MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

NEGENTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE MEVROUW BUAT EEN BRIEF OPSTELT EN ZICH LAAT KAPPEN.


Een paar weken waren sinds het vertrek van Arlington verloopen. Mevrouw Aarssen was wederom naar Zeeland vertrokken, en Sylvius had insgelijks de terugreis naar Engeland aangenomen, na, ten gevolge van een onderhoud met De Witt, de overtuiging te hebben bekomen, dat er voor hem geene kans bestond, om, door het bekomen eener betrekking bij den Prins of op andere wijze, schadeloos gesteld te worden voor ’t gemis van zijn vroegeren post bij de Prinses-Royaal. Hij had zich echter zijn kortstondig verblijf in Holland ten nutte gemaakt, door overal bij de Prinsgezinden den moed op te wekken, en hen aan te sporen, zich krachtdadig te doen gelden, door de schuld van den oorlog op den Raadpensionaris en diens aanhang te werpen en luid op het sluiten van den vrede aan te dringen, waartoe hij bleef verzekeren, dat Koning Karel hoogst genegen was van zijnen kant mede te werken.

Niet weinig was daarom Buat verwonderd geweest, dat de eerste brief, welken hem Arlington na zijn terugkomst in Engeland schreef, een geheel anderen en wel een zeer oorlogzuchtigen geest ademde. Bij ons behoeft zulks die verwondering niet te baren, bij ons, die weten, wat Buat niet wist, hoe Arlington, tijdens zijn bezoek bij d’Estrades, in de overtuiging was versterkt geworden, dat Engeland van de Fransche zijde geen ernstige bestrijding te duchten had, en hoe hij bovendien vertrouwde, dat de Republiek, door binnenlandsche oneenigheid krachteloos gemaakt, evenmin als in den laatsten zomer, in staat zou wezen, de Britsche zeemacht met vrucht te keer te gaan. Zoowel hij als zijn meester  –  immers voor zoover deze laatste over politieke zaken nadacht  –  waren dus tot het besluit gekomen, dat de oorlog met goed gevolg kon worden voortgezet, en dat het voortzetten daarvan niet alleen zou strekken om den roem en de macht van Groot-Brittannië te verhoogen, maar ook het zekerste middel wezen, om den invloed van De Witt te fnuiken. Niet ten onrechte had Buat bij het lezen van gezegden brief begrepen, dat de inhoud, als geheel in strijd met de verzekeringen door Sylvius gegeven, weinig geschikt was, om een gunstigen indruk op de Prinsgezinden te maken, en hij had hem daarom aan niemand medegedeeld, dan aan Zijne vrouw, ja hem zelfs, op aansporen van deze, vernietigd, zonder hem te beantwoorden. Getrouw aan de vermaningen van haar moei, deed Elizabeth thans evenzeer haar best, om haar echtgenoot te bewegen, alle geheime correspondentie te laten varen, als zij vroeger gedaan had, om hem tot het voeren daarvan over te halen. Dan, evenals het in dergelijke omstandigheden doorgaans plaats heeft, eenmaal ingescheept, kon Buat kwalijk terug: zelfs was hij, gelijk ons vroeger meer dan eens gebleken is, in den aanvang weinig geneigd om, als ’t ware, de penvoerder zijner partij te wezen, en daardoor misschien meer de bijzondere inzichten van hare leden, dan de belangen van den Prins te bevorderen: maar in de laatste dagen had al wat hij gezien en gehoord had hem tot de gevolgtrekking gebracht, dat de zegepraal der Prinsgezinden nabij was, en dat de vergelding voor zijn diensten in evenredigheid zou staan met het gewicht daarvan. Zoo hij al een oogenblik geloofd had, dat De Witt hem niet ongunstig was, hij had alras de overtuiging bekomen, dat deze Zijne bevordering bij ’t leger niet in de hand zou werken, terwijl hij even overtuigd was, dat ingevalle de reeds besproken verandering in ’s Prinsen hofhouding tot stand kwam, hij, Buat, wel tot de af te danken personen zou behooren:  –  en bovendien zou het hem tegen de borst zijn geweest, voor het gemis dier betrekking te worden schadeloosgesteld door giften of gunsten, waarvoor hij De Witt zou moeten dank weten, en waarvan het aannemen hem in verdenking zou brengen dat hij ’s Prinsen partij verraden had. Door den Prins daarentegen te blijven dienen, voldeed hij niet alleen aan zijn genegenheden, maar bevorderde hij ook  –  althans dit werd meer en meer zijn vaste overtuiging  –  zijn tijdelijke belangen. Reeds hadden hem de Brandenburgsche Staatsdienaars Copes en Blaespeil, in naam van den Keurvorst (die, zooals men weet, ’s Prinsen oom was) verzekerd, dat zijn diensten ook van die zijde niet onvergolden zouden blijven: reeds had hem de Raadpensionaris van Zeeland, De Huybert, de stellige belofte gedaan, dat, zoo de Prins tot Kapitein-Generaal bevorderd werd, de compagnie van Buat, die ter betaling der Staten van dat Gewest stond, tot een lijfgarde van Zijn Hoogheid zou gebruikt worden;  –  en, zoo ook Koning Karel zich niet ondankbaar toonde, dan ware, met ’s Prinsen verheffing, ook de fortuin van Buat gemaakt. Vooruitzichten genoeg om iemand te verblinden, die maar schrale inkomsten bezat en, niet dan met moeite en zorgen, den uiterlijken staat bewaren bleef, dien hij in de maatschappij begreep te moeten voeren.

Had de brief van Arlington Buat, die geene goede uitkomst denkbaar achtte, dan ten gevolge eener nauwe verbintenis met Engeland, niet weinig teleurgesteld, nog grooter werd die teleurstelling, toen hij gelijktijdig twee brieven van Sylvius ontving, twee dagen achter elkander geschreven, doch met dezelfde gelegenheid verzonden. De eerste behelsde het bericht, dat hij bij den Koning een geheel andere gezindheid jegens de Republiek had aangetroffen, dan toen hij hem verlaten had: in den tweeden gaf hij nadere opheldering van des Konings veranderde gemoedsgesteldheid, en verklaarde, dat het hem gebleken was, hoe men Karel aangaande den staat der partijen in Nederland andere denkbeelden had doen opvatten dan hij, Sylvius, hem had doen pogen in te boezemen.

„Voorwaar!” zeide Buat tegen Elizabeth, toen hij haar de beide brieven had voorgelezen: „die Engelsche Heeren brengen mij in een mal parket. Onze vrienden hier verwonderen zich dagelijks, dat ik geen bericht van over zee ontvang, en vragen mij er bij herhaling naar: en toch, ik kan hun deze twee brieven zoomin mededeelen als dien van Arlington. Ik weet er althans genoeg, die den moed zullen laten zakken, zoodra zij vreezen, door Koning Karel niet langer ondersteund te worden.”

„Ik geloof Henry!” antwoordde Elizabeth, „dat gij dan ook maar wijs zult doen, deze brieven evenals de vorige te behandelen, en aan onze vrienden te zeggen, dat de correspondentie uit is.”

„Ik moet er om lachen,” zeide Buat, „dat ik thans dien raad ontvang van u, die mij ’t sterkst tot het voeren dier correspondentie hebt aangezet.”

„Toen was het een ander geval,” hernam Elizabeth, die, gedreven door een valsche, maar licht verklaarbare schaamte, zelfs voor haar man niet bekennen wilde, dat zij vroeger verkeerden raad had gegeven, en althans den schijn wilde aannemen van zich zelve gelijk te blijven: „toen deed Sylvius het voorkomen, als wenschte de Koning ééne lijn met onze partij te trekken;  –  maar nu hij ons laat zitten, en den oorlog wil doorzetten, zie ik niet in, dat die Engelsche Heeren met eenigen schijn van billjkheid van u kunnen vorderen, dat gij zult voortgaan met, door het zenden van inlichtingen en geheime berichten, de plannen des Konings in de hand te werken. Nu zou dit werkelijk landverraad worden.”

„Maar,” zeide Buat, nadenkende, „hoe komt de Koning dus opeens van stemming veranderd? Gewis heeft Sylvius hem niet goed ingelicht, of misschien de man, die hier voor zijn kamerdienaar doorging en wiens naam ik nooit heb mogen te weten krijgen.”

„Zooveel vertrouwen stelt men in u,” antwoordde Elizabeth: „die lieden verdienen immers niet, dat gij u langer met hen inlaat.”

„Wat dan te doen?” vroeg Buat, peinzende: „onze vrienden om raad vragen? Maar daar is b. v. Kievit, die is al oorlogzuchtig genoeg, en de inhoud van dezen brief zou koren op zijn molen zijn.”

„Neen!” zeide Elizabeth: „laat Kievit en de overigen er buiten, en schrijf maar aan Sylvius, dat gij een eind aan de correspondentie verlangt.”

„Hoe kan ik?” vroeg Buat: „zou het ook niet bij De Witt achterdocht tegen mij opwekken, indien ik opeens en zonder blijkbare reden de briefwisseling staakte?”

„Och wat!” antwoordde Elizabeth: „naar alles zich laat aanzien zal het rijk van De Witt toch wel spoedig uit zijn: en al ware dit zoo niet, gij kunt immers vertellen, dat men u uit Engeland niet meer schrijft.”

„Het zou mij toch leed doen,” zeide Buat, „dat het vredewerk, hetwelk ik met goede inzichten heb aangevangen, geheel in den steek bleef.”

„En toch,” zeide Elizabeth, „vrees ik hard, dat gij de man niet zijn zult, voor wien het sluiten van den vrede is weggelegd.”

„’t Is mogelijk,” hernam Buat: „maar wij moeten echter nog eens voor ’t laatst beproeven, de Engelsche Regeering tot betere gedachten te brengen. Niemand kan ons kwalijk nemen, dat wij een zoo loffeljk doel bejagen, als het bevorderen van den vrede. Ik wil nog eens aan Arlington schrijven:  –  een brief, dien hij den Koning toonen kan en die des noods De Witt zou mogen lezen. Wacht, Betje! gij weet beter met de pen om te gaan dan ik, neem een blad papier, dan zal ik u voorzeggen wat gij te schrijven hebt.”

„Welaan dan!” zeide Elizabeth: „maar zorg nu, hem duidelijk te doen begrijpen, dat de Koning, zoo hij geen vrede sluiten wil, ook op geen verdere medewerking te rekenen heeft.”

En zich nederzettende, nam zij de pen op en schreef het opstel, dat Buat haar in ’t Fransch voorzeide, en waarvan ik hier de getrouwe vertaling volgen laat:

„In Den Haag, den negenden Maart 1666.

 „Waarde My Lord! 

„Ik zoude u niet genoeg kunnen uitdrukken, met welk
„ongenoegen ik de brieven van mijn vriend ontvangen heb.
„Gewis heeft hij aan Z. Majesteit geen behoorlijk bericht
„gedaan van zijn bevinding hier te lande; want het is niet
„mogeljk, dat hij al wat hem gezegd is, goed onthouden hebbe.
„In één woord, waarde My Lord! gij moet weten,
„dat wij hier een sterke partij gemaakt hebben voor
„den vrede, en bij gevolg voor mijn kleinen Meester,
„welke partij de andere, die hier te voren altoos
„geregeerd heeft, verre te boven gaat: zoodat de Koning
„niet moet twijfelen, of mijn Meester zal bovendrijven,
„en zij zullen dit binnenkort doen blijken, naar aanleiding
„der verzekering welke Sylvius en ik hun gegeven hebben,
„dat Z. Majesteit de beste gezindheid van de wereld heeft,
„om vrede te maken, en in waarachtige vriendschap met
„dit Land te leven, en voor God te verklaren, dat hij geen
„andere voornemens gehad heeft: al ’t welk hem het hart
„van alle eerlijke lieden alhier gewonnen heeft. Ik laat u
„oordeelen, als de vrede zal gesloten zijn, in welken goeden
„Z. Majesteit en mijn kleine Meester alsdan hier zullen zijn,
„ja ik zeg alsnog, dat hij de grootste Koning der geheele wereld
„zijn zal; maar als diezelfde eerlijke lieden eenige verkoeling
„bespeuren ten opzichte van den vrede, zoo wees verzekerd,
„waarde My Lord! dat allen hier zich zullen vereenigen om
„hun zaak tot het uiterste te verdedigen, en indien
„het ongeluk (nadat zij alles hebben opgeofferd) hen tot
„het uiterste brengt, zullen zij gewis mijn kleinen Meester
„wegjagen en zich aan Frankrijk overgeven: en twijfel niet,
„waarde My Lord! of ik schrijve u de waarheid, want, bij
„mijn ziel! ik weet dat het zoo is: en ik ben overtuigd,
„dat het geluk van mijn Meester afhangt van de goede
„overeenstemming van don Koning met de eerlijke lieden
„hier op het stuk van den vrede: ’t welk mij verplicht heeft,
„mijn laatste brieven op het vuur te werpen; want indien
„ik die medegedeeld had aan de welgezinden, zij zouden
„allen veranderd zijn, als ik u vroeger gezegd heb: en
„ik bezweer u nogmaals, waarde My Lord! den Koning
„wel te verzekeren, dat, zoo hij den vrede niet maakt,
„mijn Meester zal te gronde gaan.”

 „Ziezoo!” zeide Buat: „geef nu de pen maar hier, dan zal ik het stuk onderteekenen.”

„Zacht wat!” zeide Elizabeth: „wij mochten den brief nog wel eens nalezen: er zijn mij hier en daar uitdrukkingen onder ’t schrijven voorgekomen, die wel eenigszins naar den mutsaard rieken. Gij spreekt daar van „het maken eener partij,” van „den goeden staat waarin de Koning en de Prins zullen zijn als de vrede gesloten is,” en van andere dingen, die wel waar zijn, maar wel wat voorzichtiger konden worden uitgedrukt. Ik zou niet willen hebben, dat men u ooit, zelfs maar schijnbaar, van samenzwering kon verdenken, en daarom wilde ik beproeven of ik, met behoud van den zin, de woorden niet wat verzachten kon, en er tevens nog bijvoegen, dat gij nimmer iets zoudt willen doen, waardoor gij u tegen uwen eed of tegen de belangen van dezen Staat vergrijpen zoudt. Wacht! ik zal dat wel in orde brengen.”

En meteen, een schoon blad papier nemende, zette zij zich aan het overschrijven van den brief, daarin zoodanige wijzigingen makende, als zij oorbaar en voegzaam achtte, haar echtgenoot, zoo dikwerf haar eene in haar oog gelukkige verandering uit de pen vloeide, met een vroolijken lach aanziende, als wilde zij hem daarmede zijn goedkeuring en loftuiting afvragen.

„Ziezoo!” zeide zij, toen haar arbeid afgeloopen was, en zij het verbeterd opstel nog eenmaal, eerst zacht bij zich zelve, toen met luider stemme voor haren man gelezen had: „nu is het klaar, en moei Aarssen zelve zou op dit stuk niets hebben aan te merken. Wilt gij het nu teekenen? of hebt gij er nog wat bij te voegen?”

„Er is mij in de gedachte gekomen,” zeide Buat, „dat het wellicht beter ware, te wachten met den brief te sluiten, tot wij terugkomen van de partij bij Mevrouw de Prinses. Het zal vandaag toch wel uitgemaakt worden, of de bevordering van Zijn Hoogheid al dan niet plaats heeft, en wij zouden hetgene daaromtrent zal plaats hebben, bijwijze van naschrift, onder aan den brief kunnen vermelden.”

„Dat kan geschieden,” zeide Elizabeth: „maar denkt gij nu nog aan Sylvius ook te schrijven:  –  of wilt gij, dat ik die taak op mij neme?”

„Wel, mij dunkt, gij zijt zoo goed aan den gang,” zeide Buat lachende, „dat gij maar moest voortgaan gelijk gij begonnen zijt.  –  Ik loop terwijl even naar boven en haal, eer het donker wordt, mijn plunje voor hedenavond bijeen.”

En, na zijne vrouw, tot dank voor haar trouwe hulp, een kus op ’t voorhoofd gedrukt te hebben, snelde hij de kamer uit en naar boven.

„Ziezoo!” zeide Elizabeth, zoodra zij alleen was, tot zich zelve: „nu gauw aan Sylvius te verstaan gegeven, dat de correspondentie over moet wezen. Voorwaar! Moei zal over mij tevreden zijn.”

En meteen zich opnieuw tot schrijven zettende, gaf zij aan Sylvius te kennen, dat zoowel Buat als zij het min raadzaam oordeelden, dat hij zich in ’t vervolg met de hem tot nu toe opgedragen taak bleef belasten, vooral ook uit aanmerking, dat, zoo de Koning van Frankrijk er achter kwam, deze eens in ’t hoofd mocht krijgen, de goederen, die Buat in Frankrijk had liggen, verbeurd te verklaren. Nog schreef zij, toen een dier gewichtige personages werd aangemeld, die men toen zoomin als heden ten dage gewoon was te laten wachten, maar op wier komst, als gold het die van een vorst, men zich haastte, elke, ook de belangrijkste bezigheid ter zijde te stellen, en zich tot de ontvangst van den gewenschten bezoeker te schikken, te weten…… meester Florisz de kapper, die aan Mevrouw Buat het haar kwam opmaken. Gelukkig dat zij aan den laatsten volzin van haar brief gekomen was: zij plaatste er dus de onderteekening achter, schoof de beide brieven in een te voren gereedgemaakt couvert, borg dit in eene lade, ruimde de tafel op; en, met het eerste opstel van den brief aan Arlington geen weg wetende, wierp zij het in zeker verlakt koffertje, waarvan vroeger gesproken is, en ’t geen toevallig nevens haar stond, met oogmerk om het bij een nadere gelegenheid er weder uit te nemen en te verbranden, na welke verrichtingen zij zich voor de kaptafel neerzette. Deze toch was, daar het op de slaapkamer Vrij koud was, te dezer gelegenheid in de achterzaal overgedragen en tevens aldaar al het noodige voor het toilet bijeengebracht. Weldra had onze kunstenaar het hoofd der jonge vrouw onder behandeling genomen; terwijl Buat intusschen mede teruggekomen en van zijnen kant bezig was, zich in zijn hofkostuum te kleeden.

„Wel, meester Florisz!” vroeg Buat, zijn kousebanden vaststrikkende: „welk goed nieuws brengt gij mede?”

Nieuws!” antwoordde de kapper: „en dat vraagt mij de Heer Buat, die een Edelman is van Zijn Hoogheid! Nu scheert UEd, ook den gek met mij.”

„Ik zou mij niet vermeten, die vrijheid te nemen met iemand als meester Florisz,” zeide Buat: „maar in goeden ernst, gij ziet en hoort meer, dan een ander:  –  en gij hebt heden vooral gewis vrijwat lieden onder handen gehad, die wat weten kunnen.”

„Wel ja!” voegde Elizabeth er bij: „zij hebben u althans lang genoeg opgehouden: en de eenige wijze, waarop gij het vergoeden kunt, dat gij zoo laat komt, is ons te vertellen, wat gij alzoo gehoord hebt.”

„Zoo laat!” herhaalde Florisz, met een blik van verontwaardiging: „wel, er zijn nog een paar dozijn hoofden, die mij wachten, om hedenavond een behoorlijke vertooning te kunnen maken bij Mevrouw de Princes-Douairière   –  en ik zal er nog verscheidenen moeten laten zitten”

„Dus zult gij ons per slot nog willen bewijzen, dat wij u groote dankbaarheid schuldig zijn,” zeide Buat, lachende.

„Neen! neen!” antwoordde Florisz: „Mijnheer Buat weet wel, dat ik geen goede en trouwe dienaars van Zijn Hoogheid in den steek zal laten.”

„Pas op!” hernam Buat: „gij zult nog al uw klanten, voor zooverre die van de Fransche partij zijn, verliezen, als zij u zulke meeningen hooren uiten.”

„Des te erger voor hen,” zeide Florisz, met een gevoel van trots en eigenwaarde de schouders ophalende: „ik maak geen geheim van mijn meeningen: en laten zij, die van de Fransche partij zijn, dan ook maar een Franschen kapper nemen: men zou het hun dan terstond kunnen aanzien, dat zij landverraders zijn.”

„Niet kwaad bedacht!” hernam Buat nogmaals: „maar thans uw nieuws!”

„Wel ik zeg alsnog,” antwoordde de kapper, „dat ik geen nieuws heb, dat noemenswaardig is: het groote nieuws zullen wij van avond hooren, als de Vergadering der Heeren Staten is afgeloopen.”

„Nu ja!” zeide Buat; „maar hoe denkt men, dat de uitslag der beraadslagingen zijn zal?”

„Wel! die zal gewis overeenkomstig de wenschen der welgezinden zijn,” antwoordde meester Florisz: „Mevrouw kan van avond gerust oranje-lint in ’t haar strikken, zonder vrees dat Mr. Jan er haar over zal achterhalen. Zijn rijk is heden uit, of ik heb het mis.

„Inderdaad?” vroeg Buat.

„Wel ja,” antwoordde de kapper: „de Heeren Staten hebben immers zelven kunnen zien, hoe gunstig Zijn Hoogheid te Amsterdam en overal ontvangen is: de Keurvorst van Brandenburg heeft hun immers geschreven, dat zij zijn Neef zouden hebben te bevorderen: vijf Provinciën hebben zich er voor verklaard: en die van Holland zullen zich toch op den duur niet weerbarstig toonen, en, tegen den algemeenen wil aan, de verheffing van Zijn Hoogheid tegenhouden. Ziehier, Mevrouw! oranje met zilver! dat zal u heerlijk staan.”

„Hm!” zeide Buat: „de partij van den Heer De Witt is sterk en behendig.”

„Laat zij zoo sterk en behendig wezen als zij kan,” vervolgde Florisz.: „zij zal deze reis toch het hoofd moeten buigen: zie, van morgen nog vroeg Mademoiselle Van Beverweert. ... doe ik u zeer, Mevrouw?”

„Een weinig, maar ga uw gang,” zeide Elizabeth, een scheef gezicht zettende: „gij zeidet, dat Mademoiselle Van Beverweert…

„Ja,” hervatte de kapper: „zij vroeg aan haar broeder, den Heer Van Odijk, of hij dacht, dat de Prins nu eindelijk tot Stadhouder en Kapitein-Generaal zou verheven worden.”

„En wat antwoordde hij?” vroeg Buat.

„Hij lachte,” zeide Florisz: „en zeide: „ „Zijn Hoogheid is nog jong genoeg.””

„En moet dat gezegde als een bewijs gelden voor hetgeen gij straks als onherroepelijk zeker steldet?” vroeg Buat.

„Een oogenblik geduld, Mijnheer!” antwoordde Florisz: „wat antwoordde de Jonkvrouw:  –  „hm!”  –  zeide zij te jong! dat is een kwaal, daar men alle dagen van geneest.” ”

„Dat kan men althans aan haar wel zien,” merkte Elizabeth aan, op een spijtigen toon.

„En toen,” vervolgde Florisz, „zeide de Heer Van Odijk:    –  „ „nu, wij zullen zien.” ”

„En is dat alles?” vroeg Buat.

„ „Nu, wij zullen zien” ”  –  zeide de Heer Van Odijk:  –  en bij het herhalen dezer woorden grinnikte meester Florisz, als lag daarin een wondere tooverkracht besloten:  –  vervolgde hij, om zijn tevredenheid te verklaren: „hij zette daar een gezicht hij, als wilde hij zeggen: „ „ ’t zal wel losloopen.” ”

„Losloopen, ja,” zeide Buat: „maar ’t is de vraag, hoe?”

„Ei wat!” hernam Florisz: „Turenne heeft immers bedankt om over te komen: en Graaf Joan Maurits wordt mooi oud. Op wien zou de keus anders kunnen vallen, dan op Zijn Hoogheid? Lieve hemel! er kwam immers oproer in de steden en op de vloot, als men ons Prinsje weer voorbijging.”

„’t Is jammer, dat moeder Musch u niet hoort,” zeide Elizabeth: „het zonde haar goeddoen.  –  Maar, is nu dat gezegde van den Heer Van Odijk alles, wat gij weet te vertellen?”

„Neen,” antwoordde meester Florisz: „er is nog iets van meer gewicht: de Heer De Witt is hedenmorgen bij Mevrouw de Princesse-Douairière geweest.”

„Inderdaad?” vroeg Buat: „en alleen?”

Zooals ik u zeg, en geheel alleen: hij heeft wel anderhalf uur bij haar doorgebracht.”

„En welke gevolgtrekking leidt gij daaruit af?” vroeg Buat. „Begrijpt UEd, dat niet?” vroeg op zijn beurt de kapper: „de man zit er in: zijn vrienden loopen van hem weg als de muizen van een instortend huis: hij heeft nog een laatste middeltje te baat genomen om te beproeven, of hij de bescherming van Mevrouw de Prinses kon verwerven: zoo ik wel onderricht ben, moet hij zich al bitter benauwd hebben aangesteld,  –  gebeden, gesmeekt en gehuild als een kalf, ja hare knieën omvat hebben, zeggende, dat hij verloren en verdorven was, als zij zich zijner niet aantrok.”

„Gesmeekt en gehuild! de knieën der Prinses omvat!” herhaalde Buat, meesmuilend: „en dat zou de Heer De Witt gedaan hebben! Maak zulke dingen aan de ganzen wijs, meester Florisz!”

„Ik ben er niet bij geweest,” zeide de kapper.

„Neen, noch iemand anders,” viel Buat in.

„Hm!” hernam onze politicus: „ik heb het toch van goeder hand: Louise, die lange kamenier van de Prinses, heeft het door een reet van de deur gezien, en het weer oververteld aan Jozef, den tweeden kok, die het aan zijn broeder heeft verteld, die kamerdienaar is bij den Spaanschen Gezant, van wien ik het gehoord heb.”

„Van den Spaanschen Gezant?” vroeg Buat, al luider en luider lachende.

„Neen, van zijn kamerdienaar,” antwoordde Florisz.

„Nu, het moge wat vergroot zijn,” merkte Elizabeth aan, „het zou mij toch zoo zeer niet verwonderen, dat Mr. Jan een weinig in de verlegenheid zat, en niet wist, tot wien zich te wenden.”

„Of hij in de verlegenheid zit!”  –  riep de kapper uit: „hij slaapt geen uur gerust meer; de arme man! hij droomt van messen, pistolen en dolken: ja, de zilversmid Verhoef heeft mij nog gisteren verzekerd, stellig te weten, dat hij zich bij den harnasmaker in de Pooten een maliënkolder had laten maken om op het bloote lijf te dragen  –  evenals Protector Weerwolf in zijn tijd.”

„Waarljk!”  –  zeide Buat. met een ongeloovig schouderophalen: „maar dat moet hem toch een weinig in zijn bewegingen hinderen.”

„O!”  –  hernam Florisz: „dat went wel: en bovendien, de maliën zijn zoo fijn bewerkt, dat de kolder niet meer hindert dan een gebreide borstrok. Ja, meester Robbeknol verstaat zijn werk.”

„Ik moet zeggen, dat ik den Heer De Witt niet benijde,” zeide Buat, „als hij in zulk een keurslijf leven moet. Ik hoop toch, dat hij het uittrekt voor hij naar bed gaat.”

„Mijnheer mag er mede spotten,” antwoordde de kapper: „maar dat de zaak zoo is, daarvoor wil ik de beste pruik uit mijn winkel verwedden.”

„Wat zou ik met een pruik doen?” vroeg Buat: „ik draag mijn eigen haar.”

„Nu, nu!” hernam Florisz: „die tijd zal niet eeuwig duren: en een pruik is nooit te versmaden: al ware ’t maar om in de kerk op te zetten tegen den tocht.”

„Ziezoo!” zeide Buat, terwijl hij zijn rok aantrok; „en weet gij nu nog meer nieuws?”

„Weinig meer dat goed is,” antwoordde Florisz: „UEd. heeft zeker vernomen, dat de Heer Dedel ernstig ongesteld is?”

„De President van den Hove?” vroeg Buat.”

„Wat scheelt hem?” vroeg Elizabeth.

„Ja,” antwoordde de kapper: „de een zegt, het schort hem in de long, en de ander, in de lever; maar daarin komen zij overeen, dat het einde wel de dood zal zijn.”

„Arme man!” zeide Elizabeth, terwijl zij met zelfbehagon haar fraai gekapt hoofdje in den spiegel bekeek.

„Een trouwe vriend van het Huis van Oranje,” zeidc Buat, het hoofd schuddende.

„Ja!” hernam de kapper: „en een groote slag zou het wezen, indien hij kwam te vallen: want op die overige leden van het Hof valt niet veel te rekenen: de goeden niet te na gesproken, als Van den Honert en Van der Graaf...

„’t Is zeker, dat zijn dood een zware slag zou wezen voor ’s Prinsen partij,” zeide Buat, weinig denkende dat hij er voor zijn persoon eenmaal mede door lijden zou. „Gelukkig, dat, indien uw goede verwachtingen maar voor de helft uitkomen, wij minder bezorgd behoeven te wezen voor de politieke gevoelens der Raadsheeren.”

„Help mij toch onthouden, dat ik morgen tijdig naar den zieke vragen laat,” zeide Elizabeth, met den vinger een paar weerbarstige krullen op zijde strjkende: „Ziezoo, dat is klaar:  –  hebt gij mij die haarolie medegebracht, waar ik u om gevraagd had, meester Florisz?”

„Met de drukte vergeten,” antwoordde deze: „schandelijk vergeten; maar ik zal ze hedenavond, of uiterlijk morgenochtend, laten aanreiken. Mevrouw heeft niets meer te belasten?  –  Niet?  –  En heeft Mijnheer Buat nergens behoefte aan?”

„Ik dank u,” antwoordde deze.

„Zal ik Mevrouw niet meteen een potje karmijn sturen?” vroeg de kapper: „ik heb er overgekregen, die voortreffelijk is: en schandekoop, een dukaat het potje.... en daar heeft men voor zijn leven aan.”

„Ja…… neen!…… ik weet niet of ik het wel noodig heb,” antwoordde Elizabeth.

„Een dukaat voor een potje!” zeide Buat: „ik hoop waarachtig, dat gij die dwaasheid niet begaan zult.”

„Wel! niet eene van onze schoonen kan er buiten,” zeide meester Florisz; „daar is Mademoiselle Van Beverweert, aan wie ik er nog hedenmorgen een verkocht heb.”

„Nu ja, die heeft ze ook noodig,” zeide Elizabeth, eenigszins bits: „maar ik kan er Goddank nog buiten.”

„Nu! dan op een anderen keer,” zeide meester Florisz, die op dit oogenblik zijn gereedschappen weder bij elkander had gepakt: „ik hoop, dat Mijnheer en Mevrouw veel genoegen zullen hebben van avond, en alles naar wensch moge afloopen.”

Met deze woorden vertrok hij.


[Jacob van Lennep pagina] – [18e hoofdstuk] – [20e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.