelsch spreekt en met de zeden en gebruiken daar te lande genoegzaam bekend is. De Heer Van Heenvliet is te oud en Kievit te weinig bezadigd voor zulk een betrekking..., ik heb waarlijk al gedacht...

„Om u zelven, nietwaar?” vroeg Buat, den volzin emdigende.

„Neen,” antwoordde Van der Horst, rood wordende tot achter de ooren toe: „ik meende.... maar zoudt gij waarlijk denken dat…?   –   … Ja, ik beken, ik zou ongaarne mijn huisgezin en bezigheden hier te lande verlaten; maar toch, indien ik er den lande een dienst mede kon doen..., ik geloofd dat het den Prins niet onaangenaam zou zijn.... Nu, schrijf er eens over aan Sylvius.”

„Dat zal niet behoeven,” antwoordde Buat, glimlachende: „daar hij zelf eerstdaags denkt hier te komen, en gij er alsdan met hem over kunt spreken;    –  maar zacht, Z. Hoogheid is van de speeltafel opgestaan; ik dien op mijn post te wezen.”

En inderdaad, de Prins was opgerezen, en de overige spelers hadden zijn voorbeeld gevolgd. Hij ging nu de kamer rond, een vriendelijk woord of een minzame toespraak richtende tot de genoodigden, die nu, allen naar de zaal terugkeerende, zich langs den muur in een kring plaatsten.

„Ik vertrouw,” zeide hij tegen d’Estrades, „dat gij Zijn Majesteit mijn nederige dankbetuigingen zult hebben overgebracht voor de voortdurende bewijzen, welke Zij wel gelieft te geven voor Hare belangstelling in den voorspoed van dezen Staat.”

„Ik heb mij van mijn last gekweten,” antwoordde d’Estrades: „Uwe Hoogheid kan zich verzekerd houden, dat de Koning mijn meester hoogen prijs stelt op de gevoelens, welke het Uwer Hoogheid heeft behaagd, te zijnen opzichte uit te drukken, en tevens, dat hij niets liever verlangt, dan de vriendschapsbetrekkingen met dezen Staat op steeds vasteren voet te onderhouden.”

„Ik twijfel er niet aan,” hernam de Prins! „ik weet dat de Koning bijna geen onderscheid maakt tusschen de Nederlanders en zijn eigen onderdanen.... in zooverre namelijk, dat hij aan beiden een gelijke toegenegenheid toedraagt.” voegde hij er, na even gekucht te hebben, bij.

D’Estrades beantwoordde deze dubbelzinnige lofspraak op zijn meester alleen met een buiging, doch ziende, dat de Prins verder wilde gaan, nam hij het woord op: „Mag ik de eer hebben aan Uwe Hoogheid den Markies Van Montpouillan voor te stellen?”

De Markies Van Montpouillan trad naar voren en boog zich.

Het was de jonge Franschman, over wien De Witt met Van Espenblad gesproken, en wien Buat aan Bromley had aangewezen als dingende naar een kolonelsplaats.

„Verheugd, uwe kennis te maken, Mijnheer!” zeide de Prins: „gij zijt met den Heer Van Turenne vermaagschapt, naar ik hoore.”

De Franschman boog toestemmend.

„Gewis een groote aanbeveling,” hernam de Prins: „en gij hebt goederen in Zwitserland, nietwaar?”

„In het kanton Bern, Uwe Hoogheid.”

„Zijt gij genaturaliseerd Zwitser.”

„Nog niet, mijn Prins! maar ik vlei mij, spoedig brieven van naturalisatie te kunnen bekomen, ingevalle het gemis daarvan de eenige hinderpaal ware tegen het verzoek, dat ik de eer had tot H. Hoog-Mogenden te richten.”

„Ik weet het,” hernam de Prins: „gij hebt om een kolonelsplaats verzocht.”

„Ja, mijn Prins! en ik houd mij overtuigd, dat zoo ik de voorspraak van Uwe Hoogheid mocht verwerven, mijn verzoek gewis weldra zou worden ingewilligd.”

„Mijn waarde Heer!” zeide de Prins: „ wees overtuigd, dat niets mij aangenamer zoude zijn, dan iets te kunnen doen voor iemand, in wien de Heer Van Turenne belangstelt, en die als een zoo verdienstelijk Officier bekend staat. Maar ik ben zelf in uw geval, en ding mede naar een betrekking bij het leger van den Staat. Ik laat u dus oordeelen, of het houding heeft, dat de eene sollicitant voor den anderen in de bres springe. Hebt gij reeds met den Heer De Witt gesproken?”

„Ik heb die eer nog niet gehad,” antwoordde Montpouillian. „Zoo haast u dan, u bij hem aan te melden,” hernam de Prins: „indien de Heer De Witt oordeelt, dat uwe diensten voor den Staat nuttig kunnen wezen, dan kunt gij zeker van uw aanstelling zijn; want wat de Heer De Witt nuttig acht voor den Staat, dat geschiedt ook.”

Met deze woorden boog hij zich, en keerde zich naar Gourville. „Ik hoop, Mijnheer!” zeide hij tot dezen, „dat gij nog lang in Den Haag denkt te blijven, en ons uw aangenaam gezelschap te schenken?”

„Uwe Hoogheid is wel goed,” antwoordde Gourville: „de duur van mijn verblijf hangt af van het meer of minder spoedig antwoord, dat mij gegeven zal worden op den voorslag, dien ik vanwege den heer Markies van Castel-Rodrigo ben komen doen.”

D’Estrades en Van Espenblad, die alleen nabij genoeg stonden om deze woorden te hooren, spitsten de ooren om te vernemen, wat de Prins zou antwoorden: en glimlachend zagen zij elkander aan, toen Willem, na even gehoest te hebben, hernam: „gij gaat, hoor ik, dikwijls uit jagen met den Heer Markies:   –  ik heb uw hazewinden zeer hooren roemen.”

„’t Is waar,” antwoordde Gourville, „dat zij goed gedresseerd zijn.”

„Ik hoop u eerstdaags eens te laten zien, hoe de mijne loopen,” vervolgde de Prins.

„Het zal mij veel eer zijn,” zeide Gourvifle: „en zoo ik dan, bij die gelegenheid, IJwe Hoogheid tevens eens mocht onderhouden over het voorstel dat de heer Markies……”

„Gij zijt een voortreffelijk speler, Mijnheer de Gourville,” viel de Prins in: „ ik hoop nog dikwijls partij met u te maken. Ik wensch mijn best te doen, om van uw onderricht gebruik te maken.”

Prins Willem III in gesprek met Gourville met op de achtergrond D'Estrade en Van EspenbladPrins Willem III in gesprek met Gourville met op de achtergrond D'Estrade en Van Espenblad„Ik zal steeds tot den dienst van Uwe Hoogheid zijn,” hernam Gourville: „er is niets, dat ik niet zou willen doen, ten genoege of ten voordeele van Uwe Hoogheid: en de zending, welke de Heer Markies mij heeft opgedragen, zal daarvan, naar ik mij vleie, tot een nieuw bewijs kunnen strekken.”

„Men heeft mij gezegd, dat gij een uitmuntenden kok hebt,” zeide de Prins.

„’t Is waar,” antwoordde Gourville, zich op de lippen bijtende: „een leerling van den beroemden Vatel.”

„Aha ja! Vatel, de kok van den Prins van Condé, die zich zelven van ’t leven beroofde; omdat de visch niet intijds gekomen was. Ik hoop toch, Mijnheer! dat dit voorbeeld bij de overige hofbedienden van den Prins niet aanstekelijk is geweest, en dat zij zich niet, bij de eerste teleurstelling, den degen door ’t hart stooten?”

Ma foi! mijn Prins,” antwoordde Gourville: „indien ik het doel miste, waarom ik in Den Haag gekomen ben, zou ik er wel lust toe gevoelen.”

„Gij zoudt niet handelen als een Christen,” zeide de Prins droogjes. „Om tot uw kok terug te komen, ik wenschte eens in de gelegenheid gesteld te worden, zijn bekwaamheid te beoordeelen.”

„Uwe Hoogheid heeft slechts te gebieden,” zeide Gourville „maar, ik zie mij niet in staat, Uwe Hoogheid, op een voegzame wijze, in de herberg, waar ik mijn intrek heb genomen, te ontvangen.”

„Deze of gene zal u wellicht zijn huis wel willen leenen,” zeide de Prins: „ik wilde wel eens een maaltijd bijwonen, zooals gij die in Frankrijk weet te geven;    –  zonder omslag en vooral zonder etiquette! Ik beveel er mij toe aan.” Met deze woorden groette hij en ging verder.

Que diable!” zeide Gourville, toen de Prins zich op eenigen afstand bevond, tegen d’Estrades: „gij wildet mij straks vertellen, dat die knaap staatzuchtig is: en ondertusschen, zoo vaak ik hem op het terrein der staatkunde heb zoeken te brengen, heeft hij mij met koks en hazewinden geantwoord.”

„Mijn waarde Heer!” zeide d’Estrades, terwijl hij met moeite zijn trek tot lachen bedwingen kon: „ik heb dien knaap nog nooit een gekheid hooren uiten: en ik ken tot heden geen volwassen mensch, aan wien ik denzelfden lof zou schenken.”

Terwijl de Prins nog bezig was de ronde te doen, en nu tot dezen dan tot genen een kort woord te richten, naderde hem zijn Stalmeester Heenvliet, en zeide met een buiging:

„De équipages van Uwe Hoogheid!”

„Dan is het tijd om te vertrekken,” zeide de Prins: „Mijnheer de Montbas! ik ben u hoogst dankbaar voor uw heusch onthaal, en ik beveel mij aan voor ’t vervolg. Mijne Heeren!” Hier maakte hij eene algemeene buiging voor ’t gezelschap, en begaf zich toen, gevolgd van Zuylesteyn, en voorafgegaan door Heenvliet, die naar beneden snelde om de koets te doen voorkomen, uit de zaal naar het voorvertrek, waar Buat hem met zijn hoed en mantel stond te wachten.

„Wel Buat!” fluisterde hij, terwijl deze bezig was hem den mantel om te hangen: „ik hoor dat gij ook al een politiek onderhandelaar geworden zijt.”

„Uwe Hoogheid!” stamelde deze.

„Goed!” hernam Willem: „slechts ééne zaak verzoek ik u. Er zijn dwazen, die van oordeel zijn, dat het voortduren van den oorlog met Engeland bevorderlijk kon zijn voor mijne belangen. Dezulken doen mij een slechten dienst. Tracht ons den vrede te bezorgen, en gij zult u aanspraak verwerven op mijne erkentenis.” En met deze woorden vertrok hij.


[Jacob van Lennep pagina] – [9e hoofdstuk] – [11e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.