MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN RECEPTIE BIJ DE PRINCESSE-DOUAIRIČRE.


Ritmeester Buat bij de kapperszaak van Meester Florisz

Het winterverblijf der Princesse-Douairičre was het zoogenaamde Oude Hof, vroeger onder den naam van „de Huizinge van Brandwijk” bekend, en gelegen op het Noordeinde: hetzelfde gebouw, dat na!813 de eer had tot Koninklijk Paleis te worden verheven. Ofschoon de vorstelijke pracht en luister, welke de doorluchtige Weduwe van Frederik Hendrik zoo gaarne ten toon spreidde, zich in hun schitterendsten glans op haar geliefd Honselaarsdijk vertoonden, zoo getuigden echter ook de zalen van het Oude Hof, door de uitgelezen sierlijkheid der meubelen, en door de onbekrompenheid, waarmede alles steeds werd ingericht om het gemak en het genoegen der gasten te bevorderen, zoo van de mildheid als van den goeden smaak der bewoonster. Ter gelegenheid der receptie, waar wij in het vorige hoofdstuk gezien hebben, dat Buat en zijn vrouw zich voor gereedmaakten, leverden die zalen   –  waar honderden van waskaarsen tot in eiken hoek het helderste licht verspreidden: teruggekaatst door het gouden vaatwerk der buffetten, door het verguldsel van het lijstwerk, door de gesteenten, de paarlen en het borduurwerk, waarmede de talrijke schare der genoodigden overdekt was, een tooverachtig schouwspel op. En toch, hoeveel zich daar vereenigd bevond, geschikt om oogen en zinnen te streelen, toch waren   –  op enkele uitzonderingen na, bij wie de stem van behaagzucht of van liefde zich alleen liet hooren   –  de gedachten der aanwezigen minder bij hetgeen hen omringde, dan bij de beraadslagingen, welke op dit oogenblik, op het Binnenhof, in de vergaderzaal der Staten van Holland, nog voortduurden, en wier uitslag zou leeren of de ster van Jan De Witt, die tot nog toe met zooveel glans over de Republiek geschenen had, al dan niet stond verduisterd te worden.

Aan hen, die de vorige hoofdstukken met eenige aandacht gelezen, en de daarin vermelde politieke onderhandelingen en kuiperijen niet geheel vergeten hebben, zal het gebleken zijn, dat de toestand, waarin de groote Pensionaris zich bevond, hachelijk mocht genoemd worden, en dat alle voorteekenen aanwezig waren, naar welke volgens menschelijke berekening, een keerpunt in zijne tot dien tijd zoo voorspoedige loopbaan kon voorspeld worden. Van buiten dreigde een machtige vijand, trotsch en overmoedig door de behaalde zege, en op wien zelfs geen overwinning kon behaald worden, dan gekocht door bloed en schatten. Van binnen had de Hofpartij, welker aanzien en macht De Witt tot nog toe had weten te fnuiken, met stoutheid het hoofd weder opgestoken en luide hare stem tegen hem doen hooren. Aan hare eischen toe te geven, door den jeugdigen Prins in de rechten zijner Voorzaten te herstellen, ware voor De Witt het plegen van een politieken zelfmoord geweest: haar te tarten, haar in niets toe te geven, den strijd op leven en dood tegen haar te wagen, moest het toppunt der roekeloosheid schijnen, in de oogen van al, wie de gesteldheid der gemoederen bij de verschillende standen in de maatschappij had gadegeslagen. Het volk   –  niet alleen dat toomlooze grauw, ’t welk steeds haakt naar nieuwigheden, maar ook die rijke en krachtige middelstand, die de kern der natie uitmaakt   –  drong luide aan op de verheffing van den Vorst uit het geliefde stamhuis. En niet het achterlijkst, waar het aankwam op het voorstaan van diens rechten, betoonde zich het meerendeel van hen, die ten allen tijde, maar toen vooral, zulk een machtigen invloed op hunne medeburgers uitoefenden    –  de Predikanten. Het zal gewis deze of gene mijner lezers reeds verwonderd hebben, nog geen Predikant te hebben zien optreden in een tafereel uit de zeventiende eeuw, waar het gemis van iemand uit den Leeraarsstand een leemte in de schilderij moet schijnen. Ik zal daarop antwoorden, vooreerst, dat de Leeraar, als ik hem noodig heb, niet weg zal blijven; doch dat het plan van mijn werk mij verbood, hem als een hoofdpersonage te doen optreden: en ten andere, dat ik mij voorbehoud, die bemoeiingen der Predikanten met de politieke gebeurtenissen van dat tijdvak in een later werk meer omstandig te schilderen. Hier zij het genoeg te vermelden, dat zij voor het grootste deel Oranjegezind waren, en bijzonder verbitterd over het onlangs door de Staten gedane verbod, om in de kerken afzonderlijk voor Zijn Hoogheid te bidden: en dat velen hunner niet alleen in den omgang met de leden der Gemeente, maar ook openlijk van den predikstoel, tot zelfs in ’s-Gravenhage, in krachtige, stoute taal, voor ’s Prinsen bevordering hadden geijverd. Geen wonder dan ook, dat de menigte, op die wijze door hare herders voorgegaan, aan Willem III, hij zijn rondreis, overal de ondubbelzinnigste bewijzen van gehechtheid had gegeven. Wel was de verwachting van Van Espenblad niet vervuld geworden, en, door de zorg der Overheden, de opgewondenheid der burgerij nergens overgeslagen tot oproer of wat men daarvoor had kunnen houden en straffen; maar, wat bestemd was om meer bezorgdheid bij de partij van De Witt te verwekken, de blijde kreten, waarmede de menigte den jongen Vorst had begroet en hem heil gewenscht, konden als triomfkreten worden aangemerkt, sedert er bijna nergens door de Regenten iets gesproken of gedaan was, dat een tegenovergestelden geest ademde, en waardoor de uitwerking dier manifestatiën getemperd werd:    –  en, ofschoon de Prins op zijn reis van geene der Stadsregeeringen offlciëele beloften of toezeggingen ontvangen had, hij had evenmin iets gehoord, dat bestemd kon gerekend worden, om bij hem of zijne partij de hoop of den moed te doen verflauwen: ja, op vele plaatsen had het allen schijn gehad, als waren de eerbewijzingen van de zijde der Overheden niet zoozeer aan een bloot gevoel van betamelijkheid als aan de opwelling van toegenegen harten te danken geweest. In de Staten-Generaal hadden vijf van de zeven Gewesten zich genegen betoond, het Kapitein-Generaalschap der Unie aan den kleinzoon van Frederik Hendrik op te dragen. Zeeland scheen gereed, hem het Stadhouderschap over het Gewest aan te bieden: Brandenburg drong met klem op zijn bevordering   –  wat zou het zijn, indien de Afgevaardigden der Hollandsche Steden, ’t zij door de aansporing en het voorbeeld van elders, ’t zij uit overtuiging, ’t zij eindelijk uit vrees voor de opgewonden Gemeenten, mede aan De Witt ontvielen?   –  Frankrijk was tot nog toe zijn steun geweest; maar wij hebben uit het voorafgaande de dubbelzinnige staatkunde dier Mogendheid leeren kennen: en uit de slinksche wijze, waarop d’Estrades de Regenten van Friesland en Groningen had zoeken over te halen, zich onder Fransche bescherming te stellen, had De Witt kunnen bespeuren, in hoeverre die vriendschap van Frankrijk te vertrouwen ware.

Het was dus niet te verwonderen, dat het aanzienlijk gezelschap, dezen avond aan het Oude Hof vereenigd, en ’t welk grootendeels bestond uit aanhangers der Oranje-partij, een bijzonder opgeruimde stemming aan den dag leide. Allen waren bekend niet de bezwaren, waartegen De Witt te kampen had, en de meesten vleiden zich, dat die nu althans door hem niet zouden kunnen worden te boven gekomen. Slechts enkelen onder zijn vijanden kenden zijn bekwaamheid te wel, om hetgeen zij hoopten als zeker te durven stellen: en vonden daarom nog geen vrijheid om met den voorbarigen triomf-kreet der meerderheid in te stemmen: sommigen ook zwegen uit een gevoel van vrees voor den Staatsman, die, al trad hij heden af, misschien morgen weer aan ’t roer komen en hun de in overijling gesproken woorden betaald kon zetten: anderen eindelijk, hoezeer tot de Prinsenpartij behoorende, hadden nog te veel achting voor De Witt en te veel vertrouwen in zijn buitengewone geestkracht, om zijn aftreding op dit oogenblik als zulk een groot geluk voor de Republiek te beschouwen.

Tot deze laatsten behoorde de man, die, in een der hoeken van de zaal, met Mevrouw Musch in gesprek was getreden. Het was iemand van een schrander en levendig uitzicht, die een blonde pruik droeg en een alleszins hoffelijk voorkomen had, doch ’t welk eenigszins in weerspraak was met den korten beslissenden toon, waarop hij sprak, en met den gebiedenden blik, welken hij nu en dan om zich heen wierp.

„Welnu, Admiraal!” had Mevrouw Musch hem gezegd: „deze reis zullen wij toch gewonnen spel hebben en zal Mr. Jan zijn loon krijgen voor de verguizing, welke hij u heeft aangedaan.”

„En wien zullen wij dan krijgen?” vroeg de man, die met den titel van Admiraal was aangesproken: „dezen of genen Geleerde of gewezen Gezantschapsklerk, die niets van ’t zee-wezen af weet?”

„Hoe nu!” zeide Mevrouw Musch: „gij zoudt dus verlangen dat Mr. Jan aan ’t roer bleef?”

„Wat ik verlang,” antwoordde de Admiraal, „is, dat zijn Hoogheid hersteld worde en wij weer met een lustig Wilhelmus onder zeil gaan.”

„Maar, als Zijn Hoogheid hersteld wordt,” zeide Mevrouw Musch, „kan de Heer De Witt geen Raadpensionaris blijven.”

„Dat weet ik niet,” antwoordde de Admiraal: „dat is zijn zaak: wat ik weet, is, dat zij niet licht iemand zullen vinden, die meer hart voor het zeewezen toont, en er meer verstand van heeft.”

„Verstand!” herhaalde Mevrouw Musch: „en gij hebt immers zelf er mee gespot, toen men hem in uw bijzijn zoo hoogen lof gaf over de wijze, waarop hij in Augustus l.l.. de vloot met een zuidwestenwind door het Spanjaards-gat in zee bracht.”

„Gespot:   –  ja, maar niet met hem. Ik heb gespot met de dwaasheid van hen, die dachten, dat onze loodsen en stuurlieden niet evengoed als hij wisten, dat men wel met acht-en-twintig windstreken kon uitloopen. Maar zij verkozen het niet te weten: omdat zij geen trek hadden, onder zijn bevel in zee te gaan, weet gij?   –  En wat knap van hem was, was niet, dat hij iets nieuws en ongehoords uitvond, gelijk de onkundigen gelooven, maar dat hij de zeelui verschalkt en tegen hun zin genoodzaakt heeft uit te zeilen.”

„Nu!” zeide Mevrouw Musch: „indien gij hem met betrekking tot het zeewezen zoo hoogschat, laat hij dan, wat mij betreft, Luitenant-Admiraal van de geheele Unie worden; als wij maar van zijn bemoeiingen in ’t staatkundige verschoond blijven.”

„Ik heb er vrede mee,” antwoordde de Admiraal: „als ik toch weer voorbij moet worden gegaan, dan liever door iemand, die kennis van en liefhebberij voor ’t vak heeft, dan door dezen of genen landrot, als dien armen drommel van een Obdam, die den boel verleden zomer zoo deerlijk in de war stuurde en er zelf mee naar de planeten vloog.”

„Eilieve! hoor toch eens, mijn waarde Heer Van Heenvliet,” zeide Mevrouw Musch tot dozen Edelman, die even te voren genaderd was: „de Admiraal weet een lief middeltje om alle partijen tevreden te stellen: hij wil den Heer De Witt tot Opper-Admiraal maken.”

„Zoo!” antwoordde Heenvliet: „nu, dat mag belangeloos en grootmoedig heeten. Maar, wat zou de Heer De Ruyter daarvan zeggen?”

„De Ruiter!” herhaalde de zeeman: „och! die vindt alles goed, zooals de Heeren Staten het maar beschikken.   –  Wat drommel! ik gehoorzaam ook aan de Heeren Staten; maar dat neemt niet weg, dat ik hen somtijds bij mij zelven beschuldig van groote ezels te zijn, die zich met zaken moeien, waar zij geen greintje verstand van hebben.”

„Pas op, Admiraal!” zeide Mevrouw Musch, hem met haar waaier een bestraffend tikje op den arm gevende: „ spreek geen kwaad van de Staten, op het oogenblik, dat zij ons misschien een gewichtigen dienst bewijzen.”

„Dat zal nog de vraag zijn,” antwoordde de Admiraal.

„Wel, hoe heb ik het met u?” vroeg Mevrouw Musch: „gij staat u daar te bekommeren over de vraag, wat er van Mr. Jan zal worden, alsof dat nu de zaak ware, die ons bezig moest houden:   –  het is, of gij geen belang stelt in wat er met onzen lieven Prins gebeuren zal.”

„’t Is goed, dat het Mevrouw Musch is, die mij dit verwijt doet,” zeide de Admiraal: „zoo het een man ware, die dus mijn verknochtheid aan het Huis van Oranje verdacht, ik zou hem spoedig een anderen toon laten zingen, zoo waar ik Kornelis Tromp heet.”

„Zoo bevalt gij mij,” zeide Mevrouw Musch, met een goedkeurend knikje.

„Wat drommel!” ging Tromp voort: „ben ik hedenmorgen niet alleen daarom van Helvoet gekomen, om mijn gelukwenschingen aan Zijne Hoogheid te bieden: en heb ik niet den last achtergelaten, om, als hetgene, wat wij hopen, gebeuren mocht, al de vlaggen te hijschen, het kanon te lossen en het scheepsvolk te trakteeren?   –   ofschoon tot dit laatste geen noodzakelijkheid ware; want als Janmaat hoort, dat ons Prinsje weer Stadhouder is, dan drinkt hij wel zonder commando, tot hij de maan voor een kolkschen koek aanziet.”

„Janmaat zal den tijd hebben om zijn roes uit te slapen,” zeide Heenvliet: „want als de Prins Stadhouder wordt, zal de vrede met Engeland ook wel spoedig volgen.”

„Dat wil ik waarachtig niet hopen,” hernam Tromp: „eer zoo iets gebeurt heb ik nog een revanche op die Hoeren Engelschen te nemen; zij moeten voor den duivel niet kunnen blijven zeggen, dat zij ons op zee de baas zijn.”

„Noch de Franschen te land,” zeide Heenvliet, maar half tevreden over de oorlogzuchtige gevoelens, die Tromp aan den dag leide:   –   „maar, vrede of oorlog, geen Engelschman zal ooit met minachting van onze zeelieden gewagen, of nalaten hulde toe te brengen aan de verdienste van een zeeheld als den Heer Tromp.”

Terwijl het genoemde drietal zich aldus onderhield, viel in een ander gedeelte der zaal een gesprek voor van geheel verschillenden aard. De Heer Van Montpouillan namelijk had zich bij Buat vervoegd, en hem naar de namen gevraagd van deze en gene schoonheid, die hen voorbijwandelde.

„En zeg mij toch,” zeide hij, nadat Buat hem reeds verschillende dames genoemd had: „wie is dat mooie vrouwtje daar ginds bij de middeldeur, met dien fieren oogopslag en die levendige uitdrukking op ’t gelaat? Ik bedoel die met het oranje-lint in ’t haar.”

„’t Is gelukkig, dat gij u gunstig over haar uitlaat,” antwoordde Buat met een glimlach: „het vrouwtje, dat gij bedoelt, is Mevrouw Buat.”

„Inderdaad!” hernam Montpouillan: „wel, ik maak u mijn compliment:    –  gij zijt een gelukkig sterveling. Zal ik de eer hebben, dat gij mij aan Mevrouw voorstelt?”

„Wel!” zeide Buat, schertsende: „ik weet niet, of zulks wel gewaagd is, na hetgeen gij tot haren lof gezegd hebt;   –  doch kom, ik moet hier wel de rol van den goedhartigen echtgenoot spelen. Wees zoo goed mij maar te volgen.” En meteen zich naar zijn vrouw begeven hebbende, stelde hij den Franschen Edelman aan haar voor, waarna hij zich spoedig weder verwijderde.

Montpouillan had werkelijk de jonge vrouw zeer bevallig gevonden, en verlangde niets liever dan met haar in nadere kennis te geraken. Na eene dier korte woordenwisselingen, waarmede een onderhoud tusschen lieden, die elkander nooit ontmoet hebben, op partijen als deze was, doorgaans begint, en welke uit haren aard te onbeduidend zijn om herhaald te worden, ontdekte hij, dat zij een bevallige spraak had en geheel niet van geest ontbloot was. Genoeg, om bij een Franschman, die niets anders te doen had, de zucht op te wekken van haar zijn hof te maken. Evenals een voorzichtig krijgshoofd, alvorens zich op vreemd grondgebied te wagen, verspieders uitzendt, en niet voortrukt zonder eerst te weten, in wat land hij zich bevindt, zoo begon ook Montpouillan, met tot Elizabeth eenige dier vleiende gezegden en toespelingen te richten, welke, naarmate zij goed of minder goed worden opgenomen, door meer duidelijke verklaringen opgevolgd, of als nietsbeduidende beleefdheidsformulen kunnen worden aangemerkt. Maar nauwelijks had hij een poos op die wijze zijn welbespraaktheid ten toon gespreid, toen hij be merkte, dat hij geheel nuttelooze moeite deed, en dat Mevrouw Buat ňf hem geheel niet begrepen, ňf geheel niet naar hem geluisterd had. Het eerste kon het geval niet zijn; daartoe moest zij, naar zijn oordeel, te veel verstand hebben: het laatste was wel niet zeer vleiend voor zijn eigenliefde, maar toch het eenige, dat zich denken liet. Intusschen, daar Mevrouw Buat eerst zeer vlug en beleefd geantwoord had op al wat hij zeide, moest er nu een reden zijn voor haar plotseling opgekomen verstrooidheid van gedachten: hij volgde de richting, die hare levendige oogen genomen hadden, en had weldra den sleutel van het raadsel, toen hij, in het gedeelte der zaal, waar zij heen blikte, Buat gewikkeld zag in een zeer vertrouwelijk onderhoud met de Jonkvrouw Van Beverweert.

„Komaan!” zeide hij bij zich zelven, met een echt Fransche logica: „de jonge vrouw is jaloersch: het zal er maar op aankomen, haar te bewijzen, dat zij door haar man ongelukkig gemaakt wordt, en zij zal noodwendig iemand behoeven om haar te troosten.”   –  En na deze fraaie redeneering zich opnieuw tot Elizabeth wendende: „is dat niet de Jonkvrouw Van Beverweert,” vroeg hij, „met wie de Heer Buat spreekt?”

„Zij zelve,” antwoordde Elizabeth, kleurende op het hooren noemen van de Jonkvrouw, die op dat oogenblik het voorwerp van haar beschouwing en haar gedachten was.

„Nu voorwaar,” vervolgde Montpouillan: „zonder den Heer Buat zou zij waarschijnlijk zich niet hier hebben bevonden.”

„Hoe meent gij dat?” vroeg Elizabeth, onaangenaam verrast.

„Wel,” antwoordde de Franschman, „omdat zij de schoonste kans van de wereld had op die laatste jachtpartij den hals te breken, indien uw man haar niet intijds had opgevangen, toen zij van ’t paard stortte.”

„Waarlijk!” zeide Elizabeth, hem strak aanziende: „ik meende althans naar hetgeen Buat mij verteld heeft, dat hij te laat was gekomen om haar hulp te bieden, en dat zekere onbekende jager haar paard reeds gestuit had.”

„De Heer Buat is al te nederig, geloof ik,” hervatte Montpouillan: „vergeef mij . . . . is zijn voornaam niet Henry?”

„Ja, Mijnheer!”

„Welnu! ik meen wel duidelijk gehoord te hebben, en de Heer Bromley met mij, dat, toen wij onze schoone Amazone ter zijde kwamen, zij tegen den Heer Buat zeide: „ik dank u, Henry!”

Elizabeth verbleekte; maar, zich met hooghartigheid bedwingende, zag zij Montpouillan ernstig aan, en zeide, zonder dat hij de minste beving in haar stem bespeuren kon:

„Ik moet denken, dat de Heeren verkeerd verstaan hebben. Mejonkvrouw Van Beverweert is niet op zulk een gemeenzamen voet met mijn echtgenoot, om hem bij zijn doopnaam te noemen.”

„Dat mocht ik niet beoordeelen,” hervatte Montpouillan: „ik kan alleen verhalen wat ik gezien en gehoord heb.”

„Gij kunt verkeerd gehoord hebben,” zeide Elizabeth, en, met koele waardigheid het hoofd buigende, wendde zij zich af, en begaf zich naar hare moeder, Montpouillan in volslagen onzekerheid latende omtrent de uitwerking zijner woorden.     –  Wat ons betreft, wij dienen echter te weten, in hoeverre het onderhoud tusschen Buat en de schoone Jonkvrouw aan Elizabeth wettige reden tot ijverzucht kon geven.

„Mijnheer Buat!” had zij tegen hem gezegd: „geef mij uw arm: ik heb u iets te verzoeken.”

„Altijd tot uw dienst gereed,” antwoordde hij, der Jonkvrouw zijn arm aanbiedende en haar een weinig buiten het gedrang voerende.

„In de eerste plaats,” vervolgde zij, „moet ik u zeggen, dat ik u een groot bewijs van vertrouwen ga schenken, en er dus op reken, dat gij aan geen levende ziel den inhoud van ons gesprek zult mededeelen.”

„Reken daarop,” zeide Buat: „ik zou uw vertrouwen onwaardig zijn, indien ik anders handelde.”

„Zoo meen ik ook,” hervatte de schoone Isabella: „ik zie u aan als een man van eer, en durf mij daarom gerust tot u wenden.   –  De zaak is deze: gij houdt briefwisseling met Lord Arlington, nietwaar?”

„Nu en dan,” antwoordde Buat, glimlachende.

„Welnu!” vervolgde de Jonkvrouw: „gij weet misschien, dat ik reeds half en half met hem verloofd was, toen die onzalige vredebreuk tusschen Engeland en onzen Staat plaats had. Wel hebben wij sedert briefwisseling gehouden, maar dit heeft bezwaren, en onze brieven zijn niet altijd te recht gekomen.”

„Dat verwondert mij,” zeide Buat: „met u zal Mylord toch geen staatsgeheimen verhandelen: en al is verstandhouding met den vijand strafbaar, dan zijn minnebrieven toch boven de wet. In Engeland zal wel niemand de correspondentie van den Staatssecretaris bemoeilijken, en hier te lande zou uw Heer vader wel door zijnen invloed kunnen bewerken, dat uwe brieven geregeld werden verzonden.”

„En ziedaar juist wat mijn vader niet doen wil,” zeide Isabella: „gij kent hem, Mijnheer Buat! hij is altijd bevreesd, van Engelsch-gezindheid verdacht te worden en zich onaangenaamheden te berokkenen. En wat mijn broeder Odijk betreft, diens hulp zou ik nog veel minder durven inroepen. Mijn eenige uitkomst moet ik dus zoeken bij u.”

„Bij mij?” vroeg Buat.

„Ja!   –  uwe briefwisseling is, naar ik hoor, onbelemmerd: en zoo Mylord en ik van uwe tusschenkomst gebruik mogen maken, zijn onze zwarigheden ten eenenmale opgeheven.”

„Het verzoek is te vereerend om afgeslagen te worden,” zeide Buat: „gewis hebt gij uw brief reeds gereed?” voegde hij er schalks lachend bij.

„Zoo is het,” antwoordde zij, een weinig blozende: „ik wacht maar op een gelegenheid, om u dien bedektelijk ter hand te stellen.”

„Daar is de Prinses,” mompelde men op dit oogenblik van alle zijden: en de dubbele deur, die naar de binnenvertrekken voerde, werd opengeslagen.

„Ziehier het oogenblik,” fluisterde Isabella: „alle oogen zijn op de deur gevestigd: „niemand geeft acht op ons. Ziedaar!” En meteen snel de hand in den zak latende glijden, haalde zij daar een briefje uit, ’t welk zij Buat overhandigde.

Wel waren, als Isabella zeide, alle oogen op de deur gevestigd:   –   echter op twee na: die namelijk van Elizabeth. Zij hadden onafgebroken Buat en de Jonkvrouw gadegeslagen, en ook de laatste beweging was haar niet ontsnapt. Ook nu echter wist de jonge vrouw haar spijt te bedwingen, en, terwijl het hart bloedde, wendde zij een kalm gelaat naar de zijde, waar de vorstelijke personages verwacht werden. Weldra trad de Prinses binnen, met haar kleinzoon aan de hand.

Amelia Van Solms, ofschoon reeds in haar vier en zestigste jaar, bleef nog altijd de vrouw, die in alle kringen opmerkzaamheid en bewondering zou hebben tot zich getrokken. De jaren hadden het glanzende zwart van haar lokken met een grijze tint overdekt, de rozen op hare koonen door ]eliewit doen vervangen en meer volheid gegeven aan de eertijds zoo fijne leest; maar nog altijd bleef haar hoofd met een rijken overvloed van krullend haar bedekt; nog altijd waren hare trekken even regelmatig schoon en schitterend, hare oogen van denzelfden donkeren gloed als in de dagen harer jeugd; en wat haar gestalte betrof, die had in majesteit gewonnen wat zij in fijnheid miste. Zij droeg het haar gekrepeerd, als men ’t noemt, naar achteren uitstaande, en (men vergeve mij deze onedele vergelijking, maar ik weet er geene, die juister de zaak voorstelt) in den vorm van een dier ruige, bonte, ronde mutsen, als de gewone schippersdracht in vroegere dagen was, zoodat het hooge voorhoofd geheel zichtbaar was. De blanke en nog gevulde hals pronkte met een snoer van de kostbaarste paarlen: en van onder het keurs kwam een dubbele platte geschulpte kraag van het uitgezochtste kantwerk, met paarlen doorstikt, te voorschijn, die, den boezem openlatende, rondom den nek zijn bevallige festoenen verhief. liet borststuk van gele zijde, met gouden bloemen geborduurd, was van voren vastgehecht met een gesp, versierd met drie robijnen van ongemeene grootte en luister, in een rand van juweelen gevat: een snoer van paarlen, nog zwaarder dan die om den hals prijkten, hing, van den eenen schouder tot den anderen loopende, tot op het middellijf af. De mouwen, aan den bovenarm zeer wijd en met doffen voorzien, liepen smal toe naar de hand, waar zij met gespen waren vastgehecht, in ’t klein volkomen gelijk aan die, welke op de borst prijkte. De samaar, insgelijks van gele zijde met goud, was van onderen, op regelmatige afstanden, opgenomen en vastgehecht met vuurroode strikken, ieder van een schitterende ster van juweelen, met een robijn tot middelpunt, voorzien. Het onderkleed, dat door dit opnemen der samaar zichtbaar werd, was insgelijks van vuurroode stoffage, en glinsterende van juweelen. Om de kleine voetjes sloten keurig gewerkte zwart lederen schoentjes, voorzien van hooge roodgekleurde hakken en van gespen, gelijk aan die op de mouwen. Elke schoen had aan de buitenzijde een ronde opening, waar de rozeroode kous doorheengloeide. Wanneer ik nu hier bijvoeg, dat de Prinses lichtgrijze handschoenen droeg met zilveren kwasten en borduursel, dat zij een verlakten Chineeschen waaier in de hand hield, ingelegd met goud en paarlemoer, en dat aan hare zijde een beurs hing, stijf van goud en gesteenten, dan vlei ik mij, genoegzaam haar toilet te hebben beschreven, en ontslagen te zullen worden van de moeite om even nauwkeurig dat van den Prins te schilderen, ’t welk in een vuurkleurig buis en hozen van ’t zelfde bestond: een kleur, welke zijn ziekelijk gelaat nog bleeker deed schijnen dan gewoonlijk: zoodat zelfs Gourville, die zich onder de genoodigden bevond, niet kon nalaten aan d’Estrades in te fluisteren:

„Zou men, die twee personen ziende, niet geneigd zijn, te denken, een jong meisje te zien, dat zich als grootmoeder, en een grootvader, die zich als knaap verkleed heeft?”

De Prinses, tot het midden der zaal genaderd zijnde, richtte achtereenvolgens het woord tot de aanzienlijksten onder de genoodigden daarbij, als naar stijle, beginnende met de aanwezige Gezanten: een voorbeeld, dat door den Prins op gelijke wijze werd gevolgd. Hun onderhoud met d’Estrades, zoowel als met Gamarra, den Gezant van Spanje, bepaalde zich bij onverschillige onderwerpen; doch toen Amelia zich tot de Brandenburgsche Heeren, Copes en Blaespeil, wendde, konden dezen niet nalaten, hun hoop uit te drukken, dat zij haar nog, eer de avond ten einde was, met de bevordering van haar kleinzoon zouden mogen gelukwenschen.

„Ik hoop, Mijne Heeren!” antwoordde zij met een bevalligen glimlach, die een dubbele rij van nog volkomen gave en als paarlen glinsterende tandjes liet zien: „ik hoop, dat deze avond in elk geval een belangrijke verandering in de toekomst van den Prins zal teweegbrengen.”

„Ik moet u verzoeken, Mijne Heeren!” zeide de Prins, op zijne beurt het woord tot hen richtende, „de tolken mijner dankbaarheid te zijn jegens mijn Oom van Brandenburg, dat hij wel mijn voorspraak heeft willen zijn bij de Heeren Staten, en zelven mijn dank te willen aannemen voor de wijze, waarop gij u van den last, u opgedragen, hebt gekweten.”

„Wij vleien ons, dat onze bemoeiingen in dezen niet zonder vrucht zullen gebleven zijn,” antwoordde Blaespeil; „althans de Keurvorst heeft wel eenige aanspraak op inschikkelijkheid van de zijde der Staten.”

„Ik weet alleen, dat hij aanspraak heeft op mijne altoos durende erkentenis,” zeide Willem, en toen, Montbas ziende: „Nu,” zeide hij, „dat zou met onze avondpartijtjes wel eens uit kunnen zijn, Heer Graaf!”

„En waarom dat?” vroeg Montbas: „Indien men aan Uwe Hoogheid en aan mij betrekkingen hij het leger geeft, gelijk wij hopen, zal er des te meer behoefte voor ons beiden zijn, om de avonduren te dooden, die anders in garnizoensplaatsen of in ’t kamp vrij lang en vervelend zijn.”

Een receptie bij de Princesse-Douairiečre„Ik herhaal het u, Mijnheer De Montbas!” hernam de Prins: „ons spelen heeft uit, hoe het ook loope. Immers uw benoeming bij het leger reken ik buiten twijfel: bekom ik geene aanstelling, dan raken wij van zelf verwijderd: bekom ik die wel, dan wil ik geen Generaal voor de leus zijn; en dan zal ik mijne avonden genoeg noodig hebben voor de studie.”

„Dat zijn loffelijke voornemens, Uwe Hoogheid!” zeide Heenvliet, met een goedkeurenden hoofdknik.

„Helaas ja!” ging de Prins voort: „ik heb al berouw genoeg zoovele uren van mijn leven verbeuzeld te hebben, maar de lust tot den arbeid verflauwt, wanneer men geen bepaald doel voor oogen heeft om zich naar te richten.   –  Hoe, gij ook hier, Admiraal! dat is een ware verrassing.” En met een hartelijkheid, die wel niet met zijn natuur tegenstrijdig was, maar welke hij toch zelden aan den dag legde, schudde hij Tromp de hand.

„Ik heb geen weerstand kunnen bieden aan mijn verlangen, om mede een dag te komen vieren, zoo belangrijk voor Uwe Hoogheid,” zeide Tromp.

„Nu ja!” zeide de Prins: „of hij zou vroolijk zal afloopen, dat zal de uitkomst moeten leeren. Maar verhaal mij, Admiraal! hoe staat het met de vloot?”

En nu volgde tusschen hen beiden een onderhoud over het zeewezen, waarbij Willem III een scherpzinnigheid en kennis van zaken ontwikkelde, verre boven zijn jaren, en die bewezen? dat hij zijn tijd niet zoo verbeuzeld had, als men wel uit zijn vorig gezegde zou hebben kunnen opmaken. Zooveel belang scheen de jeugdige Vorst te stellen in het onderwerp, dat hij al wat hem omringde er door vergat, en dat zijn Grootmoeder hem de vraag in ’t oor moest komen fluisteren, „of hij de Dames in ’t geheel niet dacht aan te spreken?”   –  Hij boog het hoofd onder deze terechtwijzing, en, Tromp nogmaals de hand drukkende, trad hij naar den schitterenden kring toe, waar zoovele aangezichten, oud en jong, hem minzaam tegenlachten. Maar zelfs de heusche verwelkomst, die hem te beurt viel, de blijde gelukwenschen, die hem vanwege Isabella Van Beverweert, Mevrouw Musch en zoovele anderen ten deele vielen voor zijn ophanden zijnde bevordering, niets was in staat zijn schroomvalligheid te overwinnen of den lach op zijn gelaat te roepen: en, ofschoon hij in al zijn toespraken en antwoorden zorgvuldig de voorschriften der beleefdheid in acht nam, ja zich inspande om althans geen onnoozel figuur te maken, toch was het hem aan te zien, hoeveel het hem kostte, de hem opgedwongen verplichting te vervullen. Maar in spijt dat hij niets deed om zich beminnelijk voor te doen, de verknochtheid der aanwezige dames aan zijn Huis en aan zijn persoon was zou innig en onwrikbaar, dat zij hem toch beminnelijk vonden, zijn blooheid op rekening stelden van de verdrukking, welke hij had ondergaan, en het weinige, dat hij zeide, niet alleen gepast en verstandig, maar zelfs vernuftig; en geestig vonden.

Al spoedig gaf nu het orkest het sein tot den dans. Wel had de Prins van harte gewenscht, er geen deel aan te moeten nemen, maar zijn rang en zijn plicht als kleinzoon der gastvrouw vorderden dat hij dien opende: en alzoo, zijn schoone nicht bij de hand nemende, stelde hij zich in postuur. Lustig zwierde men nu door elkanderen; en de jongere dames althans vergaten, bij de vroolijke sarabandes en de sierlijke courantes, voor een wijl de politiek van den dag. Niet alzoo de meer bedaagden, die aan weerszijden der Prinses op tabouretten gezeten, gestadig naar de deur zagen, of er iemand komen zou, die tijding uit de Vergadering bracht.

Eindelijk zou de algemeene en zou hoog gespannen nieuwsgierigheid bevredigd worden. Een der gasten, die even in ’t voorportaal was geweest, was teruggekomen met het bericht dat er verscheiden koetsen in aantocht waren, en niet lang duurde het ook, of men zag Van der Horst, Kievit, Van Espenblad en den Heer Van Dorp van Maasdam, die te zamen in één rijtuig gezeten hadden, binnentreden.

De dansers stonden plotseling stil: de muziek zweeg: wie gezeten was rees op van zijn zitplaats, en de eerste beweging van de genoodigden was, den nieuwgekomenen te gemoet te stroomen. Dan bij nader overleg scheen ieder te begrijpen, hoe de betamelijkheid vorderde, dat de vorstelijke personages ’t eerst onderricht waren van iets, dat hun meer onmiddellijk aanging: en zou bleven de meesten stilstaan, openden den kring, om aan de Leden der Vergadering gelegenheid te verschaffen, de Prinses te naderen, en vergenoegden zich, voor alsnog, met de gelaatstrekken der vier Heeren op te nemen, om te zien of zij daaruit een gevolgtrekking konden opmaken tot wat er gebeurd was. Van der Horst zag rood als een kers: Kievit bleek als een doek: Van Dorp keek bijzonder ernstig: en Van Espenblad glimlachte als altijd.

Gelukkig voor de zoodanigen onder ’t gezelschap, die zenuwachtig waren, dat zij, spoediger dan zij gedacht hadden, uit alle onzekerheid werden verlost. Immers, Van Dorp alleen, die, als lid van de Ridderschap, zich meer vrijheid meende te kunnen aanmatigen dan zijn ambtgenooten. maakte gebruik van den vrijen doortocht, die hem verleend was, trad naar de Prinses toe, en onderhield zich een wijl zacht met haar en met den Prins, die hem genaderd was. De overige drie Heeren vermengden zich dadelijk met het gezelschap.

„Wel?” vroeg Mevrouw Musch, Kievit bij een knoop van zijn rok nemende: „wordt Zijn Hoogheid tot Kapitein-Generaal voorgedragen?”

„Neen!” antwoordde Kievit, zich op de lippen bijtende.

„Of tot Veldmaarschalk?” riepen onderscheiden stemmen, om hem heen.

„Neen!” antwoordde hij weder.

„Toch tot Generaal der Ruiterij?” vroeg men nu, terwijl menig gelaat bleek werd van bezorgdheid.

„Neen!” klonk ten derden male het antwoord.

„Maar tot wat dan?” riepen de driftige vragers.

„Tot niets!” zeide Kievit: „niets!”

„Niets!” herhaalde men, terwijl de neerslachtigheid op elk gelaat te lezen was.

„En de voorspraak van den Keurvorst?” vroeg Blaespeil, die toegetreden was.

„De meerderheid der Vergadering heeft hare verwondering er over te kennen gegeven,” antwoordde Kievit met bitterheid. „dat een vreemd Vorst zich met onze zaken bemoeide.”

„Zoo!” zeide Blaespeil, gekrenkt: „en wat zouden die Heeren gezegd hebben, indien mijn Meester eens niet verkozen had, het alliantieverdrag te sluiten, onder voorwendsel, dat hij met hun zaken niets te maken had?”

„En Leiden en Haarlem, van wie men stellig verwacht had dat zij de bevordering van Zijn Hoogheid zouden doordrijven vroeg Mevrouw Musch.

„Vraag het aan de Afgevaardigden dier Steden, als straks hier komen, waarom zij van gevoelen veranderd zijn,” zeide Kievit: „het zijn alleen Enkhuizen en Edam, die zich goed gehouden hebben.”

„En wie zijn dan ter bevordering voorgedragen?” vroeg Buat, die zich mede in de groep bevond.

„’t Is zoowat bij ’t oude gebleven,” antwoordde Van Horst: „Holland bewilligt er in, dat Prins Joan Maurits opnieuw tot Veldmaarschalk worde verkoren, en stelt wijders voor… wacht! hier heb ik het lijstje;   –   tot Overste der Ruiterij, den Prins van Tarente…

„Natuurlijk!” zeide Mevrouw Musch: „een vreemdeling moest boven de landskinderen getrokken worden.”

„Tot Overste van ’t geschut, den Heer van Noordwijk....”

„Dat sprak van zelf,” zeiden sommigen.

„Tot Sergeant-Majoor-Generaal, den Graaf van Hoorne:   –  tot Kwartiermeester-Generaal, den Luitenant Kolonel Pain-et-Vin.”

„Juist één inboorling bij de hoofdofficieren!” zeide Kievit.

„Die arme   –  verongelijkte Prins!” klonk het in bijna algemeen koor, en de oogen wendden zich meewarig naar Willem III. Deze had juist op dit oogenblik de zijde van zijn Grootmoeder verlaten en trad, terwijl zijn gelaat niet de minste verandering bespeuren liet, naar Montbas toe.

„Gij ziet, Heer Graaf!” zeide hij, „dat ik niet zoo geheel ongelijk had, toen ik zeide, dat het met onze avondpartijen uit was:” en toen, zich naar Tromp keerende, vervolgde hij tot dezen: „zoo gij de vlaggen laat hijschen, Admiraal! Zal het niet ter mijner eere zijn.”

„Ik liet liever al ons dundoek tot pluksel uitrafelen,” antwoordde Tromp, „eer dat ik morgen ook het minste wimpeltje uitstak. Het is de grofste Ondankbaarheid, die de Staten ooit gepleegd hebben.”

„Stil Admiraal!” zeide de Prins, hoestende: „ik mag niet van de ondankbaarheid der Heeren Staten hooren, op het oogenblik, dat zij mij zulk een schitterend bewijs van genegenheid geven.”

„Een bewijs van genegenheid!” herhaalde Tromp, overluid: „Uwe Hoogheid schertst.”

„Ik verzeker u, dat ik geen gedachte tot schertsen heb,” zeide de Prins, met een bitteren glimlach: „ik herhaal, dat de Staten mij een bewijs van genegenheid, van vaderlijke genegenheid hebben gegeven.”

Willem III had deze woorden luid genoeg gesproken om door een aantal der genoodigden, die zich om hem heengedrongen hadden, te worden verstaan: en velen konden insgelijks niet nalaten, zijn zoo raadselachtig gezegde meer of minder luid te herhalen. Men zag elkander niet bevreemding aan; doch weldra werd voor hen, die ’t meest in de nabijheid der Princesse-Douairičre stonden, het raadsel opgelost.

„Mijne Heeren!” zeide zij, zich meer bepaaldelijk tot de Brandenburgsche Heeren wendende, doch luid genoeg om ook door anderen verstaan te worden: „gij kunt den Keurvorst een blijde tijding brengen: er zal een belangrijke wending komen in het lot van zijn pupil, mijn kleinzoon. De Staten van dit Gewest hebben goedgunstiglijk besloten, het verzoek, dat ik hun heden gedaan heb, om hem tot Kind van Staat te maken, en zich met de zorg voor zijn verdere opvoeding te belasten, in ernstige overweging te nemen.”

Men kan zich moeilijk den indruk voorstellen, op de gemoederen der aanwezigen gemaakt door deze mededeeling, die Van mond tot mond liep, en straks bevestiging ontving van de zijde der Afgevaardigden ter Staten-Vergadering, die inmiddels in aanzienlijken getale waren binnengetreden. Neerslachtigheid spijt, verontwaardiging waren op het gelaat der Prinsgezinden, tevredenheid, blijdschap en zegepraal op dat der aanhangers van De Witt of van Frankrijk te lezen: en zelfs de plaats, waar men zich bevond, noch de tegenwoordigheid der doorluchtige gastvrouw, konden beletten, dat hier en daar, vooral van de zijde der teleurgestelden, in vrij luide en krachtige bewoordingen lucht gegeven werd aan het gevoel des harten. De opdracht van ’s Prinsen opvoeding aan de Staten van Holland was, ja, vroeger, het voorwerp geweest van de wenschen der Oranje-partij, die, zoolang Willem III nog een kind was, de meening herhaaldelijk geuit had, dat die Staten zich van den plicht der dankbaarheid, ja, der betamelijkheid zouden kwijten, indien zij de zorg voor die opvoeding op zich namen;   –  doch thans, nu de Prins geen kind meer kon geacht worden, nu er integendeel sprake geweest, hem met staats- en krijgsambten te bekleeden, nu had, op het oogenblik zelf dat hem alle bevordering ontzegd werd, het besluit der Staten veel van een bittere scherts. Doch het was inzonderheid de Princesse-Douairičre, tegen wie de gemoederen opeens verbitterd waren. Dit was dan de wijze waarop zij de belangen van haar kleinzoon behartigde! Zij zelve had er dan toe kunnen besluiten, een aanzoek te hernieuwen, dat vroeger gebillijkt had kunnen worden, doch dat in de bestaande omstandigheden geen andere strekking kon hebben, dan om den Prins onder de voogdij, ja onder het meesterschap der vijanden van zijn Huis te plaatsen! Doch wie ook door haar onverklaarbare handelwijze getroffen waren, het ergst waren zij geschokt en ontroerd, die tot het hofgezin des Prinsen behoorden, en die hun ontslag reeds duidelijk in een niet verwijderde toekomst konden zien. Zuylesteyn stond als van den donder getroffen: Boreel liep peinzend heen en weder, in zichzelven reeds den brief opstellende, dien hij over dit voorval aan zijn vader, den Gezant te Parijs, dacht te schrijven: Bromley mompelde eenige onverstaanbare Engelsche vloeken: de jonge Heenvliet zwoer, dat hij een iegelijk uit zou dagen, die ’t hart had, hem in zijn betrekking op te volgen: en Buat overdacht al zuchtende, hoe hij uitstel van zijn schuldeischers zou verkrijgen, wanneer hun het gerucht van zijn aanstaand ontslag uit ’s Prinsen dienst zou ter ooren komen.

„Begrijpt gij er iets van, Heer Schoonzoon?” vroeg Mevrouw Musch, hem met drift bij den arm grjpende.

„Al te wel,” antwoordde Buat met een zucht: „Mr. Jan is van morgen bij de Prinses geweest.”

„Inderdaad?” vroeg Mevrouw Musch.

„Die gekke Florisz!” vervolgde Buat: „die mij wou vertellen, dat de Raadpensionaris met dat bezoek geen ander doel had, dan om zijn baan schoon te maken en hare bescherming te verzoeken. ’t Is nu alles duidelijk als de dag. Hij heeft haar overgehaald, om dit verzoek bij de Staten te hernieuwen.”

„Hij is de Satan in eigen persoon,” zeide Mevrouw Musch. „Dat weet ik niet,” hernam Buat: „maar wel, dat hij opnieuw een bewijs heeft gegeven van de fijnste politicus te zijn, die er bestaat.   –  Maar zacht…. als men van den wolf…

Op dit oogenblik trad De Witt met zijn neef, den Pensionaris van Dordrecht, Vivien, en den Burgemeester van Amsterdam, Valckenier, de zaal binnen. Zonder eenig blijk te geven, dat hij de algemeene opmerkzaamheid, waarvan hij het voorwerp was, bespeurde, begaf hij zich regelrecht naar de Prinses, om haar zijn hulde aan te bieden. Nauwelijks had zij hem met weinig woorden te kennen gegeven, hoe gevoelig Zij was over de welwillendheid, haar door de Staten betoond, of de Prins trad insgelijks nader, en drukte De Witt de hand.

„Mijnheer De Witt!” zeide hij: „het is in uw persoon, dat ik de Heeren Staten danken moet voor hunne zonderlinge goedheid te mijwaart.”

„Uwe Hoogheid mag mij gelooven,” antwoordde De Witt, die, ondanks zijn onvergelijkbaar doorzicht, op dit oogenblik nog niet bij machte was om te beslissen, of hij de woorden van den Prins als scherts dan als ernst moest opvatten: „maar de Staten hebben alleen het waar belang van Uwe Hoogheid op ’t oog.”

„Ik durf niet beoordeelen wat de gedachten zijn der Leden eener zoo talrijke Vergadering,” hernam de Prins: „maar van de goede gezindheid van den Heer De Witt te mijwaart houde ik mij overtuigd, evenzeer als ik mij overtuigd houde, dat er niets buiten noch tegen zijnen wil besloten wordt. Ik beken, dat ik wel gewenscht had, het vaderland reeds nu te mogen dienen: maar, daar uwe wijsheid het anders begrijpt, kan ik alleen de verwaandheid betreuren, die mij zulk een wensch heeft doen koesteren, en mij aan den anderen kant verheugen over het vooruitzicht, dat mij geopend is, onder uwe leiding te leeren, wat mij noodig is om later den Staat te dienen.”

„Het verblijdt mij zeer, zulke gevoelens bij Uwe Hoogheid aan te treffen,” zeide De Witt, zich buigende: „en zoo mij eenig deel aan uwe opvoeding wordt opgedragen, zal het mijne zoetste taak zijn, alle pogingen in ’t werk te stellen om de uitmuntende geestvermogens, die de Heer u geschonken heeft, meer en meer te ontwikkelen, en u zoodanige grondstellingen en gevoelens in te prenten, als leiden kunnen tot het waarachtig belang, zoo van Ue Hoogheid als van dezen Staat.”

„’t Is zeker, dat ik die indrukken van niemand liever en, beter bekomen zal,” antwoordde Willem, „dan van den man, wien geheel Europa als den eersten Staatsman van onzen tijd erkent.”

„Is dat nu de knaap, die Kind van Staat moet worden?” vroeg Van Espenblad, die een gedeelte van dat gesprek gehoord had, fluisterend aan Vivien: „geloof mij: het zal niet lang” duren, of hij zal de Leden van den Staat als Kinderen behandelen.”

En vervolgens zich naar d’Estrades begevende, die van ter zijde het gebeurde had gadegeslagen:

„Wel!” vervolgde hij: „ik hoop, dat de Heer Graaf over mij tevreden is?”

„Volkomen,” antwoordde d’Estrades, hem de hand drukkende: „het bevorderen van den Prins is nu nog althans een jaar of wat verschoven, en het gezag van De Witt bevestigd: dat is al veel; maar ook dat gezag zal een tegenwicht moeten hebben:    –  en daartoe zal het bezetten van Friesland door Fransche troepen niet dienen uitgesteld te worden. Gij hebt nog niets naders gehoord aangaande de besluiten, daaromtrent te Leeuwarden genomen?”

„Neen,” antwoordde Van Espenblad, een snuifje nemende om den glimlach te verbergen, die onwillekeurig bij hem oprees: „maar zoo straks is de Heer Van Haren, die kersversch uit Friesland is aangeland, hier binnengekomen: en voorzeker zal hij er u meer van kunnen vertellen. Ginds staat hij.”

De Fransche Gezant spoedde zich naar den Afgevaardigde ter Generaliteit, hem door Van Espenblad aangewezen.

„Wel! Mijnheer Van Haren!” zeide hij, na de gebruikelijke wederzijdsche plichtplegingen: „gij weet, wat Mevrouw de Regentes mij beloofd heeft. Is er al eenig besluit omtrent de bewuste zaak gevallen?”

„Neen, Heer Graaf!” antwoordde de Friesche Edelman: „de Prinses heeft, na het innemen van den raad, niet alleen van hare Staatslieden, maar ook van den Heer De Witt, volkomen begrepen, dat het inroepen van vreemde benden, ook zelfs van die door een Bondgenoot worden gezonden, een te hachelijke zaak is, en te licht, bij een volk, dat zoo kitteloorig en jaloersch op zijn rechten is als de Friezen, aanleiding tot tweedracht, wanorde en oproer kon geven:   –  en zij heeft daarom beter geacht, geheel van het plan af te zien.”

Hier maakte hij een beleefde buiging en liet den Franschman vrij beteuterd staan.

De Witt had alzoo, tegen alle menschelijke berekening aan, op al zijn tegenpartij en gezegevierd:   –  en juist door de medewerking van de zoodanigen, wier in vloed men tegen hem in ’t werk had pogen te stellen.

Hij had de Oranje-partij verschalkt, door Amelia Van Solms over te halen, de opvoeding van den Prins aan de Staten toe te vertrouwen.

Hij had d’Estrades verschalkt, door Prinses Albertina te Overreden, het voorstel van de hand te wijzen, haar door den listigen Franschman gedaan.


[Jacob van Lennep pagina] – [19e hoofdstuk] – [21e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.