MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

DERTIENDE HOOFDSTUK.

WAT RAAD MEVROUW AARSSEN AAN HARE NICHT GAF.


 „Weer die vrouw,” bromde Buat bij zich zelven: „men kan voorwaar niet meer rustig samenzitten, of zij komt er tusschen.”

„Goeden avond, kinderen!” zeide Mevrouw Musch: „gij hadt mij niet verwacht, nietwaar?   –  En wat zegt gij van de verrassing, die Tante u bezorgd heeft? Maar heb ik het wel? En is het niet onze vriend Sylvius, dien ik daar zie?”

„Vriend Sylvius in levenden lijve,” zeide deze: „gereed u te dienen, zoo ’t in zijn vermogen is.

„Wel, dat treft bijzonder,” hernam Mevrouw Musch: „nu, gij komt juist als geroepen, en hetgeen ik heb mede te deelen geldt u zoowel als de overigen. Ik ben thans geheel op de hoogte omtrent de gedragslijn, die wij te volgen hebben,” ging zij voort, zonder zelfs te wachten, tot zij met behulp harer dochter zich van haar Coëffe ontlast had: „wij moeten op vrede aandringen.”

„Vrede is zeker in alle zaken het best,” zeide haar zuster, terwijl Buat zijn schoonmoeder aanzag, als wilde hij vragen, of dat nu het groote nieuws was, dat zij had mede te deelen.

„Ja!” vervolgde Mevrouw Musch: „ik heb onderscheidene onzer vrienden gesproken, en daaronder van dezulken, wier stem niet weinig geldt in de Staten-Vergadering. Zij zullen met kracht er op staan, dat men hoe eer hoe beter vrede sluite. En, wat nog meer zegt, Z. Hoogheid zelve is daar ook voor: dat heeft de Heer Van Heenvliet mij verzekerd.”

„Ik had het u ook kunnen verzekeren,” zeide Buat, de schouders ophalende.

„Het is alleen Mr. Jan en de Fransche partij, die oorlog willen, om hun eigen grootheid te bevorderen,” vervolgde Mevrouw Musch: „en zoo wij de lieden daarvan kunnen overtuigen, hebben wij gewonnen spel. De vraag blijft nu maar, hoe Koning Karel er over denkt; en daar zou de Heer Sylvius ons best op kunnen antwoorden.”

„Wat dat betreft,” zeide Sylvius; „ik ben nog kort voor mijn vertrek bij Zijne Majesteit ten gehoore toegelaten, en Zij heeft mij de verzekering gedaan, van niets liever te wenschen, dan met dezen Staat in go ede eensgezindheid te leven;    –  doch de Koning heeft mij daarbij te kennen gegeven, dat hij zelfs den schijn moest vermijden, alsof hij den oorlog voerde om den wille van zijn neef.”

„En toch,” hervatte Mevrouw Musch, „zou de overtuiging daarvan veel toebrengen, om de lieden hier nog sterker in te nemen tegen De Witt en de zijnen, voor zooverre men bewijzen kon, dat dezen alleen tegen den vrede zijn, en dat de bevordering van den Prins daarvan ten voorwaarde strekken zou.”

„Ik herhaal maar wat de Koning mij gezegd heeft,” zeide Sylvius: „hij vreest, niet zonder grond, het ongenoegen der Engelsche Natie te verwekken, wanneer hij oorlog voert om een familiebelang.”

„Het zij zoo,” hernam Mevrouw Musch: „wij weten in allen gevalle, dat wij op hem als op een bondgenoot kunnen rekenen.”

„Nu,” zeide haar zuster, met het hoofd schuddende:

„Vertrouwt te ghener tijdt op Koninghen of Heeren:
Want sneller dan den wint siet ghy hun gunste keeren.”

„En hoort nu verder,” vervolgde Mevrouw Musch, zonder op deze herinnering acht te slaan: „Onze partij wordt hier gedurig machtiger. De Heeren Kuyf en Schulper van Leiden, de Heer Boerstede van Haarlem, en de Pensionarissen van Edam en van Enkhuizen hebben mij stellig beloofd, dat zij zoowel op den vrede als op de bevordering van den Prins zullen aandringen en gedurig op datzelfde aanbeeld blijven slaan. Zeeland zal ons krachtdadig steunen: en, wat meer is, wij zullen een krachtdadiger hulp vinden bij den Keurvorst van Brandenburg.”

„Heeft UEd. dien waarlijk ook al gesproken?” vroeg Buat, met een spotachtig gezicht.

„Neen, Heer Schoonzoon,” antwoordde Mevrouw Musch: „wat op ’t zelfde neerkomt, zijn Gezant, den Heer Blaespeil, die met den beer Van Beverningk hedenmorgen hier is gekomen.”

„Blaespeil!” herhaalde Buat: „een fraaie naam voorwaar: ik weet niet, of ik niet even lief Blaaskaak heette.”

„Hij heeft mij verzekerd,” vervolgde Mevrouw Musch, „dat zijn meester een vertoog bij de Staten van Holland zonde inleveren, om hun de belangen van den Prins aan te bevelen.”

„Waarljk?” riep Elizabeth verheugd uit.

„En voeg daarbij, dat Spanje den Heer De Gourville mede gemachtigd heeft om weder voorslagen te doen, dan kunt gij uit dit alles opmaken, of de zon van Mr. Jan niet machtig aan het tanen is.”

„Ik vrees sterk, Mevrouw!” zeide Buat, „dat het nog maar luchtkasteelen zijn, die gij u bouwt. Ik voor mij geloof, dat de Raadpensionaris nog zoo vast staat als een rots, en dat, zoolang hij den moed niet laat zakken, zijn partij hem niet ontzakken zal.”

„Ja,” zeide Mevrouw Aarssen, „’t is ten opzichte van degenen, die hem zijn ambt benijden, als Vader zei:

Daar zijnder in het land, die wenschen yemants staet,
Al is hy noch gesont te midden in den raet.

 En bovendien:   –  al gelukt het u hem weg te krijgen, zoo hebt gij nog niet een betere in Zijne plaats.”

„Hoe nu, Anna!” zeide Mevrouw Musch, terwijl zij haar zuster een toornigen blik toewierp: „zijt gij een afvallige geworden van de goede zaak?”

„Ik ken slechts ééne goede zaak,” zeide Anna: „en dat is het welzijn van ons lieve Land. Wat zal men er mee winnen, wanneer hier twist en onrust verwekt wordt? Herinner u Vaders woorden:

„Ghedenkt dit alle tijt, ghy Vrije Nederlanden:
Want siet, in eenigh zijn daer zijn u vaste banden:
Maeckt, dat u binnen ’s lands geen wrevel om en voert,
Vermits een grage wolf op uwe kudden loert.”

 „En dus wildet gij, dat wij ons de dwingelandij van Mr. Jan maar gedwee zouden getroosten?” vroeg Mevrouw Musch.

„Ik wilde,” antwoordde haar zuster, „dat men zich niet stelde tegen hen, die geroepen zijn om ons te regeeren: en, zoo gij de wijze lessen van Vader geheel vergeten zijt, dan zal ik u herinneren, wat een nog wijzer mond gezegd heeft: „Zijt den gestelden machten onderdanig.”

„Maar De Witt is geen gestelde macht,” hernam Mevrouw Musch: „hij is niet meer dan de uitvoerder der bevelen van Haar Hoog-Mogenden, en in die hoedanigheid betaamt het hem niet, te handelen of hij zelf hier volstrekte heer en meester ware.”

„Ziedaar iets,” zeide Mevrouw Aarssen, „wat gij noch ik te beoordeelen hebben: en het voegt vrouwen niet, zich in zulke zaken te steken.”

„Ik verwachtte niet,” hernam haar zuster, „dat iemand, wier vader en wier man zoovele jaren de weldaden van het Huis van Oranje genoten hebben, zich scharen zoude aan de zijde van de partij, die ’s Prinsen rechten zoekt te fnuiken, ja, zoo mogelijk, te vernietigen.”

„Geloof niet, Zuster,” zeide Mevrouw Aarssen, „dat ik zoo ondankbaar ben, om ooit te vergeten wat de Prinsen voor ons Huis gedaan hebben. Ik heb Z. Hoogheid van harte lief en bid God, dat hij eenmaal, zoo dit tot het welzijn van den Lande strekken kan, geroepen worde tot het bekleeden der hooge waardigheden zijner voorzaten, waarop hij billijke aanspraak heeft. Maar, voor zooverre ik als vrouw over staatsaangelegenheden oordeelen kan, zoo acht ik het zeer gewaagd, op dit tijdstip, nu wij oorlog hebben ter zee en te land, en eendracht van binnen meer dan ooit noodig is, praktijken aan te wenden om den man, die aan het roer is van den Staat, en die het vertrouwen bezit van zoo velen, tegen te werken en te belemmeren. Ik heb wel gelezen, dat de Romeinen, die anders toch ook een Republiek hadden gelijk wij, in tijden van gevaar een Dictator aanstelden met onbeperkt gezag. Welnu! zulk een Dictator hebben wij ook van doen: en matigt de Heer De Witt zich te veel gezag aan, het is, geloof ik, voor ons heilzamer, dat, zoolang de oorlog duurt, één mensch de zaken regele en beschikke, dan dat er uit veelheid van beraadslagingen ongewisheid in de besluiten en ongelijkheid in de uitvoering ontstaan. Vader heeft het reeds gezegd, wanneer er meer dan één tevens het bestuur hebben:

Zy sullen onder een geduerigh leggen rasen,
Geduerigh in krakeel en swanger van den nijt,
Geduerigh overhoop en al uit enckel spijt.”

 „Maar, lieve Moei!” zeide Elizabeth: „wanneer er iemand aan ’t hoofd der zaken moet staan, wien komt het dan anders toe als aan Z. Hoogheid?”

„De dochter gaet des moeders gangh,”

antwoordde Mevrouw Aarssen, lachende: „maar het kan u immers geen ernst zijn, Betje zoo te spreken. Wilt gij aan een zestienjarigen knaap het opperbewind toevertrouwen over de zaken van Staat en Oorlog? Gij zoudt hem dan toch iemand moeten toevoegen, die het werk voor hem bestierde? En waar zult gij er voor ’t oogenblik een vinden, die maar op éénen dag verdient genoemd te worden met den Heer De Witt?”

„Ik moet zeggen, dat Mevrouw Aarssen waardig ware, in den Raad van State te zitten, zoo spreekt zij,” zeide Buat: „en ik wil oprecht verklaren, dat, ook naar mijne meening, de Raadpensionaris op dit oogenblik moeilijk te vervangen ware. Maar zoo wij het nu maar zóóverre bij ’t leger konden brengen, dat Z. Hoogheid een betrekking en zitting in den Raad van State verkreeg, en dat de vrede gesloten werd, dan waren wij al veel gevorderd. Hadden wij eens den vrede, dan zou Mr. Jan minder noodig zijn, en wij zouden van zelf het oude bestuur terugbekomen.”

„Zeer fraai!” hernam Mevrouw Aarssen: „Gij wilt hem dus gebruiken zoolang gij hem noodig hebt, hem de kastanjes uit het vuur laten halen, en hem later ter zijde stellen, als een citroen, dien men wegwerpt na er het sap te hebben uitgedrukt. Mij dunkt, dat is niet zeer edelmoedig ten opzichte van iemand, van wien gij straks met achting gesproken hebt, Neef!”

„Ik blijf hem persoonlijk achten,” zeide Buat: „zoo om zijn bekwaamheden als om zijn karakter: en ik zou hem gaarne dienen, indien zijne inzichten maar niet strijdig waren met de belangen mijns Meesters. Voor ’t overige moge hij blijven in zijn post, indien hij zich daarbij verkiest te houden: de Heer Cats heeft indertijd insgelijks het Raadpensionarisambt bekleed; maar hij heeft zich nooit opgeworpen tot alleenheerscher.”

„Neen, voorwaar niet!” zeide Mevrouw Aarssen; „hij verrichtte eenvoudig het hem opgedragen werk, en zocht geen eigenverheffing, de gemoedelijke, nederige man, die hij was. Maar De Witt is nu eenmaal door de omstandigheden er toe geleid geworden, om alles op zijn hoornen te moeten nemen en de eerste in den Staat te zijn. Hij moet ňf blijven wat hij is, ňf tot het ambtelooze leven terugkeeren.”

„Hij zal van zelf zich wel aan de zaken onttrekken,” merkte Sylvius aan, „wanneer zijn haan geen Koning meer kraait. Ik geloof inderdaad, Mevrouw! dat UEd. onze handelingen en ons streven uit een al te gemoedeljk oogpunt beschouwt. Wat wij zoeken te bevorderen, is de vrede en ’s Prinsen verheffing: en ziedaar twee zaken, die alle welgezinden met verlangen te gemoet kunnen zien. Wat De Witt naderhand doen of niet doen zal, is, dunkt mij, van latere zorg.”

„Juist,” zeide Mevrouw Musch: „maar wat ik nu terstond wenschte te weten, is, wat hij geantwoord heeft op de gedane voorslagen? Of denkt gij mij weder buiten alles te houden, Heer Schoonzoon, gelijk de vorige reis?”

„Ik heb dat alles reeds aan Sylvius medegedeeld,” antwoordde Buat: „doch zoo UEd. er op gesteld zijt, het te vernemen, zoo kan ik het u in twee woorden zeggen. De Heer De Witt houdt zich aan de vroegere voorwaarden, behoudens overleg met Frankrijk.”

Mevrouw Musch liet zich niet volkomen met dit antwoord tevreden stellen, en vroeg nadere verklaring. Terwijl Buat en Sylvius bezig waren, haar die te geven, werd er weder gebeld, en bracht Stijnije een brief, dien de boodschaplooper had medegebracht van het Hof. Buat opende den omslag, en zag dat deze twee uitnoodigingen bevatte, eene voor hem en eene voor Sylvius, om een jachtpartij bij te wonen, die de Prins den volgenden dag zou houden, en waartoe men zich aan het Huis ten Bosch vereenigen zou.

„Een jachtpartij!” riep Buat: „dan dienen wij te zorgen, dat wij paarden hebben.”

„Gij hebt immers uw paard?” zeide Elizabeth.

„Ik wenschte het,” antwoordde Buat, zuchtende: „maar ik had mij niet voorgesteld, dat ik het met den winter noodig zou hebben, en heb het daarom eenige dagen geleden verkocht.”

„Verkocht!” herhaalde Elizabeth: „dien fraaien bruin. . . en zonder mij er iets van te zeggen?”

„Ja!” zeide Buat: „ik had bovendien geld noodig:   –   men heeft geen kraamkamer aan huis voor niets: en het beest kostte mij te veel aan onderhoud. Doch dat daargelaten! Wat dunkt u, Sylvius! zijt gij genoeg uitgerust, en gevoelt gij moed om eens naar Jelissen te wandelen en een paar paarden uit te kiezen, om voor morgen ten onzen gebruike te huren?”

„Ik ben tot uw dienst,” zeide Sylvius: „maar dan moeten wij er drie hebben; want ik wenschte mijn kamerdienaar wel mede te nemen: hij heeft een goed verstand van de lange jacht: en de andere genoodigden zullen waarschijnlijk hun jagers ook wel medenemen.”

„Top!” zeide Buat: „dan zullen wij onze wandeling maar niet langer uitstellen: anders hebben wij kans, dat wij Jelissen nog uit het bed moeten kloppen. Tot wederziens, Dames!”

Weldra hadden de beide heeren zich van hoed en mantel voorzien, en verlieten zij het huis, niet kwalijk tevreden van op die wijze aan de politieke redeneeringen van Mevrouw Musch te ontkomen. Wat deze betrof, zij was vrij ontsticht over het haastig vertrek van de heeren, uit wie zij gehoopt had nog meer bijzonderheden aangaande de onderhandeling met Engeland te vernemen.

„Zoo zijn de mans,” zeide zij, wrevelig: „een jachtpartij doet hun alles, ook zelfs de gewichtigste zaken, vergeten.”

„Ja!” antwoordde haar zuster, lachende:

„vliegen en jagen
Zijn vrouwen plagen:

 en Z. Hoogheid mocht ook wel denken:

Zyt ghy een Prins, jaegt niet zoo sterck,
Dat ghy verzuimt uw eigen werck”

 „Alsof de arme knaap ander werk had,” hernam Mevrouw Musch: „waarlijk, Anna! gij brengt Vaders spreuken soms al heel zonderling te pas.”

.,Hm!” zeide Mevrouw Aarssen: „de Prins moge al geen Staatswerk aan de hand hebben, hij moet toch zorgen, dat zijn liefhebberij geen hartstocht worde, en nu en dan eens nalezen, wat in de jachtlesse staat:

Hy is een dwaes
Die om een haes
Veel smerten lijt.
En noch een peerd,
Veel ponden weert,
Den hals afrijt.

 „Ja, dat is wel mogelijk,” viel Elizabeth in: „maar met dat al spijt het mij toch wel, dat ik niet mede van de partij zal kunnen zijn.”

„Droomt gij, Betje?” vroeg hare moeder: „in uwen toestand?”

„Een zogende vrouw!” zeide haar Moei verbaasd.

.,Ja, dat weet ik wel,” hernam Elizabeth: „ik zou toch niet kunnen medegaan; daarom niet: maar men had toch de beleefdheid kunnen hebben van mij te vragen. Ik wil wedden, dat er andere juffers komen.”

„Met wie gij Buat ongaarne rijden ziet?,” vroeg Mevrouw Aarssen, lachende: „Foei! gij moet niet jaloersch zijn, Betje:

O wat een ongemack sal echte lieden quellen,
Als man of swacke vrou naer dese stuypen hellen.”

„Ik ben niet jaloersch,” hernam Elizabeth: „maar ik mag die Mademoiselle Van Beverweert niet lijden, die voor mij en andere juffers den neus ophaalt, omdat wij niet als zij van vorsteljken bloede zijn, ofschoon wij Goddank geen filet in ons wapen hebben, zooals zij.”

„Welnu! laat zij haar neus optrekken,” zeide Mevrouw Aarssen: „gij zijt er immers geen haar minder om.”

„Ja maar, jegens onze mans is zij minder trotsch,” hernam Elizabeth: „en een wakker gezel behoeft juist niet van adel te zijn, om in haar gunst te staan. Ik wenschte dat het vrede ware, alleen, omdat zulks haar huwelijk met den Engelschen Lord wat bespoedigen zou.”

„Ik help het u wenschen,” zeide Mevrouw Musch: „maar gij hebt ongelijk, Betje! u dus ongunstig over Mademoiselle Van Beverweert uit te laten. Zij is wel gezien ten love, en hare voor-spraak kan u en uw man wellicht van grooten dienst zijn.”

„En ik wil niets aan hare voorspraak verschuldigd wezen,” antwoordde Elizabeth, terwijl zij haar kind uit de wieg nam en het aan de borst wilde leggen.

„Wacht nog een oogenblik!” zeide Mevrouw Aarssen, haar wederhoudende: „eene moeder moet haar kind nooit zogen op een oogenblik, dat zij slecht geluimd is. Uw Grootvader schreef:

Sijtje boos of met den kop gequelt,
Soo kies een andre min, die beter is gestelt.”

Elizabeth kon niet nalaten van te lachen over de half ernstige, half kluchtige wijze, waarop deze vermaning gegeven werd, ’t welk ziende, Mevrouw Aarssen mede begon te lachen, en haar nu vergunde, haren moederplicht te vervullen, tot groot genoegen der zuigeling, die minder dan hare moeder op de hoogte was, om te begrijpen, waarom niet terstond aan haar verlangen was voldaan geworden.

Min belangrijk voor den lezer was het onderhoud, dat verder tusschen de drie dames plaats had, en waarin de staatkunde voor een wijl ter zijde gelaten werd voor meer gewone onderwerpen. Ook duurde het niet lang of de draagstoel van Mevrouw Musch werd aangekondigd, waarop zij, na herhaaldelijk hare dochter op het hart gedrukt te hebben, dat deze toch vooral haar niet onkundig zou laten van ’t geen Buat en Sylvius ter gelegenheid der jachtpartij betreffende de politieke zaken vernemen mochten, zich gereedmaakte om naar huis te gaan. De beide andere vrouwen stonden op om afscheid te nemen, en Elizabeth deed hare moeder uitgeleide tot aan de voordeur. Toen zij weder de achterzaal binnenkwam, vond zij Mevrouw Aarssen nog staande, en met de oogen strak gevestigd op de afbeelding van Cats.

„Het gelijkt goed, nietwaar?” vroeg zij.

„Helaas! Betje-lief!” antwoordde haar Moei, terwijl zij zich een traan uit het oog wischte: „ik dacht daar bij mij zelve: hoe zou die waardige man, indien hij, evengelijk thans zijn beeltenis schijnt te doen, de oogen bestendig kon gevestigd houden op al wat binnen deze kamer gezegd en gedaan wordt, hoe zou hij te moede zijn?”

„Maar, veel kwaad voeren wij toch niet uit,” zeide Elizabeth, op een vleienden toon.

„Weet gij dat zelve?” vroeg Mevrouw Aarssen: „zie, mijn kind! ik heb u en uw man steeds liefgehad, omdat ik uw beider goed hart en uw genegenheid te mijwaart op hoogen prijs stel; maar   –  ik moet het u ronduit zeggen nu wij alleen zijn    –  het is mij bang om ’t hart geworden, toen ik heden-avond hoorde, wat er gaande is en in welke ontwerpen gij gemoeid zijt. Ik wil uw moeder niet te streng veroordeelen: zij heeft veel geleden en ik kan mij het gevoel verklaren, dat haar bezielt en handelen doet;   –  ofschoon zij een meer Christelijk voorbeeld aan haar kinderen geven zou, indien zij zich tot vergiffenis geneigd toonde:   –  zij heeft hare jaren en moet weten wat zij doet; maar zij moest hare kinderen niet aansporen tot bedrijven, die voor hen licht eenmaal noodlottig kunnen zijn.”

„Maar, lieve Moei!” zeide Elizabeth: „ik geloof met Sylvius, dat gij u de zaak zwarter voorstelt, dan zij is. Ik beken, eenige dagen geleden was ik niet geheel zonder vrees, omdat toen Buat van ter zijde vernam, dat men hem wellicht om zijn briefwisseling met Sylvius vervolgen zou   –  in weerwil, dat daarin niets schuldigs gelegen was;   –  maar, sedert hij de vredehandeling met Engeland voert met medeweten van den Raadpensionaris zelven, kan daarin niet langer eenig gevaar steken.”

„En ziedaar juist, wat mij bekommering baart,” hernam Mevrouw Aarssen: „uw man, zegt gij, handelt met medeweten van den Raadpensionaris: en toch, uit alles, wat ik zie en hoor, blijkt het, dat het streven is, de plannen van den Heer De Witt en van diens partij tegen te werken. Hij speelt dus ten opzichte van dien Heer een dubbelzinnige, om niet te zeggen een valsche en bedrieglijke rol.”

„Indien hij dat schijnt te doen,” zeide Elizabeth met levendig-held: „het is Zijne schuld niet: de omstandigheden hebben er hem toe gebracht: het is De Witt, die door zijn handlanger Van Espenblad hem ’t eerst heeft laten aanzoeken om een briefwisseling te voeren, die hij hem zou mededeelen: en Buat heeft dit aangenomen, maar ten einde die Heeren in hun eigen strikken te laten loopen, en daardoor met hun inzichten en bedoelingen bekend te worden.”

„En die aan uw moeder en hare vrienden te verraden, nietwaar?” vroeg Mevrouw Aarssen: „o! ik raad het al. Voorwaar. Betje! ik had niet gedacht, dat uw man, dien ik steeds als een rond en open mensch gekend en geacht heb, zich met dergelijke streken zou inlaten.”

„Hij had er ook eerst veel tegen,” zeide Elizabeth: „maar hij had geen keus. Aan de eene zij werd hij met een vervolging bedreigd; aan de andere zij kon hij schijnbaar De Witt, en inderdaad onze partij dienen: en hij koos het laatste.”

„Hij verzaakte, wat hij wist dat eer en plicht geboden, uit vrees voor vervolging!” riep Mevrouw Aarssen uit: „dat had ik nooit van hem gedacht.”

„Ach lieve Moei! zeg hem dat nooit!” zeide Elizabeth: „hij heeft reeds spijt genoeg, dat hij zich heeft laten overhalen om

„Dan zijt gij het, die er hem toe bewogen hebt?” vroeg Mevrouw Aarssen: „En waar de man uit zich zelven sterk genoeg was, is hij voor de tranen der zwakke vrouw bezweken. Betje! Betje! gij hebt een zware verantwoording op u geladen En wat zullen de gevolgen zijn? Eens komt toch de waarheid aan den dag. De waarheid, zong uw Grootvader,

De waerheyt borrelt uit gelijck de sonneschijn,
De waerheyt, hoe het gae, wil niet begraven zijn.

En dan, als alles ontdekt is, zal dan niet de Heer De Witt des te toorniger zijn, naarmate hij langer misleid is geworden?”   –  Kindlief!

Ghy doet gelijck de mus, die geeft haar in den slagh,
So veyligh als se kan, so gretigh als se magh.

O! ik zie het al in ’t verschiet

daer wordt de borst gevanghen,
Daer melt hy het bedrogh en ŕl zijn slimme ganghen.

Geloof mij, het spel, dat gij speelt, is te gewaagd: en denk toch steeds, wat uw goede en brave Grootvader zeggen zou, indien hij zijne wijze lessen aldus verwaarloosd zag door eene dier lieve kleindochters, aan wie hij de overdenkingen zijner grijsheid opdroeg!”

„Maar, lieve Moei!” zeide Elizabeth: „er is nu immers geen gevaar me er. Gij hebt het gehoord: Buat is door De Witt bepaald tot onderhandelen gemachtigd, en wanneer hij zich dus niet onvoorzichtig gedraagt, wat kan men hem dan verder te verwijten hebben?”

„Niets,” antwoordde Mevrouw Aarssen: „maar laat hij dan ook werkelijk getrouw blijven aan de goede voornemens, welke hij hedenavond aan den dag legde, zich met de rol van onderhandelaar vergenoegen, en zich niet door Sylvius of door anderen laten bepraten, om zich met gevaarvolle kuiperijen in te laten. En gij ook, Betje! gij moet mij plechtig beloven, dat gij zult goedmaken wat gij verkorven hebt, en hem nooit weder zult aansporen, zich te steken in iets, wat naar samenspanning zweemt, maar zich daarvan veeleer zorgvuldig te onthouden.”

„O,” zeide Elizabeth, „wat hem betreft, hij heeft reeds genoeg een weerzin aan die bedekte wegen: hij heeft zelfs den laatsten brief, dien wij geschreven hebben, niet eens aan Moeder laten zien uit vrees, dat zij er van het hare in zou mengen.”

„Dan ben ik omtrent hem gerust. Maar gij? nog straks waart gij het, die, toen uw man de beste en verstandigste voornemens aan den dag legde, hem verweet, dat hij zich als een afvallige gedroeg.”

„Ik zie in, dat ik verkeerd handelde,” zeide Elizabeth: „en ik beloof u, voortaan wijzer te zullen wezen.”

„Komaan,” zeide Mevrouw Aarssen; „dan is mijn laatste zorg weggenomen: en nu beloof ik, van mijn kant, u over de zaak niet langer te zullen lastig vallen.”

De terugkomst van Buat, die van Sylvius aan zijn herberg had afscheid genomen, gaf een andere wending aan het gesprek, en weldra gingen de beide echtgenooten en hun logeergast ter ruste.

De laatste dankte God, toen zij alleen was, dat zij door hare redenen indruk had mogen maken op haar nicht: dan helaas! hoe kortzichtig zijn ook de verstandigste stervelingen: en hoe zoude haar het hart beklemd zijn geweest, indien zij had kunnen voorzien of zelfs vermoeden, dat het navolgen door Elizabeth van haren op zich zelven zoo wijzen raad, gedeeltelijk zoude strekken om Buat in ’t verderf te storten. 


[Jacob van Lennep pagina] – [12e hoofdstuk] – [14e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.