MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, WAT IN HET KABINET VAN D’ESTRADES VERHANDELD WERD.


„Wel!” vroeg d’Estrades aan Van Espenblad, nadat beiden plaats hadden genomen: „brengt gij mij goede tijding?”

„Hm!” antwoordde Van Espenblad: „de pogingen, welke ik bij onze Afgevaardigden heb aangewend, beginnen goed te slagen: het gestrooide zaad valt in geen onvruchtbaren grond:

maar wat ik te dien opzichte verricht heb, zal later blijken.   –   Ik heb u op dit oogenblik een zaak van meer gewicht te openbaren.”

„En die is?”

„De Prins heeft gisteren een agent van Engeland bij zich ten gehoore toegelaten.”

„Ja,” zeide d’Estrades: „dat heb ik vernomen: zekeren Sylvius, denzelfden, met wien de Ritmeester Buat correspondentie houdt.”

„Van Sylvius spreek ik niet,” hernam Van Espenblad: „die heeft zich openlijk hier vertoond: hij is bij den Heer De Witt geweest, heeft met den Prins niet dan ten aanhoore van ’t geheele Hof eenige woorden gewisseld, en iedereen weet, wat hij in zijn schild voert. De man, wien ik bedoel, is op een geheimzinnige wijze bij Zijne Hoogheid toegelaten: hij was vermomd en niemand kende hem; maar het ontbreekt ten Hove nooit aan luisteraars en lasteraars, en zoo ben ik er achter gekomen dat hij den Prins heeft aangeraden, een openlijke demonstratie te doen.”

„Inderdaad! En vreest de Heer De Witt……

„Toen ik hedenmorgen bij hem was, wist hij nog niets: althans hij heeft mij over niets gesproken; maar het schijnt, dat de woorden van den onbekende indruk op den Prins gemaakt hebben: ten minste hij heeft, niet zonder eenigszins van zijn gewone voorzichtigheid af te wijken, te kennen gegeven, dat hij een reisje wilde doen door de steden van Holland.”

„Een reisje!” herhaalde d’Estrades.

„En gij gevoelt,” vervolgde Van Espenblad: „wat hij van dat middel hoopt en verwacht. De domme gemeente moet door zijne verschijning worden opgewonden: en dan zullen   –  zoo althans stelt hij zich de zaak voor   –   de Regenten, uit vrees voor oproer, zich meer rekkelijk op het punt zijner bevordering toonen.   –  Ik heb het noodig gedacht, u met dat fraaie plan het allereerst bekend te maken, ten einde u in staat te stellen, er uw profijt mede te doen.”

„Ik vertrouw,” zeide d’Estrades, „dat de Heer De Witt niet gedoogen zal, dat die dwaze reis plaats hebbe.”

„Veroorloof mij, hieromtrent met u van gevoelen te verschillen,” zeide Van Espenblad: „ik houd mij overtuigd, dat het verhinderen dier reis een verkeerde politiek van de zijde des Heeren De Witt zou wezen.”

„ Hoe legt gij dat uit?” vroeg d’Estrades verwonderd.

„Vooreest,” zeide Van Espenblad, „zou het als een daad van tirannie en verdrukking worden uitgekreten, en er, wel beschouwd, ook eenigen schijn van hebben: in de tweede plaats, zou het een zekere vrees verraden; terwijl het juist van belang is voor den Raadpensionaris, te toonen dat hij boven dergelijke kleingeestige bezorgdheid verheven is: en eindelijk, ten derde, houd ik het er voor, dat niets wenschelijker zou zijn, dan het ontstaan van een klein oproer hier of daar.”

„Hoe!” riep d’Estrades: „gij zoudt dat wenschelijk achten?”

„Gewis,” antwoordde Van Espenblad: „omdat men te voren zijn maatregelen nemen kan, om het te beteugelen. Vriend en vijand doen zich bij zoodanige gelegenheid kennen: men heeft een heerlijke aanleiding om de leiders der tegenpartij in staat van beschuldiging te stellen, hare kracht daardoor te breken en zijn eigen gezag met dubbelen klem te handhaven. Zou Pisistratus wel ooit oppermachtig te Athene geworden zijn, indien er niet zeer van pas een samenzwering tegen hem gesmeed ware geweest?”

„Het blijft de vraag,” zeide d’Estrades, nadenkende: „of die oppermacht van De Witt voortdurend wenscheljk is.”

„Hoe!” riep Van Espenblad: „heeft hij zich niet ten allen tijde den oprechten bondgenoot van Frankrijk getoond?   –  En is het niet werkelijk uw Koning, die hier regeert, wanneer De Witt hier regeert?”

„Dat kan ik nog zoo volmondig niet toegeven,” zeide d’Estrades, het hoofd langzaam schuddende: „en wanneer ik overweeg, dat hij bestendig de politiek van Frankrijk ten opzichte der Spaansche Nederlanden blijft dwarsboomen……

„Het verwondert mij, u daarover te hooren klagen,” merkte Van Espenblad aan: „heeft hij niet aan uwen Koning een plan tot deeling der Nederlanden doen voorslaan?”

„Praatjes om tijd te winnen,” zeide d’Estrades: „en waar mijn Regeering zich niet door laat om den tuin leiden. Bloote woorden, maar die ik weinig tel, waar daden spreken. Heeft hij niet geweigerd, ons verzoek om den afstand van Maastricht zelfs in overweging te doen nemen? en is het niet aan zijn ijverzucht te wijten, dat aan onze troepen, toen zij naar Overijsel trokken, de vergunning, om door de Spaansche Nederlanden te trekken, door Castel-Rodrigo geweigerd is?”

„Daartoe behoefde voorwaar de Markies niet door De Witt te worden opgezet,” zeide Van Espenblad.

„Om ’t even,” hernam de Graaf: „ik acht De Witt hoog, ik houd van hem, ik verlang zelfs niets vuriger, dan dat hij in Holland met de leiding der zaken belast blijve; maar ik beschouw het daarentegen als gevaarlijk dat hij zich voortdurend tot autocraat over de Zeven Gewesten opwerpe: het is noodig, dat hem in de Republiek zelve, buiten Holland, een tegenwicht gegeven worde; en daartoe kunt gij mij wellicht van dienst zijn, Van Espenblad!”

„Ik ben steeds bereid, u te dienen in al wat betameljk is,” antwoordde Van Espenblad: „alleen besef ik niet, waar gij zoodanig tegenwicht zult zoeken.”

„Zoeken behoeft niet,” zeide d’Estrades, „waar reeds gevonden is!”

„Gevonden!” riep Van Espenblad: „en wie is de man uit onze landgewesten, dien gij aan De Witt zoudt kunnen tegenover stellen?”

„Het is geen man,” antwoordde d’Estrades: „het is eene vrouw: Prinses Albertina, de Voogdes van den jongen Stadhouder van Friesland en Groningen.”

„Zij!” riep Van Espenblad verwonderd.

„Zij zelve,” vervolgde d’Estrades: „ik heb haar, toen zij dezen zomer in Den Haag was, duidelijk aangetoond, hoe haar moeder, de Prinses-Douairičre, die op niets uit is dan om de belangen van Prins Willem voor te staan, haar gezag in Friesland en Groningen zoekt te ondermijnen, ja aldaar reeds een grooten aanhang gevormd had: ik heb haar aangetoond, hoe haar belang vorderde, dat zij zich onder de bescherming stelde van Frankrijk:   –  en het is mij gelukt haar te overtuigen, dat voor haar geen andere keus bleef.”

„Maar,” zeide Van Espenblad: „ik zie niet in, hoe dit bondgenootschap, met Prinses Albertina gesloten, het gezag van De Witt verminderen zou, wiens politiek toch evenzeer tegen die van de Prinses-Douairičre gekant is.”

„Gij zult dit spoedig begrijpen,” hernam d’Estrades: „de Fransche hulpbenden zijn thans in Overijsel.”

„Welnu?”

„Zij wachten alleen op het einde van den Munsterschen krijg, om, op het verzoek van Prinses Albertina, Friesland en Groningen te bezetten, en haar gezag in die Gewesten krachtig te handhaven.”

„En voorts?” vroeg Van Espenblad, peinzende.

„Is het u nog niet duidelijk genoeg?” hernam d’Estrades: „hebben eenmaal onze troepen aldaar voet gekregen, dan hangt Prinses Albertina, met al wie op haar zijde is, van ons af: en mocht eenmaal De Witt plannen vormen, strijdig met de belangen van Frankrijk, dan vindt hij aan die zijde een tegenstand, desnoods door onze wapenen gesteund.”

„En,” vroeg Van Espenblad: „op welke wijze kan ik u van dienst zijn, om dat ontwerp te doen gelukken?”

„Door uw invloed bij Groningens Afgevaardigden ter Generaliteit,” antwoordde d’Estrades: „ik heb reeds onder de hand de Friesche Heeren, Bronsma en Van Haren, op dat stuk gepolst: en ik meen, op hen te kunnen bouwen;   –   maar Groningen heeft nieuwe Afgevaardigden gezonden: een hunner is, meen ik, met u verwant: en gij moet den weg tot hen voor mij effen maken, en hen voorbereiden op hetgeen ik hun te verzoeken zal hebben.”

„Ik herhaal het,” zeide Van Espenblad: „ik ben steeds tot uwen dienst, in deze gelijk in alle zaken:   –  maar ik zie nog niet in, hoe het houden van een kleine bezetting, in verafgelegen Gewesten, als Friesland en Groningen, uwen Koning tot werkelijk nut zal strekken, zoolang hij geen meester is van de Spaansche Nederlanden. En mijns bedunkens, zoude Zijne Majesteit juist nu de schoonste gelegenheid hebben om daar zijn troepen heen te zenden, zonder dat zelfs De Witt het kwalijk nemen kon.”

„Inderdaad?” vroeg d’Estrades: „en hoe dat?”

„Er is,” vervolgde Van Espenblad, „zoo straks uit Brussel bericht gekomen, dat, zoo in Brabant als in Vlaanderen, ten platten lande volk geworven wordt om den Bisschop van Munster hulp te bieden.”

„Toch niet met toelating van den Landvoogd?” vroeg d’Estrades.

„Neen,” antwoordde Van Espenblad: „integendeel neemt hij de houding aan, zulks te verbieden: ’t is dan ook meer de godsdienstijver dan de politiek, die bij deze wervingen in ’t spel is; maar met dat al, wanneer dit verbod niet krachtig wordt gehandhaafd   –  en dit schijnt het geval niet te zijn - dan staat het met oogluikende goedkeuring gelijk. En, daar de Bisschop op dit oogenblik een vijand is van Frankrijk, zouden die wervingen, gevoegd bij andere redenen van ongenoegen, een geschikt voorwendsel kunnen opleveren, om een beweging van troepen te wettigen.”

„Het denkbeeld is niet slecht,” zeide d’Estrades, goedkeurend knikkende: „ik dank er u voor en zal er den Heer De Lionne onmiddellijk over schrijven.”

„Ik hoop, Heer Graaf!” zeide Van Espenblad, „dat gij u tevens herinneren zult, wat ik vroeger de eer had u onder het oog te brengen.”

„O ja!” antwoordde de Graaf, met een glimlach: „Dat gij voor uw gezondheid gaarne een meer zuidelijke lucht zoudt inademen. Maar, mijn Waardste! gij ziet er immers uit als een wolk.”

„De Heer Boreel is oud en ziekelijk,” hervatte Van Espenblad, zonder die loftuiting op zijn uitzicht te beantwoorden: „en de Heer Van Beuningen is niet rekkelijk en volgzaam genoeg naar den zin van uwe Regeering:   –   gronden te over, waarop de Heer De Lionne, ondershands, aan de Witt zou kunnen te kennen geven, dat een ander Ambassadeur niet onwelkom zou wezen aan het Fransche Hof.”

„Wees overtuigd,” zeide d’Estrades, „dat de Heer De Lionne, zoowel als de Koning mijn Meester, volkomen bekend zijn met de schatting, waarin ik u houde.”

In weerwil van al zijn slimheid en menschenkennis, was Van Espenblad toch genoeg door ijdelheid verblind, om deze woorden van den Graaf voor een compliment op te nemen, en hij boog zich op de wellevendste wijze.

„Maar om terug te komen op dien man, met wien Zijn Hoogheid gesproken heeft,” zeide d’Estrades: „wie kan hij zijn geweest, naar uwe meening?”

Een gesprek tussen de heren Van Espenblad, d'Estrades en Thomson„Ik weet het niet,” antwoordde Van Espenblad: „ik heb onderzoek gedaan, en bevonden, dat in de laatste dagen aan niemand, behalve aan Sylvius, vrjgeleide was gegeven; doch ik heb den Heer Fiskaal verwittigd, die onmiddellijk last gegeven heeft, de ijverigste nasporingen in het werk te stellen: de kerel moge zich nog zoo goed schuilhouden.... maar wat is dat?”

„Wat?” vroeg d’Estrades.

„Ik meende iets in gindschen doorloop te hooren,” zeide Van Espenblad.

„Onmogelijk! daar kan zich niemand bevinden, en de gangdeur heb ik zelf gesloten.    –  Gij zeidet dan.

„Dat, al hield de kerel zich nog zoo schuil, de rakkers van den Heer Fiskaal hem wel zouden op ’t spoor komen, en dan. ... maar ik bedrieg mij niet: daarbinnen moet zich iemand bevinden.”

„Inderdaad,” zeide d’Estrades, luisterende: „ik meen ook....”

„Wie is daar?” vroeg Van Espenblad, opstaande.

„Dat ben ik,” zeide Thomson, het hangtapijt oplichtende en zich aan de beide verbaasde Staatslieden vertoonende: „ik, die u mijn vriendeljken dank kom brengen voor de tijdige waarschuwing.”

„Wie is die man?” riep d’Estrades, naar een hoekkast loopende, waar hij een koppel pistolen had liggen.

„Wie zijt gij?” riep Van Espenblad uit, zijn degen half uittrekkende.

„Hoe nu!” hernam Thomson lachende: „maakt een weinig valsch haar dan zulk een verandering in mijn wezen, dat geen uwer een ouden vriend meer herkent?’

„Henry Bennet!” riep Van Espenblad uit, den degen weder in de scheede latende vallen.

„Lord Arlington,” riep d’Estrades, de kast, welke hij geopend had, weder dichtwerpende en naar zijn plaats terugkeerende.

„Henry Bennet, Lord Arlington, om u te dienen, Mijne Heeren!” zeide de Engelsche Staatsdienaar, hen beurtelings met een spotachtigen blik aanziende.

„Maar valt gij dan uit de lucht?” vroeg d’Estrades.

„Niet volkomen,” antwoordde Arlington, naar de schouw opziende: „ik ben geen schoorsteenveger.”

„Maar hoe en van waar komt gij dan hier?” vroeg nogmaals de Gezant, bij wien de verbazing begon plaats te maken voor gramschap en spijt.

„Mijn Hemel!” zeide Arlington: „hoe ik hier kom is immers onverschillig, nu ik eenmaal hier ben. Bij mijn ziel, mijn waarde Graaf! ik heb een tijd gekend, dat gij uw vrienden een betere ontvangst bereiddet. Ik zie nog, dat ik genoodzaakt zal zijn zelf een stoel te krijgen.”

„Mijn vrienden…” herhaalde d’Estrades, den indringer met een verstoorden blik aanziende: „ik geloof dat Lord Arlington vergeten heeft, dat hij zich op vijandelijk grondgebied bevindt.”

„Dewijl gij de dwaze vermetelheid hebt, gelijk een mug in de kaars te vliegen,” zeide Van Espenblad, „zult gij het mij niet ten kwade duiden, Lord Arlington! dat ik u, in naam der Staten, gevangenneem.”

„Wees toch niet kinderachtig, Mijnheer de toekomstige Ambassadeur aan ’t Hof van Frankrijk!” antwoordde Arlington lachende, terwijl hij zijn schouder terugtrok uit den greep van Van Espenblad: „gij weet zoogoed als ik, dat de Staten geen rechtsgebied bezitten binnen de Huizinge van den Franschen Gezant.”

„Maar gij weet ook,” zeide d’Estrades, „dat gij, in de Huizinge van den Franschen Gezant, op Franschen bodem zijt, en dat deze op dit oogenblik, even zoomin als de Republiek, straffeloos door een onderdaan zijner Britsche Majesteit betreden wordt: zoo ik mijn plicht wil opvolgen, moet ik terstond mijn dienaars roepen en u in hechtenis doen nemen.”

„Ja, maar gij zult te dien opzichte uw plicht niet opvolgen,” hernam Arlington, „en uw belang beter inzien.” Dit zeggende, haalde hij een stoel naar zich toe, en zette zicht met het koelbloedigste gelaat van de wereld, daarin neder.

„Maak geen complimenten,” zeide d’Estradres, bleek van toom.

„Dat doe ik nooit onder vrienden,” antwoordde Arlington, een tandenstoker voor den dag halende en er zich van bedienende, terwijl hij beurtelings d’Estrades en Van Espenblad aankeek.

„Vrienden!” herhaalde d’Estrades.

„Oude kennissen, zoo gij dat liever hoort,” hernam Arlington.

„Ik moet zeggen, dat heet de stoutheid ten top drijven,” zeide Van Espenblad: „begeert de Heer Graaf, dat ik zijn dienaars roepe?”

D’Estrades wenkte met de hand van neen, en, zich wederom tot Arlington wendende:

„In één woord, wat komt gij hier doen?” „U een bezoek geven,” antwoordde de Lord. „En verder?”

„En verder niets,” zeide Arlington.

„Zijt gij van een vrijgeleide voorzien?” vroeg Van Espenblad.

„Ik ben hier bij den Graaf d’Estrades,” zeide Arlington: „en ken u hier de bevoegdheid niet toe van mij te ondervragen.”

„Wel mogelijk!” zeide Van Espenblad, een snuifje nemende: „maar dan zal uw Lordschap zich moeten getroosten bij den Heer Graaf te blijven: immers, eens op straat gekomen, hebt gij groote kans een gedwongen wandeling naar de Voorpoort te doen.”

„Gij zult de weinige ruimte, die daar aanwezig is, wel noodig hebben om de deelgenooten der aanstaande samenzwering te plaatsen,” zeide Arlington, meesmuilende.

„Wat samenzwering?” vroeg Van Espenblad.

„Die bij de rondreis van Z. Hoogheid moet uitbarsten,” antwoordde Arlington, „en het gezag van den Heer De Witt bevestigen.”

Van Espenblad zweeg en nam een geweldige dosis snuif.

„Moge de Voorpoort al vol zijn,” zeide d’Estrades: „de Bastille is het nog niet, en ik geloof, dat ik aan de zaak mijns meesters een goeden dienst bewees, zoo ik u gevangen opzond naar Parijs.”

„Toch over Brussel, hoop ik,” zeide Arlington: „dan kan ik in het voorbijgaan, aan den Markies van Castel-Rodrigo vertellen, welk een heerlijk plan hier gesmeed werd om de Spaansche Nederlanden te bezetten. Komt, Mijne Heeren!” vervolgde hij, terwijl d’Estrades zich op de lippen beet: „laten wij toch het onderhoud niet op zulk een dwazen toon voortzetten: „gij hebt geen andere keus, om u van mijn stilzwijgendheid te verzekeren, dan ňf mij om den hals te brengen, ňf mij van uwe zijde hetzelfde vertrouwen te betoonen, hetwelk ik u geschonken heb, toen ik mij vrijwillig herwaarts begaf.”

De kalme houding, welke Arlington bleef bewaren, deed de gewenschte uitwerking op d’Estrades. Nu de eerste ontroering en drift voorbij waren, begon hij zelf te beseffen, dat een geheim onderhoud met den Britschen Secretaris van Staat, die tegen een schranderen, in het vak vergrijsden en doorkneeden diplomaat als hij, toch, naar hij meende, niet was opgewassen, hem waarschijnlijk meer dienst zou doen dan diens inhechtenisneming. Hij begreep echter tevens, een dubbele behoedzaamheid in acht te moeten nemen, uithoofde van de tegenwoordigheid van Van Espenblad, wien hij maar al te bekwaam achtte, om hem te verraden aan anderen, evenals hij anderen aan hem verraden had.

„My Lord!” zeide hij, eindelijk, een toon aannemende, waarin nog wel een gevoel van gekrenkte waardigheid, maar geen zweem van spijt of gramschap meer te herkennen was: „ik verlang niets liever dan een zoodanig onderhoud met u te hebben, als voegzaam is tusschen mannen van ons beider stand en betrekking. Maar uw Lordschap zal mij bekennen, dat de wijze, waarop gij hier verschenen zijt, gevoegd bij uw vermomming en uw luisteren achter de deur, al hetwelk weinig past aan iemand, die zulk een hoogen rang bekleedt als uw Lordschap   –  zonder nog zelfs te spreken van de vredebreuk tusschen de Koningen, die wij dienen   –  het in mij zoude rechtvaardigen, zoo ik u eenige koelheid toonde: en een verklaring van uwe zijde zou met eenig recht door mij kunnen gevorderd worden.”

„Nu spreekt gij als een orakel, mijn waarde Graaf!” antwoordde Arlington: „en gij zult mij ten volle bereid vinden, om u rekenschap te geven van mijn handelwijze. Dat ik mij uit Engeland naar Den Haag heb begeven, zal toch wel geene verwondering bij u wekken. Niemand toch beter dan de schrandere d’Estrades zal overtuigd zijn, dat men in eenen dag meer ziet door eigen oogen, dan in zes maanden door die van anderen, en dat een gesprek van een uur ons verder brengt dan een briefwisseling van een jaar. Dat ik iets waagde, wist ik te voren: doch ik waagde misschien minder dan iemand anders. Gij telden hebt mij zooeven bedreigd: en toch vrees ik uw bedreigingen niet; want een Secretaris van Staat is geen Gringam, geen Oudart, die men achter vier muren plakt, zonder dat iemand er zich aan gelegen laat liggen: en ik zou in allen gevalle terstond een lastbrief, geteekend Charles Rex, uit mijn zak kunnen halen, waarbij ik gernachtigd werd om over den vrede te komen handelen… of liever mij zelven machtigde: ik had hem slechts in te vullen. Ziedaar nu mijn antwoord op uw eerste vraag. Dat ik vermomd kom, daarvoor zal ik wel geen verschooning behoeven: en evenmin, dat ik, in stede van mij aan de groote voorpoort van deze Huizinge aan te melden, onzen vriend Van Espenblad gevolgd ben, en achter hem ben ingeslopen door het kleine deurtje, dat hij vergeten had te sluiten.”

„Ik meende, dat Pomard het deurtje gesloten had,” viel Van Espenblad in, een weinig ongeloovig opziende.

„Ik ken geen Pomard,” zeide Arlington, de schouders ophalende, en een goedmoedig gezicht zettende: „ik ken alleen het toeval, dat mij ten deze bijzonder gediend heeft. En nu, wat ten slotte mijn onbescheidenheid betreft…… ik weet niet, of ik daarvoor wel verschooning behoef, en of een van de beide Heeren, tot welke ik de eer heb te spreken, niet evenzeer gebruik zoude gemaakt hebben van een zoo gunstige gelegenheid, om twee beroemde en schrandere staatslieden vertrouwelijk met elkander te hooren praten.”

„Maar uw Lordschap weet toch, dat het luisteren naar gewichtige geheimen bijwijlen hoogst gevaarlijk worden kan voor den luisteraar,” merkte d’Estrades aan.

„Ja! en dat de luisteraars zelden goed hooren spreken van hen zelven,” voegde Arlington er bij. „Doch wat daarvan wezen moge, noch het een noch het ander geval is op mij toepasselijk: en wat u gewis, evenals mij, het vreemdst moet voorkomen, is dat, in weerwil gij beiden op dit oogenblik vrienden heet te zijn van den Heer De Witt en vijanden van mijn Meester, gij nog uw goed gesternte danken moogt, dat ik het ben, die achter het hangtapijt zat en niet de Raadpensionaris. Inderdaad,” vervolgde hij, terwijl zoowel de Gezant als Van Espenblad zwegen, „toen ik daarginds mijn ooren spitste, dacht ik wonderwat te zullen vernemen van uw plannen, om afbreuk te doen aan de macht van Groot-Brittannië: en zie! juist daarvan heb ik niets vernomen. Gij zult mij bekennen, dat ik het wel ongelukkig getroffen heb.”

„Inderdaad!” zeide d’Estrades, meesmuilende: „voor een Britschen Staatsminister hebt gij niet veel gehoord, dat uwe bijzondere belangstelling wekken kon.”

„Maar,” vervolgde Arlington: „dat stilzwijgen over mijn Koning, en over den oorlog, dien gij tegen hem voert, heeft mij toch aan den anderen kant niet weinig voldoening geschonken: het heeft mij op het vermoeden gebracht, dat het met dien oorlog zoo ernstig niet gemeend is, en dat wij elkander beter zouden kunnen verstaan, dan ik vroeger geloofd had.”

„Vlei u daar niet mede, My Lord!” zeide d’Estrades: „de Koning mijn meester meent het zeer ernstig met de ondersteuning van zijn bondgenooten.”

„En Hun Hoog-Mogenden,” voegde Van Espenblad er bij, „zullen evenzeer van geene schikking willen hooren, op den voet door den Heer Van Gogh voorgeslagen.”

„Recht officiëel gesproken,” zeide Arlington: „maar laten wij eens aan die taal der hooge diplomatie vaarwelzeggen, en vertrouwelijk, als oude vrienden, over de belangen onzer wederkeerige Staten van gedachten wisselen. En dan, mijn waarde Graaf! zult gij mij bekennen, dat het geenszins de politiek, zoomin als het plan van uw Koning is, den mijnen te beoorlogen, alleen om mede te werken tot vermeerdering van de macht des Heeren De Witt.”

„Mijn Koning wil alleen zich trouw betoonen aan de gesloten tractaten,” zeide d’Estrades.

„Tractaten!” herhaalde Arlington: „ik wil aannemen, dat hij den schijn zal bewaren, van aan Hun Hoog-Mogenden hulp te bieden...

„Den schijn!’, hernam d’Estrades: „heeft dan de Koning niet werkelijk den Heer Pradel aan ’t hoofd zijner troepen tegen Munster gezonden?”

„Ja,” antwoordde Arlington: „om hun langzamerhand den weg te leeren kennen naar Maastricht en Gulik en, zoo mogelijk, ook naar Friesland en Groningen. Maar ik spreek niet van dat onbeduidend krijgvoeren tegen Munster: ik houd staande, dat Lodewijk XIV een te Koninklijk hart in zijn boezem ronddraagt, om op den duur tegen zijn Koninklijken Broeder van Engeland den Republikeinschen trots van De Witt en de zijnen te stijven.”

„Er is hier geen sprake van de bijzondere genegenheden mijns Konings,” zeide d’Estrades: „ik weet, hoezeer hij persoonlijk uw doorluchtigen Meester achting en genegenheid toedraagt; maar hij heeft aan Hun Hoog-Mogenden eenmaal bijstand toegezegd tegen Groot-Brittannië, en hij zal zijn Koninklijk woord nimmer breken.”

„Wilt gij met mij wedden, d’Estrades!” vroeg Arlington: „dat de Fransche vloot de havens der Middellandsche Zee niet verlaten zal?”

„Gij zoudt verliezen, My Lord!” antwoordde d’Estrades: het bevel daartoe is reeds verzonden.”

„Alsof er nooit tegenbevel gezonden ware,” zeide Arlington, de schouders ophalende.

„De vloot zal in ’t Kanaal komen,” hernam d’Estrades: „en waarschijnlijk vroeger dan u lief is.”

„Nu, dan ga ik een andere weddenschap met u aan,” zeide Arlington: „namelijk, dat zij geen deel zal nemen aan eenigen slag.”

„En waarom niet?” vroeg d’Estrades, schijnbaar verwonderd.

„Omdat,” antwoordde Arlington, „het zoowel het belang als de wensch van uw Koning is, dat de zeemachten van Groot-Brittannië en van de Republiek elkander vernielen.”

„De uitkomst zal u bewijzen,” hernam d’Estrades, zich gebelgd veinzende: „hoe ongegrond, en mijnen Koning onwaardig, zulke vermoedens zijn.”

„Maar!” zeide Van Espenblad tegen Arlington: „indien gij aan Koning Lodewijk zulke bedoelingen toeschrijft, waarom zet gij dan een oorlog voort, die, naar uw eigen meening, alleen kan strekken, om de uitbreiding der macht van Frankrijk te bevorderen.”

„Waarom?” vroeg Arlington: „vraag dat aan Koning Karel. Ik zal openhartiger zijn dan gij, Mijne Heeren! Koning Karel geeft in zijn hart niets om de belangen van den Prins van Oranje en zal, hetgeen hier omtrent hem besloten moge worden, met de grootste onverschilligheid aanzien. Hij geeft er even weinig om, wie de Spaansche Nederlanden bezit, en hij zou Duinkerken nooit aan Frankrijk hebben afgestaan, indien hij jaloersch ware op de uitbreiding van Koning Lodewijks monarchie. Maar hij haat den Heer De Witt en. ..

„Haten!” viel d’Estrades in: „ ik dacht, dat uw Meester alleen vatbaar was voor indrukken van minne.”

„Hij volgt daarin het voorbeeld na van den uwen,” zeide Arlington.

„Mijn Meester,” hernam d’Estrades, geërgerd over de vergelijking, „weet te veel wat hij aan zijn waardigheid verschuldigd is, en toont zich altijd Koning, ook in zijn minnarijen; hij verheft ten minste geen tooneelspeelster en andere laaggeboren vrouwen tot de eer van zijn meesteresse te worden.”

„Neen!” zeide Arlington lachende: „hij brengt liever schandalen over de eerste Huizen van Frankrijk: ik weet niet, wie beter doet.   –  Doch, om tot de zaak terug te keeren   –  spijt al zijn minnarijen, vindt Koning Karel nog den tijd om zich nu en dan een weinig gebelgd te toonen over de aanmatigingen van den Heer De Witt, en te zweren, dat hij zich de wet niet zal laten voorschrijven door een onbeschaamden parvenu.”

„Bedenk,” merkte Van Espenblad aan, „dat de Heer De Witt mijn vriend is.”

„Ik weet het,” hernam Arlington: „maar ik ben alles behalve overtuigd dat gij de zijne zijt.”

„Mij dunkt,” zeide Van Espenblad: „ik heb daarvan bewijzen genoeg gegeven.”

„’t Kan zijn,” hervatte Arlington: „ik wil daarover niet twisten: in allen gevalle, ik verhaal alleen een feit, en laat het aan u over, u daarnaar te regelen. Alleen wil ik u nogmaals vragen, Heer Graaf! of de Raadpensionaris uwen Koning zoo na aan ’t harte ligt, dat hij om zijnentwille den oorlog zal blijven voeren?”

„Gij weet,” zeide d’Estrades, „dat mijn Koning alle pogingen heeft aangewend om de goede harmonie tusschen Groot-Brittannië en de Republiek te herstellen, en den oorlog niet verklaard heeft, dan nadat alle middelen tot bevrediging gefaald hadden.”

„En waarom faalden zij?” vroeg Arlington: „omdat uw Minister niet wilde toegeven in hetgeen bij ons een hoofdvoorwaarde van den vrede wezen moest:    –  de verwijdering van De Witt van het bestuur der zaken.”

„Met reden,” zeide d’Estrades, „kon mijn Regeering daar niet in treden; want die verwijdering zou de verheffing des Prinsen van Oranje tot een noodzakelijk gevolg hebben.”

„Ik zeg u nogmaals,” hernam Arlington: „dat die verheffing mijnen Koning ten eenenmale onverschillig is.”

„En gij zijt zelf gisteren bij Z. Hoogheid geweest om hem de middelen aan de hand te doen, die daartoe leiden moeten,” merkte Van Espenblad aan.

„Voorzeker!” antwoordde Arlington: „of was het mijn roeping en mijn plicht als Britsch Staatsdienaar niet, alle middelen in ’t werk te stellen, om hier de partijen, die om ’t gezag strijden, tegen elkander op te zetten?    –  En bovendien, dat Koning Karel, alles wel beschouwd, hier te lande liever de partij van zijn neef, een partij, die hem toegedaan is en bij welke hij invloed heeft, ziet bovendrijven, dan die van De Witt, dat zal ik niet tegenspreken; maar hij zal om de belangen van dien neef geen oorlog voeren, en er zich zelfs niet tegen verzetten, dat de betrekking, welke den Prins hier zou kunnen worden opgedragen, zoodanig, met overleg van Frankrijk en Engeland, geregeld worde, dat zij aan geene van die beide Mogendheden eenige zorg behoeft te baren.”

„Men zou daarvoor toch de noodige waarborgen dienen te hebben,” zeide d’Estrades peinzende.

„Die zou men u kunnen verschaffen,” antwoordde Arlington: „bij voorbeeld, ik geloof niet dat mijn Koning er eenig bezwaar in zoude zien, dat het plan, door u aan de Weduwe van Prins Willem van Nassau voorgeslagen, doorging, en de Gewesten Friesland en Groningen door Fransche troepen werden bezet, wanneer wederkeerig eenige zeehavens in Zeeland en StaatsVlaanderen, gelijk vroeger, aan Engeland tot pand werden gegeven.”

„Ik twijfel, of een voorslag als deze, in de tegenwoordige oogenblikken, bij mijne Regeering wčl zoude worden opgenomen,” zeide d’Estrades.

„Nu, gij kunt er over nadenken,” hervatte Arlington. „Maar laat men in Frankrijk wijs zijn, en in ’t oog houden, dat bij de minste vijandelijkheid van die zijde, de hand van verzoening, die nu wordt uitgestoken, zich terug zou trekken, en dat, zoo Groot-Brittannië den oorlog ter zee zegevierend blijft voeren als het tot nu toe gedaan heeft, de eischen, welke het doet, in dezelfde mate zullen klimmen.    –  En thans, Mijne Heeren! nu wij elkander, hoop ik, verstaan hebben, laat ons de politiek ter zijde stellen, en zoo gij wilt, een vroolijker onderwerp bij de hand nemen. Bezoekt gij de kaatsbaan nog even druk, Van Espenblad! als toen gij er ons, arme ballingen, dagelijks heenbracht?”

„Van tijd tot tijd,” antwoordde Van Espenblad: „voorwaar, ik was er toen verre af, te denken, dat de tijd zoo spoedig komen zou, waarin uw Koning, tot loon van onze gastvrijheid, ons den oorlog zou aandoen.”

„Weg met politiek, zeide ik u,” hernam Arlington:   –   „en de oude Heenvliet?   –  Ik heb gezien, dat hij nog even kloek te paard zit als voorheen; maar is hij nog even hoog, en evenzeer aan het triktak verslaafd?”

.,Meer dan ooit,” antwoordde Van Espenblad.

„Het spijt mij, dat de tijd mij ontbreekt, en de voorzichtigheid mij verbiedt, ook bij hem een bezoek af te leggen,” vervolgde Arlington.

„Zal ik hem uit uwen naam groeten?” vroeg Van Espenblad, schertsende.

„Gij zult er u wijselijk voor wachten,” antwoordde Arlington: „ ik ben hier gekomen om drie personen te zien en te spreken: en nu ik mijn doel bereikt heb, reis ik weer heen.”

„En ik geloof inderdaad,” zeide d’Estrades, die een poos had zitten nadenken, „dat dit voor u hoe spoediger hoe beter zaak is.”

„Dat wil met andere woorden zeggen, dat mijn bezoek hier lang genoeg is geweest,” hernam Arlington: „wij scheiden toch, naar ik hoop, als vrienden?”

„Ik heb aan den persoon van Henry Bennet altijd vriendschap toegedragen,” antwoordde d’Estrades, hem de hand reikende: „en het zal mij verheugen, wanneer de omstandigheden mij veroorloven, Lord Arlington niet vermomd en door de achterdeur, maar door de voorpoort te zien binnenkomen.”

„En mij niet minder,” antwoordde Arlington: „want, gelijk gij begrijpen kunt, het sluiten van mijn huwelijk hangt van het sluiten van den vrede af, en ik ben niet jong genoeg meer om lang geduld te hebben.   –  Blijft gij hier?” vroeg hij, zich naar Van Espenblad keerende: „of zal ik het genoegen van uw gezelschap genieten?”

„Ik ga met u,” antwoordde Van Espenblad: „want ik vrees, dat gij, ondanks al uw vermeende voorzichtigheid, zonder mijne hulp groot gevaar loopt, den dienaars van den Fiskaal in den mond te loopen.”

„En ik,” zeide d’Estrades, „zal zorgen voor uw veiligen aftocht.” En meteen, een kaars van de tafel nemende, sloeg hij het tapijt op en geleidde de beide Heeren de trap af, die zij gekomen waren, tot aan de kleine deur, welke hij opende, en, zoodra zij zich op straat bevonden, weder dichtsloot.

„Ik geloot dat hij waarheid gesproken heeft,” zeide hij bij zich zelven, toen hij weder bovenkwam: „ noch Karel, noch Lodewijk kunnen het dulden, dat een eenvoudige burger als De Witt zich met hen gelijk steile: en, zoo ik een voorspelling wagen durt eenmaal zal de tijd komen, dat hij beiden, vereenigd, tegen zich zal hebben.”


[Jacob van Lennep pagina] – [16e hoofdstuk – [18e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.