MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

TWAALFDE HOOFDSTUK.

BUAT ONTVANGT ONVERWACHTE BEZOEKEN.


Den volgenden namiddag begaf Buat, volgens de gemaakte afspraak, zich weder naar het kabinet van den Raadpensionaris, bij wien hij weder onmiddellijk werd toegelaten.

„Mijnheer Buat!” zeide De Witt, zoodra de Ritmeester gezeten was: „ik heb meenen op te merken, dat gij niet dan schoorvoetende er toe overgegaan zijt, om u te leenen tot de taak, welke u door den Heer Van Espenblad is opgedragen.”

„Ik beken,” antwoordde Buat, „dat het denkbeeld mij stuitte om, wat mij door Sylvius, of wie ook, geschreven werd, aan u of anderen mede te deelen, en alzoo misbruik te maken van het in mij gestelde vertrouwen.”

„Juist zoo!” hernam De Witt: „dit kwetste uw eergevoel, en ook mij hindert het, langs slinksche wegen iets te mogen vernemen, al is het ook nuttig voor den Staat. Welnu! voor het vervolg zult gij, zoo ten opzichte van uw Engelsche correspondenten, als tegenover mij, met open kaarten kunnen spelen.”

„Hoe verstaat UEd. dat?” vroeg Buat, verwonderd.

„Zeer eenvoudig,” antwoordde De Witt: „ik zal u mijn meening duidelijk maken. Deze brieven zijn blijkbaar geschreven met het doel om mij vertoond te worden.”

Hier kleurde Buat.

„Welnu,” vervolgde De Witt, schijnbaar zonder zulks op te merken: „gij kunt gerust aan uw vrienden in Engeland berichten, dat gij die hebt vertoond, en hun tevens uit mijnen naam antwoord geven.”

„Inderdaad!” zeide Buat, wien deze woorden van De Witt een pak van ’t hart namen.

„Ja, Mijnheer!” hernam De Witt: „gij ziet, dat gij, als de zaak op die wijze behandeld wordt, geen verraad behoeft te plegen tegen hen, die vertrouwen in u stellen: ’t zij die persoon Sylvius heete of De Witt.”

Buat kleurde nog sterker dan te voren.

„Kunt gij,” vervolgde De Witt, altijd zonder in schijn acht te geven op den indruk, dien Zijne woorden maakten: kunt gij nu goed onthouden, wat ik u zal opgeven om te antwoorden?”

„Ik zal er althans mijn best toe doen,” antwoordde Buat, nog geheel van zijn stuk gebracht door de veranderde stelling, waarin hij zich op eenmaal geplaatst zag.

„In allen gevalle.” hernam De Witt: „hier is papier genoeg, en gij hebt volle vrijheid om op te teekenen, wat gij vreest te vergeten. Gij moogt dan aan Sylvius of aan zijn Lordschap melden, dat de opgegeven punten mij dubbelzinnig en duister voorkomen, en ook, voor zooverre ik die heb meenen te begrijpen, onredelijk.   –   Maar gij schijnt mij toe niet veel te luisteren naar hetgeen ik zeg.”

„Ik luister,” zeide Buat: „maar ik ben nog te zeer verrast door de heusche wijze, waarop UEd. al het onkiesche van de rol, die ik te spelen had, heeft willen wegnemen, en ik ben er u dankbaar voor.”

„Ik geloof u,” zeide De Witt; „en ik geloof ook, dat gij er naar zult handelen. Maar ik bid u, luister deze reis beter toe; want ik heb geen tijd genoeg te verliezen, dat ik mij zou mogen veroorloven, tweemalen hetzelfde te zeggen:” en meteen herhaalde hij nogmaals het te geven antwoord.

„Dat valt niet te zwaar om te onthouden,” zeide Buat: „wat verder?”

„Verder niets,” antwoordde de Raadpensionaris: „immers voor zooverre mijn antwoord aan die Heeren betreft.”

„Hoe!” riep Buat: „is dit dan alles, wat ik hun kan melden? Dat zal voorwaar de onderhandelingen niet veel vooruitbrengen.”

„Geduld,” hernam De Witt: „ ik heb u wel gezegd, dat ik, wat mij betreft, niets meer op die brieven heb te antwoorden; maar daaruit volgt nog niet, dat ik u niets meer zou te zeggen hebben, waarmede gij, desverkiezende, uw nut kunt doen.”

„Ik luister,” zeide Buat.

„Ik onderstel,” hernam De Witt, „dat het den Koning van Groot-Brittannië ernst is, den vrede met dezen Staat te sluiten:   –   in dat geval, dient zijne Majesteit de zaak zoodanig aan te leggen en te doen aanleggen, dat men omtrent twee punten gerust zij: namelijk ten eerste, dat er geen toeleg besta om aan de Gemeente alhier den indruk te geven, dat het de Koning is, die den vrede begeert, en dat het de Regenten en Ministers van dezen Staat zijn, die hem van de hand wijzen;    –  en ten andere, dat die voorslagen van vrede geen gezochte vonden zijn, alleen strekkende om mistrouwen bij onze Bondgenooten te verwekken, en daardoor scheiding te veroorzaken.”

„Begeert UEd. dat ik dit naar Engeland schrijve?” vroeg Buat.

„Daarover nader,” antwoordde De Witt: „eerst wil ik u mededeelen, wat er verricht en wat nagelaten zou kunnen worden, om te vermijden dat de kwade indrukken ontstaan, waarvan ik zooeven gewaagde. Gij zelf, in de eerste plaats, kunt daartoe veel bijbrengen.”

„Ik!” riep Buat eenigszins verwonderd uit.

„Gij,” hernam De Witt: „wanneer gij op vroolijke festijnen en maaltijden, in tegenwoordigheid van lieden van alle kleur en denkwijze, met luider stemme verkondigt, dat de Koning van Engeland waarlijk vrede begeert, en dat Haar HoogMogenden die kunnen hebben, wanneer het Haar gelieft, moeten de onkundigen of onnadenkenden onder uwe toehoorders dan niet de gevolgtrekking daaruit opmaken, dat wij het zijn, die hardnekkig het sluiten van dien vrede tegengaan?”

„Ik heb, voor zooverre ik weet, niets van dien aard te kennen gegeven,” zeide Buat, eenigszins verwonderd over de beschuldiging.

„Gij zijt gisteravond bij den Heer De Gourville te gast geweest, nietwaar?” vroeg De Witt.

„Zoo ben ik,” antwoordde Buat, wien op eenmaal een licht opging; „maar men heeft de uitdrukkingen, die ik aldaar gebezigd heb, verdraaid, indien men er den zin aan heeft gegeven, waarin zij thans door u worden voorgesteld; en ik zou niet veel moeite hebben om te raden, wie de vriendelijke verslaggever geweest is, die u zoo nauwkeurig heeft ingelicht.”

„Het kan gebeuren,” hernam De Witt, „dat op dergelijke vroolijke maaltijden, en wanneer de zinnen door den wijn eenigszins beneveld worden, men niet zeer duidelijk verstaat en daardoor min juist overbrengt, wat gezegd is.”

„Ziedaar de beste verschooning, die ik voor den overbrenger weet,” zeide Buat, op een koelen toon.

„Maar het kan evenzeer gebeuren,” vervolgde De Witt, „dat men, onder dien invloed van het Bacchusnat, niet recht weet wat men zegt en het zich naderhand niet meer herinneren kan   –  en daarom heb ik mij ook steeds, wanneer ik er door mijn ambt niet geroepen werd, van dergelijke maaltijden onthouden.”

„Maar ik weet zeer goed, wat ik gezegd heb,” hernam Buat: ,en......”

„Het zij daarmee gelijk het wil,” viel De Witt in: „ik wil aannemen, dat gij niets gezegd hebt, dan wat gij kunt verantwoorden: ik heb u dus alleen voorzichtigheid aan te raden voor ’t vervolg.   –  Maar ik ga voort. Wil Koning Karel toonen, dat hij den vrede werkelijk begeert, dan zal hij wèl handelen met de openingen, daartoe strekkende, niet alleen aan de Regeering hier te lande, of aan hare Ministers te laten doen, maar met ons tevens te verzoeken, die terstond mede te deelen aan Frankrijk.    –  Ziedaar wat gij, des verkiezende, Lord Arlington kunt berichten.”

„Ik zal niet in gebreke blijven, zulks te doen,” zeide Buat: „maar ik vrees dat het doel, dat wij ons voorstellen, een gewenschten vrede, op die wijze niet verkregen wordt.”

„Men weet in Engeland genoeg, dat onze Staat dien verlangt,” zeide De Witt, „doch daartoe niet zal overgaan, dan op de voorwaarden, zoo bij monde als bij geschrifte, door den Heer Ambassadeur Van Gogh aan de Engelsche Regeering medegedeeld. Van deze zijde kan Koning Karel niets naders verwachten, voor en aleer hij zich mede van zijne zijde klaar, duidelijk en redelijk op die voorwaarden verklaard hebbe.”

„En kan ik mededeeling van die voorwaarden bekomen?” vroeg Buat.

„Van Santen!” riep De Witt.

De klerk verscheen.

„Maak dadeljk een afschrift van den brief, door Haar HoogMogenden aan den Heer Van Gogh onder dagteekening van 11 December j.l. geschreven. Gij zult,” vervolgde hij tegen Buat, toen de klerk vertrokken was, „de bedoelde voorwaarden daarin omstandig vermeld vinden.”

„En is er sedert dien tijd niets voorgevallen, dat daarin eenige wijziging zou kunnen brengen?” vroeg Buat.

„Niets,” antwoordde De Witt: „dan alleen, dat het in December een oneenigheid gold tusschen Groot-Brittannië en dezen Staat, die dus met onderling goedvinden geschikt kon worden, en nu daarentegen, vermits sedert dien tijd ook de Koning van Frankrijk met Engeland gebroken heeft, Haar Hoog-Mogenden niet zullen handelen dan met onderlinge samenstemming, en niet sluiten, dan volgens het verdrag, met gezegden Koning aangegaan.”

„Het ware, dunkt mij, van belang,” zeide Buat, die zich, sedert de mededeelingen, hem door De Witt gedaan, al meer en meer een gewichtig personage begon te voelen: „dat ik, hetgeen mij door UEd. daar gezegd wordt, op schrift had, ten einde er geen twijfel kon ontstaan, of het wel uw eigen meening is, die ik overbreng.”

„Zoo gij wilt, zal ik het op de kopie van den brief zetten,” antwoordde De Witt. „Maar wacht, ik heb u nog niet gezegd, op welke gronden Haar Hoog-Mogenden moeilijk zullen kunnen treden in het toekennen van een schadeloosstelling, gelijk die door Engeland gevorderd wordt. Wilt gij die gronden opteekenen, dan zal ik die uiteenzetten.”

Buat nam zwijgend pen en papier en schreef op wat De Witt hem voorzeide. Daar deze zich hierbij in een vrij omstandige beschouwing van hetgeen de Staat wederkeerig op Engeland te vorderen zou hebben, en te dien opzichten in bijzonderheden trad, waarvan de vermelding minder belangrijk zijn zou voor den lezer, in wiens oogen dit verhaal wellicht reeds te veel naar een verslag van politieke onderhandelingen begint te zweemen, zal ik mij bepalen met te zeggen, dat ten tijde, dat de Raadpensionaris aan ’t slot zijner redeneering was gekomen, hem Van Santen het afschrift kwam brengen van den brief aan Van Gogh, op den rand van welk stuk De Witt alsnu de beloofde aanteekening maakte.

„Ziehier,” zeide hij, „wat gij verlangdet: gij zult thans zijn toegerust met de noodige bouwstoffen om naar Engeland te schrijven:   –  en hier,” vervolgde hij, terwijl hij hem, tevens met het afschrift, een dichtgevouwen papier overhandigde: „is het verzochte vrjgeleide voor den Heer Sylvius. Vaarwel, Mijnheer Buat! ik beveel u nogmaals voorzichtigheid aan.”

Buat stak de bescheiden bij zich, groette den Raadpensionares en begaf zich weder naar huis, zeer tevreden over De Witt, doch al meer en meer gramstorig op Van Espenblad, aan wien hij de scheeve voorstelling weet van het gebeurde op de avondpartij bij Gourville, en wien hij al meer en meer hij zich zelven beschuldigde, hem, zelfs buiten weten van De Witt, in een strik te hebben willen doen vallen. Al nadenkende over de wijze, waarop hij van dien Heer een verklaring zou afvorderen, kwam hij aan zijn woning en vond hij aldaar op de stoep den visscher staan, die hem de brieven van Sylvius gebracht had.

„Reeds daar?” vroeg Buat: „het pakje, dat ik zou medegeven, is nog niet gereed.”

„Dat ’s minder,” antwoordde de visscher: „ik kwam alleen maer hooren, of Menheir het vrijgeleide ’ekregen heit.”

„Het vrijgeleide!” herhaalde Buat verbaasd: „weet gij daar ook al van af?”

De visscher knikte toestemmend.

„Nu, ja!” antwoordde Buat: „en gij kunt het van avond met de brieven komen halen.”

„Dat ’s wa’k weten wou,” antwoordde de zeebonk, en, op de hielen draaiende, verwijderde hij zich met een haastigen stap, terwijl Buat zijn woning binnentrad. Dan, niet weinig verwonderd was hij, toen, reeds aan de voordeur, zijn vrouw hem tegenkwam.

„Nu raadt gij nooit, Henry!” zeide zij, „wie wij te gast hebben gekregen.”

„Hoe wil ik het raden?” vroeg hij, de schouders ophalende, en eenigszins verdrietig, dat hij zijn vrouw niet alleen vond, nu hij belangrijke zaken met haar te verhandelen had.

„Nu!” zeide zij: „kijk maar zoo zuur niet, het zal u meevallen. Gij raadt het niet? wel! ik zal ’t u maar zeggen: moei Anna is in de stad gekomen en blijft een dag of wat bij ons.”

„Mevrouw Van Wernhout!” riep Buat, terwijl zijn gelaat op eens een vroolijke uitdrukking aannam: „Nu! die is altijd van harte welkom!” En zonder verwijl trad hij naar achteren, waar hij de tante zijner vrouw, met zijn kind op den schoot, gezeten vond.

„Wel, dat is een ware verrassing, en daar doet gij braaf aan, Tante-lief! dat gij ons bezoeken komt,” riep hij haar onder ’t binnentreden toe, en, terstond op haar afgesneld, kuste hij haar dat het klapte.

En inderdaad, Anna Cats, des Raadpensionarissen oudste dochter en weduwe van Cornelis Van Aarssen, Heer van Wernhout en Drossaard van Breda, verdiende op zulk een hartelijke wijze door haar neef en nicht ontvangen te worden. Ofschoon verre van eenige aanspraak op schoonheid te kunnen maken, en eerder tot die soort van vrouwen behoorende, welke men gewoon is met den weinig vereerenden naam van: „dikke schommels,” te bestempelen, had zij iets zoo welwillends en gulhartigs in haar voorkomen, lag er zulk een uitdrukking van tevredenheid en kalmte over haar gelaat verspreid, dat al, wie haar voor ’t eerst zag, niet nalaten kon, van terstond een goeden dunk van haar op te vatten: maar bovendien was zij een van die zeldzame menschen, die winnen in de schatting van wie hen van nabij leert kennen. Want alleen door haar dagelijks en van nabij te zien, kon men oordeelen, hoevele schatten van liefde, van goedheid, van gezond verstand, van godvruchtigheid, van edele gevoelens, haar hart in zich besloot; hoe zij, onder voorspoed altijd nederig, in tegenspoed gelaten en onderworpen, het echte beeld was dier oude Hollandsche huismoeders, gevormd door de lezing van den Bijbel en van de schriften des echt Hollandschen dichters. Mocht haar zuster Musch, die een zoo geheel van het hare verschillend karakter bezat, al meer achting en genegenheid dan sympathie voor haar gevoelen, hare nicht Buat, ofschoon mede meer naar hare moeder aardende, had echter van kindsbeen af Moei Aarssen leeren liefhebben, van wie zij zoovele blijken van liefde ontvangen had: en Buat, niettegenstaande hij haar op lateren leeftijd had leeren kennen, in weerwil dat hij een hoveling en krijgsman was en zij doodeenvoudig in handel en wandel, had echter gezond oordeel genoeg, om haar op prijs te stellen, gelijk men iets op prijs stelt, dat niet alledaagsch, dat origineel, en dat daarbij zeer goed is.

„Ja, lieve Neef!” antwoordde Mevrouw Aarssen, na de groete van Buat te hebben beantwoord: „ik moest toch uw kleine ook eens komen zien, en ik heb de gelegenheid te baat genomen, nu de winter althans voor ’t oogenblik geweken is, en de wateren weer open zijn, om mijn stil buitenverblijf te verlaten en eens hier naar toe te komen.”

„En hebt gij geene uwer dochters medegebracht?” vroeg Buat.

„Neen!” antwoordde Mevrouw Aarssen: „Betje moet op het huis passen: Jannetje en Marie kunnen van haar kinderen zoomin scheiden als Amarante van haar lief; en Anna gevoelde zich wat onpasselijk.   –  Maar laat mij u nu gelukwenschen met uwe spruit. God geve dat gij beiden veel vreugde van de kleine beleven moogt, en dat zij in Zijne vrees moog opgroeien!   –  Deze heet nu naar uw moeder, nietwaar, Betje? -Wel! voor de volgende beveel ik mij als meter aan. Ik vlei mij dat ik er intijds hij ben.”

Wel lieve Moei! Waar denkt gij aan?” vroeg Elizabeth, terwijl zij rood werd: „mij dunkt, eene is al wel.”

„Eene!” herhaalde Mevrouw Aarssen: „neen! neen! uw grootvader sprak in ’t meervoud, toen hij zeide:

Wie geen lieve kinders heeft
Weet voorwaar niet, dat by leeft.”

„Ja Moei!” hervatte Elizabeth: „maar op een andere plaats zegt hij toch ook:

Kleine kinders, noyt verlost,
Groote kindërs, groote kost.

Waar zouden wij ze van onderhouden, als ik u vragen mag?” Zoo!” zeide Mevrouw Aarssen: „hebt gij dat waarlijk nog onthouden? Ik dacht niet, dat gij nog zoogoed in uws groot-vaders werken thuis waart. Maar toch moest gij juist die regels niet aanhalen en liever denken:

Wort u menich kint geboren,
Daerom is het dat men trout:
Sonder dat is ’t land verloren.

Ik heb er ook negen gehad, en ik heb hen toch allen zien opgroeien.

„Nu,” zeide Buat, lachende: „wij zullen zien wat het geeft;    –  maar, zoo ik mij wel herinner, is er ergens in de werken van wijlen den Heer Cats zeker prentje te vinden van iemand, die geen brj genoeg heeft om alle monden te stoppen.”

„Ei wat,” hernam Mevrouw Aarssen:

„Geef aen uw kinders koeck, maer houdt de panne vast;

 zoo hebt gij altijd wat overig voor degenen, die nog komen kunnen. En dan, mij dunkt, gij hebt niet te klagen, Neef! Gij zijt toch nog in de kracht van uw jaren, en van vooruitzichten niet verstoken.   –  Gij schudt het hoofd?    –  ja, ik vat al wat gij zeggen wilt: gij meent, dat er geen bevordering voor u opzit, omdat gij te veel Prinsgezind zijt. Maar wat doet gij u dan ook met staatkunde te bemoeien? Laat dat aan de lieden van ’t vak over: betracht uw plicht als Edelman van ’s Prinsenkamer en Ritmeester, en niemand zal er aan denken, u een stroo in den weg te leggen.”

„Maar lieve Moei!” zeide Elizabeth: „Gij moet toch begrijpen, dat Buat, van zijn jeugd af verknocht aan ’s Prinsen vader en aan hem, niet werkeloos kan aanzien, dat men op alle wijze Z. Hoogheids bevordering tegenhoudt, en. ...

„Gij ook al!” viel haar tante haar in de rede, met een bedenkelijk hoofdschudden: „Zie! bij uw kind, aan de wasch, in de strjkkamer, bij de provisiön, of in den kelder, daar is uw plaats, Betje!   –  en zoo gij u daar meer uitsluitend bevondt, zoudt gij uw man het hoofd niet warm maken met al die politieke nesterj en.

Vernought u met uw huis; ghy vindt in u bedrijf
Meer als je dragen kunt ook met u bede lijf.

Ja! gij zult misschien wel denken: „ware Moei Aarssen maar thuis gebleven met haar ongevraagde lessen ;” maar ik moet het zeggen zooals ’t mij op ’t harte ligt:

wy zijn ront en daertoe goet;
Dat ’s van outs een Zeeuwsch gemoet,

heeft ergens mijn vader gezegd.”

„Gij weet wel, dat wij alles van u hooren willen,” zeide Elizabeth, haar omhelzende: „maar gij moet Buat noch mij in dezen niet te hard vallen. Noch hij noch ik hebben het gezocht; het toeval heeft ons er als van zelve toe gebracht, een politieke rol te vervullen.”

„Dus is het toch, gelijk ik vreesde,” hervatte Mevrouw Aarssen: „ja, ik bemerkte wel, uit hetgeen uw moeder zeide, toen ik van middag bij haar afstapte, dat er wat gaande was. Zij scheen niet veel tijd te hebben en moest hier naar toe en daar naar toe; want er waren, voor zooveel ik uit haar verstond, groote zaken op ’t tapijt, waar gij ook in betrokken waart. Nu, uw moeder is altijd een vrouw geweest van veel meer verstand en wereldkennis dan ik; en ik bid God, dat zij u ten goede leide: anders, ik zou allicht in den wil geraken om tot u te zeggen:

Waerom wil je boven drijven,
Jonge bliecken, kleyne visch?
Gij moet liever onder blijven,
Daar uw eygen woningb is.”

 „Veroorloof mij, lieve Tante!” zeide Buat, voor zijn vrouw, die hij zag dat wat zuinig keek, het woord opvattende: „u hier nu eens te antwoorden met de woorden van een hedendaagschen fabelschrjver, die in Frankrijk een roem begint te verwerven, omtrent geljkstaande met dien, welken uw vader zaliger hier te lande verkregen heeft.   –  Hij zegt ergens:

Petit poisson deviendra grand:

En zoo is het mij ook gegaan: ik was voor weinige dagen nog een onbeduidend vischje; maar nu ben ik een visch geworden.”

„Wacht u dan, dat gij niet in ’t net geraakt,” hernam Mevrouw Aarssen! „waar de kleinen door de mazen kruipen, worden de grooten gevangen.”

„Of zij nemen het heele net mee,” zeide Buat lachende: „maar zooveel is zeker, dat ik gisteren nog maar weinig had in te brengen, en mij heden kan beschouwen als zaakgelastigde van den Heer De Witt, gemachtigd om over den vrede te handelen.”

Beide de vrouwen zagen Buat met verwondering aan en tevens met eenige bezorgdheid: Mevrouw Aarssen, omdat zij zich weinig goeds voor hem van een politieke loopbaan beloofde; Elizabeth, omdat zij in den toon van haar echtgenoot een zekere tevredenheid meende op te merken, welke haar, als warme Prinsgezinde, vreemd voorkwam, indien werkelijk De Witt hem een officiëele zending had opgedragen.

„Het is zoo,” vervolgde Buat, tegen zijn vrouw: „ik mag mij overal weer met opgeheven hoofde vertoonen: de Heer De Witt heeft mij bewijs gegeven, dat hij mij niet gebruiken wil als een verspieder, maar als een eerlijk man: en ik zal voortaan, uit zijnen naam, met Lord Arlington briefwisseling voeren.”

„Hoe!” zeide Mevrouw Aarssen: „kiest de Heer De Witt u tot zijn tusschenman? u!   –  Neem het mij niet kwalijk, Neef! ik wantrouw uw geschiktheid om voor onderhandelaar te spelen geheel niet: en dat zou mij ook slecht passen, als de Heer De Witt u dien post opdraagt, maar ik dacht: aan de eene zijde, dat gij als te veel Prinsgezind bekend stondt, dan dat zijn aandacht op u zou vallen: en vergeef mij    –  ik dacht, aan de andere zijde, dat gij te veel Prinsgezind waart, om u door hem te laten gebruiken.”

„Ja, lieve Moei!” zeide Elizabeth: „hoe dat alles zich heeft toegedragen, zal ik u wel eens nader vertellen: maar ik betuig u evenmin als gij te begrijpen, waarover Henry zoo verheugd is:” en meteen zag zij haar man eenigszins verwijtend aan.

„Moet het mij niet verheugen,” vroeg deze, „de overtuiging te hebben bekomen, dat een man als de Raadpensionaris, in stede van mij te verachten, gelijk ik vreesde dat hij deed, mij zijn achting en vertrouwen bewijst, ja schier vaderljk met mij omgaat?”

„Een mooie vader!” zeide Elizabeth, de schouders ophalende: „hij mag een jaar of drie ouder wezen dan gij, stellig niet meer.”

„Maar, verachten, zeidet gij!” hernam Mevrouw Aarssen; „waardoor zoudt gij zijn verachting hebben kunnen verdienen?”

„Ik zeide alleen, te vreezen, dat hij omtrent mij geen gunstige gevoelens koesterde,” antwoordde Buat, een weinig kleurende, en ongaarne de juiste toedracht der zaak aan zijn tante willende openleggen: „maar dat is nu anders gebleken. Ik wil dan ook geen misbruik meer maken van het vertrouwen, dat hij in mij stelt,” vervolgde hij, zich meer bepaald tot zijn vrouw wendende: „uw moeder en haar vrienden mogen huizenhoog schreeuwen, ik zal mij vergenoegen met de onderhandeling tusschen den Heer De Witt en de Britsche Regeering te blijven voeren, en mij er niet langer mede inlaten om de zelfzucht van bijzondere personen te dienen.”

„Uitmuntend!” riep op bitteren toon Elizabeth, terwijl Mevrouw Aarssen eerst goedkeurend knikte en toen weder bedenkelijk met het hoofd schudde, in afwachting van wat er volgen zou: „zijt gij het die spreekt, Henry?   –  O! wat Mr. Jan er zich op verstaat, de lieden schoon in te pakken. En zoo zullen dan de belangen van den Prins geheel vergeten, neen, tegengewerkt worden om den wille van den nieuwen Heilige, dien gij vereert?”

„Dat verwijt verdien ik niet, Betje!” zeide Buat: „de Prins, ik heb het uit zijn eigen mond, begeert den vrede: en dien wil de Raadpensionaris ook, mits op redelijke voorwaarden.”

„Gij moogt ze redelijk noemen,” hernam Elizabeth: „maar, wat mij betreft, al ken ik ze niet, ik wil honderd tegen één verwedden, dat zij aan een weigering tot schikking geljkstaan.”

„Daarover zult gij kunnen oordeelen, wanneer gij ze gezien hebt,” zeide Buat, de medegebrachte papieren voor den dag halende en op de tafel rangschikkende: „maar dit zeg ik u, dat de Heer De Witt ten minste weet, wat hij wil, en uw vrienden niet: immers, zij zijn het met elkander oneens.”

„Helaas!” zeide Mevrouw Aarssen, halfluid, en als in zich zelve: „’t zal ook met hen allen wel zijn:

En of al dees of gheen wat plomper ga te werck,
Sy hebben al te gaer het eyghen ooghemerck.”

„Ik geloof met u,” zeide Elizabeth, terwijl zij de papieren opende, „dat Mr. Jan weet wat hij wil:   –  alleen meester zijn en ons arm Prinsje buiten de zaken houden. En daar zoudt gij uw bijstand toe leenen, Henry?    –  Maar daarover nader. Zien wij eerst, wat hij u heeft opgedragen: immers, zoo Moei Aarssen hier zag zij deze met een verlegen blik aan.

„Gaat uw gang, kinderen!” zeide de goede vrouw: „en doet volkomen of ik er niet ware: wel spijt het mij, dat ik hier juist zoo inval, nu gij met zulke hooge belangen bezig zijt; maar dat heb ik aan mij zelve te wijten, daar ik vooraf niet liet vragen of ik u gelegen kwam.”

„Gij moet ons al heel onbeleefd vinden, Tante-lief!” vervolgde Buat: „maar ’t ongeluk wil, dat hedenavond reeds de vischboer komt, die onze brieven moet medenemen doch dan zijn wij ook voor het overige van den avond geheel ter uwer beschikking.”

„Ik herhaal het,” zeide Mevrouw Aarssen: „gaat gerust uw gang, tenzij gij bevreesd zijt, dat ik uw geheimen zal verklappen; maar ik beloof u anders, dat ik er niet naar luisteren zal. Ik weet te goed:

Geen oog in yemants anders brief.

Ik zal intusschen uw kind wel zoet houden.... zoolang het althans niet vraagt naar hetgeen Betje haar alleen kan geven.”

Door de vriendelijke woorden van Mevrouw Aarssen eenigszins meer op hun gemak gebracht, zetteden de echtgenooten zich aan ’t lezen, herlëzen en commentariëeren der medegebrachte stukken, waarna de beraadslaging volgde over hetgeen men naar Engeland schrijven zou. Buat wilde zich bepalen bij het overbrengen van het antwoord, door De Witt gegeven, en alle verdere mededeelingen uitstellen, totdat die mondeling aan Sylvius zouden kunnen gedaan worden; zijn vrouw daarentegen had wel gewenscht, als hij aan Arlington schreef, vooral aan te dringen op de bevordering van den Prins, als voorwaarde van den vrede; doch zij dorst in de tegenwoordigheid van Tante niet al te stijf op haar stuk blijven: en zoo gaf zij, spoediger dan zij anders gedaan zou hebben, toe, dat het in allen gevalle zaak was, de bouwstoffen, door De Witt verstrekt, in behoorlijke orde te rangschikken en in een brief op te nemen. Zij zetteden zich nu aan deze taak, die hun meer tijds wegnam, dan zij bij den aanvang gedacht hadden, zoodat de avond reeds een goed eind gevorderd was, eer zij den brief behoorlijk opgesteld en in ’t Fransch vertaald hadden: bij welke laatste bezigheid zij goeden dienst hadden van Mevrouw Aarssen, die hen niet zelden terecht hielp, wanneer het er op aankwam, de kracht van een woord of uitdrukking goed terug te geven. Juist was Buat bezig het opstel, dat hem zijn vrouw voorlas, in ’t net te brengen, toen er gebeld werd.

„Dat zal de vischboer zijn,” zeide Buat, „die hooren komt of ik al klaar ben.”

.,Men Heir!” zeide de meid, binnenkomende: „ dair is een man, die van Scheiveningen komt, om Menheir te spreiken”

„Heel goed,” antwoordde Buat: „laat hem maar in de keuken wachten: ik zal hem zoo dadeljk helpen.”

De dienstmaagd ging weder naar voren; en men hoorde het geluid van een zwaren stap in de gang, maar dat, in stede van te verflauwen   –  gelijk geschieden moest ingeval de man naar de keuken afdaalde   –  al meer en meer naderde. Opeens ging de deur weder open en een breede gestalte vertoonde zich aan den ingang.

„Die stomme meid heeft mij verkeerd verstaan,” zeide Buat, en zich naar den man keerende: „Ik had gezegd, dat gij in de keuken zoudt wachten, Vriendschap.”

„Ja, maar mijn boodschap was niet aan de meid, maar aan u beiden,” zeide de man, terwijl hij den zwaren reismantel afwierp, die hem bedekte.

„Sylvius!” riepen Buat en Elizabeth te gelijk, verbaasd en verheugd over de onverwachte verschijning van hun vriend.

„Ik zelf, mijn waardsten,” zeide Sylvius, terwijl hij nadertrad:

„Mevrouw Van Wernhout! ik heb de eer u te groeten; het is lang geleden, dat wij elkander ontmoet hebben.”

„Het is mij altijd aangenaam, den zoon van een oud vriend mijns vaders te zien,” antwoordde Mevrouw Aarssen.

„En nu is mijn eerste vraag,” hernam Sylvius, zich tot Buat wendende: „waar is mijn vrjgeleide?”

„Hier hebt gij het,” antwoordde deze: „maar wie kon denken……?

„Uitmuntend!” zeide Sylvius, het document bij zich stekende: „nu behoef ik ten minste niet als een hoenderdief langs de huizen te sluipen. Voorwaar!” vervolgde hij, zich in den armstoel nedervlijende, dien Buat bij ’t vuur aangeschoven had, en zijn lange beenen op de warme vuurplaat uitstekende; „het is hiçr beter dan in die ellendige visschershut te Scheveningen.”

„Gij zijt dus te gelijk met uw brief gekomen?” vroeg Buat.

„Geljk gij zeer juist raadt,” antwoordde Sylvius: „ik moest hier toch voor mijn eigen zaken wezen, en zoo dacht ik, nadat ik mijn brief reeds den visscher gegeven had, dat ik dezelfde gelegenheid wel kon te baat nemen, om de reis naar Holland te doen, in de hoop dat het gevraagde vrijgeleide mij niet zou geweigerd worden. Zonder dat stuk dorst ik mij echter in Den Haag niet openlijk vertoonen.”

„Neen,” zeide Mevrouw Aarssen: „dat ware niet raadzaam geweest; want, zooals de Dafnis zegt in de Minneklacht:

Hier zeit u de ronde: sta.
Daer de schildwacht: Qui va là?”

„En zoo,” vervolgde Sylvius, „bleef ik te Scheveningen, en zond u hedenmiddag onzen getrouwen Maarten, ten einde te vernemen, of de zaak in orde ware.”

„En zijt gij alleen gekomen?” vroeg Buat.

„En hoe hebt gij het op reis gehad?” vroeg zijn vrouw.

„Veroorloof mij, één voor één uwe vragen te beantwoorden,”’ zeide Sylvius: „Mevrouw doet mij de eer aan, mij te vragen, hoe ik het gehad heb; ik zal haar antwoorden, dat ik het zoogoed gehad heb, als iemand het hebben kan, die drie dagen met stormachtig Februari-weer in de kombòf van een armoedige pink, met koude, nattigheid en zeeziekte ligt te kampen.”

„Ja,” zeide Mevrouw Aarssen:

Zijt ge van een goet verstand,
Eert de zee en blijft te land.”

„Wat mijn gezelschap betreft,” vervolgde Sylvius, zich naar Buat keerende: „ik heb mij met dat van mijn kamerdienaar moeten tevreden stellen.”

„Uw kamerdienaar!” herhaalde Buat: „uw karretje is, dunkt mij, sinds ik u laatst ontmoette, wel op een zandweg geraakt, dat gij er tegenwoordig een kamerdienaar op nahoudt.”

„Wat ik u bidden mag,” zeide Sylvius; „praat van geen zandweg tot een armen dienaar van ’t Huis van Oranje, die de genade van De Witt moet komen afbedelen om een postje te verkrijgen, en alleen een kamerdienaar medeneemt, omdat hij niet anders kan.”

„En waar hebt gij dien man gelaten?” vroeg Buat.

„In „De Oude Zwaan”, antwoordde Sylvius: „waar ik mijn intrek heb genomen.”

„De Oude Zwaan” wordt een verblijf van vrede-onderhandelaars,” zeide Buat: „de Heer De Gourville heeft daar ook zijn kamers.”

„Zoo heb ik vernomen,” antwoordde Sylvius.

„Maar zou hij wel, als wij, de belangen van Zijne Hoogheid voorstaan?” vroeg Elizabeth.

„Kom!” viel mevrouw Aarssen in: „bedenk nu eens, Betje, dat de Heer Sylvius van de reis komt, en dat gij hem met politiek niet zult verwarmen. Hebt gij niet wat

hittigh Spaensch gewas,
Dat als brant schiet uit het glas?”

„Neen!” zeide Buat: „dan weet ik er wat beters op: gij moest een kandeeltje koken, Betje! dat zal onzen vriend wat verwarmen.”

„Een kandeeltje!” zeide Sylvius: „top, ziedaar een vaderlandschen drank, dien ik in jaren niet geproefd heb: en ik voel, dat de maag voor ’t oogenblik wel iets warms verlangt.”

De noodige toebereidselen werden gemaakt, en niet lang duurde het of de beide dames zaten met haar handwerk aan de tafel, en de beide heeren hij den haard, onder het genot van een kandeeltje, te praten: terwijl men een tijdlang, uit beleefdheid voor Mevrouw Aarssen, de politieke zaken zooveel mogelijk rusten liet. Eindelijk echter kon Buat niet nalaten te zeggen:

„Het spijt mij, Sylvius! dat gij niet een uur vroeger hier geweest zijt: gij hadt ons de moeite gespaard van den langen brief op te stellen, dien ik bezig was over te schrijven toen gij hier kwaamt.”

„Laat u dat niet spijten,” zeide Sylvius: „die moeite is toch niet vergeefs geweest. Geef mij het blad maar hier, dan zal ik het bij mij steken en u morgen mijn meening wel komen zeggen.”

„Ja maar!” hernam Buat: „Lord Arlington moet immers ook tijding hebben.”

„Laat mij daarvoor zorgen,” zeide Sylvius: „ik zal hem wel schrijven.    –  Doch dat is van latere zorg,” vervolgde hij, de stukken bij zich stekende: „zoudt gij denken, dat ik Z. Hoogheid morgen vond?”

„Ik zal dadeljk den Prins beircht zenden van uw aankomst en gehoor voor u verzoeken,” zeide Buat: en meteen, een paar regeltjes aan Bromley schrijvende, gaf hij die aan de dienst-maagd, met last om ze terstond door een boodschapper naar ’t Hof van den Prins te doen brengen en antwoord te wachten.

Niet lang was Stijntje terug, toen er wederom gebeld werd en, eer men nog tijd had gehad om te bedenken wie het wezen kon, het gezelschap vermeerderd werd door het binnentreden van Mevrouw Musch.


[Jacob van Lennep pagina] – [11e hoofdstuk] – [13e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.