MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

BUAT IS KNORRIG OP ZIJN VROUW EN LEGT BEZOEKEN AF.


In een geheel andere en vrijwat minder opgeruimde stemming, dan waarin Buat en zijn vrouw naar het Oude Hof waren heengereden, keerden zij van daar terug. Zoolang zij echter in de koets zaten, waarmede Mevrouw Musch hen thuis bracht, lieten de beide echtgenooten het woord aan de Weduwe: ’t zij, dat elk hunner te veel met zijn eigen gepeinzen bezig was om veel acht te slaan op hetgeen gezegd werd, ’t zij, dat zij toch de onmogelijkheid inzagen om den vloed van woorden te stuiten, die de teleurgestelde en vergramde vrouw uit den mond stroomden. Immers, zoo Mevrouw Musch voor ’t overige weinig van haren vader had, ééne eigenschap had zij van hem overgeërfd, namelijk van (hoewel zij in proza, en hij op rijm) een eenmaal aangevat onderwerp niet gemakkelijk te laten varen. Gelukkig was de woning van Buat vlak bij het Oude Hof en waren de jonge lieden dus spoedig bevrijd van de Jeremias-klachten der Weduwe, althans voor ’t oogenblik; want Mevrouw Musch nam afscheid met de verzekering, dat zij den volgenden morgen zou terugkeeren om eens gezamenlijk te overleggen, wat nu te doen stond.

In de achterzaal gekomen, liet Elizabeth zich op een stoel nedervallen en door Stijntje uitkleeden, zonder bijna een woord te spreken, dan alleen om te vragen of het kind gedurende hare afwezigheid rustig geweest was; terwijl zij niet dan met ja en neen antwoordde op de nieuwsgierige vragen der dienstbode, of Mevrouw zich wel vermaakt had, of het een fraaie partij was geweest, of de Prinses mooi gekleed was, hoe de Prins er uitzag, enz. Buat had intusschen den brief aan Arlington uit het pakket gehaald, ten einde er een kort naschrift aan toe te voegen, waarin hij hem nu het gewichtige nieuws van den avond mededeelde. Dit gedaan hebbende, vouwde hij den brief weder dicht, haalde dien van de Jonkvrouw Van Beverweert voor den dag en deed alles te zamen in het pakket, ’t welk hij dichtlakte. Op dit alles had Elizabeth, die spijtig voor zich neer was blijven zien, nauwelijks acht geslagen: en Buat, die in den waan verkeerde, dat alleen de politieke gebeurtenissen het verdriet veroorzaakten, ’t welk op haar gelaat lag uitgedrukt, schreef haar stilzwijgen daar aan, en aan de tegenwoordigheid der dienstmaagd, toe: ja, hij zoude ongeloovig het hoofd geschud hebben, indien iemand hem de verzekering gegeven had, dat de gedachten van zijn Elizabeth, op dit oogenblik, verre van alle staatkunde verwijderd waren.

Eindelijk was de jonge vrouw van haar sierlijken dos en kapsel bevrijd geworden, en had zij haar eenvoudig nachtgewaad aangetogen. Zij nam nu een der beide handblakers op, die het vertrek verlichtten, en trok met Stijntje naar boven, doch zonder zelfs één woord tegen Buat te spreken.

„Ik had niet gedacht, dat zij zoo bitter ter neer gedrukt zou zijn,” zeide Buat bij zich zelven, toen hij alleen was: „zij is anders de vrouw niet om zich uit het veld te laten slaan. Kom! Ik wil mij spoedig van die hofkleeding ontdoen en zien of ik haar niet wat moed in kan spreken.”

En, na op zijne beurt zich uitgekleed, en den gebloemden Japanschen rok aangetogen te hebben, begaf hij zich naar de slaapkamer, welke Stijntje inmiddels verlaten had. Eerst trad hij naar de wieg, waarin zijn dochtertje lag, drukte het slapende kind een kus op het blozende wangetje, en wendde zich toen naar het ledikant. Elizabeth lag met den rug naar hem toe gekeerd, het gelaat in het kussen verborgen en hoorbaar snikkende.

„Kom!” zeide Buat: „wees verstandig, Betje-lief! Ik begrijp, dat het gebeurde uw zenuwen ontsteld heeft: maar gij moogt den moed niet zoo geheel laten zakken.”

„Ik beken,” antwoordde zij, met een gesmoorde stem en zonder van houding te veranderen, „dat hetgeen ik hedenavond gezien en gehoord heb, mij bitter lijden doet.”

„Ja, ’t is zeker niet opbeurend,” zeide Buat: „maar gij zijt anders zulk een kloeke vrouw, en voor geen klein gerucht vervaard. Toon u bij deze gelegenheid ook moedig en bedaard. Wie weet! het rad van avontuur draait snel, en wie heden boven is, ligt morgen onder. Er komen gewis eens betere tijden: en bovendien, ’t is wel waarschijnlijk, maar nog geen uitgemaakte zaak, dat de hofhouding van den Prins zal veranderd worden, veelmin, dat ik juist zal behooren tot hen, die weggezonden worden.”

Een bijna onmerkbaar schouder-ophalen van Elizabeth was het eenig antwoord, dat Buat op deze troostrede ontving.

„Ei wat!” vervolgde hij: „bedenk, dat zoo ons vooruitzicht donker is, gij er niets mede wint, door u zoo mismoedig en troosteloos aan te stellen, en dat gij er mijn verdriet slechts door verdubbelt. Gij noch ik kunnen het helpen, zoo de staatkunde van Mr. Jan een verandering in de hofhouding vordert, waar ik het slachtoffer van worden moet, en niemand zal er ons een haar minder om achten. ’t Is een harde beproeving, maar als zij komt, zullen wij haar geduldig moeten dragen: en zoo ik dan bij u geen ondersteuning en opbeuring vind, hoe zal ik krachten genoeg hebben om mij tegen het leed te verzetten, en het noodige te verrichten om onze omstandigheden te verbeteren?     –  Zie,” vervolgde hij, bemerkende dat zijn redenen nog de uitwerking niet maakten, welke hij er van verwachtte: „gij hebt mij immers lief, en gij hebt het immers beloofd toen gij trouwdet, lief en leed met mij te deelen, en mij in tegenspoed tot hulp en troost te zijn? Thans is de tijd gekomen, dat ik die bij u kom vragen: en gij zult mij die immers niet onthouden?”

„Henry!” fluisterde Elizabeth, terwijl zij, een oogenblik getroffen door den toon zijner stem, het hoofd even omwendde, en hem aanzag. Maar opeens kwam de gedachte aan zijn vermeende ontrouw weder als een schrikbeeld voor haren geest rijzen.

„Geloof vrij,” vervolgde zij, hem ernstig aanziende, „dat ik weet, wat ik beloofd heb, en dat ik niet degene zijn zal, die aan de plichten te kort doe, welke het huwelijk mij oplegt.   –  Maar blijf nu niet langer daar staan, Buat! Wat behoeft gij nooodig kou te vatten?   –  Het is laat, ik ben doodelijk vermoeid en verlang te slapen.”

Met deze woorden wendde zij zich weder om, blijkbaar ten einde alle verdere gesprekken af te snijden. Buat zag haar een wijl met bevreemding aan. Zoowel de toon van haar stem, als de woorden, die zij sprak, hoewel op zich zelve niet onvriendelijk, waren echter weinig in harmonie met de hartelijkheid, waarmede hij haar had toegesproken: en het ontging hem niet, dat zij minder bedroefd dan verstrooid was, ofschoon hij vruchteloos peinsde, wat haar aanleiding geven kon, zich juist jegens hem minder teerhartig dan gewoonlijk te gedragen. Waarschijnlijk, indien hij op dit oogenblik een bepaalde verklaring van haar kwade luim had afgevorderd, dat zij die eindelijk gegeven zou hebben, in welk geval het misverstand zich spoedig hadde opgelost: maar hij was nu van zijnen kant ook knorrig geworden over de handelwijze van Elizabeth, welke hij, deze niet anders wetende op te lossen, in verband begon te brengen met haar zucht tot uitspanning en vermaken.

„Zou zij niet beter zijn dan alle andere vrouwen naar de wereld?” vroeg hij zich zelven af, terwijl hij zich verder ontkleedde en zoo stil mogelijk in bed sloop: „zou zij mij alleen getrouwd hebben om een vroolijk en onbezorgd leven te leiden, en het nu aan mij wijten, zoo wij ons moeten bekrimpen? Laatst heeft zij zoo bepaald geweigerd, ooit Den Haag te verlaten..., dat was al een slecht voorteeken! -’t Is toch anders zoo’n knappe en kloeke vrouw, en die zich zoo goed uit alles zou weten te redden, wanneer zij maar wilde.   –  Maar het schijnt, dat alle dochters van Eva op één punt elkander gelijk zijn, en niet willen of kunnen afstand doen van het vermaak na te jagen.... En ’t zal er toch toe moeten komen.”

Door deze onaangename gedachten gekweld, bleef Buat bijna het gansche gedeelte van den nacht wakker, ofschoon hij, om de rust zijner vrouw niet te storen, zich hield of hij sliep. Weinig vermoedde hij, dat Elizabeth van haren kant denzelfden schijn aannam, en insgelijks voortdurend gekweld bleef door muizenissen, die allen slaap van haar verwijderd hielden, doch welke een noodlottige fierheid van karakter haar in ’t binnenste van haar hart versmoren deed. En zoo waren man en vrouw dubbel ongelukkig, omdat een onzalig misverstand hen van elkander vervreemdde op het oogenblik, dat voor beiden meer dan ooit behoefte aan toenadering bestond, wilden zij zich in staat bevinden, weerstand te bieden aan de slagen der Fortuin, die hen dreigden te treffen.

Den volgenden morgen had Elizabeth zware hoofdpijn of beweerde althans die te hebben, en verkoos daarom nog een uur of wat in ’t bed te blijven. Buat stond mismoedig op, ontbeet alleen, gaf het pakket aan den visscher, die het halen kwam, en liep toen de deur uit, deels om het bezoek van Mevrouw Musch en haar klaagliederen te ontwijken, deels om eens bij dezen of genen raad te gaan innemen met betrekking tot hetgeen hem in de gegeven omstandigheden te doen stond.

Zijn weg voerde hem de Plaats over. Daar werd, toen hij „De Oude Zwaan” voorbijging, zijn aandacht opgewekt, door het zien van eenige koffers en kisten, die òf reeds in ’t voorhuis stonden òf door de bedienden de trap werden afgedragen.

„Weet gij ook, wie er afreist?” vroeg hij aan onzen kennis Joris, die met één been op de stoep en het andere op de straat., insgelijks naar de beweging stond te kijken.

„Die Fransche Heir uit Brussel,” antwoordde de knaap, zonder zich te verroeren.

Daar Buat toch den tijd aan zich had, besloot hij Gourville een afscheidsbezoek te geven: hij liep binnen, en zag, zoodra hij inkwam, dat het verkregen naricht juist was. De deur van Gourvilles vertrek stond open: hij zelf wandelde op en neder met die uitdrukking van ongeduld en verveling op ’t gelaat, die zich onmisbaar vertoont bij al wie op ’t punt staat van een reis te ondernemen, en niet meer weet, hoe de laatste tien of vijftien minuten klein te krijgen: en de getrouwe Mignot, over een koffer geknield, hield zich bezig met het inpakken van zoodanige voorwerpen, als niet dan op het laatste oogenblik gemist kunnen worden.

„Gij gaat dus werkelijk heen?” vroeg Buat: „en dat zoo zonder uw vrienden te waarschuwen?”

„Des te aangenamer is het mij,” antwoordde Gourville, „de gelegenheid nog te hebben, u voor mijn vertrek de hand te drukken.   –  Maar ja! ik heb dezen nacht het besluit genomen, en wat ik eenmaal besloten heb, stel ik niet gaarne uit.”

„En wat reden noopt u tot die zoo overhaaste afreis?” vroeg Buat.

„Wat zou ik langer hier doen?” vroeg op zijn beurt Gourville: „gij hebt zelf gezien, welken keer de zaken genomen hebben. De Witt zit vaster dan ooit in den zadel    –  en alle hoop op vrede met Engeland is voor ’t oogenblik verloren. Wat zoude ik, die alleen gekomen was om dien te bevorderen, nog langer hier blijven, en onnut mijn goed geld in een slechte herberg verteren, daar ik een gemakkelijke Huizinge te Brussel heb, die mij wacht?”

„Ik kan u geen ongelijk geven,” zeide Buat: „maar toch niet nalaten u mijn leedwezen te betuigen, dat wij u moeten missen.”

„Zeer verplicht,” zeide Gourville; „intusschen, ’t is mogelijk, dat gij mij vroeger terugziet, dan gij denkt. Ik ben de man nooit geweest om een eenmaal opgevat ontwerp te laten varen: en, zoodra de kans zich maar eenigszins voordeelig vertoont, ziet gij   –  tenzij Spanje van politiek verandere    –  mij hier terug.”

„Dat mag ik hooren,” hernam Buat: „gij stelt het dus niet onmogelijk, dat de zaken nog eenmaal naar onze wenschen geschikt worden?”

,Niet in het minst,” antwoordde Gourville: „de Engelschen mogen den voorspoed van dezen Staat met leede oogen aanzien, en zich dus een tijdlang in het verderven van uw handel en het vernielen van uw vloten verheugen, zij zijn te goed Protestantsch om op den duur hunne mede-Protestanten te beoorlogen, en zulks. alleen ten genoege van hun Koning en zijn Ministerie.”

„Gij gelooft alzoo, dat Koning Karel werkelijk den oorlog verlangt?” vroeg Buat, het gezegde van Gourville in verband brengende met de brieven, welke hij ontvangen had.

„Koning Karel,” antwoordde Gourville, verlangt niets dan drie dingen: geld, gemak en schoone vrouwen, en bekommert er zich voor de rest bitter weinig over, of zijn land te gronde ga. Wat die quaestiën van vrede en oorlog betreft, bezorg hem in ruime mate de drie voorwerpen zijner begeerte, welke ik u zooeven opnoemde, en gij zult hem zijn vloot doen uitzenden of terugroepen, juist zoo als gij ’t verkiest. Wijders, voor zoover zijn begeerlijkheden niet in ’t spel zijn, laat hij zich geheel leiden door dengenen, die den meesten invloed op hem weet te verkrijgen. Voor ’t oogenblik is dit Arlington: en daar deze overtuigd schijnt, dat, onder de bestaande omstandigheden, en bij de hier heerschende verdeeldheden, de zegepraal der Engelsche vloot op de uwe niet twijfelachtig is, pleit hij voor den oorlog, waarvan hij den goeden uitslag zich zelven toe zal rekenen.”

„Ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide Buat: „en toch komt het mij vreemd voor, dat Arlington zou ijveren voor den oorlog, waardoor zijn huwelijk noodwendig op de lange baan moet geschoven worden.”

„Wat zal ik u zeggen?” hernam Gourville, de schouders ophalende: „Arlington is geen jongeling meer, die alles aan zijn liefde offert, en bij hem zal wel de staatzucht het hoogste woord voeren. Voorts is er nog een reden, waarom hij thans minder geneigdheid dan ooit te voren tot den vrede hebben zal. Die vrede zou, zoolang de verheffing van den Prins er geen hoofdvoorwaarde van uitmaakte, het zegel drukken op de macht van De Witt: en die macht is hem een doorn in ’t oog, zoowel als aan zijn meester. Koning Karel haat den grooten Pensionaris, immers voor zooverre zijn koude ziel vatbaar is voor een hartstocht als de haat. De strenge eerlijkheid, de ingetogen zeden en de werkzaamheid van De Witt, schijnen hem een voortdurend verwijt van zijn eigen geld-zucht en liederlijke luiheid, en hinderen hem nog meer dan eenig verschil in politieke inzichten. Neem De Witt weg, en gij hebt binnen een week een einde aan den oorlog.”

„En daartoe is voor ’t oogenblik geen kans,” zeide Buat.

„Neen,” hernam Gourville: „en daarom ga ik ook heen; doch die kans zal zich wel eenmaal opdoen.”

„Niet zoo spoedig,” zeide Buat: „zoolang het goud, dat d’Estrades onder onze Regenten ronddeelt, het gezag van den Raadpensionaris stijft.    –  Maar, van d’Estrades gesproken, gij zij t, als hij, een Franschman:   –  en toch komt het mij voor dat uwe politieke bedoelingen geheel tegen elkander inloopen. Hij ijvert voor De Witt en schijnt niet af keerig, van onzen Staat tot het voortzetten van den oorlog aan te sporen: gij, daarentegen, wilt den vrede bevorderen, en het zou u, geloof ik, geen leed doen, al werd De Witt ter zijde geschoven.”

„Ook is het niet dan met leede oogen, dat d’Estrades mij hier heeft zien komen,” zeide Gourville, glimlachende: „hij weet al te wel, dat de politiek, welke ik hier ben komen voorstaan, niet die is van de Fransche Regeering;    –  maar hij weet ook, dat ik te machtige beschermers in Frankrijk heb, dan dat hij mij in ’t openbaar een min vriendelijk gelaat zou durven toonen.    –  En daarbij, hij zelf, zoomin als mijn Koning, verlangen, dat De Witt al te machtig worde, en zij nemen het dus niet zoo heel euvel op, dat er nu en dan iemand is, die hem een struikelblok in den weg legt.   –  Doch ik zie mijn rijtuig voorkomen.   –  Nu nog een afscheidsdronk genomen    –  le vin de l’ étrier, gelijk wij dien noemen    –  en mijn eerbiedige groete aan Mevrouw Buat.”

De wijn van den stijgbeugel werd gedronken, en niet lang duurde het, of de zwaar beladen reiswagen van Gourville rolde over de straten van Den Haag, terwijl Buat zich op weg begaf naar het Binnenhof. Hij achtte het zijn plicht, na het voorgevallene, zijn opwachting te maken bij den Prins, en dezen   –  al was het dan ook niet van harte    –  geluk te wenschen met de vooruitzichten, die zich voor hem opdeden, van door Holland tot Kind van Staat te worden aangenomen. Te meer verblijdde het hem, dit voornemen bewerkstelligd te hebben, daar de eerste woorden van den kamerdienaar, toen hij zich aanmeldde, waren:

„Ga vrij binnen, Mijnheer Buat! Zijn Hoogheid heeft reeds naar u gevraagd, en zal verheugd zijn u te zien.”

Buat vond den Prins in zijn studeervertrek, zittende aan een tafel met boeken en papieren beladen, die echter op dit oogenblik de aandacht van den jongeling niet bezig hielden. Integendeel, blijkbaar vermoeid en lusteloos, was hij in zijn met kussens wel voorzienen armstoel meer gelegen dan gezeten, terwijl de waterkaraf nevens hem en de meer dan gewone bleekheid van zijn gelaat te kennen gaven, dat zijn gewone kwaal hem weder plaagde. Nevens hem stonden de jonge Heenvliet en Bromley, die beiden de sombere blikken op den grond gevestigd hielden, en ze nauwelijks ophieven, toen zij den groet van Buat even met een flauwen hoofdknik beantwoordden.

„Gij doet wel, dat gij mij bezoekt, Buat!” zeide de Prins. hem de hand toereikende. „Ik ben geschokt, en heb moed en troost noodig.”

Buat kuste de hem aangeboden hand, en, zich weder oprichtende, zag hij den Prins in de oogen. Hij was verbaasd over de uitdrukking van diepen weemoed, die zich op dat anders zoo onveranderlijk gelaat vertoonde, en niet minder over de woorden, welke Willem III gesproken had. Dat de Prins geschokt was, dat hij raad en troost noodig had, daarover was Buat niet verwonderd, wel, dat hij er voor uitkwam. Maar de zelfbeheersching, welke de zestienjarige jongeling vooral den vorigen avond had moeten in het werk stellen, had hem deze reis te veel gekost, en niet alleen had zijn gestel er hevig onder geleden, maar ook het hart, zoolang in bedwang gehouden, had zich eindelijk, in de tegenwoordigheid van hen, die hij zijn trouwe vrienden achtte, moeten uitstorten. En toch, ook onder het toonen van die ongewone openhartigheid, liet hij   –  gelijk wij dadelijk zien zullen    –  zich door zijn gevoel niet geheel wegsleepen, en was hij bedacht op liet nemen van zoodanige maatregelen, als zijn tijdig doorzicht en de hem aangeboren schranderheid hem als de meest wijze en voorzichtige aanwezen.

„Ik wenschte,” zeide Buat, „dat ik den moed had, Uwe Hoogheid geluk te wenschen met de wijze, waarop de Staten van Holland het verzoek van Mevrouw de Prinses hebben opgenomen.

„Wat behoef ik het voor u te verbloemen, Buat!” antwoordde Willem: „er zijn voor mij treurige veranderingen op til, te treuriger, omdat zij mij vooral in mijn vrienden zullen treffen.”

„Ik ken Uwe Hoogheid te goed,” hernain Buat, „om niet te weten, dat Zij zich door geen tegenspoed zal laten neerslaan.”

„Gij doet wel van mij moed in te spreken,” zeide de Prins: „ik zal dien meer dan ooit behoeven.   –  En toch, wat zal het mij baten? Tot nu was ik ten minste van vrienden omringd, op wie ik vertrouwen kon en bij wie ik vertroosting vond;    –  maar nu   –  ik ontveins het mij niet   –  zal ik hen moeten verliezen om niets dan vreemde gezichten rondom mij te zien. Bedenkt gij wel, Buat! hoe pijnlijk mij dat zal wezen, geen vriend meer bij mij te hebben, in wiens hart ik het mijne kan uitstorten? tot altijddurend zelf bedwang en veinzen gedoemd te zijn?   –  Welk een vooruitzicht! en dat op mijnen leeftijd!   –  O, dat ik geen Prins ware nog onlangs zag ik uit dit venster den jongen Van der Graef met eenige zijner schoolmakkers, die over den Vijverherg liepen en elkander met sneeuwballen wierpen. Hoe benijdde ik hen!”

Nu, mijn Prins!” zeide Buat: „zij benijden gewis Uwe Hoogheid ook, wanneer Zij te paard zit en zoo wakker door ’t veld jaagt. Kom! ik ken Uwe Hoogheid immers te goed, om niet te weten, dat die mistroostigheid niet in Haar karakter ligt. Geduld maar! elk krijgt zijn beurt.   –  En men zal toch uwe Hofhouding niet zoo geheel veranderen, of er zullen toch nog wel sommige onder Uwe vrienden aanblijven.”

„Gelooft gij?” vroeg de Prins op een toon, die twijfel uitdrukte.

„Ik vlei mij er althans mede,” antwoordde Buat.

„Hoor eens!” hernam de Prins, nadat hij een wijl had nagedacht: „gij zoudt mij een onvergelijkelijken dienst kunnen bewijzen.”

„ Beschik over mij,” zeide Buat.

„Ik weet,” hernam Willem, „dat hetgeen ik van u vergen zal, u hard zal voorkomen, dat gij mij misschien onvriendelijk en onbillijk zult noemen; maar ik ben er toe gedrongen. Het is zoo klaar als de dag, wanneer de Staten het voorstel der Prinses aannemen, dat er   –  gelijk de Heer De Witt het noemen zou    –  een zuivering in mijn Hof houding zal plaats hebben. Misschien zal die allen, misschien maar enkelen, treffen. Om hen nu niet allen te verliezen, zal ik misschien moeten doen gelijk de schipper, die een gedeelte zijner lading vrijwillig overboord werpt, om haar niet geheel ten gronde te zien gaan. Het spreekt van zelf, dat men niet zal gedoogen dat Bromley bij mij blijft, die een Engelschman is, noch Heenvliet, die de verbeider is eener Engelsche Baronie. Maar ook u zal men uw ontslag geven; want gij staat bekend als briefwisseling houdende met de Engelsche Heeren.   –   Ik weet vooraf, dat al mijn verzoeken om u te behouden, geheel vruchteloos zouden zijn. Ten opzichte van den Heer Van Zuylesteyn echter, die mijn bloedverwant is, en van Boreel, wiens vader den Staat dient als Ambassadeur te Parijs, kan men zoodanige bezwaren niet inbrengen. Wellicht ware het dus nog mogelijk, dat ik hen behield, en daarom ...

Hier dwongen de aandoening en een daardoor veroorzaakte hoestbui den Prins tot zwijgen, en er blonken tranen in zijn oog.

„Ik versta Uwe Hoogheid!” zeide Buat, verbleekende: „wij, gelijk wij met ons drieën hier staan, moeten het veld ruimen.”

„Ik dacht het wel,” hernam Willem: „Gij beschuldigt mij in uw hart van zelfzucht en ondankbaarheid; en echter, nu meer dan ooit geef ik u een bewijs van het vertrouwen, dat ik in uwe verknochtheid en edele inborst stel. Ja, ik durf het als een bewijs van vriendschap van u vragen, dat gij, zoodra de zaak bij de Staten haar beslag heeft, uit eigen beweging uw ontslag vraagt. Bromley en Heenvllet hebben dit reeds beloofd: en wanneer gij nu hun voorbeeld volgt, dan kan ik, als het zoo laat is, met te meer klem er op aandringen, dat de beide andere Heeren bij mij blijven, en dan zal men misschien met de reeds gedane opofferingen genoegen nemen.”

„Uwe Hoogheid heeft mij recht beoordeeld,” zeide Buat: „en Zij wist bovendien, dat Zij mij niets verzoeken kon, ’t welk ik niet bereid zou zijn te volbrengen.”

„Dat wist ik,” hernam de Prins: „gij zijt een edele ziel, Buat! en gij ook, Heenvliet! en gij ook, Bromley! en zoo ik ooit naar macht wensch, het is, om u naar verdienste te kunnen beloonen voor hetgeen gij voor mij doet.”

Op dit oogenblik kwam Boreel binnen.

„Heeft Uwe Hoogheid het treurige nieuws al vernomen?” vroeg hij, zich tot den Prins wendende:

„Nog meer treurigs!” zeide de Prins: „En van welke tijding zijt gij dan de Jobsbode?”

„De President Dedel is hedenmorgen gestorven.”

„Weder een trouwe vriend minder,” zeide Willem, zuchtend voor zich ziende.

„Ja, men dacht gisteren reeds niet, dat hij den nacht zou halen,” hernam Heenvliet: „ook hebben wij verscheidene zijner bloedmagen op het feest gemist.”

„Is het niet de Heer Van Dorp, die thans zijn opvolger moet worden?” vroeg de Prins.

„Hij heeft er althans de meeste aanspraak op,” antwoordde Boreel: „maar de benoeming hangt van de Staten af. In elk geval echter kan Uwe Hoogheid wel zeker zijn, dat het geen Harer vrienden zijn zal, dien men met het presidentschap zal begiftigen.”

„Ik viel mij daar ook niet mede,” zeide de Prins: „en ik geloof, dat, gelijk het Hof nu blijft samengesteld, al wie verdacht wordt van de Regentenpartij niet te zijn toegedaan, wel zal doen, niets te wagen, dat hem onder het bereik der Justitie zou kunnen doen vallen.”

„Uwe Hoogheid zal toch hiermede niet willen te kennen geven,” hernam Heenvliet, „dat wij alle middelen moeten opgeven, die zouden kunnen strekken om een verandering in het stelsel van regeering voor te bereiden?”

„Voorzichtig, Heenvliet!” antwoordde de Prins: „Iaat u niets ontvallen omtrent maatregelen, waarvan ik niets weten mag en niets weten wil. Al dulden de Heeren Staten het vooralsnog niet, dat de Prins van Oranje hun eerste dienaar zij, zoo wil hij toch hun eerste onderdaan blijven: en als zoodanig mag hij zelfs niet veronderstellen, dat zijne vrienden iets ondernamen, wat naar samenzwering zweemde. Kan men door gepaste middelen den vrede bewerken, ziedaar al wat ik kan en mag goedkeuren: want daardoor alleen wordt den Lande dienst gedaan: en aan niemand kan het ooit ten kwade geduid worden, dat hij daartoe pogingen heeft aangewend.”

Buat glimlachte: de woorden van den Prins herinnerden hem die, welke zijn vrouw den dag te voren gesproken had.   –  Willem III bleef nog een poos peinzend voor zich heen zien, en toen vroeg hij, als wilde hij van onderwerp veranderen: „is er verder geen beter nieuws?”

„Weet Uwe Hoogheid,” vroeg Buat, „dat de Heer De Gourville hedenmorgen vertrokken is?”

„Hij had mij gisteren, bij het scheiden, medegedeeld, dat dit zijn voornemen was,” antwoordde de Prins.

„Het doet mij toch altijd leed,” zeide Boreel, „dat Uwe Hoogheid niet heeft kunnen goedvinden, zich nader met hem in te laten: hij scheen willig, de goede zaak te dienen.”

„’t Is mogelijk,” antwoordde de Prins: „maar Ik wist zeker, dat, zoo ik samenkomsten met hem hield en het oor aan zijn voorstellen scheen te leenen, ik den Heer De Witt en den Heer d’Estrades stof tot achterdocht en beklag zou geven: en zij moeten mij nooit kunnen beschuldigen van in geheime samenspanningen te zijn betrokken. Voeg daarbij   –  al meent de Heer De Gourville het misschien goed;   –  hij is een Franschman. . . . en ik wil aan geen Franschen iets verplicht zijn.”

„Duldt die verklaring geene uitzondering?” vroeg Buat, glimlachende.

„Ik spreek van u niet, Buat!” antwoordde Willem: „gij moogt Vazal van Koning Lodewijk zijn gebleven: gij zijt een Hollander door geboorte, door betrekking en door gevoelens. Maar genoeg: het is reeds laat: mijn onderwijzer in de wiskunde zal welhaast komen: en ik heb nog een paar voorstellen uit te werken. Hij moet mij niet kunnen beknorren, dat ik mijn taak, uit wat oorzake dan ook, heb verzuimd.”

„Mij dunkt, Uwe Hoogheid had vandaag toch een goede reden om hem weg te zenden,” merkte Bromley aan.

„Wel ja!” voegde Heenvliet er bij: „Uwe Hoogheid is onpasselijk en moet zich het hoofd niet vermoeien.”

„Een Vorst mag sterven, maar niet ziek zijn,” zeide Willem, bij deze woorden het hoofd opheffende en schuddende, als wierp hij door die beweging alle kwalen van zich af: „zoo ik den toestand mijner gezondheid tot een voorwendsel wilde nemen om niet te werken, wanneer zou ik dan wat uitvoeren?   –  De Heer De Witt heeft mij reeds meer dan eens verweten, dat ik mijn avonden met het spel zoekbreng:    –  hij moet mij er niet bij kunnen verwijten, dat mijn werk er onder lijdt.   –  Vaartwel, Mijne Heeren!”

Met deze woorden keerde de Prins zich naar de tafel, en haalde zijn boeken en papieren naar zich toe, terwijl de vier Edellieden hem verlieten. Boreel en Bromley, die heden van dienst waren, bleven in het voorvertrek; Heenvliet en Buat begaven zich naar buiten.

„Wel!” zeide Heenvliet, toen zij zich op straat bevonden: „wat zegt gij er van? Wij hebben alzoo ons afscheid bekomen.”

„Kon de Prins anders handelen?” vroeg Buat: „ofschoon ik beken, dat het mij hard valt, na bijna twintigjarigen dienst aldus gedwongen te worden, zelf mijn ontslag te verzoeken.”

„Wat mij betreft,” zeide Heenvliet: „het begon mij hier toch te vervelen, en ik ben niet rouwig eens een afwisseling te hebben. Ik heb al voor eenigen tijd verlangd, de goederen in Engeland te gaan zien, die mij bij mijns vaders dood te wachten staan: en ik krijg nu een ongezochte gelegenheid om er mij eens heen te begeven.”

„Gij spreekt er licht over,” antwoordde Buat: „gij hebt geld en goed meer dan gij gebruiken kunt; maar ik arme drommel kon die bezoldiging, aan mijn betrekking verknocht, best gebruiken, vooral sedert ik man en vader ben.”

„Ei wat!” zeide Heenvliet, lachende: „gij hebt immers uw goederen in Frankrijk, die u in eigendom toebehooren, terwijl ik niets dan als exspectant bezit.”

„Een fraaie vergelijking!” hernam Buat, een weinig wrevelig: „ik geef u mijn geheele bosch van St.-Genét voor de tiende part van uwe verwachtingen.”

„ Nu,” zeide Heenvliet, die wel los en onverschillig was, maar een goed hart bezat: „word maar niet boos: gij weet als gij mij noodig hebt, mijn beurs is altijd tot uw dienst.”

„Ik ben u dankbaar, Heenvliet!” antwoordde Buat: „maar,” voegde hij er bij, zich bezinnende: „ik wilde, dat gij mij dit vroeger gezegd had.”

„Was het dan noodig u zulks te zeggen?” vroeg Heenvliet, „en waarom wildet gij dat?”

„Omdat ik,” antwoordde Buat, „in dat geval van niemand anders dan van u geld had behoeven aan te nemen, toen ik in den drang zat: en omdat ik dan in dien tijd voorgoed had kunnen bedanken voor het voeren dier correspondentie, waarvan ik toch geen gunstige uitkomsten te gemoet zie.”

„Ei wat!” zeide Heenvliet: „waartoe dus bezorgd?   –   doch waar gaat gij heen?”

„Naar uw vader,” antwoordde Buat: „hij zal mij misschien raad kunnen geven, omtrent hetgeen mij nu te doen staat.”

„In dat geval laat ik u trekken,” zeide Heenvliet: „ik wacht liever met naar huis te gaan, tot ’s mans slechte luim, over de gebeurtenissen van den dag, wat bekoeld zal zijn. Maar ga liever met mij naar Nyssen, die een paar heerlijke Bovenlanders heeft gekregen.”

„Ik dank u,” antwoordde Buat, een scheef gezicht zettende.

„O neen! ’t is waar,” hernam zijn vriend; „gij zijt niet op den besten voet meer met Nyssen, sedert hij uw paard aan d’Estrades verkwanseld heeft:    –  nu, ik wensch, dat gij den ouden Heer niet te ongemakkelijk zult vinden.”

En, een deuntje naar de mode fluitende, begaf zich de zwierige jongeling naar den kant van het Plein, terwijl Buat, het Binnenhof overstekende, den weg nam naar de prachtige Huizinge, welke de Heer Van Heenvliet op de Prinsengracht bewoonde.


[Jacob van Lennep pagina] – [20e hoofdstuk] – [22e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.