MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN JACHTPARTIJ.


Den volgenden morgen begaf zich Buat vroegtijdig naar „De Oude Zwaan”, ten einde Sylvius af te halen. Op de Plaats gekomen, zag hij voor de deur der herberg niet alleen den knecht van Jelissen met de aldaar bestelde paarden gereed staan, maar ook een bediende, in de livrei van Gourville, met twee handpaarden op en neder gaan, waaruit hij opmaakte, dat de Franschrnan mede van de partij was. Binnengetreden en naar de kamer van Sylvius gegaan zijnde, vond hij dezen met zijn kamerdienaar, welke laatste zich terstond eerbiedig in een boek van ’t vertrek terugtrok.

„Gij komt tijdig genoeg,” zeide Sylvius: „het is nog nauwelijks zeven uren.”

„Een Edelman van ’s Prinsenkamer mag niet op zich laten wachten,” zeide Buat: „zijt gij gereed?”

„Wat mij betreft, ja,” antwoordde Sylvius; „maar de Heer De Gourville, hoorende dat ik ook naar de jachtpartij trok, heeft de beleefdheid gehad, mij te laten vragen of wij ons gezamenlijk derwaarts zouden begeven.”

„Drommels!” zeide Buat: „als die Franschman maar geen treuzel is. Ik zonde ongaarne te laat op mijn Post zijn.”

„Stel u gerust,” antwoordde Sylvius: „ik geloof, dat ik hem reeds hoor.”

En inderdaad, daar werd aan de deur getikt, en Gourville trad in sierlijk jachtgewaad binnen. Maar, tot groote verwondering van Buat, die hem als iemand van beleefde en voorkomende manieren had leeren kennen, verzuimde hij de diepe strijkages te maken, die anders in die eeuw gebruikelijk waren, telkens wanneer welopgevoede lieden elkander ontmoetten, en trad hij met een opgewonden voorkomen en een bloedrood gelaat op Sylvius af, terwijl hij een open brief krampachtig tusschen de vingers wreef.

„Mijnheer!” zeide hij: „vergun mij u te vragen of gij het zijt, die dezen brief op mijn toilet hebt nedergelegd.”

„Ik, Mijnheer!” riep Sylvius, op een toon van verbazing.

„Gij komt toch uit Engeland, naar ik hoor,” zeide Gourville.

„En is dat een reden, dat ik de onwellevendheid zou begaan, om in uwe kamer te sluipen?” vroeg Sylvius geraakt.

„Neen,” antwoordde Gourville: „maar deze brief is ook uit Engeland gekomen, en van zeer versche dagteekening: mijn bedienden betuigen, dat geen hunner hem in mijn kamer gebracht heeft: de lieden uit de herberg, die ik ondervraagd heb. weten er evenmin iets van: en de veronderstelling was dus zoo vreemd niet, dat gij hem kondet hebben meegebracht.”

„Er zou dan geen reden bestaan, waarom ik hem u niet in persoon zou hebben overhandigd,” zeide Sylvius.

„Zonderling!” hernam Gourville: „die brief kon toch niet van zelven op mijn toilet gekomen zijn...... Kan wellicht iemand van uw gevolg......?”

„Ik heb geen ander gevolg, dan mijn kamerdienaar,” viel Sylvius in: „en die is gewoon, alleen de zaken zijns meesters te doen.”

„En waarschijnlijk ook een weinig de zijne,” voegde Gourville er bij: „of de Engelsche kamerdienaars zijn machtig verschillend van de Fransche.” Dit zeggende nam hij den dienaar, die nog altijd onbeweeglijk in den hoek van ’t vertrek stond, in oogenschouw. Het was een man, oogenschijnlijk van omstreeks veertig jaar, met het deftige voorkomen en de eenvoudige, doch nette kleedij, welke vanouds alle Engelsche kamerdienaars gekenmerkt heeft, met een rosse pruik en knevels, en een strak gelaat, waarop te lezen was, dat hij van het geheele gesprek niets begrepen had.

„Vergunt gij mij, dat ik hem ondervrage?” vroeg Gourville aan Sylvius.

„Met genoegen,” antwoordde deze: „maar ik moet u waarschuwen, dat hij geen Fransch verstaat.”

„Des te erger” zeide Gourville: „want ik heb nooit dan zeer enkele woorden van het bargoensch, dat die eilanders spreken, kunnen leeren. Maar gij zult mij wel tot tolk willen dienen nietwaar?”

„Mijne Heeren!” viel Buat hier in: „ik moet u doen opmerken, dat de tijd verloopt, en dat de Prins niet van wachten houdt, vooral, wanneer het een jachtpartij geldt. Wij zouden, dunkt mij, ons onderhoud al rijdende kunnen voortzetten, te meer, daar die man ons toch vergezelt.”

„Gij spreekt als een boek, Mijnheer Buat!” zeide Gourville: „en ik moet u verschooning vragen, dat ik u nog niet behoorlijk gegroet heb.”

„Laat ons alle plichtplegingen ter zijde stellen, mijn waarde leer!” antwoordde Buat: „en zorgen, dat wij ons op weg begeven, eer wij gevaar loopen, te laat op de verzamelplaats te komen.”

Gourville scheen dit ook te begrijpen, en Mignot roepende, liet hij zich zijn hoed, mantel en degen geven, waarna onze drie cavaliers zich naar beneden begaven, hun paarden bestegen en den Vijverberg opreden, gevolgd door Mignot en den kamerdienaar van Sylvius. Zoolang de ruiters zich binnen de stad bevonden, werd er geen woord tusschen hen gewisseld, doch nauwelijks waren zij het Bosch ingereden, of Gourville vroeg aan Sylvius: „kent gij bij toeval ook de handteekening van Lord Arlington?”

„Zoo doe ik,” antwoordde Sylvius: „en Mijnheer Buat evenals ik.”

„Welnu!” hernam Gourville: „dan kunt gij mij zeggen, of deze echt is?”   –  En meteen haalde hij den brief weder voor den dag en hield hun het onderschrift voor.

„Zonder eenigen twijfel is die naamteekening echt,” riepen de beide anderen, als uit éénen mond.

„Goed!” hervatte Gourville, den brief weder bij zich stekende: „en nu vraag ik nogmaals: hoe komt een brief van Lord Arlington in mijne kamer?”

Ma foi!” zeide Buat lachende: „ik heb altijd gehoord, dat Lord Arlington zich een weinig op de zwarte kunst verstaat, en het zou mij niet verwonderen, zoo hij dat stuk papier naar u toe had getooverd.”

„Hij kan uw bediende toch niet omgekocht hebben?” vroeg Gourville aan Sylvius, terwijl hij omzag naar den kamerdienaar. Deze was bezig voor de tiendemaal de schouders op te halen tegen Mignot, die een gesprek met hem zocht aan te knoopen, en nu wanhopend afliet, al brommende over de domheid der Engelschen, die geen Fransch verstaan.

Uw kamerdienaar heet zeker Smith, gelijk de helft der Engelschen,” zeide Buat tegen Sylvius.

„Neen,” antwoordde deze: „hij heet Thomson, gelijk de andere helft.”

„Weet gij wel,” hernam Buat, „dat gij hem het beste paard gelaten hebt van de twee, die Jelissen u gezonden heeft? Die schimmel, dien hij berijdt, is een uitmuntende harddraver.”

„Ja,” antwoordde Sylvius: „maar het beest kwam mij wat al te wild voor, en ik heb geen trek, om, in tegenwoordigheid van het gezelschap, waar wij deel van zullen uitmaken, een zandruiter te worden.”

„Ik gevoel het,” hernam Buat, lachende: „gij waagt er uw kamerdienaar liever aan dan u.”

O!” zeide Sylvius: „Thomson is een geoefend ruiter, meer dan ik. Maar wil ik hem nu bij ons roepen, dan kan Mijnheer De Gourville van hem te weten komen wat hij verlangt.”

„Straks, straks!” zeide Buat: „de dag is nog lang, en, liever dan te praten, moesten wij onze paarden in galop zetten om niet te laat te komen.”

En meteen deed hij zijn rijdier de sporen voelen, en gaf het voorbeeld van spoed, ’t welk door de overige ruiters gevolgd werd: zoodat het weinige minuten leed, of zij bevonden zich op het voorplein van het Huis ten Bosch.

Hier heerschte niet weinig drukte. Jagers, gedeeltelijk te paard, gedeeltelijk afgestegen, pikeurs, bedienden, honden, woelden door elkander. Dan,

boven ’t volck en alle hoofden uit,

liet zich de hooge gestalte onderscheiden van den Heer Van Heenvliet, die met luider stem zijne bevelen gaf en regelde wat geschieden moest. Buat haastte zich, af te stijgen, en, zijn paard aan een dienaar toevertrouwende, snelde hij naar binnen om zich aan den Prins te vertoonen.

Het gezelschap werd gaandeweg vermeerderd door genoodigden, die, sommigen van de naburige buitenverbljven, doch de meesten uit Den Haag, kwamen aangereden. Onder deze laatsten bevond zich ook Van Espenblad, die terstond op Gourville toereed en dezen zijn genoegen betoonde, hem te ontmoeten.

„Wel!” zeide hij: „gij zult nu gelegenheid hebben, de windhonden van Zijn Hoogheid hun bekwaamheid te zien ten toon spreiden.”

„Wat zeker zeer vereerend voor mij is,” antwoordde Gourville: „maar het spijt mij eenigszins, daardoor niet in staat te zijn, den Heer De Witt heden een bezoek te brengen, gelijk gij mij hadt doen hopen, dat ik gisteren zou hebben kunnen doen.”

„Ja!” viel Van Espenblad in: „de Heer De Witt is gisteren verhinderd geweest u te ontvangen. De Heeren Colbert, Blaespeil en Van Beverningk waren uit Kleef hier aangekomen, en hebben een groot gedeelte van zijn tijd genomen. Maar bovendien, ik kan u wel vooraf zeggen, dat gij schipbreuk bij hem zult lijden. Hij wil van een bemiddeling van Spanje nog minder hooren dan de Prins,” voegde hij er lachende bij. En toen, Sylvius in ’t oog krjgende: „Zie ik wel, of heb ik ’t mis?” vroeg hij: „Mijnheer Sylvius hier!”

„Gelijk gij ziet,” zeide deze, „en zeer verheugd van u te ontmoeten.”

„Ik had u zeker niet hier verwacht,” hernam Van Espenblad: „ongetwijfeld heeft Buat u aangespoord, de zee over te steken.”

„Neen,” antwoordde Sylvius, eenigszins verwonderd: „Buat wist al zoomin van mijn komst als iemand hier.”

„Nu, dat’s om ’t even,” hernam Van Espenblad: „in allen gevalle is het doel uwer overkomst zeker, een vroom werk te doen en den vrede te helpen sluiten.”

„Den vrede!” zeide Gourville, die deze laatste woorden gehoord had: „komt Mijnheer. . .

„Met dezelfde inzichten als Mijnheer De Gourville,” viel Van Espenblad in: „ O! het getal is legio van hen, die den vrede willen bevorderen: ’t geen mij zou doen vermoeden, dat die nog verre te zoeken is.   –  Maar stil,” vervolgde hij, „daar is Zijn Hoogheid.”

Deze woorden hadden de uitwerking, dat de oogen van Gourville, die reeds met een uitdrukking van bevreemding en wantrouwen op Sylvius gevestigd waren, zich naar de stoep van het lusthuis wendden, op welke Willem III verschenen was, den arm gevende aan de schoone en schitterende Jonkvrouw, of, gelijk men toen meer algemeen zeide, Mademoiselle Van Beverweert, en gevolgd door Boreel, den jongen Heenvliet, Buat, Bromley en een geheelen stoet van Edelen en Jonkvrouwen. Hij groette met wellevendheid de aanwezigen, daalde toen de stoep af, hielp eerst met ridderlijke beleefdheid de Jonkvrouw te paard, en besteeg toen zijn eigen ros. Snel liet hij zijn oogen om zich heen gaan, reed op Sylvius toe, wien hij de hand drukte en een paar woorden in ’t oor fluisterde, gaf aan Gourville den wensch te kennen, dat de jachtpartij hem niet te zeer zou tegenvallen, en vervoegde zich daarna bij den Heer Van Heenvliet.

„De Heer Houtvester heeft zeker alles wederom met zijn gewone zorg beschikt?” vroeg hij.

„Althans voor zooveel mijn departement aangaat,” antwoordde Heenvliet: „en ik hoop dat het door mij verrichte de goedkeuring van Uwe Hoogheid zal wegdragen.”

„De onderwijzer behoeft niet naar de goedkeuring des leerlings te vragen,” hervatte Willem, lachende. „Het is dus afgesproken, dat wij het veld tot Voorschoten zullen afjagen, en over Wassenaar terugkeeren?”

„Tenzij Uwe Hoogheid het anders verkiezen mocht,” zeide Heenvliet.

„Ik keur alles goed,” antwoordde de Prins: „en nu, daar weer en wind gunstig en alles gereed is, op weg maar!”

En terstond zijn ros in beweging stellende, reed hij, onder een blij hoorngeschal, de brug over, gevolgd door den geheelen stoet. Men zwenkte dadeljk het Bosch uit en kwam eerlang aan de weilanden, die bejaagd zouden worden. Het was een fraaie, zoele morgen, gelijk men soms, zelfs hier te lande, in Februari aantreft: een van die winterdagen, waarop ons reeds een balsemende voorjaarslucht te gemoet stroomt, die ons bijna zou doen gelooven, dat wij spoedig de lente zullen zien wederkeeren, wisten wij niet, dat wij eerst nog Maart met zijn gure- en April met zijn regenvlagen moeten doorworstelen. En daarbij, nog niet een der voorboden van het warme seizoen liet zich op de uitgestrekte weide zien: geen ooievaar was nog het hem bekende plekje komen terugvinden: geen kievieten vertoonden zich nog, die sierlijke kringen vormende, waarbij heur wieken, zoo vaak zij door de zon bestraald worden, als lichtvonken flikkeren: slechts hier en daar stoven koppels spreeuwen van voor de voeten der paarden weg, of scheen een oude kraai, op den top van een walvischkaak of van een boerenhek gezeten, de komst van den stoet af te wachten en tilde dan eerst, als met moeite, de zware vleugels op, om zich op een afstand weer neder te zetten.

Dan, hoe gunstig ook de weersgesteldheid ware, minder voordeelig was die van het jachtveld: daar de grond over ’t algemeen vrij drassig was, en zich hier en daar groote plassen bevonden, die men nog kon rondrijden zoolang men stappende voortging, doch welke het te voorzien was, dat moeilijk zouden kunnen vermeden worden, wanneer men eens het wild achtervolgde. Het moge ons, die nu leven, dan ook vreemd schijnen, dat men tot jagen een dag uitkoos in een zoodanig ongeschikt seizoen, ’t welk heden bovendien tot het verboden tijdperk behoort. Maar, ofschoon men in de zeventiende eeuw geen tijd van opening en sluiting der jacht kende, zoo was deze des-niettemin ook toen ongeoorloofd wanneer er sneeuw of ijs op het veld lag; terwijl de jachtordonnantiën in Holland streng verboden, het geheele jaar door meer dan tweemalen in de week ter jacht te gaan, en tevens, op éénen dag meer dan twee hazen en een of twee koppels konijnen te vangen.    –  Het natuurlijk gevolg dezer bepaling was, dat de liefhebbers geene gelegenheid, die maar niet bepaald ongunstig was, verzuimden.

De belemmeringen, welke men nu en dan ondervond, zoo door de plassen, van welke ik heb gesproken, als door de slooten, die het weiveld doorsneden, hadden dan ook ten gevolge gehad, dat het grootste deel der jagers en daaronder de dames, niet over de weilanden voortreden, maar een binnen-weg hielden, van welken men de vlakte kon overzien. Wat den Prins betrof die, als een echte jager, voor geene hinder-palen terugdeinsde, hij bleef aan ’t hoofd der overigen recht toe recht aan het jachtveld houden, nu en dan een kort woord tot Heenvliet of Gourville richtende, maar bestendig het oog over de vlakte latende rondgaan, met diezelfde scherpte van blik en met diezelfde innige belangstelling, waarmede hij later zoo menig slagveld overzag.

Reeds hadden de honden, die met uitgerekten hals in gestrekten loop nu her- dan weder derwaarts voor de jagers uit het veld doorkruisten, twee- of driemalen een haas uit het leger doen opstuiven; doch telkens was het nagejaagde wild westelijk op gevlucht, naar de zijde, waar een breede, diepe sloot het weiland scheidde van den met struiken of kreupelhout bezetten duinkant, als had het de bewustheid, dat het aan gene zijde dier sloot voor vervolging Vrij zou wezen. En werkelijk, telkens hadden de goed onderwezen winden een najagen gestaakt, dat haas en honden buiten het weiland voeren, hen dus aan des meesters oog onttrekken, en dezen van zijn genoegen berooven zou. Dan, nu deden zij voor de vierdemaal een haas op; en nu, als ware het bij onderlinge afspraak, het zeel verdeelde zich; de spilgioenen bleven het vluchtende wild op de hielen volgen, en de winden, linksaf houdende, snelden vlug als het licht, en terwijl hun klauwen het weigras nauwelijks raakten, langs de sloot vooruit, om intijds aan het voorwerp hunner vervolging den overtocht af te snijden. Wakker repte intusschen het arme haas zijn loopers en hield nog een goeden afstand tusschen zich en de spilgioenen; daar genaakte het de sloot en maakte zich gereed te water te gaan. Een der winden echter had zijn oogmerk geraden, was vroeger reeds de sloot overgezwommen, en aan den overkant voortgesneld. Het haas, op het zien van den nieuwen vijand verschrikt, veranderde wederom van koers en rende het weiveld over, waar straks al de honden het achtervolgden, en, na hen, de jagers, met den Prins aan ’t hoofd, met blijde voldoening over de meesterljke krijgslist, door zijn geliefkoosden windhond in ’t werk gesteld.

„Wel!” riep hij Gourville toe, die zich in zijn nabuurschap bevond: „wat zegt gij van Diana? heeft zij het haas ook met beleid gekeerd?”   –   En, zonder naar antwoord te wachten, gaf hij zijn ros de sporen, deed het een hek overspringen, en rende voort over plassen en slooten, zich er weinig aan storende, of het water hem om de ooren spatte.

Ten gevolge van de belemmeringen, welke het jachtveld opleverde, waren spoedig de jagers verspreid en uit elkander geraakt; terwijl alleen zij, die de vlugste paarden bezaten en daarbij de beste ruiters waren, zich in staat bevonden, den Prins ter zijde te blijven. Op het laatst waren er maar drie meer in zijn onmiddellijke nabijheid: de eerste was Heenvliet, die, ondanks zijn gevorderde jaren, zijn gelijke niet kende, als hij in den zadel zat, doch die, als een oud hoveling, zorg droeg, dat de kop van zijn rijdier nooit verder kwam dan gelijk met het middellijf van des Prinsen paard: de tweede was Gourville, die een treffelijken draver had bestegen, en die altijd nog hoop voedde op een onderhoud met den Prins over de politieke zaken: de derde was Thomson, die metterdaad bewees, dat zijn meester hem niet zonder grond als een goed ruiter geprezen had, en die het paard van Jelissen, hoe rap ter been het ook ware, liet loopen, gelijk het stellig in zijn leven niet gedaan had, en op een wijze, waarover uw eigenaar gewis weinig gesticht zonde zijn geweest. De Prins, alleen aan het jacht-vermaak denkende, lette er nauwelijks meer op, wie hem ter zijde waren; en voor Heenvliet, hoe hoog hij anders de borst ook droeg, was op de jacht elk onderscheid van rang en stand verdwenen; maar Gourville vond goed, zich, met de lichtgeraaktheid van een parvenu, geërgerd te toonen, dat een kamerdienaar zich verstoutte, den Prins op zijde te blijven, en, na een paar toornige blikken op Thomson geworpen te hebben, duwde hij hem in gebroken Engelsch toe, dat Zijne plaats in de achterhoede was.

„Zoo gaat het,” antwoordde Thomson, met een onnoozelen blik: „er zijn meer kamerdienaars, die vooruitgeraken, zonder dat zij zelven weten, hoe.”

Deze toespeling op de betrekking, door Gourville vroeger bekleed, was te duidelijk: onwillekeurig hield deze zijn paard in, en zeide tegen Thomson: „ik moet u straks nader spreken.”

De Engelschman knikte toestemmend, zonder dat een plooi zich op zijn onbeweeglijk gelaat vertrok, en nu ging het, evenals tot nog toe, over de vlakte voort. Weldra was het haas de buit der honden geworden, en, in afwachting, dat zij er een tweede zouden opjagen, brachten de ruiters hun paarden weder in den stap. Gourville nam deze gelegenheid waar, om Thomson te wenken, en, schijnbaar zonder opzet, zich met hem naar de zijde van de sloot te begeven, waar zij, het verst van het overige gezelschap afgezonderd, naast elkander voortreden. Gourville ving, wederom in afschuwelijk Engelsch, het gesprek aan.

„Ik moet weten,” zeide hij, „of gij dien brief hebt gebracht.”

„Zoo ik er den Heer De Gourville mede genoegen kan doen,” antwoordde Thomson, in volkomen zuiver Fransch, „ben ik bereid het onderhoud in zijn moedertaal voort te zetten.”

„Gij spreekt Fransch!” riep Gourville, verbaasd: „maar dat is nu de vraag niet. Ik wil er mijn hoofd onder verwedden, dat gij den brief van Lord Arlington op mijn toilet hebt nedergelegd

„Dat niet alleen,” hervatte Thomson: „maar ik ben bereid, mij met uw antwoord op dien brief te belasten.”

„Hoe!” riep Gourville: „en uw meester……

„De Heer Sylvius weet van deze zaak niets af,” zeide de kamerdienaar.

„Niet!   –  maar wie zijt gij dan?” vroeg Gourville, meer en meer nieuwsgierig.

„Dat is onverschillig,” antwoordde de kamerdienaar: „iemand die bereid is, u te verplichten.”

„Maar hoe wilt gij, dat ik eenig vertrouwen in u stel,” vroeg Gourville, „indien ik geen waarborgen heb, dat het welgeplaatst is?”

„Die waarborgen kan ik u terstond geven,” zeide Thomson: „gij hebt den brief gesloten ontvangen, nietwaar?” „Met dubbele zegels,” antwoordde Gourville.

„Wel!” vervolgde de andere: „gij zult dan gewis geen zwarigheid maken om eenig vertrouwen in mij te stellen, wanneer ik u zeg, wat er in dien brief geschreven stond.”

„Gij zoudt dit weten?” vroeg Gourville, groote oogen opzettende.

„De Heer Bennet schrijft u……” zeide Thomson.

„Lord Arlington,” viel Gourville in, de titulatuur verbeterende.

„’t Zij zoo,” hernam Thomson: „indien gij hem liever bij dien naam hoort noemen. Lord Arlington schrijft u dat de Regeering van Zijn Britsche Majesteit ongeneigd is, de bemiddeling van Spanje aan te nemen, en dat de Heer De Witt de voorslagen, die gij hem hebt laten doen, waarschijnlijk evenzeer van de hand zal wijzen.”

„’t Is waar,” zeide Gourville, den spreker verwonderd aanziende.

„En voorts geeft hij u in bedenking,” vervolgde Thomson, „liever uwe pogingen aan te wenden, ten einde de partij van de zoodanigen te steunen, die hier te lande den Raadpensionaris uit den zadel zoeken te lichten.”

„Zoo is ’t,” zeide Gourville.

„Welnu!” hernam Thomson, hem strak aanziende: „welk antwoord moet ik aan Lord Arlington terugbrengen?”

Gourville zag een poos voor zich. „Ik zal er over nadenken,” zeide hij toen.

„Gij zijt geen vriend van De Witt,” hervatte Thomson, nadat beiden een wijl zwijgend hadden voortgereden.

„Waarom niet?” vroeg Gourville.

„Omdat hij u niet zoo voorkomend behandeld heeft, gelijk gij reden hadt van hem te verwachten,” zeide Thomson: „en omdat hij op dit oogenblik alles doet wat genoegen kan geven aan den Heer d’Estrades, die u tegenwerkt.”

„Gij gelooft……” zeide Gourville.

„Ik geloof……, zeer weinig,” antwoordde de ander op een luchthartigen toon: „wat ik u thans zeg, weet ik zoogoed als zeker. Het kan nooit dan lijnrecht strijdig zijn met de bedoelingen van Frankrijk, dat Spanje de rol van bemiddelaar in de bestaande geschillen zou op zich nemen: en wat De Witt betreft, hij wil geen ander bemiddelaar dan…… zich zelven.”

„Wie zijt gij toch?” riep Gourville, wiens verbazing telkens hooger klom.

„Ik zou u kunnen antwoorden, dat ik niemand anders ben dan de kamerdienaar van den Heer Sylvius,” antwoordde Thomson; „maar gij zoudt mij niet gelooven. Ik wil daarom liever eenvoudig weg zeggen, dat ik, evenals hij, een zendeling ben van Lord Arlington, maar dat hij een vrijgeleide bezit en ik niet, en het daarom verstandiger is, dat ik mij niet noem. Dit alleen wil ik u zeggen, dat, indien gij volbrengt wat van u verlangd wordt, mijn Koning zich niet ondankhaar betoonen zal. Voor ’t overige, vergeet ons onderhoud, en handel met Sylvius en met Buat.”

„Met Buat!” herhaalde Gourville.

Een jachtpartij„Gewis,” hervatte Thomson: „het zal u toch niet onbewust zijn, dat hij de tusschenman is.”

„Tusschen wie?” vroeg Gourville.

„Tusschen de Britsche Regeering en De Witt,” antwoordde Thomson: „en twijfelt gij, ziehier den brief, dien hij niet later dan gisteren aan Lord Arlington schreef,” en meteen haalde hij dien voor den dag en wees hem aan Gourville.

„Hoe nu!” zeide deze: „een geopende brief, en dien Lord Arlington nog niet gelezen heeft!”

„Gij kunt daaruit oordeelen, of ik eenige aanspraak maken kan op uw vertrouwen,” zeide Thomson, den brief weder wegbergende: „en nu, als gij aan de Britsche Regeering iets te schrijven hebt, het kanaal van Buat is veilig en zeker, ik herhaal het: en tevens, vergeet, dat gij mij ooit ontmoet hebt.   –   De jacht is weder aan den gang: zoo niet.... maar wat is dat?”

Om te weten, waar deze vraag van Thomson betrekking op had, dienen wij onzen lezers te verhalen wat even te voren gebeurd was. De bodem der weilanden, die men nu bejoeg, was iets hooger en daardoor minder dras dan die van de reeds afgejaagde, en dit had ook dat gedeelte van het gezelschap, ’t welk den binnenweg gevolgd was en zich reeds beklaagde, dat het alleen uit de verte mocht toekijken, den moed gegeven, mede op het jachtveld te komen, en zich, eer de jacht weder aanving, evenals de rest, in beweging te stellen. Dan opeens werd het paard van de Jonkvrouw Van Beverweert, die tusschen een drom van jongelieden reed, schichtig en ging met haar door. De meeste ruiters, en onder hen Buat, Bromley en Montpouillan, dreven hun paarden vooruit, om haar, zoo noodig, hulp te bieden; doch dit diende alleen om het ros der Jonkvrouw des te wilder te doen voorthollen.

„Zie eens,” zeide Van Espenblad tegen Sylvius, die zich toevallig naast hem bevond: „daar geeft ons Mademoiselle Van Beverweert het schouwspel eener jacht van een nieuwe soort en geheel buiten het programma.”

„Goede Hemel!” riep Sylvius: „de arme Jonkvrouw zal nog een ongeluk krijgen.”

„Vrees niets!” hernam Van Espenblad: „zij zit vast genoeg: maar zie, zij doet evenals het haas van zooeven en rent ook tegen den duinkant aan. Braaf Buat! houd u goed Bromley! Haar achterna als wakkere spilgioenen! Hoe jammer, dat Buat zijn eigen paard verkocht heeft om die kleine schuld aan mij af te doen. Maar waar is nu de windhond, die haar den weg af zal snijden?   –  Aha! daar vertoont er zich een. Braaf zoo! Wie is die man?”

„Hemel!” riep Sylvius, verbleekende: „wat onvoorzichtigheid!”    –  Hij had namelijk Thomson herkend in den ruiter, die, langs de sloot aan den duinkant voortrennende, juist intijds, op het oogenblik, dat het ros van de Jonkvrouw te water zou gaan, kwam aangieren, en den teugel greep van het hollende dier. De schok hierdoor veroorzaakt was zoo hevig, dat de beide paarden stortten, en de Jonkvrouw vrij onzacht op het veld zou zijn neergekomen, indien Thomson haar niet, met loffelijke tegenwoordigheid van geest, had vastgegrepen en haren val daardoor gebroken. Terzelfder tijd waren de drie Edellieden, die haar volgden, genaderd en sprongen van hun paarden af. Buat was ’t eerst gereed om de Jonkvrouw op te beuren en haar te vragen of zij zich niet bezeerd had.

„Henry!” riep zij, terwijl zij de oogen opsloeg met eene uitdrukking vol verwondering en teederheid.

„Waarlijk?” zeide Bromley, meesmuilend Buat aankijkende, die zelf niet weinig vreemd opzag van aldus door de Jonkvrouw bij zijn doopnaam te worden aangesproken.     –  Maar reeds was haar blik van hem afgewend en scheen iemand anders te zoeken. Blijkbaar vond zij niet wat zij zocht; althans haar gelaat drukte eenige teleurstelling uit. Zij begreep echter, niet te kunnen nalaten, haar erkentenis aan de jonge Edellieden te betuigen, en met een sterken blos op ’t gelaat zeide zij: „Ik bedank u, Mijne Heeren! maar wie.. . . wie heeft mijn paard gestuit?”

Bromley en Montpouillan zagen rond: maar Thomson was reeds dadeljk weder te paard gestegen en had zich bescheiden verwijderd achter de ruiters, die nu van alle kanten kwamen aandraven.

„Het was een dienaar van den Heer Sylvius,” zeide Buat: „verlangt de Jonkvrouw, dat ik hem roepe?”

„Ja…… of neen……” stamelde zij eenigszins verlegen, en scheen te aarzelen welk antwoord zij geven zonde, toen de komst van den Prins een afleiding aan de zaak gaf.

„ Ik hoop, dat mijn waarde cousine geen letsel heeft gehad,” zeide hij, den hoed met wellevendheid aflichtende.

„’t Is niets, Uwe Hoogheid!” antwoordde zij: „het doet mij maar leed, door mijne onhandigheid uw jachtvermaak gestoord te hebben.”

„O!” zeide de Prins, „de jacht is haren gang gegaan: en zie    –  de honden hebben intusschen hun tweeden haas gegrepen. Wij kunnen hen alzoo laten terugroepen en koppelen, en dan, als wij ons met het ontbijt, dat ons wacht, wat versterkt hebben, langs den duinkant terugkeeren, om te zien of er een konijn of wat te vangen is.”

Des Prinsen last werd volvoerd en het jachtgezelschap zette zijn weg met bedaarden stap naar Wassenaar voort.


[Jacob van Lennep pagina] – [13e hoofdstuk] – [15e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.