MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIJFTIENDE HOOFDSTUK,

’T WELK EEN VERVOLG IS OP HET VOORGAANDE.


Een jaar te voren zonde het kasteel van Wassenaar gewis een gastvrij onthaal aan het luisterrijke jachtgezelschap hebben verleend; maar de dood van den Baanderheer, in den noodlottigen zeeslag van 1665 omgekomen, was nog te versch geleden, dan dat, ook al hadden de erfgenamen des doorluchtigen Admiraals den Prins uitgenoodigd, op het slot te komen rusten, deze laatste er aan gedacht zon hebben, de uitnoodiging aan te nemen. De ruime herberg te dier plaatse was echter door de zorg van Boreel uitmuntend ingericht om de aanzienlijkste deelgenooten van de jachtpartij te ontvangen: terwijl de overigen zich, ’t zij in een nevenvertrek behielpen, ’t zij staande of wandelende hun honger en dorst zochten te stillen. Wat de paarden betrof, deze waren ňf in de stallingen en nabijgelegen schuren geplaatst, voor zooverre de ruimte het toeliet, ňf zij werden, na eerst heen en wedergeleid te zijn om te bekoelen, met dekjes tegen de kou beschut en, zooveel mogelijk buiten den tocht, aan de boomen op den weg vastgemaakt.

Het was bij gelegenheid van het heen- en wederloopen, ’t welk het natuurlijk gevolg dezer verrichtingen was, dat Buat Van Espenblad tegenkwam.

„Mijnheer Van Espenblad!” zeide hij, zijn hoed afnemende en zich buigende: „ik wenschte u een paar oogenblikken afzonderlijk te mogen spreken.”

„Waarom zooveel plichtplegingen?” vroeg Van Espenblad: „wat ik u bidden mag, wees gedekt, mijn waarde Heer! Ik ben bereid u te woord te staan.”

„Zoo UEd. ’t goedvindt,” hernam Buat, „zullen wij dit zijpad nemen, om zeker te zijn, dat men ons niet store!”

„Te drommel! Het schijnt iets van gewicht te zijn, dat gij mij te zeggen hebt, als het zooveel voorzorg vereischt,” zeide Van Espenblad, terwijl hij met Buat het zijpad insloeg, dat, achter de herberg om, tusschen een geschoren haag naar het kreupelhout aan den voet van ’t duin geleidde.

„Mijnheer!” begon Buat, toen zij ver genoeg verwijderd waren om niet gestoord te worden door een hunner jachtgenooten: „ik meen reden te hebben om mij over u te beklagen.”

Waarlijk?” vroeg Van Espenblad, terwijl hij stilstond en een snuifje nam, zonder dat zijn gelaat iets verloor van de goedmoedige, wellevende uitdrukking, die er doorgaans op lag.

„UEd. heeft het,” vervolgde Buat, „aan onderscheiden lieden, althans nog straks aan mijn vriend Sylvius, doen voorkomen, als ware ik in geldverlegenheid, en als hadde ik mijn paard verkocht om zekere kleine schuld aan UEd. te kunnen voldoen.”

„Zeer mogelijk, dat ik iets van dien aard heb gezegd, mijn waarde!” zeide Van Espenblad: „en wanneer ik nareken, dat die verkoop juist op den avond van mijn bezoek ten uwent moet hebben plaats gehad, dan is, naar ’t mij voorkomt, zoodanige gevolgtrekking niet al te lichtvaardig.”

„Mijnheer!” hernam Buat: „ik heb mijn schuld bij u afgedaan: en het kwam dus niet te pas, verder bij anderen daarover te spreken, althans niet op een wijze, die voor mijn krediet nadeelig zijn kan.”

„Ik kan toch niet denken,” hernam Van Espenblad, op honigzoeten toon, maar terwijl zoowel zijn woorden als een licht rood, dat op zijn voorhoofd zichtbaar werd, bewezen, dat hij innerlijk geraakt was: „ik kan toch niet denken, dat het de meening is van den Heer Buat, mij een les te willen geven omtrent hetgeen mij betaamt te zeggen of te zwijgen?”

„Misschien wel, Mijnheer!” antwoordde Buat: „ik heb nog meer ten uwen laste.”

„Ei!” zeide Van Espenblad: „dan spijt het mij, dat hier geen bank is, waar ik u, meer op mijn gemak, kan aanhooren, of dat gij dit onderhoud niet tot een meer gelegen tijd hebt uitgesteld.”

„Ik meen,” hernam Buat, „dat in gevallen, waar de eer op het spel staat, en waar wellicht een misverstand kan plaats hebben gehad, dat uit den weg geruimd behoort te worden, een verklaring deswege nimmer moet uitgesteld worden.   –   Tot de zaak. Iemand heeft aan den Heer De Witt verteld, dat ik, op den avondmaaltijd bij den Heer De Gourville, gezegd zou hebben, dat men vrede met Engeland kon sluiten, wanneer men wilde:    –  en wanneer ik op mijne beurt alles nareken, dan kan de zegsman niemand anders wezen dan de Heer Van Espenblad.”

„Vervolgens?” zeide deze, weder een snuifje nemende.

„Mij dunkt, wat er volgen moet is zeer duidelijk,” antwoordde Buat: „daar het u volkomen bekend is, dat ik zoodanige uitdrukking niet gebezigd heb, zoo zal UEd. wel de goedheid hebben, den Heer De Witt daaromtrent beter in te lichten.”

„Uw onderhoud, Mijnheer Buat! is altijd zeer belangrijk,” zeide Van Espenblad, den hoed even aflichtende: „maar toch durf ik niet aannemen, de uitdrukkingen, welke gij gelieft te bezigen, altijd onveranderd en woordelijk in mijn geheugen te zullen bewaren. Misschien heb ik op den bewusten avond u verkeerd verstaan: misschien ook hebt gij u niet zoo duidelijk uitgedrukt als gij anders gewoon zijt; maar ’t kwam mij voor, dat gij nagenoeg zoodanig gesproken hadt, alsof gij zeker waart, dat het van ons afhing, vrede te sluiten: en ofschoon ongehouden van te herhalen, wat tusschen den Heer De Witt en mij in een bijzonder gesprek verhandeld is, wil ik u wel zeggen, dat ik de woorden, door u gebezigd, in dien zin heb overgebracht.”

„In dat geval,” hernam Buat, „ vertrouw ik, dat UEd. te minder zwarigheid zal maken, om aan den Heer De Witt te zeggen, dat UEd. verkeerd verstaan heeft.”

„Ik vraag u, mijn waarde Heer!” zeide Van Espenblad, „of ik door zoodanige verklaring aan dien Heer te doen, niet bij hem den schijn op mij zou laden, alsof ik beschonken ware geweest en niet recht geweten had wat ik hoorde…… een schijn, welke ik te minder op mij wil laten rusten, omdat ik nog niet zoo geheel overtuigd ben, dat ik verkeerd verstaan heb.”

Welnu, Mijnheer!” zeide Buat, „in dat geval……

„Wat?” vroeg Van Espenblad, de borst opzettende, en hem uit de hoogte aanziende.

„In dat geval zal UEd. nader van mij hooren,” vervolgde Buat: „ik had mij gevleid, dat deze zaak tusschen ons beiden zou gevonden worden;   –   doch ik zie nu, dat het noodzakelijk zal wezen, er getuigen in te halen.”

Van Espenblad in discussie met Ritmeester Buat.„Mijnheer!” hernam Van Espenblad, op hoogen toon; „gij kunt u de moeite sparen, mij iemand te zenden. Ik treed omtrent de zaak in geene nadere verklaring; en wanneer het uwe bedoeling was, mij een uitdaging te doen toekomen, dan zeg ik u vooraf, dat ik die niet aanneem. Daargelaten dat het tweegevecht door de Staten verboden is, en ik niet mag medewerken om een wet te schenden, die ik moet helpen handhaven, zoo zou ik in geen geval strijden dan met mijns gelijke.”

„Hoe, Mijnheer!” zeide Buat: „mij dunkt, wanneer een Edelman, als ik, u op het terrein roept, is het aan u, dat eer aangedaan wordt.”

„Gij vergeet, Mijnheer!” zeide Van Espenblad, „dat gij    –  met al uw adel   –  niets meer zijt dan een dienaar van de Staten, en dat ik op dit oogenblik bij dat lichaam ben afgevaardigd.”

„Een fraaie uitvlucht om uw lafhartigheid te bedekken,” zeide Buat, die meer en meer in drift ontstak.

„Gij zult vergeefs pogingen aanwenden om mijn toom gaande te maken,” hernam Van Espenblad, de schouders ophalende: „gedragingen als de uwe kunnen alleen strekken om met medelijden beschouwd en beoordeeld te worden.”

„Ik begeer uw medelijden niet,” zeide Buat: „ik begeer, dat gij mij recht verschaft, ’t zij bij den Heer De Witt, ’t zij met de kling.”

„Ga heen, en slaap uw roes uit,” zeide Van Espenblad, zich half omwendende.

„Ik zal u dan moeten dwingen om mij voldoening te vragen,” riep Buat uit, de hand in een dreigende houding opheffende.

„’t Is dus, om mij vuistslagen te geven, dat gij mij op deze eenzame plaats geroepen hebt?” vroeg Van Espenblad, de armen over elkander slaande en hem met een ernstigen blik aanziende.

„Gij hebt gelijk,” zeide Buat, terwijl hij de hand weder liet zakken: „het is beter, dat ik u stokslagen toediene in tegenwoordigheid van het gansche hofgezin, opdat ieder u voor een lafaard kenne.”

„Ga uw gang,” zeide Van Espenblad: „gij zult er geene andere uitkomst door verkrijgen, dan dat men u voor een dolleman zal houden. Herinner u slechts de historie, die ons Gourville verteld, en de zedenleer, die hij er uit getrokken heeft. Gij hebt vrouw en kind, en het zoude mij leed doen, indien zij de slachtoffers werden uwer oploopendheid. Immers gij gevoelt zelf, dat een slag, aan een Lid van Hun EdelMogenden gegeven, in verband met andere zaken, die tot uw last zouden kunnen gebracht worden, u zuur zoude opbreken.”

Buat beet zich op de lippen: hij kon niet ontkennen, dat Van Espenblad waarheid sprak: maar het was hem onverdraaglijk te bespeuren, hoe deze tegen alle beleediging als met een ondoordringbaar harnas gewapend was.

„Gij hebt te veel vergeten,” vervolgde Van Espenblad, „dat, al mocht ik aan de speeltafel of in de kaatsbaan u als een makker en gezel behandelen, het verkeer, dat wij aldaar hebben, geen verandering brengt in de maatschappelijke stellingen, die wij bekleeden. Het doet mij te meer leed, omdat ik u genegen was, en u zulks meer dan eens, ook nog onlangs getoond heb.”

„Ja, door van mij een verklikker te willen maken,” zeide Buat, met bitterheid.

„Door u, toen gij, evenals Oudart ten vorigen jare, groote kans liep om in hechtenis te geraken, voor alle vervolging te vrij waren,” hernam van Espenblad: „door u in betrekking te brengen met den Heer De Witt, die u tot den rang van zijn vertrouweling en van geheimen onderhandelaar verheven heeft. Gij hebt het aan mij alleen te danken, dat gij hier vrij rondwandelen kunt: en hadde ik, om eenige onbeduidende gezegden, kwalijk verstaan of kwalijk overgebracht misschien, van uwen kant een zoo grove ondankbaarheid en een zoo boon ende behandeling kunnen verwachten?   –   Maar basta! gij hebt mij reeds lang genoeg om zulk een nietigheid van het gezelschap verwijderd gehouden. Ik vlei mij, dat gij mij zult verstaan hebben, en dat ik niet langer aan dergelijke ontmoetingen zal worden blootgesteld.”

Met deze woorden, welke hij van een koele buiging vergezeld deed gaan, sloeg Van Espenblad het pad weder in, dat naar de herberg voerde. Buat volgde hem langzaam, bleek van onmachtige gramschap, en bij zich zelven nadenkende over de middelen, langs welke hij zich voldoening zou kunnen verschaffen over het ongelijk, ’t welk hij beschouwde, dat hem door Van Espenblad, wat deze ook zeggen mocht, was aangedaan. Nauwelijks was hij op den heirweg, bij de herberg, teruggekomen, of Gourville, zich afscheidende van eenige Heeren, met wie hij wandelde, kwam op hem af.

O! ik zocht u, Mijnheer Buat,” zeide hij, hem onder den arm nemende en vertrouwelijk met hem ter zijde gaande: „ik heb vernomen, dat gij de man zijt, die onderhandelingen voert met het Hof van Engeland om den vrede aan dezen Staat te bezorgen:    –  en daar mijne komst hier geen ander doel heeft, heb ik begrepen, dat wij elkander wellicht op dat stuk zouden kunnen verstaan en onderling van dienst zijn.”

„Ik zal de eer hebben, mij, wanneer gij het verlangt, ter uwer beschikking te stellen,” zeide Buat, zich buigende.

Wel! dan hoe eer hoe beter maar,” zeide Gourville: „ morgenochtend, of morgenavond, zoo gij wilt.”

„Het zij gelijk gij ’t verkiest,” hernam Buat, „en ik neem deze gelegenheid te gretiger aan, omdat ik u toch wenschte te raadplegen over een zaak van eer, waarin ik niet twijfel dat uw ondervinding mij van dienst zal kunnen zijn.”

Hier werd hun onderhoud gestoord door Bromley, die met drift kwam toegeloopen.

„Waar schuilt gij toch?” vroeg hij aan Buat: „men zoekt u sinds een geruimen tijd overal als een speld. Mademoiselle Van Beverweert heeft naar u gevraagd.”

„Naar mij?” vroeg Buat.

„Men moet geen juffer laten wachten,” zeide Gourville: „ ik hoop u dan eerlang ten mijnent te zien?”

„Ik zal niet in gebreke blijven,” antwoordde Buat, en meteen begaf hij zich met Bromley naar de herberg. Hier stond de schoone Jonkvrouw voor de deur in gesprek met eenige Dames en jonge Edellieden. Zoodra zag zij echter Buat niet, of zij kreeg een kleur, en, het onderhoud, dat zij voerde, af brekende, trad zij naar hem toe.

„Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest, Mijnheer Buat!” zeide zij, „u behoorlijk te bedanken voor den mij bewezen dienst.”

„Ik mag, helaas! uw welwillende dankbetuiging niet aannemen,” zeide Buat: „mijn wil was goed; maar ik ware te laat gekomen, indien een ander niet reeds uw hollend ros gestuit had.”

Terwijl hij aldus sprak, had zij zijn arm genomen, en was een eind weegs met hem opgewandeld, zoodat zij zich buiten gehoor van het gezelschap bevonden.

„En die ander?” vroeg zij, eenigszins verlegen haar blauwe oogen op hem richtende: „wie was hij? ’t kwam mij voor, dat gij hem genoemd hadt.”

Hoewel Buat er nooit aan gedacht had, zijn hof aan de bekoorlijke kleindochter van Prins Maurits te maken, en zijn Elizabeth nog te innig liefhad, om aan een andere te denken, zoo was toch zijn eigenliefde gestreeld geweest door de onderscheiding, waarmede de hooggevierde Jonkvrouw hem aldus voor de oogen van het geheele Hof behandelde, en zijn ijdelheid vond zich een weinig gekwetst, toen hij bemerkte, dat de gedachten van Mademoiselle Van Beverweert minder met hem bezig waren dan met een onbekenden kamerdienaar. Hij bedekte echter zijn spijt en antwoordde op beleefden toon:

„De man, die zoo gelukkig was, u zoo tijdig hulp te bieden, is een Engelschman, een kamerdienaar van mijn vriend Sylvius.”

„Waarlijk?” vroeg de Jonkvrouw, met een uitdrukking van verwondering, ’t zij over de omstandigheid dat Sylvius een kamerdienaar had, ’t zij over de wakkere tegenwoordigheid van geest, door iemand uit dien stand aan den dag gelegd.

„En,” vervolgde zij, na een poos te hebben nagedacht: „sedert wanneer is de Heer Sylvius hier?” „Sedert gisteravond,” antwoordde Buat.

„Die man heeft mij het leven gered,” hernam zij, na weer een korte pauze: „hij heeft aanspraak op belooning.”

„Hij zal er u zeker dankbaar voor zijn,” zeide Buat: „zoo gij aan Sylvius of aan mij iets voor hem ter hand wilt stellen, zullen wij ons een van beiden met genoegen belasten hem dat blijk uwer welwillendheid over te brengen.”

„Neen!” hernam de Jonkvrouw, wederom blozende: „dat niet. Dergelijke diensten laten zich niet met geld alleen betalen. Iemand, die ons het leven redt, hoe laag zijn stand ook zijn moge, heeft voor ’t minst recht, dat wij hem in persoon onzen dank betuigen.”

„Gewis zal die persoonlijke dank de waarde uwer gift verhoogen,” zeide Buat: „wilt gij, dat ik hem opzoeke en aan U voorstelle?”

„Neen,” antwoordde de Jonkvrouw: „niet hier..., dergelijke openbare vertooningen zijn niet naar mijn smaak. Het voegt beter, dat hij aan mijn woning kome. Zoudt gij de goedheid willen hebben, te zorgen, dat die man zich aan de huizinge mijns vaders vervoege, en naar mij vrage.”

„Ik zal uw last volvoeren,” zeide Buat, zich buigende: „wanneer wilt gij, dat hij kome?”

„Heden blijf ik ten Hove eten,” antwoordde zij: „morgenochtend zal het niet schikken. Laat het dan morgenavond zijn.”

„Ik zal zorgen, dat hij er is,” hernam Buat.

„’t Is wel: ik reken er op,” hervatte zij: „maar toch,” vervolgde zij met zekere aarzeling in haar stem: „ik heb nog een verzoek.”

„Elk verzoek van Mademoiselle Van Beverweert is een bevel voor mij,” zeide Buat.

„De dwaze figuur,” hernam zij, „die ik straks gemaakt heb, heeft mij reeds genoeg gehinderd, en het zou mij dubbel kwellen, zoo het algemeen bekend werd, dat ik door een kamerdienaar gered ben en mij, om zoo te zeggen, in zijn armen bevonden heb. De man heeft zich met bescheidenheid verwijderd..., en de overigen kunnen denken, dat gij het waart, aan wien ik mijn leven te danken heb.   –  Laat de menschen in die meening.... ik heb dat liever…… en spreek met niemand van hetgeen die man gedaan heeft.”

„Ik beloof het u,” zeide Buat, onwillekeurig glimlachende over hetgeen hem in de Jonkvrouw een vrij zonderlinge pruderie voorkwam: „intusschen zal Sylvius toch dienen te weten, waar ik zijn bediende heenzend.”

„Nu ja!” hernam zij: „ten gevalle van Sylvius moogt gij een uitzondering maken;   –  maar anders aan niemand:   –  en thans, heb de goedheid, mij weder naar het gezelschap te geleiden.”

„Gelukkig sterveling!” fluisterde Bromley onzen held in ’t oor, toen deze, na de Jonkvrouw teruggeleid te hebben in den kring, dien zij verlaten had, zich met bescheidenheid weder op eenigen afstand van daar begeven had.

„Wat bedoelt gij?” vroeg Buat, op koelen toon.

„Nu! veins maar, mij niet te verstaan,” hernam Bromley, de schouders ophalende: „wanneer de schoonste der schoonen u, in een oogenblik van onnadenkendheid, bij uw doopnaam noemt, vervolgens een glans van vergenoegen op ’t gelaat krijgt, wanneer zij u terugziet, en vertrouwelijk, voor ieders oogen, met u op- en nederwandelt, dan mag men daar toch wel de gevolgtrekking uit opmaken, dat zij u niet ongenegen is.”

„Zij heeft mij willen bedanken voor hetgeen ik straks gedaan heb: dat is alles,” zeide Buat.

„Nu ja,” hervatte Bromley: „zij heeft mij ook bedankt; maar toen bloosde zij niet. Wat dunkt er ú van, Mijnheer Sylvius?”

„Ik denk,” zeide deze, die inmiddels genaderd was, „dat het voor de huiselijke rust van Buat zeer gelukkig is, dat Mevrouw Buat zich niet hier bevond.”

„Komaan! begint gij nu ook al den draak met mij te steken?” vroeg Buat: „ik geef u mijn woord, dat mijn goede vrouw volkomen gerust kan zijn omtrent mijn verhouding tot Mademoiselle Van Beverweert.   –  Maar dat daargelaten. Waar is uw kamerdienaar, Sylvius! ik wenschte hem iets te vragen.”

„Ik veronderstel, dat hij bij de paarden zal gebleven zijn,” antwoordde zijn vriend.

„Ik zal hem daar gaan zoeken,” hernam Buat: „ik wenschte tevens eens te zien, of de beesten goed verzorgd zijn.”

En meteen zich van het gezelschap verwijderende, begaf hij zich naar een afgelegen schuurtje, dat mede te dezer gelegenheid tot paardenstal was bevorderd. Aan den ingang was de man, dien hij zocht, op een bankje gezeten, en bezig om zich in zijn eenzaamheid den tijd te verdrijven, met het orberen van een broodje, ’t welk hij niet zonder moeite voor geld en goede woorden had weten te bekomen.

Master Thomson!” zeide Buat: „ik heb een boodschap voor u!” en meteen deelde hij hem mede, hoe de Jonkvrouw hem bescheiden had.

„Ik zal de eer hebben, mij bij haar te laten vinden,” antwoordde Thomson: „ maar, zoo gij een boodschap hadt aan mij, Mijnheer Buat! ik heb er ook eene aan u.”

„Wel?” vroeg Buat.

„Namelijk, of gij dit briefje nog heden in ’t geheim in handen van Zijn Hoogheid kunt en wilt stellen?”

„Dit briefje!” herhaalde Buat, terwijl hij de verwonderde oogen beurtelings liet heen en weder dwalen, van den spreker op het dichtgevouwen biljet zonder opschrift, dat deze hem had overgereikt, en van het biljet weder op den spreker.

„Ja,” antwoordde Thomson: „gij zult toch wel gelegenheid vinden, om een woord in ’t geheim tot Zijn Hoogheid te richten.”

„Dat is de vraag nog,” zeide Buat: „en een tweede is, of ik mij met een boodschap als deze wil en mag belasten. Van wien komt dit briefje?”

„Zijn Hoogheid zal het u zeggen, indien hij ’t noodig oordeelt,” antwoordde de kamerdienaar.

„Hoor eens, master Thomson!” hernam Buat: „ik heb er machtig weinig trek in, de kans te loopen, dat de Prins dit papier verscheurt en mij de stukken in ’t aangezicht smijt.”

Daarvan zult gij geen kans loopen,” zeide Thomson, glimlachende: „ik sta er u voor in.”

„Een schoone waarborg!” zeide Buat: „waarom wendt ge u niet tot uw meester?”

„Omdat die over zee is,” antwoordde Thomson, koeltjes.

„Hoe! is dan de Heer Sylvius….

„Niet volkomen,” viel Thomson in: „het is waar, ik had mij eerst tot hem kunnen wenden; maar ik houd er van, steeds den kortsten weg te gaan, en daarom richt ik mijn verzoek onmiddellijk tot u.”

„En de oplossing van dit raadsel.…

„Zal u geworden, zoodra dit veilig geschieden kan. Nogmaals, gij zult mij den geringen dienst niet weigeren, dien ik van u vorder; te minder, daar zulks in het belang van uw meester is.”

„Welnu! het zij zoo,” zeide Buat, het briefje bij zich stekende.

„Nog iets!” hernam Thomson: „wel waarschijnlijk zal de Heer Sylvius hedenmiddag ten Hove genoodigd worden. In dat geval zult gij mij onder de dienaars vinden, wanneer gij mij mocht noodig hebben: en anders vertoef ik in de herberg aan den uitgang van ’t Bosch.”

Buat zag, nogmaals den spreker met een doordringenden blik aan, doch daar hij uit de onveranderlijke trekken van Thomson niets te maken wist, gaf hij ’t op, en keerde naar de herberg. Niet lang duurde het, of de Prins begreep, dat menschen, paarden en honden genoeg ververscht en uitgerust zouden wezen, en men de jacht hervatten kon. De ruiters bestegen hun paarden weder en het gezelschap nam langs den duinkant den terugtocht aan naar Den Haag; terwijl onderweg nog eenige der menigvuldige konijnen, die de grootste hindernis uitmaakten tegen het ontginnen dezer streek, de eer genoten, door de windhonden van Zijn Hoogheid te worden gevangen. Aan het Huis ten Bosch scheidde men gelijk men gekomen was: de leden van ’s Prinsen hofhouding bleven echter aldaar te gast: een eer, welke ook aan sommigen onder de jachtgenooten, als aan Van Espenblad, Sylvius en Gourville ten deel viel. Doch toen laatstgemelde, na den afloop van het middagmaal, Buat zocht, om door zijn tusschenkomst een afzonderlijk gehoor bij den Prins te verwerven, en te dien einde onvoorzichtiglijk de deur van eene der nevenkamers opende, trad hij verwonderd en verlegen terug, toen hij aldaar Zijn Hoogheid in ernstig onderhoud vond met iemand, die naast hem gezeten was, en in wien hij, Gourville, master Thomson herkende.

Buat had de gelegenheid gevonden, het briefje aan den Prins ter hand te stellen, en, op diens last, den kamerdienaar heimelijk bij hem gebracht.


[Jacob van Lennep pagina] – [14e hoofdstuk] – [16e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.