MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VAN ESPENBLAD BEWIJZEN GEEFT VAN VERKLEEFDHEID AAN ZIJN VRIENDEN.


 Nauwelijks waren Arlington en Van Espenblad op de openbare straat gekomen, of deze laatste greep hem onder den arm en zeide:

„Waarlijk, Bennet! gij zijt een groot acteur.”

„Men zegt het,” antwoordde Arlington: „maar noem mijn naam zoo luide niet.”

„Gij hebt gelijk,” zeide Van Espenblad: „maar zeg mij, zult gij inderdaad van hier gaan, zonder dezelfde klucht, die gij bij d’Estrades gespeeld hebt, bij De Witt te herhalen?”

„Hoor eens,” antwoordde Arlington: „ik zal u mijn zwakheid oprecht belijden. Ik haat De Witt, hij is jonger dan ik en kon de zoon van d’Estrades wezen:    –  en toch boezemt hij mij zoodanigen eerbied in, dat ik schromen zou, mij bij hem aan te melden, gelijk ik bij dien Franschman gedaan heb. Alles wel beschouwd, is het ook beter, dat hij van mijn kortstondig verblijf alhier onkundig blijve.”

„Ik geloot dat gij gelijk hebt,” zeide Van Espenblad, terwijl hij diep ademhaalde, alsof zijn hart van een zwaar pak verlost was: „maar zeg mij, welken weg gaat gij nu uit?” „Wel, naar De Oude Zwaan, waar ik met Sylvius mijn intrek genomen heb,” antwoordde Arlington.

„Wacht er u wel voor,” zeide Van Espenblad: „de Fiskaal is onderricht, dat de man, die met den Prins gesproken heeft, met Sylvius was medegekomen, en ik wil wedden, dat zijn rakkers voor de herberg op de loer liggen, indien zij die niet reeds bezet hebben. Als ik u goeden raad mag geven, zoo is het dien, van onmiddellijk naar Scheveningen te gaan, en u in te schepen, eer de dag aan den hemel is.”

„ Misschien ware dit het voorzichtigste,” zeide Arlington; „maar ik dien toch Sylvius een woord te zenden en mijn kapdoos mede te nemen.”

„Daartoe zal ik u gelegenheid verschaffen,” hernam Van Espenblad, „door u ergens bij iemand te brengen, waar gij onverhinderd aan Sylvius zult kunnen schrijven, en op het antwoord wachten:” en meteen van richting veranderende, sloeg hij een zijstraatje in, dat hen op den Dennenweg bracht. Weldra bevonden zij zich voor een winkel, waar nog licht brandde, en waar een groot koperen bekken, aan een ijzeren staaf bevestigd, en door den wind heen en weer bewogen, door zijn krakend en knersend geluid de opmerkzaamheid der voorbijgangers scheen te willen opwekken, en hun te herinneren, dat daarbinnen een barbier woonde.

„Zoo, meester Florisz!” zeide Van Espenblad, toen hij met Arlington was binnengetreden, tegen een klein, vlug kereltje, van ongeveer vijftigjarigen leeftijd, met den neus in den wind en een paar levendige, grauwe oogjes, dat in ’t voorhuis stond, en zich onledig hield met het opmaken van een nieuwe pruik: „kunnen wij even gebruik maken van uw achterkamertje? Mijnheer wenschte een paar lettertjes te schrijven.”

„Mijn geheele woning is tot uw dienst, Mijnheer Van Espenblad!” antwoordde de barbier, den kam, dien hij in de hand hield, in zijn haar stekende, en een kleine met glas voorziene deur openende, welke tot een vertrekje van zes voet lang op vier breed, geleidde: „Vrouw! geef licht! en breng papier en pennen. Zullen de Heeren niets gebruiken? Een glas rosolis of besten Franschen brandewijn?”

„Den brandewijn sla ik niet af” zeide Arlington, zich nederzettende: „het zal niet kwaad zijn, mij te wapenen tegen de nachtlucht,” vervolgde hij, zich tot Van Espenblad wendende.

De barbier, die, gelijk in die dagen het geval was, bij zijn gewoon beroep een soort van geheime tapperij en de hemel weet welke bedrijven al meer, uitoefende, had in een ommezien een paar kelkjes en een fleschje voor den dag gehaald: terwijl zijn vrouw, een dikke schommel, met een verbazend rood uitzicht, achtereenvolgens een kaars met een lange pit, een schoteltje met inkt, een afgeknauwde pen en een velletje papier aan haren echtgenoot overhandigde, en zich vervolgens weder in haar keuken terugtrok.

„Ik hoop,” zeide Florisz tegen Van Espenblad, terwijl Arlington zijn best deed om met de hem ter hand gestelde pen leesbare letters te vormen, „ik hoop, dat UEd. bij voortduring wel tevreden is over de laatste pruik, welke ik de eer had voor u op te maken.”

„Maar matig, meester Florisz! maar matig,” antwoordde Van Espenblad: „er ontbreekt dat losse, dat zwierige aan, ’t welk de Parijsche pruiken kenmerkt. Gij bedient, geloof ik, de gasten, die hun intrek nemen in „De Oude Zwaan”. Welnu! hebt gij de pruiken van den Heer De Gourville gezien?”

„De Heer De Gourville heeft een kamerdienaar,” merkte Florisz aan, „ die zich op ’t kappen en haar opmaken schijnt te verstaan.”

„En ik mis zoodanige hulp, wilt gij zeggen;   –  maar dat doet niets tot het oorspronkelijke fatsoen.”

„Ik verzeker u,” hernam Florisz, „dat de beste pruik van dien Monsieur De Gourville nog nauwelijks in staat is met de uwe te monsteren. Maar het is niet genoeg dat een pruik goed gemaakt zij, als men er niet dagelijks de hand aan houdt: en, gelijk ik UEd. reeds gezegd heb, ik ben daartoe, wat u betreft, bij voortduring tot uwen dienst.”

„Nu! wij zullen daarover nader spreken,” zeide Van Espen blad, „zijt gij gereed?” vervolgde hij tegen Arlington, die de pen had nedergelegd.

„Zoo ben ik,” antwoordde deze, het briefje dichtvouwende, „maar wie zal het nu bezorgen?”

„Dat zal ik zelf wel doen,” zeide Van Espenblad: „indien gij hier maar gelieft te wachten. Meester Florisz is zijn gezelschap wel waard.”   –   Dit zeggende, nam hij het briefje en verliet den winkel. Arlington kon niet nalaten hem met een blik van wantrouwen na te oogen en een oogenblik twijfel te voeden, of Van Espenblad hem geen strik spande: hij begreep echter, dat er voor hem niets beter op zat, dan geduld te oefenen, en, zich tot meester Florisz wendende, vroeg hij hem, of hij sedert lang zijn beroep uitoefende.

„Nu ruim vijf en twintig jaar,” antwoordde de barbier, die niets liever verlangde dan te babbelen: „en ik durf mij vleien, niet zonder eenigen roem. Ik heb de eer gehad, mijne pruiken te leveren aan Hunne Hoogheden Frederik Hendrik en Willem II, hoogloffelijker memorie, aan Prins Joan Maurits en aan al de Heeren van Nassau: ja, zelfs mijn winkel is vroeger meer dan eens vereerd geworden door de tegenwoordigheid van Zijne Majesteit, Koning Karel Stuart, die zich hier liet scheren en kappen, toen hij in Den Haag woonde, en och, arm! niet ruim genoeg bij kas was, om er een goeden kamerdienaar op na te houden.”

„Inderdaad!” zeide Arlington, den man nader beschouwende, wien hij reeds gemeend had te herkennen: „ maar gij woondet toen. . .

„In het Achterom, juist!” antwoordde de barbier: „UEd. heeft mij daar gewis gekend.”

„Ja, ik meende……” zeide Arlington, die bemerkte dat hij zich versproken had.

„Wel zeker!” vervolgde meester Florisz, zich toegevende aan zoete herinneringen: „en dan die Heeren, die met zijn Majesteit waren! slechte betalers, maar vroolijke gasten, voorwaar! Wat al kluchten hebben zij ten mijnent niet uitgericht. Ik heb altijd zwak gehad voor de Engelschen, althans voor de Koningsgezinden; want die kaalgeschoren Puriteinen zouden mijn nering glad hebben doen verloopen.”

„Voorzichtig!” zeide Arlington: „weet gij wel, dat men uw Engelschgezindheid in deze tijden als hoogverraad zou kunnen aanmerken?”

„Nu,” hernam de barbier, met een loozen glimlach: „naar uw tongval te oordeelen, zou ik niet denken, dat UEd. mij deswege juist zoude hardvallen. En bovendien, wat schroom ik, mijn gevoelens bloot te leggen: de Heeren van den Gerechte zouden zich wel wachten, mij in de gevangenis te werpen, of die van den Hove, mij te veroordeelen: zij hebben daartoe te veel verplichting aan mij.”

„Aan u?” vroeg Arlington, verwonderd.

„Wel ja,” antwoordde meester Florisz: „heb ik niet aan hen allen op enkele uitzonderingen na, de pruiken geleverd7 waarmede zij zich opsieren? en hebben zij   –  weder op enkele uitzonderingen na   –   hunne achtbaarheid niet voornamelijk aan die pruiken te danken?”

„Daar is wat van aan,” zeide Arlington, terwijl hij glimlachte, en een teugje uit het voor hem staande kelkje nam: „beste brandewijn!”

„Nietwaar?” vroeg Florisz: „ja, dat is zoowat het eenige goede, dat de Franschen ons aanbrengen.”

„Gij schijnt geen vriend der Franschen,” vroeg Arlington.

„Hoe zoude ik?” vroeg de barbier: „werken zij de bevordering van onzen goeden Prins niet tegen, en bederven zij mijn beroep niet? Krioelt het niet van Fransche gelukzoekers, die zich hier nestelen, en beweren, dat zij de kunst verstaan.... ofschoon Floris Florisz hen Goddank niet vreest, en hen uittart, hem iets nieuws te leeren.”

„Bedient gij den Heer Raadpensionaris ook?” vroeg Arlington.

„Hem!” antwoordde Florisz met een blik van de diepste verachting: „een slechte klant! wien men een slaapmuts voor een pruik zou opzetten, zonder dat hij ’t bemerkte: neen, dan houd ik het met zijn broeder Kees: die zou alle veertien dagen wel van pruik willen verwisselen, en legt, geloof ik, in eene maand meer aan de zorg voor den uiterlijken mensch ten koste, dan Mr. Jan in tien jaar.”

„Nu,” zeide Arlington: „Mr. Jan heeft zooveel in het hoofd, dat het hem te vergeven is, zoo hij minder denkt aan wat hij er op zet.”

„In het hoofd!” herhaalde de barbier: „ja, wat? slechte praktijken, anders niet! Wat zoekt hij? zijn eigen glorie, anders niet. En daarvoor moeten wij nu oorlog met Engeland hebben, die zooveel geld kost, dat ik en een ander maar moet opbrengen. En was het dat alleen nog! Maar daar heeft hij nog in Munsterland den baas willen spelen, en nu moeten wij het aanzien, dat zoo’n nietig Bisschopje in ’t land valt, en ons stad bij stad ontneemt. ’t Is immers een schandaal, zich door zoo’n kerkmuis te laten bijten zonder hem eens te kunnen wegjagen: en dat alles door Mr. Jan zijn schuld. En dan, behandelt hij Zijn Hoogheid niet, als ware deze een kwade jongen, in plaats van een afstammeling uit het doorluchtige Huis van Oranje?”

„Alzoo zoudt gij mede van oordeel zijn, dat de Prins diende bevorderd te worden tot de ambten zijner voorzaten?” vroeg Arlington.

„Wel wis en waarachtig!” antwoordde de barbier: „en ik ben de eenige niet, die zoo spreekt. Laten zij ’t eens beproeven, hem weder voorbij te gaan bij de benoemingen voor den veldtocht.”

„Mij dunkt,” hernam Arlington: „dat zal veel van u en uws gelijken afhangen: indien gezeten burgers, die toch ook wel een stem verdienen te hebben, waar het ’s Lands belangen geldt, die stem eens wat luider deden hooren, dan zouden de Regenten er zich wel voor wachten, voortdurend hun eigen belang in ’t oog te houden.”

„Natuurlijk, Mijnheer!” zeide Florisz: „UEd. spreekt als goud. Alleen verwondert het mij .. . .” hier zag hij Arlington met een zweem van wantrouwen aan.

„Wat?” vroeg deze.

„Dat ik zoo iets hoor uit den mond van iemand, die de vriend schijnt te zijn van den Heer Van Espenblad,” antwoordde de barbier.

„Mm!” zeide deze: „de aanmerking is niet onjuist: maar men kan vrienden hebben, zonder daarom in hun politieke gevoelens te deelen.”

„Dat is zoo,” stemde meester Florisz toe.

„Hoor eens,” vervolgde Arlington: „ik wil u iets medededen, wat ik uit goede bronnen weet: de Franschen willen maar volstrekt niet gedoogen, dat aan den Prins eenig deel in het bestuur van staats- of krijgszaken gegeven worde; en Mr. Jan met zijn kliek zijn weer even bereid als altijd, om aan die inblazingen gehoor te geven. Er is maar één middel om de goede zaak te doen zegevieren: en dat is, dat de burgerij zich krachtdadig vertoone.   –  Een goed verstaander……

„Heeft aan een half woord genoeg,” zeide Florisz.

„Gij zijt Chirurgijn, Barbier, Kapper, Haarsnijder, Pruikenmaker,” vervolgde Arlington: „en door al die beroepen regeert gij over de hoofden en halzen van half ’s-Gravenhage. Wat duivel! in uwe plaats moet het gemakkelijk zijn, een omwenteling te doen plaats hebben..., en ik vertrouw, dat ge u van die taak zult kwijten.”

Meester Florisz knikte goedkeurend met het hoofd hij die loftuiging, en Arlington, het toeval zegenende, dat hem opnieuw in de gelegenheid gesteld had, zijn plannen tot beroering van dezen Staat door te zetten, ging voort met aan het willig luisterend oor van den barbier de middelen te ontwikkelen, welke, naar zijn oordeel, best geschikt waren om het voorgestelde doel te bereiken. Ofschoon het zaad, door Arlington gestrooid, in vruchtbaren akker viel en op schrikbarende wijze ontkiemde, zoo had die ontkieming echter eerst in een later tijdvak plaats, en acht ik het daarom minder noodig, hier op te teekenen, wat verder in den barbierswinkel bepraat werd. Liever keer ik terug tot Van Espenblad, die, met den vlugsten tred, dien zijn krachten en de heerschende duisternis hem. toelieten aan te nemen, den weg naar „De Oude Zwaan” was ingeslagen. Alvorens verslag te geven van zijn komst en verrichtingen aldaar, dien ik den lezer een naderen blik te doen slaan in ’s mans karakter en bedoelingen.

Hoe hij ook, gelijk uit het vroeger verhaalde gebleken is, zich tot den ijverigen handlanger van d’Estrades verlaagd had, had hij echter te veel schranderheid, om een blind werktuig der Fransche staatkunde te willen zijn. Wat hij najoeg, waren goud en eerambten: en deze konden zijn deel worden of blijven, zoolang de Republiek onafhankelijk was, en men hem alzoe noodig had;   –  maar werden eens de Vereenigde Nederlanden een wingewest van Frankrijk, dan was hij niet langer onmisbaar, en stond het te vreezen, dat geene verdere geschenken of titels hem de verachting, beide van veroveraars en onderworpenen, zouden vergoeden. Daarbij   –  want niemand is zoo verdorven, dat er niet eenige goede beginselen bij hem zouden overgebleven zijn   –  Van Espenblad bezat nog vaderlandsliefde genoeg, om de algeheele vernedering van dat vaderland niet te begeeren: en, ten slotte, meer dan hij zelf wist, was hij, de koude, zelfzuchtige egoďst, die in de menschen over ’t algemeen niets zag dan poppen om mede te spelen en tot zijn voordeel of vermaak aan te wenden, gehecht aan Jan De Witt. Aan den invloed, welken deze groote man wist uit te oefenen op al wie hem naderde, had ook Van Espenblad zich niet kunnen onttrekken, en, waar de inzichten van Lionne of d’Estrades met die van den Raadpensionaris in strijd waren, schonk hij den Franschen staatslieden niet dan schijnbaar de hulp, die zij van hem vorderden. Ja nog meer: hoe weinig hij er om gaf, wat de menschen over hem dachten, alleen het oordeel van De Witt was hem niet onverschillig, en zijn koperen voorhoofd zou gebloosd hebben, indien de Raadpensionaris hem ooit had beschuldigd van verraad tegen hem.

Het plan, door d’Estrades ontwikkeld, om, door de bezetting der Noordelijke Gewesten, de oppermacht van De Witt in den Staat te verlammen, was dan ook verre geweest van de goedkeuring van Van Espenblad te verwerven; maar hij stond te veel in de afhankelijkheid van den Gezant, om het anders dan met schijnbare toejuiching aan te hooren: en al wat hij had kunnen doen, had hij gedaan, namelijk een poging aangewend, om de gedachten van d’Estrades af te leiden van het plan tot bezetting van gemelde Gewesten, door hem een ander plan, het doen van een inval in de Spaansche Nederlanden voor te slaan. Maar tevens had terstond het voornemen bij hem vast gestaan, De Witt te waarschuwen om op zijn hoede te zijn: een waarschuwing, welke hij kon doen, zonder dat hij daarbij behoefde te bekennen, hoe hij aan zijn wetenschap kwam: iets waar De Witt nooit naar vroeg, als wel bewust zijnde, dat men de diensten van aanbrengers en spionnen spoedig mist, zoodra men poogt uit te vorschen, van waar of van wie zij hun berichten hebben bekomen zoolang hij alleen de bezitter was van dat geheim, hem door d’Estrades aanvertrouwd, had hij het in Zijn macht, niet alleen om het tegen te Werken, maar ook om zich bij De Witt een verdienste van de ontdekking daarvan te maken;   –   maar nu was het ook aan Arlington ter ooren gekomen, en te recht mocht hij beducht zijn, dat deze het, ňf zelf, ňf door een ander, aan De Witt zou doen weten, ten einde op die wijze den Raadpensionaris tegen de verraderlijke Fransche staatkunde op te zetten, en de goede harmonie tusschen hem en d’Estrades te verbreken Het was om deze reden, en uit een niet onnatuurljke vrees, dat zijn geheime bezoeken bij d’Estrades, en de aldaar tusschen hen gevoerde gesprekken ter ooren van De Witt mochten komen, dat Van Espenblad er zoo op gesteld was, Arlington terstond te verwijderen en op die wijze te verhinderen dat iemand, vóór hem, De Witt met het gewichtig nieuws bekend maakte.

„Is de Heer Sylvius te huis?” vroeg Van Espenblad aan den bediende in de herberg, toen deze hem binnenliet: „en is hij alleen?”

„Hij is boven,” antwoordde de bediende: „met den Ritmeester Buat.”

„Zeer wel! En is de kleine Joris bij de hand.”

De kleine Joris was een arme knaap, die wel eens door de bezoekers van „De Oude Zwaan” tot het doen van boodschappen gebruikt werd.

„Ja, Mijnheer!” antwoordde de knecht.

„ ’t Is wel! ik zal hem misschien noodig hebben.” En met deze woorden snelde Van Espenblad naar boven, tikte bij Sylvius aan de kamerdeur, en trad binnen.

„Mijnheer Van Espenblad!” riepen zoowel Sylvius als Buat uit, verbaasd over dit bezoek.

„Gij hadt mijne komst niet verwacht, en ook misschien niet gewenscht, Mijne Heeren!” begon van Espenblad: „maar de drang der omstandigheden verschoont mij.... Vergeef mij, Mijnheer De Gourville! ik had u niet opgemerkt.”

„Ik bezocht mijn buurman,” zeide Gourville, zich buigende.

„Om te zamen de vredesvoorwaarden te regelen?” hernam Van Espenblad, meesmuilende.

„Misschien wel,” antwoordde Gourville, met een glimlach: „ik zoude althans gaarne als onderhandelaar optreden tusschen u en mijn vriend Buat, met betrekking tot een klein misverstand, dat tusschen u beiden bestaat en waarover hij mij gesproken heeft.”

 „Daarvan nader,” zeide Van Espenblad, kortaf: „Mijnheer Sylvius! hier is een biljet, dat ik op mij genomen heb, u in persoon ter hand te stellen.”

„Wat zie ik?” riep Sylvius uit, verbleekende bij het herkennen der hand van Arlington. Deze schreef hem, dat hij het raadzaam oordeelde, zich terstond weder in te schepen, en verzocht hem, aan brenger een kistje mede te geven, hetwelk eenige onontbeerlijke noodwendigheden voor het toilet bevatte.

„En hoe kom ik dat door u te ontvangen, Mijnheer?” vroeg hij, na gelezen te hebben, aan Van Espenblad.

„Omdat ik op mij genomen heb, den onvoorzichtige, die deze regels schreef, hier vandaan te helpen, eer hij in handen valt van den Fiskaal, die hem laat opsporen.”

„Wie, wat?” vroeg Gourville, „het is toch uw kamerdienaar niet, die bedoeld wordt?”

„Gij zij gisteren ook met hem in gesprek geweest, bij gelegenheid der jachtpartij, Mijnheer De Gourville, nietwaar?” vroeg Van Espenblad.

„Ja,” antwoordde Gourville: „maar ik wil gehangen worden, indien ik weet wie de man is.”

„Is hij dan werkelijk uw kamerdienaar niet?” vroeg Buat, vreemd opziende.

„Het is op dit oogenblik vrij onverschillig, wie de man wezen mag,” hernam Van Espenblad: „genoeg, dat zoowel de Heer Sylvius als ik hem kennen. Is het kistje onder uw bereik, Mijnheer?”

„Het moet hier ergens staan,” antwoordde Sylvius: „ha! hier is het al!    –  maar gij zult u daar toch niet mede kunnen belasten, Mijnheer Van Espenblad!”

„Er is iemand beneden,” antwoordde deze, „die het dragen zal.     –  Maar nu nog één woord, Mijnheeren! de Heer Buat meent reden van beklag tegen mij te hebben: en ik meen nieuwe aanspraak op zijn dankbaarheid te verwerven, wanneer ik hem voorzichtigheid aanrade en aan u ook, Mijnheer Sylvius! Die man, die gisteren met u beiden ter jacht reed, is bij Zijn Hoogheid geweest: de dienaars van den Fiskaal loopen de Plaats op en neder om zijn tehuiskomst te bespieden:   –   zij zullen vergeefsche moeite doen;   –  maar al te nauwe verstandhouding met hem zou op den duur ook voor u gevaarlijk kunnen zijn. Vaartwel, Mijne Heeren! gij zijt gewaarschuwd.   –  Mijnheer De Gourville! ik hoop eerstdaags mijn opwachting bij u te komen maken.”

Sylvius, Arlington (Thomson) en Van Espenblad met de jongen JorisMet deze woorden vertrok hij, de drie Heeren in geene geringe bezorgdheid achterlatende, vooral Sylvius, die nu, zoo door Buat als door Gourville, met vragen werd bestormd, en toch niet verraden dorst wie de persoon was, die hem onder den naam van Thomson vergezeld had.

Van Espenblad had intusschen zich naar beneden begeven en den knaap gevonden, wien hij besteld had, een kleinen dikkoppigen krullebol met aschgrauwe haren en een ondeugend gezicht.

„Vat aan, Joris!” zeide hij, hem het koffertje ter hand stellende: „er zijn een paar schellingen voor u te verdienen!”

En Joris keek hem met oogen aan, waarin verwondering, blijdschap en guiterij gemengd dooreenstraalden. Een boodschap van een paar schellingen! dat was een buitenkansje, dat zich zelden opdeed! En de alleraangenaamste visioen en van priktollen, zoetekoek, knikkers en zure appelen speelden voor de verbeelding van onzen knaap, terwijl hij achter Van Espenblad op zijn houten klompen over de straten van Den Haag klotste.

„A ha! zijt gij daar reeds terug?” riep Arlington, toen Van Espenblad den winkel van meester Florisz weder binnentrad.

„Ik was reeds bevreesd, dat gij ongeduldig zoudt geworden zijn,” zeide Van Espenblad.

„Volstrekt niet,” antwoordde Arlington: „meester F1orisz heeft zulk een talent om zijn klanten bezig te houden, dat de tijd bij hem volstrekt niet lang valt.”

„Ik hoop dat Mijnheer mij nog dikwijls in de gelegenheid zal stellen, hem van eenigen dienst te kunnen zijn,” zeide de barbier, met een buiging: „en dat, wanneer Mijnheer iets noodig heeft, dat mijn vak betreft

„Wees gerust,” antwoordde Arlington: „wanneer ik trouw, zal ik het doen met een pruik van u op het hoofd. Zijt gij geslaagd?” vervolgde hij, zich tot Van Espenblad wendende.

„De jongen staat op de stoep met uw goed te wachten,” zeide Van Espenblad: „en het is meer dan tijd, dat wij ons op weg begeven.”

„ Welaan dan,” zeide Arlington: en, een kroon op tafel werpende, dankte hij den barbier, die met hernieuwde buigingen, den beiden Heeren uitgeleide deed.

„En thans dank ik ook u voor uw trouwen bijstand,” antwoordde Arlington, Van Espenblad de hand toestekende.

„Dank mij niet voor gij veilig zijt,” fluisterde Van Espenblad hem in: „ik verlaat u niet, eer ik mij overtuigd houde, dat gij aan alle gevaar ontkomen zijt. Maar daar bedenk ik iets: het is jammer dat gij bij meester Florisz niet van pruik hebt verwisseld.”

„En waarom dat?” vroeg Arlington.

„Omdat,” antwoordde Van Espenblad: „uw signalement gegeven is als bezittende een roode pruik en knevels van dezelfde kleur.”

„O! wat dit laatste betreft,” zeide Arlington, „daar kan ik mij terstond van ontdoen,” en meteen zijn valschen baard afrukkende, wierp hij dien van zich weg.

„Ja, maar de pruik,” zeide Van Espenblad.

„Vrees niets!” hernam Arlington: „ik wacht slechts, tot wij in een meer eenzaam gedeelte der stad komen, om ook te dien opzichte mij te metarnorphoseeren.”

En werkelijk, nauwelijks, waren zij het Noordeinde afgeloopen, of hij nam zijn pruik af, borg die onder zijn mantel, en drukte toen zijn hoed diep op zijn eigen haren.

„Ziezoo!” zeide Van Espenblad: „nu zijt gij u zelf weer, en juist daardoor het best vermomd.”

Weldra bleek, dat de genomen voorzorg niet onnoodig was geweest; want nauwelijks waren onze wandelaars de brug over, die naar den Scheveningschen weg, de beroemde Zeestraat, geleidt, of een paar gewapende lieden sprongen, met den uitroep: „halt,” voor den dag.

„Wie zijt gij?” vroeg een barsche stem, en een lantaarn werd Van Espenblad voor den neus gehouden.

„Van Espenblad, Afgevaardigde ter Staten-Vergadering,” antwoordde deze: „en Mijnheer is mijn Broeder, dien ik naar Zorgvliet breng, waar hij den nacht gaat doorbrengen.”

„Verschoon mij,” zeide de dienaar der gerechtigheid, nadat hij even, alleen voor den vorm, zijn lantaarn ook het gelaat van Arlington had doen bestralen: maar wij hadden last van den Heer Fiskaal, om toe te zien op een verdachten persoon, die vermoedelijk den weg naar Scheveningen op wil.”

„Ik weet wien gij bedoelt,” zeide Van Espenblad: „een man met rood haar en knevels:   –  houdt maar goed wacht; want de Heeren Staten hechten groot gewicht aan zijn arrestatie: en het zou u tot geen nadeel strekken, indien gij die mocht bewerkstelligen.”

Met deze woorden, welke hij van een beschermenden hoofdknik vergezeld liet gaan, zette Van Espenblad met Arlington zijn weg voort, terwijl de dienaars in hun sluiphoek terugdoken. Toen zij zich op de hoogte bevonden van het buitenverblijf, door Cats aangelegd (en hetwelk, sedert den dood des grijzen Dichters, nu aan dezen, dan aan genen verhuurd werd, tot het eindelijk aan het Huis van Bentinck overging,) oordeelde Van Espenblad, dat Arlington alle gevaar te boven was, en veilig verder alleen kon gaan. Hij nam dus afscheid van hem, en keerde naar Den Haag terug.

„Menheir gait dan toch niet naar Zorgvliet?” vroeg de kleine Joris aan Arlington, toen zij het buitengoed reeds een eind achter den rug hadden.

„Neen, ik ga naar Scheveningen,” antwoordde Arlington kortaf, en op een toon, die te kennen gaf, dat hij het onderhoud niet verlangde voort te zetten.

„Dat dacht ik al,” hernam Joris, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan: „ik hoop mair, dat Menheir er an denken zei, dat ik niet geweiten heb, dat ik zoover mei moest.”

„Wees niet bang,” zeide Arlington: „een fooi zult gij hebben.”

„O! ik had straks al ’n moojen fooi kunnen verdienen, ’loof ik,” zeide Joris: „straks, dair bij de brug.”

„Wat meent gij,” vroeg Arlington, verrast.

„Als ’k an de dienairs erais de knevels ’eweizen had, die Menheir helt weg’worpen.”

„Wat knevels?” herhaalde Arlington..

„Wel deuize,” antwoordde Joris, en meteen in zijn zak tastende, haalde hij daaruit, met en benevens een gebroken knipmes, eenige eindjes touw, een paar duiten, een half dozijn knikkers, een stuk van een appel, een stuk grauw papier en eenig mutsenkarkas    –  den valschen baard, dien Arlington weggeworpen, en dien onze maat terstond had opgeraapt.

„Kaik mair eens,” vervolgde hij, Arlington de knevels onder den neus houdende: „Menheir heit ze ommers niet meir noodig?”

„Neen,” antwoordde deze, knorrig.

„En dan,” vervolgde Joris, „als ’ik an die dienairs reis den raid had ’egeiven, om de kleuir van de pruik te bekaiken, die Menheir in zijn borst ’estoken helt..., zou me dat oik wel een airdigen steikpenning in den zak hebben ’ejaigd?”

Arlington zweeg een oogenbiik, terwijl hij niet zonder ontroering en spijt nadacht, hoe hij, Engelands voornaamste Staatsdienaar, een oogenblik aan de genade was overgeleverd geweest van een onbeduidenden straatjongen.

„En,” vroeg hij eindelijk, „indien gij dacht, dat het u voordeel zou aanbrengen, waarom hebt gij het dan niet gedaan?”

„In de eirste plaits,” antwoordde Joris, lachende, „omdat ik er pret in had, dat de rakkers gefopt werden.”

„Een zeer gezonde reden,” merkte Arlington aan.

„En ten tweide,” zeide Joris, terwijl, indien het niet zoo donker geweest ware, Arlington zijn oogen van guiterij had kunnen zien tintelen: „ik reikende er op, dat Menheir in allen gevalle beiter met mij handelen zou, dan de Dienairs.”

„En dat gij alzoo profijt met genoegen zoudt kunnen verbinden,” zeide Arlington: „voorwaar geen domme berekening.”

„Menheir denkt zeiker naar Engeland over te steiken,” hervatte Joris.

„Wat doet u zoo iets denken?” vroeg Arlington.

„Wel,” antwoordde de knaap: „Menheir zou de eirste niet zein. Daar hei je Jan Van Messen gehad, die de klerk was van Menheir De Witt, daar heb ik ook het pakkie voor ’edragen, toen hij zich uit de voeten maikte: en voor Jan Harmsz ook, die een winkel dei in de Waigestrait, en die hein droste zonder te betailen. Mensch, wat was het den volgenden dag druk voor zijn winkel, en wat heb ik stam te lachen om al die kreiditeuiren, die om hun geld kwaimen! Mair ja wel! de aip was ’evlogen!”

„En dus onderstelt gij, dat ik evenals die lieden over zee moet,” zeide Arlington.

„ Menheir zal toch niet voor de airdigheid zoo bij donkeren nacht nair Scheivelingen gain,” zeide Joris: „O! ik zal Menheir wel bij een knappen visschersman brengen, die wat een nette pink heit ook, dat helt ie. Zijn naim is Jaip Krijnen, of Menheir hem kent.”

„Ik dank u,” zeide Arlington, „ik ben reeds voorzien.”

„Zoo?” vroeg Joris: „was ’t al vooruit besteld? nou da’s nog beiter: anders Jaip Krijnen is een vlugge vent en zei in een ommezien klair zein.”

„Ik zeg u dat ik voorzien ben,” antwoordde Arlington: „en nu gij eenmaal met mij gekomen zijt, zult gij bij mij blijven, tot ik van wal steek. Gij kunt dan aan mijn vrienden in Den Haag bericht brengen, dat ik ben afgereisd.”

„Heil goed, Menheir!” antwoordde Joris: „’t is anders jammer, dat Menheir niet met Jaep Krijnen gait: hij helt den Stuurman van de Ammeraal Kortenair ook nog weggebracht: weit Menheir, die Stuurman, dien ze zeien, dat schuld was, dat wij den laitsten slag teugen de Engelschen verloren hebben en dien ze dairom het zwaird over ’t hoofd hebben laiten gain.”

„Ik weet al,” zeide Arlington, nadenkende: „de man heette, meen ik.. .

„Bartelsz heitte’n hij,” viel Joris in: „en ze zeien op Scheivelingen algemein, dat er geen beiter zeiman was dan hij, of die beiter al die gaiten en weigen kende, en dat, zoo hij verkeerd heit ’edaan, hij het willends en wetends heit motten doen. Jongens! wat was de man kwaad, toen hij heinging: ik hoor het ’m nog zeggen: „ik zal het ze betaald zetten,” zei hij zoo, „of men naim zal geen Bartelsz zijn.” ”

„Bartelsz!” herhaalde Arlington, halfluid bij zich zelven: „die man heeft zich aangemeld om bij ons in dienst gesteld te worden. Daar ware partij van hem te trekken, indien hij zoo bekwaam is, als deze knaap meent.”

En, vervuld van deze gedachten, vervolgde de Britsche Staatsman zijn weg, zonder veel meer te luisteren naar het gesnap van zijn jeugdigen gids. Weldra betraden zij het dorp en begaven zich onmiddellijk naar de hut van Marten. Niet lang hadden zij werk om den visscher op te kloppen, die op de terugkomst van Arlington was voorbereid:    –  en eer nog de zon door de mistige Februari-nevelen was doorgebroken, was Joris reeds weder op weg naar Den Haag, met een goede fooi in zijn zak en met een mondelinge boodschap belast, zoo aan Van Espenblad als aan Sylvius, dat „de Heir, wien hij tot wegwijzer gediend had, met voordeeligen wind was in zee gestoken.”


[Jacob van Lennep pagina] – [17e hoofdstuk] – [19e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.