MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DE KAMERDIENAAR THOMSON LEGT BEZOEKEN AF.


Het was in den avond van den dag, volgende op dien, waarop de jachtpartij had plaats gehad, en de klok had juist vijf geslagen, toen de kamerdienaar van Sylvius zich aan de Huizinge Van Beverweert vervoegde, en den lakei, die hem de deur opende, verzocht, aan de Jonkvrouw te berichten, dat de persoon, dien zij besteld had, gekomen was. De lakei scheen bereids de noodige bevelen ontvangen te hebben; althans hij liet Thomson in een benedenzaal, waar hij een brandende kaars nederzette, en ging toen zijn jonge meesteresse roepen. Thomson scheen, als de meeste kamerdienaars, op zijn gemak gesteld: hij schoof een leuningstoel bij den haard, zette zich, strekte zijn beenen over de plaat uit, en wachtte zoo de komst der Jonkvrouw af. Niet lang echter werd zijn geduld op de proef gesteld, en weldra hoorde men het gerucht van voetstappen op de trap. Eer echter de deur openging, had Thomson den tijd gehad zich snel weder op te richten en naar het midden van het vertrek te begeven, waar hij thans, in eerbiedige houding, de schoone Jonkvrouw afwachtte. Zij trad binnen in een eenvoudig, doch hoogst bevallig huisgewaad van wit satijn, waarover zij een jakje droeg van gele stoffage, met wit bont gevoerd en omzoomd. Haar kapsel was ingericht in den stijl, welken eene der beroemdste vrouwen van het Hof van Lodewijk XIV, Madame de Sévigné, onlangs in den smaak gebracht had, en ontelbare blonde krullen omzoomden als een gouden franje het leliewit en bekoorlijk gelaat. Eenige oogenblikken bleef zij in de deur staan en liet met aandacht haar schoone blauwe oogen op Thomson rusten: eerst toen, zich tot den lakei wendende, die achter haar stond: „gij kunt heen gaan, Roelof!” zeide zij.

De lakei boog, verliet het vertrek en trok de deur achter zich toe. Doch ook na zijn vertrek bleef de Jonkvrouw nog lang de onbeweeglijke houding en gelaatstrekken aanstaren van den man, in wiens tegenwoordigheid zij zich bevond, eer zij het stilzwijgen brak.

„Gij hebt mij een grooten dienst bewezen, Jonkman!” zeide zij eindelijk, in ’t Engelsch, terwijl zij met een geborduurd beursje scheen te spelen, dat zij in de hand hield.

„Ik moet dubbel het toeval zegenen,” antwoordde Thomson, altijd nog zonder zich te roeren, „dat mij naar Holland gevoerd heeft, sinds het mij daartoe in de gelegenheid stelde.”

Het geluid dezer stem nam allen twijfel weg, die nog bij de Jonkvrouw mocht zijn overgebleven.

„Henry!” riep zij: „gij zijt het dan wezenlijk?”

„Gij hadt mij dan nog niet herkend, Isabella!” zeide de gewaande kamerdienaar op een toon van teeder verwijt.

Maar reeds was zij op hem toegesneld en hem met hartelijkheid om den hals gevlogen. Spoedig echter wond zij zich weder uit zijn omhelzing los en zeide, met een uitdrukking van angst op het gelaat:

„Wat onvoorzichtigheid!”

„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de persoon, wien zij Henry genoemd had, doch die wij bij voortduring vooralsnog Thomson zullen blijven noemen: „ ik kon niet langer leven zonder u te zien.”

„Gij wist toch,” hervatte zij: „dat ik met het voorjaar naar Engeland zou overkomen. Moest gij uwe veiligheid dan in de waagschaal stellen, en hadt gij geen geduld zoolang te wachten?”

„Zal ik u de waarheid zeggen?” vroeg Thomson.

„En aan wie zult gij die zeggen, zoo niet aan mij?” zeide de Jonkvrouw.

„Gij hebt gelijk,” hernam hij lachende: „maar in de betrekking, welke ik bekleed, wordt het waarheidspreken iets zoo ongewoons, dat men ook zijn beste vrienden soms diende te waarschuwen, als men plan heeft, daartoe bij uitzondering eens over te gaan. Zie, u wil ik niet bedriegen, en al zoude ik u willen wijsmaken, dat verlangen naar u de eenige reden was mijner overkomst, gij zoudt zulks toch op den duur niet gelooven. Neen, hoe ik ook wenschte u weder te zien, ik zou gepoogd hebben, geduld te oefenen, indien ik niet een weddenschap had aangegaan met dien dolleman van een Sedley, dat ik naar Holland zou oversteken, er drie dagen vertoeven, in dien tijd een onderhoud hebben met den Prins, met d’Estrades en met U,   –  en terugkeeren zonder in hechtenis genomen te zijn.”

„Zeer vleiend voor mij,” zeide Isabella: „gij doet, om een weddenschap te winnen, wat gij niet gedaan zoudt hebben uit liefde voor Isabella Van Beverweert.”

„Zonder die liefde voor u had ik de weddenschap nooit aangenomen,” hernam Thomson, de blanke hand, welke zij teruggetrokken had, weder vattende en met kussen bedekkende: „nu verschaft mij die weddenschap een dubbel genoegen: u weder te zien, en Sedley, wanneer ik terugkeer, van spijt te doen bersten.”

Wanneer gij terugkeert,” zeide Isabella: „doch dit is nog lang zoo zeker niet, waaghals die gij zijt! Voorwaar, alleen een Engelschman is in staat zulke dolle streken te begaan.... ofschoon niemand die verwacht zou hebben van u, die, de hemel weet hoe, u een naam van deftige bezadigdheid verworven hebt.”

„Bij de menigte, ja,” zeide Henry, lachende: „maar vraag aan wie mij beter kennen, of het niet juist ten gevolge van geheel tegenovergestelde hoedanigheden is, dat ik bij Old Rowley in zoo blakende gunst sta.”

„’t Is waar,” zeide de Jonkvrouw, „dat gij een uitnemend tooneelspeler zijt   –  en dat doet mij dikwijls voor de toekomst vreezen.”

„Geloof mij, Isabella,” zeide Thomson, terwijl hij zich weder in den leunstoel zette en de jonge schoone naar zich toe trok: „alleen mijn liefde voor u is geen vertooning.”

„Ik moet u wel gelooven,” zeide Isabella: „of ik zou mij al te ongelukkig gevoelen. Maar zeg mij   –  hoe hebt gij toch gisteren de schromelijke onvoorzichtigheid kunnen begaan, van u bloot te stellen aan zoovele nieuwsgierige oogen? Is dit geen roekelooze vermetelheid?”

„Het blijkt van neen,” antwoordde Thomson: „want niemand heeft mij herkend:   –  en zelfs gij scheent zooeven nog te twijfelen.”

„Inderdaad”, zeide Isabella, „die afschuwelijke, roode pruik vermomt u zoozeer, en gij hebt zulk een domme, koude uitdrukking aan uwe anders zoo sprekende gelaatstrekken weten te geven, dat ik nauwelijks geraden zou hebben, wie zich achter dat masker verschool, zoo niet, op het oogenblik toen ik van ’t paard viel, mijn blik den uwen had ontmoet.”

„En uw uitroep mij bijkans verraden had,” zeide Thomson.

„Inderdaad,” zeide de Jonkvrouw: „ik meen mij te herinneren. dat, in dat oogenblik van schrik en verrassing, mij uw naam ontglipte.   –   Gelukkig schijnt niemand dien gehoord te hebben.’

„Neen,” zeide Thomson: „behalve misschien de Heer Buat, die, zoo ’t mij is voorgekomen, voor uw redder doorgaat en het zich laat aanleunen.”

„Op mijn verzoek,” zeide Isabella: „ik ken hem als een man van eer, en, toen ik meende, u herkend te hebben, wist ik aan niemand beter den last op te dragen om u tot deze samenkomst te noodigen,   –  Maar ik bedenk daar..., hij is de vriend van Sylvius.... weet hij ...

„Nog niets,” antwoordde Thomson: „en ’t is vooreerst nog niet noodig, dat iemand mij kenne, behalve de drie personen, die ik gewed heb te zullen gaan zien.”

„Maar hoe zult gij daartoe geraken?” vroeg Isabella.

„Wel!” antwoordde Thomson: „ik ben reeds voor tweederden geslaagd. U zie ik thans: den Prins heb ik gisteren gesproken: en van hier ga ik naar d’Estrades.”

„En vreest gij niet, dat deze u zal overleveren?” vroeg Isabella, beangst.

„Tot nog toe niet,” antwoordde Thomson: „en, in allen gevalle, wie zijn doel wil bereiken, dient iets te wagen. Maar laten wij daar niet over spreken: de oogenblikken, welke ons geschonken worden, zijn zoo kort, dat wij die wel alleen aan onze liefde mogen wijden.”

„Stil!” zeide zij : „ik beef ieder oogenblik, dat iemand ons komt overvallen: de hemel weet, of het niet reeds opspraak geeft bij mijn dienstboden, dat ik mij hier zoolang onderhoud met een man wien niemand kent.”

„Wel!” hernam Thomson: „er is dunkt mij een zeer eenvoudig middel om alle praatjes te voorkomen. Verzoek uw Heer vader, zich hier te begeven.”

„Neen! dat niet,” zeide Isabella: „het is beter, dat mijn vader nimmer van uw overkomst onderricht worde: gij kent hem: hij is zwaartillend, en bovendien bevreesd, ongenoegen met onze Regenten te krijgen. Een geheim als dit zou hem loodzwaar op het hart drukken en hem al zijn rust ontnemen.   –  Maar ga nu, Henry!    –  ga!   –  gij zijt hier reeds te lang geweest.”

„Is het Isabella, die mij dat zegt?” vroeg Thomson, met een weemoedig verwijtenden blik.

„Ach!” hervatte zij : „gij weet immers te goed, hoe ik niets vuriger zou verlangen, dan dat gij immer bij mij blijven mocht. Maar noch mijne eer, noch uwe veiligheid gedoogen een langer onderhoud. Ga dus, Henry! en de Hemel bescherme u voor de gevaren, welke gij zoo roekeloos trotseert.”

„Nog één woord,” zeide Thomson: „het is mij uit uw laatsten brief gebleken, dat gij mij een week te voren er een geschreven hadt: en deze is mij niet geworden:   –  een bewijs, dat het middel van correspondentie, door ons gebezigd, niet altijd even zeker is.”

„Hebt gij een ander gevonden?” vroeg Isabella.

„Misschien wel,” antwoordde hij: „indien gij uw brieven den Heer Buat toevertrouwdet: zijn correspondentie met Engeland heeft plaats met voorweten van den Heer De Witt en wordt dus niet bemoeilijkt.”

„En denkt gij,” vroeg zij, „dat Buat genoegzame bescheidenheid bezit, om……

„Gij kent hem beter dan ik,” zeide Thomson: „en kunt dit dus beoordeelen.”

„Ik zal er over nadenken,” hernam zij: „en nu, mijn Henry! vaarwel!”

Dit vaarwel was echter niet het laatste, dat van wederszijden gesproken werd. Wat Thomson betrof,

he often took leave, but seem’d loth to depart.

En ook de Jonkvrouw, in weerwil dat zij gestadig herhaalde, dat haar minnaar zijn bezoek volstrekt niet langer rekken moest, scheen alles behalve genegen om hem te laten gaan. Er is intusschen een einde aan alle dingen: en ten leste opende dan ook Isabella de deur, riep den bediende, en gaf hem last, den gewaanden kamerdienaar uit te laten.

„Ziezoo!” zeide deze laatste bij zich zelven, toen hij zich op straat bevond: „tot dusverre is alles voordewind gegaan. Zien wij nu of het derde bezoek evenzeer zonder hindernis zal gebracht worden.”

Aldus peinzende, hoe hij ’t best zou aanleggen, zich bij d’Estrades te vertoonen, wandelde hij naar diens Huizinge toe, op het Voorhout gelegen. Daar gekomen, scheen hij opeens zijn plan gevormd te hebben; althans hij wandelde met een stouten stap door de open huisdeur en stapte toen, zonder zich verder aan te melden, het wachtvertrek in, waar een drietal lakeien zaten kaart te spelen.

„Hoe is het, vriendje?” vroeg een hunner, zijn knevel opzettende, en den onbescheiden indringer met een norschen blik van ’t hoofd tot de voeten metende: „denkt gij dat het hier de vleeschhal is of de kroeg, dat gij zoo maar zonder aan te kloppen binnenkomt?”

„Verschoon mij,” zeide Thomson: „ik wenschte bij den Heer Pomard te worden toegelaten.”

,.Bij den Heer Pomard!” herhaalde de lakei, altijd op denzelfden barschen toon: „de Heer Pomard is niet te spreken.”

„Dat zou mij verwonderen,” hernam Thomson: „want hij heeft mij zelf ontboden.”

„Zoo!” zeide de lakei, hem met een oog van twijfel aanziende: „wien moet ik dan aanmelden?”

„Zeg hem dat Whitefield er is, en zoo gij kunt, wat spoedig,” antwoordde Thomson, ongeduldig wordende en een toon van gezag aannemende, die wel niet in overeenstemming was met de rol, welke hij speelde, doch die niet naliet indruk te maken op den lakei, meer gewend, aan bevelen te gehoorzamen, dan aan verzoeken te voldoen. Hij verwijderde zich dan ook, en kwam na verloop van een korten tijd terug met de boodschap, dat de Heer Pomard den Heer Whitefield zou afwachten. Thomson volgde hierop den lakei, die hem, eenige trappen hoog, naar de kleine nette kamer bracht, waarin de kamerdienaar van den Gezant, bij een helder brandend haardvuur, aan tafel was gezeten en bezig scheen met het schrijven van brieven van uitnoodiging voor een gastmaal, ’t welk zijn meester dacht te geven.

„Geef Mijnheer een stoel, La Fleur!” zeide, met een bevende stem de Heer Pomard, een bleek, mager mannetje, van een ziekelijk voorkomen: „en laat ons alleen.”

Terwijl Thomson plaats nam en de lakei het vertrek verliet, zette de kamerdienaar des Graven, met een hand, die niet minder beefde dan zijn stem, zijn bril recht en bekeek met aandacht zijn bezoeker.

„Nu! herkent gij mij niet, Monsieur Pomard?” vroeg Thomson, met een vrij barsche stem.

„Is liet toch inderdaad zoo? Is het wel mogelijk?” vroeg Pomard, de handen samenvouwende, terwijl de zweetdruppelen, die langs zijn gelaat stroomden, van innerlijken angst getuigden: „maar wil UEd. ons dan beiden verderven!”

„Wat u betreft: neen,” antwoordde Thomson: „gij hebt mij tot nog toe te goed gediend, dan dat ik aan zoo iets zou denken; en wat mij betreft, zoo is dat een zaak, waarvoor ik wel alleen zal zorgen.   –  Hoor eens wat mij hier voert: ik moet den Heer Graaf spreken.”

„De Heer Graaf bevindt zich In zijn kabinet,” zeide Pomard, een beweging makende naar de deur: „zal ik u aandienen?”

„Vindt gij,” vroeg Thomson, lachende, „dat ik in deze kleedij en met deze roode pruik er naar uitzie, om, door de dubbele deuren der apartementen heen, plechtstatig bij Zijn Excellentie te worden binnengeleid. Neen, Monsieur Pomard! ik moet bij den Graaf als ’t ware binnengesmokkeld worden, zoo bijwijze van verrassing. Er is zeker wel een geheime toegang tot zijn kabinet, langs welken gij mij tot hem brengen kunt.”

„Onmogelijk!” zeide Pomard.

„Waarom?” vroeg Thomson: „er is niets onmogelijk, en vooral niet voor iemand, die de schranderheid en het vlug vernuft bezit van Monsieur Pomard.”

„Maar,” hernam deze, terwijl hij zich het gelaat met zijn zakdoek afdroogde: „indien de Heer Graaf er achter komt, dat ik u bij hem gebracht heb, jaagt hij mij weg.”

„Dan weet gij, dat gij een goede retraite bij mij hebt,” zeide Thomson.

„En ware dat nog het ergste gevaar, dat mij kon overkomen,” vervolgde Pomard, „maar hij liet mij gekneveld naar Frankrijk vervoeren om daar misschien voor mijn leven tusschen de vier muren der Bastille geplakt te worden.”

„Kom! kom!” hernam de onverbiddelijke Thomson: „de Bastille is alleen voor groote Heeren.”

„Zoo gelooft men buitenslands,” zeide Pomard: „omdat de lieden alleen notitie nemen van de groote Heeren, die er heengezonden worden en er toch allen weer uit geraken; maar arme drommels als ik worden er opgesloten zonder dat ooit meer een haan naar hen kraait.”

„Nu!   –  dat is alles mogelijk,” zeide Thomson: „gij weigert dus, mij den dienst te bewijzen, dien ik van u vorder?”

„Ik moet wel,” antwoordde Pomard.

„Zeer wel!’ zeide Thomson: „dan zal morgen de Heer Graaf onderricht worden, dat zekere Monsieur Pomard nu en dan een oog heeft in zijn geheime correspondentie, en uittreksels daarvan zendt aan master Whitefield, Mutsenmaker, Strand, Londen, welke master Whitefield inderdaad niemand anders is dan....”

„Om ’s hemels wil! UEd. zal mij toch niet zoo ongelukkig maken,” zuchtte de kamerdienaar, de handen wringende en zich voor Thomson op de knieën werpende.

„Kom!” zeide deze, de schouders ophalende: „laat ons toch geen tooneelvertooningen hebben: gij weet, dat gij in mijne macht zijt, en dat gij zult moeten eindigen met mijn wil te doen.”

„En hoe kom ik in uw macht?” vroeg Pomard, opspringende, terwijl de hevige overspanning, bij hem teweeggebracht, zijn angst tot woede en radeloosheid deed overslaan: „omdat ik door uw goud mij heb laten verlokken om ontrouw tegen mijn goeden meester te plegen. Maar ik zal mij bij hem begeven, ik zal hem mijn schuld bekennen, en hij zal mij vergiffenis schenken, om de groote en belangrijke vangst, welke ik hem in handen lever.”

„Gij raaskalt, oude!” zeide Thomson, terwijl hij altoos even bedaard bleef zitten en een tandenstoker voor den dag haalde, van welken hij zich bediende: „wat praat gij toch van mij te leveren, als ik zelf vrijwillig hier kom om mij aan uw meester te vertoonen?   –  En wat zegt het, of hij u al vergiffenis schenkt voor de ontrouw, tegen hem gepleegd, zoolang ik in het bezit ben van zekere akte, welke mij het eerst macht over u gegeven heeft. Gij weet al te goed, dat, zoo gij mij dient, het niet alleen is om den wille van mijn goud, maar ook en vooral omdat ik door het opzenden van dat bewuste stuk aan den Luitenant-Crimineel te Parijs, het bewijs kan leveren, dat Monsieur Pomard inderdaad niemand anders is dan zekere Michel Servin, voor eenige jaren ontsnapt van de galeien van Rochefort, waar hij wegens vervalsching was heengezonden.”

„O mijn God! wat zal ik doen?” riep Pomard uit, terwijl hij het hoofd moedeloos hangen liet.

„Wat gij doen zult?   –  Wijs wezen en mij gehoorzamen. Antwoord nu! is er niet zoo iets als een geheime trap, die naar het kabinet van uw meester geleidt?”

„Ja,” antwoordde Pomard, met een zucht. „Waar komt die trap uit?”

„In de steeg, die langs de huizinge loopt.” „Goed!   –   en boven?”

„Op een gang.”

„En waarheen leidt die gang?”

„Aan de eene zijde naar de bovenvertrekken, aan de andere naar een kamertje, dat met het kabinet van den Heer Graaf gemeenschap heeft.”

„Voortreffeljk!   –  Gij brengt mij, buiten om, naar die trap.”

„Onmogelijk!” hernam Pomard: „de deur in de steeg kan alleen van binnen worden geopend.”

„Om ’t even,” zeide Thomson: „dan laat gij mij uit: ik loop het huis om, gij gaat binnendoor en ontsluit mij de geheime deur.”

„Er is nog eene zwarigheid,” zeide Pomard, nadenkende.

„Welke?’

„Het is.... dat het op slag van zeven uren is, en dat juist te zeven uren zich iemand aan die deur moet aanmelden.”

„Zoo?” vroeg Thomson lachende: „een liefdesavontuur?   –   Ik dacht niet, dat de Graaf zich daar nog mede ophield.”

„Neen,” antwoordde Pomard: „het is een vertrouwd vriend van den Heer Graaf, zekere Heer Van Espenblad.”

„Ik ken hem,” zeide Thomson, nadenkende: „den vriend van al wie hem betaalt, en geen haar beter dan gij, Pomard! al zijt gij op de galeien geweest, en al zit hij in de vergadering van Hun Edel-Mogenden. Laat dit een troost voor u zijn. In allen gevalle ben ik niet bang voor dien Heer Van Espenblad. Gij laat hem eerst in: en vervolgens mij.”

„Hoe! UEd. wil het wagen....

„Ik herhaal u, dat dit mijne zaak is. Handel, gelijk ik u gelast, en gij zult zien, dat gij volstrekt geen gevaar zult loopen, over mijn bezoek te worden lastig gevallen. Er zal zelfs geen vermoeden van medeplichtigheid op u rusten.”

„In ’s hemels naam dan,” zeide Pomard, zuchtende: „het zal weldra tijd wezen.”

„Laten wij dan gaan,” vervolgde Thomson: „gij zult mij uitgeleide doen tot buiten de voordeur, en zorgen dat de lakeien later kunnen zweren, dat zij mij hebben zien vertrekken.”

Pomard gaf door een flauwen hoofdknik zijn goedkeuring over dezen maatregel van voorzorg te kennen, stak eenige der op tafel liggende briefjes hij zich, bracht Thomson naar beneden, en riep, toen hij aan de voordeur gekomen was, met luider stemme: „La Fleur! Jasmin!”

„Wat is er?” vroegen de lakeien, voor den dag springende.

„Gij zult zorgen, dat deze uitnoodigingsbrieven aan hun adressen besteld worden: nog hedenavond, hoort gij?   –  Vaarwel, vriend Whitefield! tot wederziens!”

En met deze woorden de hand schuddende van Thomson, keerde hij naar binnen. Thomson daarentegen liep de straat een eind op, keerde toen terug, en stelde zich achter een boom, van waar hij het oog hield op het steegje naast de huizinge.

Niet lang duurde het, of hij zag iemand, in een donkeren mantel gewikkeld, die. van de zijde van ’t Korte Voorhout afkomende, voorzichtig langs de huizen sloop, en toen het steegje insloeg, waar Thomson weldra hoorde, dat met drie regelmatige tusschenpoozen aan een deur geklopt, en deze kort daarop geopend werd. Hij haastte zich nu, denzelfden weg in te slaan, en, aan de deur gekomen, welke wederom gesloten was, stond hij in beraad of hij insgeljks zich op dezelfde wijze als zijn voorganger zou aanmelden, toen er behoedzaam weder opengedaan werd.

„Stil!” fluisterde Pomard, terwijl hij Thomson inliet: „maak geen geluid, en wees voorzichtig: het is hier donker, en meteen, na de deur weder gesloten te hebben, nam hij Thomson hij de hand, en geleidde hem langs een wenteltrap naar boven tot zij zich op een smalle gang bevonden.

„Hier verlaat ik u,” zeide Pomard, nauwelijks hoorbaar: „ik ga links naar mijn kamer terug: gij zult rechts, aan het eind van de gang, de deur vinden, die naar een soort van doorloop, en langs dezen, naar het kabinet mijns meesters voert. Maar gij verzekert mij, geen booze voornemens tegen den Heer Graaf te koesteren?”

„Zot!” zeide Thomson: „Zie ik er uit als een sluipmoordenaar?”

En meteen begaf hij zich naar de deur, welke Pomard hem gewezen en de voorzichtigheid had gehad, open te laten staan: binnengetreden, zag hij, hij het flauwe licht eener lamp, die van de zoldering hing, dat hij werkelijk, als de kamerdienaar gezegd had, zich in een doorloop bevond, doch die tevens gebezigd werd om kleederen en huisraad te bergen of van de hand te zetten. Het geluid van stemmen, dat hij nevens zich hoorde, toonde hem meteen de noodzakelijkheid aan, om zelf geen gerucht te maken, zoo hij niet ontijdig ontdekt wilde worden: doch tevens gaf het hem de overtuiging, dat hij zich van het kabinet des Gezants alleen door een hangtapijt gescheiden vond, en dus alles zou kunnen hooren, wat daarbinnen gesproken werd. De eerste woorden echter, welke hij verstond, brachten hem in geen geringe verlegenheid: het was d’Estrades, die tegen Van Espenblad zeide:

„Ik geloof waarlijk, dat die ezel van een Pomard vergeten heeft, de deur van den doorloop te sluiten, en daar men zich tegen alle luisteraars moet beveiligen, zult gij mij veroorloven, mij even daarvan te gaan verzekeren.”

Thomson had ternauwernood den tijd om zich achter een kast in een donkeren hoek te verbergen, toen het hang-tapijt werd opgelicht en d’Estrades hem voorbijging, de deur sloot en den sleutel bij zich stak, en toen weder naar zijn kabinet terugkeerde, zonder hem te hebben opgemerkt.

„Hij kiest zeker een schrander middel uit, om zich tegen luisteraars te beveiligen,” zeide Thomson bij zich zelven: „ik zit als een muis in de val; doch geduld maar: ’t zou wel ongelukkig wezen, indien ik niets hoorde, waar partij van te trekken ware.”


[Jacob van Lennep pagina] – [15e hoofdstuk] – [17e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.