MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ELFDE HOOFDSTUK.

EEN AVONDMAALTIJD BIJ GOURVILLE.


 Het vertrek van den Prins had het natuurlijk gevolg, dat onder de genoodigden opnieuw beweging en gewoel ontstond. D’Estrades maakte daarvan gebruik om Van Espenblad in te fluisteren:

„Gij hebt mij daar aardig een paard aangesmeerd, dat ik niet noodig had.”

Parbleu!” antwoordde de andere op den koelbloedigsten toon mogelijk: „ik moest toch wel iets uitdenken, om dien ouden bemoeial van de wijs te helpen, voor zooverre hij iets van ons gesprek gehoord mocht hebben. In allen gevalle hebt gij van hem kunnen hooren, dat het een beest is vol goede hoedanigheden, en ik u dus geen kwaad cadeau gedaan heb.”

„Mijnheer!” zeide d’Estrades, de borst hoog opzettende: „ik ontvang geen cadeaux, ik geef ze. Gij kunt morgen het paard bij mij op stal zenden en er de waarde voor ontvangen. Ik heb vernomen, dat mijn rijtuig voor staat en heb alzoo de eer u te groeten.” En met een lichte buiging voor het gezelschap, vertrok hij.

„Alsof ik het hem aangeboden zou hebben, indien ik niet te voren geweten had, dat hij het niet voor niets zou hebben willen aannemen,” zeide Van Espenblad, bij zich zelven, hem naoogende: „maar hij had zijn weigering wat beleefder kunnen uitdrukken. Nu! eens zal de tijd misschien komen, dat ik op mijne beurt dien toon zal kunnen voeren.”

Wij laten hem zich streden met het aangename vooruitzicht op een Ambassade, en keeren terug naar Buat, die, na den Prins tot aan zijn rijtuig vergezeld, en hem met Zuylesteyn, den jongen Heenvliet en Bromley te hebben zien wegrijden, weder naar boven was gegaan. Nauwelijks was hij het voorvertrek binnengetreden, het hoofd nog vervuld van de laatste woorden, welke de Prins tot hem gesproken had, of de oude Heenvliet kwam hem te gemoet met den uitroep:

„Wel! ik hoor daar, gij hebt uw paard aan Van Espenblad verkocht. Waarom het mij niet gezegd, dat gij er u van wildet ontdoen? Ik had er u gaarne een goed bod op gedaan.”

„Aan Van Espenblad!” herhaalde Buat, verwonderd en wrevelig: „wie heeft u dat verhaald?”

„Wel hij zelf,” antwoordde Heenvliet: „het schijnt, dat hij rostuischer geworden is: immers hij heeft het dadelijk aan den Franschen Ambassadeur overgedaan.”

„Des te beter,” zeide Buat: „want het zou mij gehinderd hebben, er hem op te zien rijden.”

„Hoe! en gij verkoopt het hem?” vroeg Heenvliet: „hoe rijmt dat?”

„Ik heb het hem niet verkocht,” antwoordde Buat: „maar aan dien schelm van een Nyssen, en ik wou dat ik het gelaten had.”

„Ik geloof gaarne, dat gij er berouw over hebt,” hernam Heenvliet: „zulk een goed paard!   –  Maar, van wat anders gesproken,” voegde hij er op zachten toon bij: „de Heeren Van der Horst en Kievit zijn beiden een weinig ontevreden op u. Gij weet, dat het hun was opgedragen, met u het noodige te regelen omtrent die bewuste zaak: en zij beweren, dat aij n niet door hen wilt laten leiden.”

„Laten zij ’t eerst zelven onder elkander eens zijn,” zeide Buat.

„Maar toch wilde ik wel eens weten,” vervolgde Heenvliet, „of gij voornemens zijt in deze zaak alleen uw eigen hoofd tevolgen?”

„Ja, Mijnheer! om het niet te verliezen ” antwoordde Buat.

„Ik vrees eer, dat gij in ongelegenheden komen zult zoo gij niet naar goeden raad luistert,” hernam Heenvliet; „gij zijt een beste goede jongen, Buat! en van wien ik steeds veel werk gemaakt heb; maar in een zaak van zoo neteligen aard zult gij toch verstandig doen om te rade te gaan met hen, die meer jaren en ondervinding hebben.”    –  En, na deze woorden te hebben uitgesproken op dien toon van gewicht welke aan lieden van gevorderde jaren en bekrompen geestvermogens ten allen tijde en vooral hier te lande bijzonder eigen schijnt geweest te zijn tegenover al wie de vijf en veertig nog niet te boven is, wandelde de Heer Van Heenvliet weg, Buat in de wreveligste stemming mogelijk achterlatende. Niet alleen hinderde het hem, dus als een kind behandeld te worden, maar vooral was zijn gal gaande gemaakt door de herinnering aan den verkoop van zijn paard en door de op zich zelve onschuldige omstandigheid, dat Nyssen het juist aan Van Espenblad had verkocht, en dat deze misschien kennis droeg aan de toedracht van dien verkoop;   –  in welk geval hij ongetwijfeld zich zeer vermaakt had met de wijze, waarop hij, Buat, door den stalhouder beetgenomen was.

Terwijl hij aldus vrij knorrig, in een hoek op een streep bleef kijken, werd hij uit zijn mijmering gewekt juist door den man, die er aanleiding toe gegeven had: en die, zonder schijnbaar eenige acht te slaan op de ontevreden uitdrukking van zijn gelaat, met den vriendelijksten glimlach op de lippen naar hem toetrad.

„Mijnheer Buat!” zeide Van Espenblad: „vergun mij u te storen: er is iemand, die uwe kennis verlangt te maken.”

„Wat! Wie?” vroeg Buat, als een uit een droom ontwakende en op Van Espenblad een gramstorigen blik werpende.

„Wel!” zeide deze, hartelijk lachende: „heb ik u wezenlijk schrik aangejaagd? Een zoodanige verstrooidheid van gedachten zon men bij een verliefden minnaar verwachten, maar niet bij iemand, die man en vader is. Kom met mij, bid ik u: het is de Heer De Gourville, die naar u gevraagd heeft.”

„Gourville!” herhaalde Buat: „en die vraagt naar mij?”

„Dunkt u dat zoo vreemd?” vroeg Van Espenblad: „hij weet zeer goed, dat wie van de Vorsten iets begeert, beginnen moet, met zich de leden der Hof houding tot vrienden te maken.”

„Ik begrijp,” hernam Buat, „dat het niet om mijnentwille is, dat hij mijne kennis zoekt.”

„Dat wil ik met dat al niet beslissen,” zeide Van Espenblad: „intusschen, ik moet u voor ééne zaak waarschuwen. Gourville komt hier met het doel om te bewerken, dat de strijdende Mogendheden de bemiddeling van Spanje aannemen: laat hem niet in uwe kaart kijken.”

Onder het wisselen dezer woorden waren zij in de zaal gekomen, welke reeds door de meeste genoodigden verlaten was; terwijl de overigen zich mede gereedmaakten om den gastheer voor zijn onthaal dank te zeggen. Gourville kreeg nauwelijks de beide Heeren in ’t oog, of hij kwam hen te gemoet.

„Ha, Mijnheer Buat!” zeide hij, zoodra deze laatste hem was voorgesteld: „hoezeer verheugt het mij, uwe kennis te maken.”

„Ik ben het integendeel,” antwoordde Euat, „die mij vereerd moet achten......

„Neen! neen!” hernam Gourville: „spreek mij niet van vereerd achten: ...... ik moet mij alleen beklagen, niet vroeger geweten te hebben, dat ik mij in gezelschap bevond met den zoon van den Kolonel Buat.”

„Gij hebt mijn vader gekend?” vroeg buat.

„Ik heb die eer gehad,” antwoordde Gourville: „in den veldtocht van 1846, den laatsten, geloof ik, voor den vrede van Westfalen. Uw Heer vader lag toen voor Filippine met een gedeelte der ruiterij van de Staten, en ik bevond mij in het gevolg van den Prins van Marsillac, die als vrijwilliger diende bij de Fransche hulptroepen, en nog wel bij het eskadron, waar onze tegenwoordige gastheer het bevel over voerde. Het zal mij recht aangenaam zijn, de kennis, met den vader gemaakt, met den zoon voort te zetten, en gij zult mij daarom wel het genoegen willen doen, het overige deel van den avond mijn gast te zijn. Ik wacht nog eenige van deze Heeren aan mijn herberg, en ik zal trachten het u zoo geriefelijk te maken als op een dergelijke plaats mogelijk is.”

Buat nam gereedelijk een uitnoodiging aan, die met zooveel voorkomendheid en onder het inroepen van zoo heilige herinneringen was gedaan. De aanwezigen waren intusschen vertrokken, op weinige na, die mede behoorden tot de genoodigden door Gourville, en zich alzoo gezamenlijk naar diens herberg dachten te begeven. Montbas was mede verzocht, doch had zich verschoond op grond zijner reeds gevorderde jaren en der vermoeienissen van den avond. Gourville bood nu aan Buat een plaats aan in zijn koets, waarin hij mede de Heeren Van Espenblad en Van Montpouillan ontving; terwijl de overige genoodigden, deels te voet, deels in draagkoetsen of met ander rijtuig, volgden.

Het was in „De Oude Zwaan,” dat Gourville een paar bovenkamers betrokken had, waar nu een goed vuur en een prachtig versierde tafel de gasten verwachtte. Schitterende waslichten, in kwistigen overvloed zoo op den disch als op de armblakers en buffetten geplaatst, een tafelservies van vermeil-, en -wat nog ongewoner pracht was    –  vazen met frissche en geurige bloemen, die den zomer in het hartje van den winter terugvoerden, gaven een denkbeeld van den rijkdom, zoowel als van de onbekrompenheid des gastheers en deden de beste verwachting voeden van het onthaal, dat volgen zou.

„Voorwaar!” zeide Van Espenblad, terwijl hij met welgevallen rondzag: „ik herken de bovenkamer van „De Oude Zwaan” niet meer. Gij hebt zeker eenige dier goede geesten tot uw dienst, waar de Arabische vertellingen van gewagen, en behoeft slechts een tooverlamp te wrijven of een ring in den mond te steken, om een oud, berookt, tochtig en versleten lokaal in een wonderpaleis te herscheppen.”

„Inderdaad!” viel Kievit in, die mede tot de genoodigden behoorde, „die zachte tapijten op den vloer, die sierlijke kraamschutten, al die oogverblindende luister op den disch .... ’t is keurig om te zien.”

„Gij zijt wel goed, Mijne Heeren!” zeide Gourville, „u te verwonderen over eenige gemakken en geriefelijkheden, die ik mij veroorloofd heb hier te vereenigen, in de hoop, dat daardoor mijn kamer eenigszins waardig zoude zijn, zulke uitgelezene gasten te ontvangen.   –  En daarbij, gij moet denken, ik ben het reizen en trekken nogal gewoon, en weet bij ondervinding, dat, wanneer men in een herberg tamelijk wil bediend zijn, men zijn dienaars,   –  wanneer men er goed in wil slapen, men zijn bed,   –  en wanneer men er goed in wil gehuisvest zijn, men het noodige huisraad er mede moet brengen; en daarom reis ik niet zonder mijn kamerdienaar, mijn kok, mijn etens-servies, mijn beddegoed, om van mijn koets en koetsier en eenige andere onontbeerlijke zaken niet te spreken.   –   Wat zal ik u zeggen?   –  Ik heb dat zoo gezien bij de Prinsen van Marsillac en van Conti, bij wie ik gediend heb, en poog hen na te volgen, zooveel mijn geringe middelen het mij toelaten.”

Parbleu!” fluisterde Van Espenblad Buat in ’t oor: „hij moet die Prinsen geducht bestolen hebben, dat hij thans op zulk een voet kan leven.”

„Zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten,” was Buat op het punt van te antwoorden: toen gelukkig het binnentreden van een knecht, met een geurig dampende soepterrine, het sein gaf om aan te zitten. De genoodigden namen plaats en weldra hoorde men geen ander geluid dan dat der lepels en der borden, of wel van de oude Muskaat en Bourgognewijnen, die in de glazen werden geschonken.

„En die Bourgogne, Mijnheer De Gourville?” vroeg Van Espenblad: „vergezelt hij u ook op reis?”

„Ik zou aan een vorstelijk verblijf als ’s-Gravenhage een affront meenen aan te doen,” antwoordde Gourville, „indien ik er aankwam met den kelder, die mij anders gewoonlijk vergezelt. Nochtans heb ik eenige flacons medegebracht, die een wijntje bevatten, dat hier wellicht niet zoo algemeen bekend is.”

„Ik ben er dubbel nieuwsgierig naar,” zeide Van Espenblad: „zoo omdat ik mij overtuigd houd, dat alles wat de Heer De Gourville bezit, keurig in zijn soort moet wezen, alsook omdat het mij desniettemin verwonderen zal, zoo hij iets heeft, dat wij hier te ’s-Gravenhage niet zouden kennen.”

„Is dat niet wat te Haagsch gesproken?” vroeg Kievit.

„Neen!” antwoordde Van Espenblad: „Ik durf dit zeggen zonder beschuldigd te worden van belachelijke ingenomenheid met mijn woonplaats. Maar een ieder zal mij toestemmen, dat ’s-Gravenhage tegenwoordig, meer dan eenige hofplaats, de stad genoemd mag worden, waar zich uit alle landen van Europa, ja, ik zou haast zeggen uit alle hoeken der wereld, mannen van geboorte, aanzien en smaak verzamelen, die weten wat het zegt, goed te leven, en die er naar streven, ons de genietingen, ieder van zijn moederland, te leeren kennen. Men behoeft dan slechts geen vreemdeling te zijn in den aanzienlijken Haagschen kring, om een weinig op de hoogte te geraken van de beste voortbrengselen van elk land: en wie smaak heeft en geld, weet al spoedig zich de goede kanalen te bezorgen en zich hetgeen hem goed aanstaat te verschaffen. Zien wij niet op onze tafels de macaroni en de lacryma Christi, zoogoed als die in Italiö kunnen gevonden worden? Kunnen wij geen ollapodrida en geen olijven op onze tafels schaffen, zoogoed als de Spanjaard? Zendt ons niet Duitschland zijn wijn en zelfs zijn rivierkreeften? en drinken wij, spijt den oorlog, geen bier uit de Engelsche brouwerijen? En    –  om ons niet bij Europa te bepalen, zien wij de ananas, de gember, de mangistan en de papaias uit warmere luchtstreken niet op onzen disch? Wordt zelfs sedert een paar niet de lievelingsdrank van den Arabier, de koffie, als een weldadig middel ter bevordering der spijsvertering, na den maaltijd aan de gasten geschonken?”

„Voorwaar, Mijnheer!” zeide Gourville: „ik begin groote vrees te krijgen, dat mijn arm onthaal in de oogen van een keurigen rechter als gij zijt, geen genade zal vinden.”

„Ik bid u, wees te dien opzichte niet bezorgd,” zeide Van Espenblad: „Wat gij ons verschaft, is niet alleen uitgezocht in zijn soort; maar het is vooral de wijze, waarop het is toebereid, die hulde en lof verdient: en helaas! het is juist in de wijze van toebereiden, dat men hier over ’t algemeen nog achterlijk is.”

„Omdat men er zich algemeen weinig om bekommert,” zeide Kievit: „Zoudt gij wel gelooven, Mijnheer De Gourville! dat er hier velen zijn onder onze aanzienlijkste Staatsbeambten, vermogende lieden zelfs, die het om ’t geld niet behoeven te laten, die bijna ’t geheele jaar door van ingelegde kool en grauwe erwten leven, en bij wie maar eens in de week een stuk vleesch aan ’t spit komt   –  zoo zij nog een spit bezitten   –  waarover zij dan de geheele week kauwen?”

„Over het spit?” vroeg Van Espenblad.

„Neen, over het vleesch,” zeide Kievit: „en dan ken ik er nog, die nooit ander vleesch zien dan een bal gehakt.”

„Goede Hemel!” riep Gourville: „maar dat zijn dan geen beschaafde menschen, dat zijn barbaren, ware Samojeden of Hottentotten.”

Och neen!” hernam Van Espenblad: „dat zijn geen barbaren noch Hottentotten; tenzij gij b. v. den Heer De Witt ook onder dat slag van wilden begeert te rangschikken.”

„Wat,” riep Gourville: „de groote Pensionaris! Ik heb wel opgemerkt, dat hij geen minnaar was van feesten en partijen; maar hij heeft toch stellig genoeg gastmalen bijgewoond, die in behoorlijke orde waren, om te kunnen oordeelen hoe het behoort.”

„Geef hem,” zeide Van Espenblad, „de neteligste rechtsvraag ter beslissing, of het moeilijkste problema van wiskunde op te lossen, hij zal er zich spoediger en beter uit redden, dan zoo gij hem de eenvoudige vraag voorstelt, wat op een gastmaal vooraf behoort te gaan, de taarten of ’t gebraad. Zoudt gij wel gelooven, dat hij deze delicate vogeltjes, waarvan ik gaarne nog een paar zou vragen, indien het niet onbescheiden ware, zou opeten, in de gedachten   –  zoo hij er al over dacht    –  dat het leeuweriken of musschen waren.”

„Is het mogelijk!” riep Gourville, met een uitdrukking van diep medelijden met den armen Raadpensionaris.

„Voorwaar!” zeide Kievit: „ik schaam mij niet te bekennen, dat ik, ofschoon wel proevende dat dit geen vinken noch leeuweriken zijn, echter onzeker ben wat ik gegeten heb.”

„Dat zijn ortolants, mijn waarde!” zeide Van Espenblad met een triomfeerenden blik over zijn gastronomische kennis: „en zoo heerlijk als ik ze ooit geproefd heb.”

„Zeer lekker,” hernam Kievit, het laatste stukje met smaak oppeuzelende: „maar zeer vet: ik geloof dat dit goed slecht verteert”

„Daarom moet het ook met wat Alicante doorgespoeld worden,” zeide Gourville, op wiens wenk men een nieuwe flesch openstak.

„Deze wijn is het niet,” vervolgde hij tegen Van Espenblad, die hem reeds glimlachend aanzag, „welken ik u als wat nieuws wil opdisschen:   –   neen, met dezen wilde ik een glas toebrengen aan den Heer Buat, en hem mijn genoegen betuigen van hem aan mijnen disch te zien.”

„Ik beantwoord u van harte,” zeide Buat, zijn glas opheffende. „Gij hebt dan ook dien veldtocht van ’t jaar 46 gemaakt, Mijnheer de Gourville?”

„Dat beloof ik u,” antwoordde deze: „hij heeft kort geduurd; maar het ging er soms warm genoeg toe.”

„Gij hebt dan mede gevochten?” vroeg Van Espenblad.

„Dat durf ik niet zeggen,” antwoordde Gourville lachende: „dat ik mijn leven nu en dan gewaagd heb, is waar; want ik was gewoon den Prins van Marsillac te vergezellen als hem zijn plicht in de loopgraven riep: wij berenden toen een vesting met een naam, dien ik vergeten ben en dien ik toch niet zou kunnen uitspreken, al had ik hem onthouden......en eens kwam een kanonskogel vlak naast mij te land, zoodat ik met aarde overdekt werd, en niet anders dacht dan dat mijn laatste uur geslagen was. Ik kwam echter met den schrik vrij.   –  Maar wat vechten betreft   –   dat niet. Ik heb maar eens in mijn leven, zooveel ik mij herinneren kan, een slag ontvangen en teruggegeven    –  en dat had mij nog mal kunnen opbreken.”

„Eilieve! verhaal dat eens!” klonk het van alle kanten.

„Wel! het was juist toen wij den tocht aanvingen, waar ik zooeven van sprak. Gij weet, dat na het innemen van Kortrijk, ons leger zich op weg stelde naar het kanaal van Brugge, ten einde den overtocht te bevorderen van 6000 man onzer troepen, met den Maarschalk van Grammont aan ’t hoofd, die zich aan de overzijde moesten vereenigen met het leger des Prinsen van Oranje. Wij hadden den geheelen dag geloopen, en waren niet weinig vermoeid; want vooreerst waren wij gedurig in afwachting geweest van een aanval der vijanden, die bijna op eene lijn met ons optrokken, en ten andere was het de heetste dag, dien men bij menschengeheugenis beleefd heeft. Wij hadden bijna geen tenten; want men had al den zwaren trein achtergelaten: en zoo ging ik hout halen, om een soort van barak op te slaan voor den Prins van Marsillac: hij bracht er den nacht in door op een matras; maar ik, als een jong mensch zonder ondervinding, ging naast hem op ’t gras liggen en verfrischte mijn armen en beenen in den dauw. ’s Morgens zeer vroeg trokken de troepen op, die met den Maarschalk Van Grammont het kanaal over moesten. Ik zag iedereen om mij heen te paard stijgen; maar zelf kon ik arm noch been verroeren. Langzamerhand kreeg de zon meer kracht en begon ik van mijn verdooving te bekomen; maar eerst nadat de vendels der achterhoede zich in beweging hadden gesteld, vond ik mij in staat, mij in den zadel te heffen. Zoo reed ik achter de overigen, alleen en weinig op mijn gemak, daar ik in geval van aanval op geen hulp kon rekenen, en tot éénig wapentuig het hout van een lans bezat, dat ik had opgeraapt. Een tijd lang had ik voortgereden, toen ik opeens achter mij hoor roepen: „uit den weg! uit den weg!” en terzelfder tijd een rottingslag op mijn hoofd voel. Ik keer mij om, en zonder te vragen wien ik voor heb, beantwoord ik dien beleefden groet, door den ruiter, die mij geslagen had, met mijn stok zoo geducht tusschen hals en nek te raken, dat hij bijna van ’t paard tuimelt. Terstond zie ik mij van alle kanten omringd. De persoon, wien ik zoo onzacht had gestreeld, was de Graaf Van Chaumont, een der adjudanten van Monsieur, ’s Konings broeder, die hem vooruitreed om plaats voor hem te doen maken. De Kapitein der Zwitsers van den Hertog van Orleans pakte mij hij de schouders om mij van ’t paard te halen; doch ik gaf hem een zoo fikschen duw met mijn elleboog in zijn maag, dat hij mij losliet. Gelukkig herkende mij de Markies van Mesny, Kapitein der gardes van Monsieur en waarschuwde mij, dat ik mij spoedig zon wegpakken, ’t geen ik mij geen tweemaal liet zeggen. Gij gevoelt, dat de zaak veel gerucht maakte: en dat men mijn stoutheid niet kon begrijpen, van de hand te hebben opgeheven tegen een Officier van ’s Konings broeder. Ik leide de zaak uit en zeide, dat ieder, die, als ik, van achteren een slag bekomen had, en even onbewust van de tegenwoordigheid van Monsieur geweest ware, hetzelfde zou gedaan hebben. De zaak werd echter geschikt, onder voorwaarde, dat ik, in tegenwoordigheid van den Kapitein der lijfwacht van den Prins van Marsillac, op mijn knieën vergeving zou vragen aan den Graaf van Chaumont, die te bed lag; hetgeen ik deed, met de betuiging van mijn leedwezen over het gebeurde. De slag was goed aangekomen: want hij toonde mij zijn hoofd en nek, die met doeken omwonden waren, en hij vertelde aan den Kapitein, dat hij voor de derde reis zou gelaten worden. Hij schonk mij echter vergiffenis: ik heb hem sedert wel ontmoet, doch mij altijd maar gehouden, of ik hem niet kende.”

„Hoe, Mijnheer!” riep Buat: „gij vroegt nog nederig om vergiffenis aan iemand, die u het eerst geslagen had?”

„Wat zou ik anders hebben kunnen doen?” vroeg Gourville, verbaasd: „een Officier van den Hertog van Orleans!”

„Al ware het de Hertog van Orleans zelf geweest,” zeide Buat: „wie kaatst, moet den bal verwachten.”

„Gij zoudt de hand toch niet hebben opgeheven tegen een Prins van den bloede!” hernam Gourville, meer en meer verwonderd: „gij, Franschman!”

„Van afkomst,” zeide Buat: „wat mijn opvoeding en mijn hart betreft, ben ik Nederlander.”

„Wat wilt gij?” zeide Van Espenblad: „het moet u niet verwonderen, mijn waarde Heer De Gourville! dat wij Nederlanders niet veel om een titel geven, wij, die zoovele Prinsen en groote Heeren in onzen dienst hebben, die met den hoed in de hand staan voor onze Regenten.”

„Met den hoed in de hand!” riep Montpouillan, in verbazing, uit: „hoe: zou b. v. de Maarschalk Van Turenne, indien hij hier een bevel bekwam...

„Zich het moeten getroosten, zoo dikwijls hij voor Gedeputeerden te velde geroepen werd, met den hoed in de hand te staan, en zich met een veldstoel te vergenoegen, terwijl zij in armstoelen gezeten waren,” viel Kievit in, die begreep, dat deze mededeeling, zoo zij Turenne ter ooren kwam, hem wel zou afschrikken om hier te lande eenig bevel aan te nemen.

„Ja, ’t is zoo,” zeide Gourville tegen Montpouillan: „de Heeren hebben gelijk: men geeft hier niets om titels of adellijk bloed. Maar,” vervolgde hij tot de overigen: „ik zou wel eens willen weten, hoe het hier in uw vrije land een armen Hofmeester, gelijk ik toen was, vergaan zou, die een uwer Regenten met een rottingslag begroette? Ik zweer u, dat ik ongaarne in zijn vel zou steken. Geloof mij, Mijne Heeren!” vervolgde hij, toen zijn vraag door de omstanders alleen door een glimlach beantwoord werd: „in geen land ter wereld is het zaak, de kwade luim op te wekken van hen, die de macht in handen hebben. Ik heb dikwijls genoeg de Bastille en andere vermakelijke verblijven van dien aard moeten bezoeken, uit vrij wat minder oorzaak, dan een gegeven rottingslag.”

„Hebt gij nog andere veldtochten bijgewoond, dan die van 1646?” vroeg Montpouillan.

„Bij menigten. mijn waarde Heer!” antwoordde Geurville: „ik durf zeggen, dat er in de dagen van de Fronde geen belangrijke krijgsverrichting heeft plaats gehad, waar ik niet bij tegenwoordig was, en, hoewel ik mij niet mag laten voorstaan op het verrichten eener enkele krijgsdaad, zoo is het toch zeker, dat elke onderneming, waar ik bij tegenwoordig was, gelukkig uitviel: ja zee, dat de Prins van Conti placht te zeggen, dat hij, ’t zij voetvolk, ’t zij ruiterij wel kon missen, mits hij mij slechts hij zich had.”

„Dan zijn wij dubbel gelukkig, u thans hier te bezitten merkte Kievit aan.

„Gewis!” zeide Van Espenblad: „en na hetgeen onze gastheer ons verhaald heeft, geloof ik, dat het zaak zal wezen, hem wel bewaard naar de vloot te zenden, dan zijn wij zeker de Engelschen te kloppen.”

„Ik dank u,” zeide Gourville: „ik ben bang voor de zee.    –  Maar voer zooverre anders mijn tegenwoordigheid alhier kan toebrengen tot den voorspoed der Vereenigde Gewesten, zal ik mij gelukkig achten hier gekomen te zijn. En dat doet mij aan iets denken. Mignet! breng nu die flacons, waar ik u van gesproken heb, en geef schoone roemers aan de Heeren. Mijnheer Van Espenblad, wees zee goed, mij uw oordeel over dezen wijn te zeggen.”

Van Espenblad begon, gelijk alle keurige wijnproevers, den volgeschenken roemer, dien de kamerdienaar hem op een vergulde schaal aanbood, tegen ’t licht te houden: de wijn had een heldere, roode kleur, en was minder donker dan Bourgogne. Het gezicht van het vocht was echter voor den kenner niet voldoende: hij bracht het glas aan zijn neus, en snoof een poos den geur in, die er uit opsteeg, doch eindigde toen met zijn derde zintuig ter hulp te roepen en den roemer aan zijn lippen te brengen.

Kievit had den zijnen reeds geledigd. Ongenegen Gourville te verdenken aan zijn gasten een poets te willen spelen en begeerig om te toonen, dat hij zich niet zee gemakkelijk liet foppen, haastte hij zich te zeggen:

„’t Is zeer zacht en aangenaam van smaak;   –  maar ik heb eenigen twijfel of het wel wijn is.”

„Hm! ja! ja!” zeide Van Espenblad, naproevende en langzaam met het hoofd knikkende: ’t Is wel wijn.”

„Zoo gij ’t dus noemen wilt,” zeide Kievit: „heb ik er vrede mee; er zijn zoovele dranken, die wijn heeten: bessenwijn, korenwijn, appelwijn, brandewijn..., maar de vraag is: is dit druivennat? en daar twijfel ik aan.”

„Dit vocht schijnt mij toe meer zuren te bevatten, dan andere wijnen,” hernam Van Espenblad: „maar de smaak bevalt mij wel.”

„Gij hebt het dus nooit gedronken?” vroeg Gourville, zich de handen wrijvende.

„Nooit, zooverre ik weet,” antwoordde Van Espenblad.

„Welnu! is het wijn of niet?” vroeg Kievit haastig.

„Het is wijn, Mijne Heeren!” antwoordde Gourville, „en afkomstig van een stuk land, dat ik niet verre van Bordeaux bezit.”

„Inderdaad,” zeide Van Espenblad: „ik wist niet, dat de streken van Bordeaux wijn opleverden; maar de smaak bevalt mij wel: en ik moet er eens met een wijnkooper over spreken, Wellicht zou deze soort, indien de prijs niet al te hoog is, hier, mettertijd als lichte tafelwijn, de Rijnsche en witte wijnen kunnen vervangen, wier hoedanigheid hoe langer hoe meer vermindert.”

„Ik wensch van harte, dat uw onderstelling waarheid worde,” hernam Gourville: „maar intusschen zij het mij vergund, met dezen wijn van mijn eigen grond op den bloei dezer landen te drinken en op de voortdurende goede harmonie tusschen de Zeven Gewesten en Frankrijk.”

Deze dronk van Gourville werd door de meeste der aanwezigen met luide toejuiching ontvangen: en ook zij, die minder met de Fransche alliantie waren ingenomen, lieten niet na, uit beleefdheid voor den gastheer, hun roemers te ledigen. Na eenige oogenblikken vroeg Montpouillan het woord en verzocht vergunning, een dronk te mogen brengen op den voorspoed der Hollandsche wapenen, zee te land als ter zee.

„Braaf gesproken!” riep Van Espenblad: „en moge de Heer De Montpouillan welhaast in de gelegenheid gesteld werden, er het Zijne aan toe te brengen.”

„Mijne Heeren!” zeide kort daarna Buat, wien nog steeds de laatste woorden van den Prins in de ooren klonken: „ik wensch thans een dronk van een anderen aard voer te stellen, en wel: op den spoedigen vrede!”

De meeste der gasten hieven hunne roemers omhoog. Kievit echter keek wrevelig en liet den zijnen onaangeroerd staan, terwijl Van Espenblad lachend zeide:

„Een zonderlinge wensch voor een officier.”

„Ik ben officier,” zeide Buat, die niet gestemd was veel van den spreker te verdragen: „maar ik ben in de eerste plaats Nederlander, en ik weet zoogoed als iemand, dat de oorlog, ook al wordt hij op de glansrijkste wijze gevoerd, steeds de grootste ramp is, die ons land overkomen kan.”

„Wel gezegd!” zeide Gourville, „vrede best!”

„Bah!” hernam Van Espenblad: „die vrede is nog lang verwijderd, en ’t is de vraag of iemand er hier zee bijzonder naar verlangt.”

„Meer wellicht dan men wel denken zou,” zeide Buat: „en ik wil wedden dat wij dien spoedig zullen hebben.”

„En ik wed van neen,” zeide Kievit, die zich niet langer bedwingen kon.

„Wed toch niet tegen Buat,” hernam Van Espenblad, een snuifje nemende en den Ritmeester glimlachend aanziende: „hij zal u zeggen wat Van Beuningen tegen de Fransche hofjonkers zeide, dat hij den vrede in den zak heeft.”

Buat was op het punt een scherp antwoord op dit gezegde van Van Espenblad te geven: doch de gedachte weerhield hem, dat Van Espenblad hem met opzet wilde aanzetten om zich onvoorzichtig uit te laten, en hem dit later doen opbreken. Hij vergenoegde zich dus met op de lippen te bijten en te zeggen: „Zijt verzekerd, Mijne Heeren! dat, zee ’t van mij afhing, het morgen vrede zou wezen.”

„En waarom zou men ook langer oorlog hebben?” zeide Gourville: „het is zee genoeglijk in eensgezindheid en rust te leven, zonder ooit van geruchten en belegeringen te hooren:   –  en dan, hoe lastig wordt het, als alle middelen van gemeenschap met het buitenland ophouden en men zelfs voer zijn geld de spijzen en dranken, waar men op gesteld is, niet kan bekomen.”

„Nu vraag ik u, Mijnheeren!” zeide Van Espenblad: „of de Heer De Gourville de zaak niet te zwart inziet? en of hij wel over afsluitingen van gemeenschap spreken mag aan een tafel, die, in spijt dat wij oorlog hebben te land en ter zee, Zee keurig van alles voorzien is.   –  Moest niet veeleer die disch ons doen vergeten, dat er zee iets als oorlog en politiek bestaat, en ons luide toeroepen: „denkt niet om wat buiten is, maar geniet, wat voor de hand ligt.”

„Recht zoo,” zeide Gourville: „dat is de wijsbegeerte van Epicurus, en zij meet ook de onze zijn. Een vollen roemer tot straf veer al, wie weder een dier beide onaangename onderwerpen aanroert.”

„Aangenomen!” riepen de gasten, juichende.

„Aangenomen!” herhaalde Van Espenblad: „onder eene voor waarde.”

„En welke?” vroeg Gourville.

Dat de roemer met water gevuld zij; anders zou de straf te zoet zijn, en men zou met opzet zondigen om die te mogen ondergaan. Gij kent mijn landgenooten nog niet, Mijnheer De Gourville: en gij hebt onze hokalen nog niet gezien, die een paar fiesschen inhouden en die dan nog het opschrift voeren: vivitur parvo bene of natura paucis contenta.”

„Het zij zoo,” hernam Gourville: „de overtreder zal water drinken    –  en, om u te toonen, dat het mij ernst is een vroolijker onderwerp aan te roeren, zoo zal ik den Heer Markies vragen, hoe hij over de Haagsche dames denkt?”

„Op mijn woord,” antwoordde Montpouillan: „ik heb nog maar weinig gelegenheid gehad er over te oordeelen; want men ziet die zoo zelden, en wanneer men nog in de zoete hoop is, van er den avond mee door te brengen, dan trekken zij reeds te acht uren af en laten ons, Heeren, alleenzitten.”

„Ja! daar heb ik ook al over geklaagd,” hervatte Gourville: „’s lands wijs ’s lands eer, zegt men wel; maar ik houd het hij de Parijsche en Brusselsche manier, waar de dames aan ’t spel deelnemen en ons haar aangenaam gezelschap tot het einde blijven schenken.   –  Maar dat daargelaten: welke is u best bevallen van al de Hollandsche schoonen, die gij tot nog toe gezien hebt?”

„Dat is een vrij onbescheiden vraag,” merkte Van Espenblad, lachende, aan: „moet de Heer Markies aldus zijn hartsgeheimen blootleggen?”

„Mijn hart is in den vreemde altijd met driedubbel ijzer voorzien,” zeide Montpouillan: „en ik durf de vraag van onzen gastheer beantwoorden, zonder dat een trek op mijn gelaat veranderen zal. De schoonste en geestrijkste van degenen, met wie ik mij in gezelschap heb bevonden, is, in mijn oog, de dochter van den Graaf van Nassau, die ik bij den Heer d’Estrades heb ontmoet.”

„Mademoiselle Van Beverweert!” riep Van Espenblad uit: „nu, op mijn woord, de Heer Markies toont geen kwaden smaak.”

„Ik heb haar in Engeland ontmoet,” zeide Gourville: „toen haar vader Ambassadeur van H. Hoog-Mogenden was: eene schoone blonde voorwaar: het is gelukkig, Heer Markies! dat gij er niet op verliefd zijt geraakt: want zij is, althans zij was toen, verloofd met den Heer Bennet, die later Graaf van Arlington werd.   –   En hoe gaat het toch met hun vrijage, sedert dien verbruiden oorlog?”

„Een glas water voor onzen gastheer!” riep van Espenblad.

„Gij hebt gelijk,” zeide deze, den hem ingeschonken roemer zonder tegenspraak ledigende: „ik meen, hoe draagt zij de scheiding, welke de omstandigheden noodzakelijk gemaakt hebben tusschen haar en haar lief?”

„Ja!” antwoordde Kievit: „zij verwenscht, geloof ik, den oo…… de omstandigheden; maar wat zal zij doen? De arme maagd moet wel geduld hebben.”

„Zoo is dan het huwelijk toch niet afgeraakt ten gevolge van…… die omstandigheden?” vroeg Gourville wederom.

„Gewis niet,” antwoordde Kievit: „er is tusschen hen nog geen vredebreuk ontstaan, zooverre ik weet.”

„Een glas water voor Mijnheer Kievit!” schreeuwde Van Espenblad.

„Gij hebt voor den drommel gelijk ook,” zeide deze, zich aan de straf onderwerpende: „maar bedenkt gij wel, dat een gesprek over vrijerijen moeilijk kan aangehouden worden, zonder dat men gevaar loopt de verboden woorden te bezigen? Immers, wat zegt de dichter:

Militat omnis amans et habet sua castra Cupido.”

„Gij verdiendet voor uw Latijn een gansche waterflesch leeg te drinken,” zeide Van Espenblad: „ofschoon ik beken, dat de Heer Markies, door Mademoiselle Van Beverweert te noemen, ons allen op glad terrein heeft gebracht. Ik geloof intusschen, mij aan geen overtreding der door ons ingestelde bepaling schuldig te maken, wanneer ik zeg, dat ik haar thans dubbel misgun aan dien vreemdeling.”

„Ik meende, dat hij vroeger uw vriend was,” merkte Kievit aan, niet zonder eenige scherpheid in zijn toon.

„Mijn vriend?” herhaalde Van Espenblad: „ja, indien ik allen, met wie ik in mijn leven den bal geslagen of een kaartje gelegd heb, mijn vrienden moet noemen, dan zeker moet ik er hem ook onder rekenen. Ik behoor in allen gevalle niet tot de zoodanigen, die, ook nu nog, hun beste vrienden over zee hebben.”

„Indien dit een personeele toespeling is,” zeide Kievit, bleek wordende van gramschap, „dan zal ik……

„Dan zult gij u rechtvaardigen, daar ben ik zeker van” zeide Van Espenblad, bedaard een snuifje nemende: „maar dat zult gij niet kunnen doen, zonder een onnoemelijk getal bekers vol water te moeten inslobberen: en dewijl ik onderstel, dat gij daar geen vriend van zijt, zoo moet ik u raden, het onderwerp maar te laten varen.”

„En,” vervolgde Kievit: „deze Heeren in den waan te laten, dat....”

„Dat gij vrienden in Engeland hebt?” hernam Van Espenblad: „welnu! voor wie zou dat wat nieuws zijn? en welk kwaad steekt daar op zich zelf in, zoolang gij niet begeert, dat die vrienden hier den baas spelen? en dat is, gelijk ik mij overtuigd houde, verre van uwe meening.”

Kievit scheen mede te begrijpen, dat het geene zaak was, het onderwerp verder aan te roeren; althans hij zweeg, en vergenoegde zich met herhaaldelijk eenige glazen wijn te drinken en aan Van Espenblad nu en dan grimnmige blikken toe te werpen, waaraan deze zich niet stoorde. Gourville had ondertusschen, als een wijze en beleefde gastheer, het gesprek weder op een min gevaarlijk en meer aangenaam onderwerp weten te brengen, door uit te wijden over de bevalligheid van de Markiezin Van Meslin, dochter van den Spaanschen Gezant Don Estevan De Gamarra, en eene der meest gevierde schoonheden van Den Haag. Hieruit kwam van zelf een vergelijking ter sprake tusschen de vrouwen van het Zuiden en van het Noorden, en de eigenaardige bekoorlijkheden, die men bij dezen zoowel als bij genen aantreft: en er volgde, gelijk gewoonlijk, een aantal vertellingen en aardigheden, welke ik hier niet zal opnemen, al ware het om geen andere reden, dan dat ik ze liever bewaar om bij een soortgelijke gelegenheid, als waar ze toen opgedischt werden, zelf te pas te brengen. Daar de wijn bij de gasten van Gourville zijn gewone uitwerking begon te doen, en hetgeen in zoodanig geval gezegd wordt, ook al wordt er hartelijk om gelachen door de toeschouwers, doorgaans minder in den smaak valt van den lezer, die in een geheel andere stemming verkeert, zoo wil ik hier alleen nog zeggen, dat de maaltijd, op eenige gebroken glazen en borden na, zonder rampen afliep, en de gasten op een vrij laat uur, de een wat meer, de ander wat minder in een rechte lijn, „De Oude Zwaan” verlieten.


[Jacob van Lennep pagina] – [10e hoofdstuk] – [12e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.