MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERHALENDE, WAT ER TEN HUIZE DES HEEREN VAN HEENVLIET GESPROKEN WERD, EN WELKE TIJDING BUAT BIJ ZIJN THUISKOMST VOND.


Buat had reeds sedert eenigen tijd den zwaren klepper laten vallen, die de prachtig uitgebeitelde deur der Huizinge van Heenvliet versierde, en nog scheen men daarbinnen zijn aankloppen niet te hebben opgemerkt. Hij herhaalde het: en wederom verliepen een paar minuten, zonder dat hij van binnen beweging hoorde.

„’t Is goed,” zeide hij bij zich zelven: „dat men, eenmaal hier geweest zijnde, er op voorbereid is, dat men wachten moet, en dus geduld uitoefent; men zou anders denken dat de Huizinge onbewoond ware, terwijl zij integendeel vol leegloopende dienstboden is. Maar zoo gaat het altijd: bij mij en mijns gelijken, die ééne meid hebben, wordt altijd spoedig opengedaan: de oude Heenvliet heeft een half dozijn lakeien, en daarom juist mag men zoolang op de arabesken van de voordeur blijven turen.

Na het eindigen van deze alleenspraak begreep hij echter, dat het tijd werd, voor de derde maal aan te kloppen, toen eenig gerucht, dat hij binnen vernam, hem de hand weer terug deed trekken. Het was Jan, de lakei uit Westfalen, die aan William, den Engelschen lakei, vroeg, waarom Peer, gelijk de lakei uit Gelderland heette, niet had „offen kemacht”, en William, die bij zijn best: „Pear! Pear!” riep, en Peer, die van verre de vraag terugdeed, „waarom ze zelven ’t niet doan hadden?” Het behandelen dezer fraaie vraagpunten, in een alleraangenaamst mengelmoes van dialecten, zou echter het openen der deur nog lang verschoven hebben, indien niet Buat te recht had geoordeeld, dat driemaal scheepsrecht was, en, door een thans langer aangehouden kloppen, de twistende lakeien had gedwongen, nu bijna gelijktijdig, naar de deur te loopen en die voor hem te ontsluiten. Hun gelaat, dat vrij norsch stond en de vraag scheen te verkondigen:

Wie dus raesde, als wilt en uitgelaten,

nam een vriendelijker plooi aan, toen zij Buat herkenden.

„Is uw Heer te spreken?” vroeg hij, op een vrij hoogen toon, en die zijn gevoeligheid te kennen gaf over het lange oponthoud, waaraan hij was onderworpen geweest.

„Meinherr sitst in piezonje,” antwoordde de Westfalinger: „aber sol ich Meinherr kontschaft geben, als tat Herr Ritmeister Poeat da ist, und Meinherr zu sprechen verlangt.”

Please walk in, Captain,” zeide terwijl William, een spreekkamertje openende, welbekend aan Buat, die er zich reeds meermalen een goed halfuur in had zitten te vervelen.

„Wie heeft uw Heer bij zich?” vroeg Buat, „want ik zou hem ongaarne ongelegen komen.”

„Herr Kiefiete, Herr Fonter Orst, und Frommoes,” antwoordde Jan.

„’t Is wel: dien mij dan maar aan,” zeide Buat, terwijl hij wel begreep wie door Kiefiete en Fonter Orst bedoeld werden, maar vruchteloos zijn hoofd kwelde om te raden, wie Frommoes wezen kon.

De Westfalinger, die een kerel was als een boom, deed aan den niet minder langen Gelderschman de boodschap over, waarop deze het groote voorportaal af-, en de groote marmeren trap opwandelde, om aan den grooten Zwitserschen kamerdienaar, die boven stond, te zeggen, dat de Ritmeester Buat zich liet aanmelden;   –  want alles daar in huis was groot, ontzagverwekkend en omslachtig.

De Zwitser, naar zijn Heer gegaan zijnde, kwam na verloop van eenigen tijd terug met de boodschap, dat de Ritmeester werd afgewacht, welke boodschap hij aan Peer gaf, die haar weder aan Jan overbracht, die haar weder overbracht aan Buat. De Engelsche lakei, die zeker niets te doen had, was ondertusschen, vermoedelijk om zich een schijn van bezigheid te geven, een keer of wat het spreekkamertje komen binnenloopen, het telkens weder verlatende, na rondgekeken te hebben, alsof hij dezen of genen bijzonderen schat zocht: zoodat Buat hem eindelijk gevraagd had, of hij altemet in last had toe te zien, dat er door de bezoekers niets gestolen werd; ’t geen echter moeilijk geweest ware, dewijl het meergemelde spreekkamertje zich daarin onderscheidde van al de overige vertrekken van het huis (ja zelfs van de met marmeren beelden versierde gangen), dat er zich volstrekt niets in bevond, buiten twee gewone stoelen, en een niet minder gewone houten tafel.

Buat werd nu behoorlijk naar boven geleid, en trad het studeervertrek van Heenvliet binnen: een ruime kamer, met een tapijten behangsel, een jacht voorstellende, die echter nauwelijks zichtbaar was achter de wapenborden, geslachtboomen, familieportretten, schilderijen, schoonschriften, boekenkasten, hertekoppen en jachtgereedschappen, die den wand stoffeerden. Aan het boveneinde eener lange, sierljk gewerkte tafel zat, in een hoogen met leder bekleeden leunstoel, de Heer Van Heenvliet; zijn gewaad was even eenvoudig als gewoonlijk: alleen had hij thans, in stede van den nauwsluitenden rok, een bonten huispels aan, en staken zijn voeten niet in hooge laarzen, maar in wollen pantoffels. Tegenover hem zaten Kievit en Van der Horst; maar een eenigszins spijtige glimlach vertoonde zich op de lippen van Buat, toen hij, naast Heenvliet, in een rijkelijk van kussens voorzienen armstoel, niemand anders zag zitten dan Mevrouw Musch, wier gedreigd bezoek hij alleen ontvloden was, om haar hier terug te vinden. Het raadsel was hem nu opgelost, en hij begreep, dat de Westfalinger met Frommoes niets anders gemeend had dan Frau Musch met den Hoogduitschen tongval en vluchtig uitgesproken.

„Ha! gij komt als geroepen, Buat!” zeide de Heer des huizes, zoodra hij den Ritmeester zag: ,.spoedig een stoel voor den Ritmeester, Leonard!   –   En nu,” vervolgde hij, toen de Zwitser, na den gegeven last volbracht te hebben, de kamer verlaten had, „nu zal het er meer dan ooit op aan komen, Buat! dat gij u een getrouw dienaar betoont te zijn van Zijn Hoogheid.   –  Maar hoe is het? Is de briefwisseling met Engeland gestaakt? Ziedaar veertien dagen, gelijk ik van Mevrouw en van deze Heeren verneem, dat men van u dienaangaande niets gehoord heeft.”

„Dat belet niet, dat hij wel wat zou kunnen mededeelen,” merkte Mevrouw Musch aan: „maar hij is sedert den laatsten tijd zoo geheimzinnig geworden, dat men bijkans één van beide zou moeten gelooven: òf dat hij alleen de eer wil hebben van de zaken te herstellen, òf dat hij ons zijn vertrouwen onwaardig acht.”

„Dat is verkeerd, mijn Vriend!” zeide Heenvliet, „zeer verkeerd!     –  en toch kan ik niet gelooven, dat gij onzen raad, hulp en terechtwijzing,” met een vorstelijken nadruk op het woord onze „zoo weinig zoudt achten: en veel minder, dat gij zoudt kunnen twijfelen aan onzen goeden wil, om u die te verschaffen.”

„Ik zou zeer verwaand wezen,” antwoordde Buat, „indien ik in het eerste, en zeer ondankbaar, indien ik in het laatste geval verkeerde. Wat echter de correspondentie betreft, ik heb juist gisteravond naar Engeland geschreven.”

Hij hoopte door dit ontwijkend antwoord zich van verdere navraag op dit punt te vrijwaren. Hij had echter zijn rekening verkeerd gemaakt.

„Gisteravond geschreven!” herhaalde zijn schoonmoeder: „en daar hebt gij uw vrouw noch mij een jota van verteld.” „Komt gij ons voor ’t minst den brief mededeelen, eer gij dien verzendt?” vroeg Heenvliet.

„Daar zou de visschersman niet op hebben kunnen wachten,” antwoordde Buat: „en de tijdingen, die ik te melden had, waren te gewichtig, om de kans te loopen, dat zij een dag te laat in Engeland aankwamen.”

„Maar gij hebt toch van daar gewis brieven ontvangen?” vroeg Kievit: „kunnen wij die niet te lezen bekomen?”

„Dat zal moeilijk gaan,” antwoordde Buat: „want ik heb ze tot asch en pulver verbrand.”

„Tot asch en pulver!” herhaalde de Weduwe, de handen verontwaardigd opheffende: „en dat voordat gij er een onzer van kennis liet dragen! zelfs mij, uw schoonmoeder niet.”

„Gij hebt verkeerd gedaan,” zeide Heenvliet, op den toon van gezag, die hem eigen was: „het doel, waarmede gij die briefwisseling begonnen hebt, was niet, om den inhoud daarvan voor u alleen te bewaren, maar om daarover gezamenlijk te beraadslagen.”

„Ja, en om, indien de brieven later gevonden werden, er alleen voor te boeten,” antwoordde Buat, die kwalijk zijn spijt verbergen kon, van aldus gelijk een schoolknaap bestraft te worden.

„Alsof wij zouden dulden, dat u eenig gevaar overkwam,” zeide Heenvliet, terwijl hij rechtop ging zitten, en den arm met majesteit over Buat heen strekte, als om hem van zijne bescherming te verzekeren: „of kunt gij denken dat men u eenig leed zou durven aandoen, wanneer gij u beroepen kunt op lieden gelijk wij?”

„Die kans zou ik ongaarne loopen,” antwoordde Buat: „en het is bij mij nog alles behalve uitgemaakt, dat Mr. Jan, waar het de belangen zijner partij gold, eenig aanzien des persoons zou gebruiken. Het hoofd van Oldenbarneveld is hier wel gevallen, en in Frankrijk dat van Cinq-Mars en Du Thou? om van dat van Karel I in Engeland niet te spreken. Wat zou men er zich dan over bekommeren, om een armen Ritmeester als mij een kop korter te maken?”

„Wel mogelijk,” hernam Heenvliet: „maar De Witt heeft nog de macht niet, die Prins Maurits, Richelieu of Cromwell hadden: en ik zeg u vooralsnog, dat hij ons niets zou durven doen.”

Buat had kunnen antwoorden, dat de macht van De Witt, gesterkt door die der Staten, op dit tijdstip groot genoeg was; maar hij wist bij ondervinding, dat het noodeloos was te redetwisten met Heenvliet, die nooit dan op stelligen toon sprak en elk gezegde, dat hij wel geliefde te uiten, als een orakel beschouwde, waaraan niemand mocht twijfelen. Hij achtte het dus verstandiger te zwijgen, en te wachten wat er verder komen zou.

„Doch dat daargelaten,” vervolgde Heenvliet: „welke was de inhoud der laatste brieven?”

„Ja!” vroeg Mevrouw Musch, met levendigheid: „wat behelsden zij? Wij dienen dit toch te weten.”

„De inhoud was van dien aard,” antwoordde Buat: ,.dat ik mij liever voor ’t vervolg aan de geheele correspondentie onttrek   –  en dat heb ik hun ook geschreven.”

„U aan de correspondentie onttrekken! de zaak in den steek laten!” riepen Mevrouw Musch en de drie Heeren als uit éénen mond.

„Gij hebt toch niet gedronken van morgen, Heer Schoonzoon!” zeide de Weduwe! „dat gij u zulk een scherts zoudt veroorloven.”

”Geen scherts, Mevrouw! maar zuivere ernst,” antwoordde Buat, zich buigende.

„Onmogelijk!” hernam Heenvliet; „gij kunt niet meenen wat gij zegt: „gij zult ons niet moedwillig berooven van het eenige zekere middel, dat ons overig is, om de betrekking met de Britsche Regeering te onderhouden.”

„Ik geloof,” zeide Buat, op beleefden, maar koelen toon, dat de Scheveninger visschers even gereed zullen zijn om brieven voor den Heer Heenvliet over te brengen als voor mij.”

.,Dat is de vraag niet,” hernam Heenvliet, verstoord: „en bovendien, de briefwisseling, welke gij voert, is alleen veilig, omdat zij geschiedt met medeweten en goedkeuring van De Witt: terwijl zij tevens ten middel dient om Zijne bedoelingen en praktijken te leeren kennen en te dwarsboomen. Het is niet met het doel, van door u verlaten te worden op het oogenblik, waarin wij u het meest behoefden, dat ik u op zekeren avond de middelen verleend heb, om van alle verplichting aan Van Espenblad ontslagen te raken.”

„Ik heb toen gemeend, een vriendschapsdienst van den Heer Van Heenvliet te ontvangen,” zeide Buat, die moeite had zijn spijt te bedwingen: „had ik geweten, dat ik, door die aan te nemen, mijn vrijheid van handelen aan hem verkocht, ik hadde die nooit aanvaard. In allen gevalle zal ik zorgen, die vrijheid ras terug te koopen.”

„Het zal mij niet hinderen, al zie ik dat bagatel nimmer terug,” hernam Heenvliet: „wel, dat ik iemand, dien ik als een trouwen medestrijder beschouwde, ons vaandel zie verlaten.”

„En dat nog wel op het oogenblik, dat de zaak rampzaliger staat dan zij ooit gedaan heeft,” voegde Mevrouw er verwijtend bij: „waarlijk, Heer Schoonzoon! ik had andere en betere gedachten van u gehad.”

„De goede zaak zal ik nooit verlaten,” zeide Buat: „maar ik mag niet in verstandhouding blijven staan met hen, die het verderf willen van ons Vaderland... . Gij zijt het niet, wie ik bedoel, Mevrouw! noch gij, Mijne Heeren!” haastte hij zich er bij te voegen, op het zien der groote oogen, die van alle kanten werden opgezet: „het zijn onze zoogenaamde vrienden in Engeland.”

„Hoe!” riep Van der Horst: „wat willen zij dan nu?”

„Zij willen den oorlog,” antwoordde Buat, die wel zag dat hij niet langer verzwijgen kon, waar de brieven op neerkwamen: „en alleen de vrede kan ons redden.”

„Hm!” merkte Kievit aan   –  gelijk Buat wel had verwacht    –  zij hebben misschien zoo groot ongelijk niet. De oorlog alleen kan de Burgerij afkeerig maken van De Witt, als van den man die er alleen de schuld van draagt.”

„Ik blijf bij mijn vroeger denkbeeld,” zeide Van der Horst:

„men moet het daarheen richten, dat er een Gezantschap naar Londen ga, uit personen samengesteld, die der Britsche Regeering niet onaangenaam zijn.”

„Dat alles is fraai en goed,” hernam Buat: „maar hoe wilt gij de lieden hier ooit genegen maken tot een verbond met Koning Karel, wanneer deze geene genegenheid tot den vrede toont?   –  en bovendien: de Prins verlangt den vrede, gelijk ik zooeven nog uit zijn eigen mond verstaan heb.”

„Indien gij daarmede begonnen waart,” zeide Heenvliet, met gewicht: „dan hadden wij ons niet in de vraag behoeven te verdiepen, wat ons streven wezen moet; want niemand hier zal toch een anderen wil hebben dan dien van Zijn Hoogheid. Alleen behoort dan slechts gezocht te worden naar het beste middel, om de goede verstandhouding met Engeland te herstellen.”

„Ik weet geen ander dan hetgene ik reeds heb aangewend,” antwoordde Buat: „namelijk, van onder de oogen der Britsche Regeering te brengen, dat het voortzetten van den oorlog ons land noodwendig onder de voogdij van Frankrijk brengen zal.”

„Dat is wel ingezien, dunkt mij,” oordeelde Van der Borst.

„Maar dat alles ontslaat ons nog niet van het dwangjuk, waaronder wij zuchten,” zeide Mevrouw Musch.

„Neen voorwaar,” viel Kievit in: „en men bedenke wel, dat, wanneer er onderhandelingen plaats hebben, zij toch dezerzijds altijd zullen gevoerd worden vanwege de thans heerschende Partij.”

„Daarom,” besliste Heenvliet, „moet men het daarheen zien te wenden, dat de Prins aan ’t hoofd van het Gezantschap gesteld worde.”

Juist,” zeide Van der Borst: „met een paar kloeke raadgevers aan zijne zijde..., mannen, die tot de welgezinden behooren.”

„Die vlieger zal nooit opgaan,” zeide Mevrouw Musch.

„Neen,” voegde Kievit er bij; „wanneer gij in ernst een omkeering begeert van het stelsel, dat thans de overhand heeft, dan dienen er krachtiger maatregelen genomen te worden.”

„En welke?” vroeg Heenvliet, hem met verwondering aanziende.

„Gij zijt het toch altijd met mij eens,” vroeg Kievit, „dat Mr. Jan het hoofd en de ziel is zijner partij?”

„Welnu?”

„Niet een van degenen, die hem ter zijde staan,” vervolgde Kievit, „zou, indien hij in zijne plaats optrad, datzelfde vertrouwen inboezemen bij de zijnen, veelmin datzelfde despotiek gezag uitoefenen, waarmede hij zijn wil tot den wil van allen maakt. Neem De Witt weg, en de kracht der geheele Loevesteinsche factie is gebroken.”

„Dat is ook mijn gevoelen,” zeide de Weduwe, met een goedkeurenden blik op den laatsten spreker.

„Neem De Witt weg!” herhaalde Van der Borst: „dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan:   –  en met dergelijke onderstellingen komen wij niet veel verder.”

„Ik wilde het ook niet bij een onderstelling laten blijven,” antwoordde Kievit.

„Hoe nu!” zeide Van der Borst, verbleekende: „gij bedoelt toch niet . . .

„Ik bedoel,” viel Kievit in: „dat wij alleen de hulp van een half dozijn wakkere lieden behoeven, om ons van Mr. Jan te ontslaan.’’

„De Heer beware ons!” riep Van der Borst: „gij zoudt toch geen moord aan hem willen plegen?”

„Is dat uwe bedoeling?” vroeg Mevrouw Musch, Kievit half bevreesd aanziende.

„Ik kan niet gelooven,” zeide Heenvliet, op een toon van verontwaardiging, „dat in mijn huis aan zoodanigen toeleg zelfs maar gedacht zou kunnen worden: veel minder, dat iemand dien zou durven opperen.”

„Gij verstaat mij verkeerd, Mijne Heeren!” hervatte Kievit, gesteld hebben, de schouders ophalende: „wie denkt aan een moord?   –  ik verlang alleen, dat onze algemeene vijand buiten staat gesteld worde, ons verder nadeel te doen.”

„Wat bedoelt gij?” vroegen gelijktijdig Mevrouw Muscb en de Heer des huizes, de eerste met een nieuwgierigen, de laatste met een straffen blik.

„Luister!”   –  hervatte Kievit: ,.gij herinnert u allen den aanslag van Mortaigne?”

„Die Juffrouw Orleans van midden uit Den Haag wegvoerde,” zeide Van der Horst: ,.ongetwijfeld!”

Welnu!   –  Mr. Jan wandelt alle avonden, alleen van zijn knecht vergezeld, van ’t Binnenhof naar zijn huis...... Zou het zulk een moeite zijn, hem op een donkeren avond op te lichten, in een welgesloten rijtuig te stoppen, naar Scheveningen te brengen. hem daar in een pink te werpen en naar Engeland over te voeren?”

„Wilt gij er uw hals aan wagen?’ vroeg Van der Horst aan Kievit : „ik niet.”

„Indien dit plan uitvoerbaar ware...” zeide Mevrouw Musch, nadenkende: „het scheepje onzer Regenten, aldus van zijn stuurman beroofd, zou zeker spoedig stranden.”

„Ik zou mij minder geschikt achten, om zelf tot zulk een onderneming mede te werken,” hernam Kievit: „maar daarom zou ik de uitvoering van het plan willen toevertrouwd hebben aan onzen vriend Buat.”

„Aan Buat!” riep Mevrouw Musch, die, hoezeer het opzet zelf niet afkeurende, echter het denkheeld van Kievit, om juist den man harer dochter aan het volvoeren daarvan te wagen, min gelukkig vond.

„Ik dank u voor de voorkeur,’’ antwoordde Baat: maar ik wil liever de kat niet zijn, die de kastanjes voor anderen het vuur uithaalt.’’

„Voorwaar!’’ hernam Kievit : ik had gedacht, dat iemand van beproefden moed en beleid, als mijn neef Buat, niet terug zou deinzen, waar liet een onderneming geldt, die, zoo zij naar wensch slaagt, opeens aan al onze zorg een einde maakt.’’

„Indien ik moed getoond heb, Neef Kievit!” zeide Buat, „dan is het altijd geweest bij vollen dag en tegen een even machtigen of een sterkeren vijand; maar ik heb nooit die soort van moed gehad, welke vereischt wordt om het werk te doen van sluipmoordenaars en bandieten.”

„Dat klinkt toch wat sterk,” merkte Mevrouw Musch aan: „zulke benamingen te hooren toepassen op lieden, die een werk zonden uitvoeren ten dienste van het algemeene welzijn.”

„Oordeelt Mevrouw, dat men ten dienste van het algemeene welzijn de wetten van den Staat met voeten treden mag?” vroeg Buat: „en wettigt het loffelijke van het doel in haar oog het gebruik ook der minst geoorloofde middelen?”

„Hm!” zeide Kievit, „indien onze voorvaders zon gedacht hadden als gij thans, dan zouden wij nog onder het jak van Spanje zuchten.”

„Vergelijk ons niet met hen,” hernam Buat: „zij hebben geen toevlucht tot geweld genomen, dan nadat alle wettelijke middelen vergeefs door hen waren uitgeput: en bovendien, Mr. Jan moge een ander stelsel van regeering volgen dan ons behaagt, hij heeft ons nooit willen hangen of braden, gelijk Alva en de Bloedraad zich veroorloofden te doen.”

,.Zeg dat niet,” riep Kievit uit: „leg hem maar iets in den weg, en gij zult zien dat hij het evengoed zal doen, of het althans beproeven.”

„Zoo!   –  en gij begeert desniettemin, dat ik er mij aan wage,” zeide Buat, spottende.

„Nu!” hernam Kievit: „ik heb nooit begeerd, dat gij juist zelf de uitvoerder van het feit zoudt wezen: ik wilde u maar de leiding der onderneming opdragen. Doch het is genoeg, dat gij weigert er de hand aan te leenen; er zijn welgezinde mannen genoeg, die, voor een kloek bestaan gelijk dit, iets zouden willen wagen: ik behoef ze niet eens onder de krijgslieden te zoeken: daartoe kan ik wel eenvoudige burgers bereid vinden: daar hebt gij b. v. den zilversmid Verhoef, Florisz den barbier, Peer Obbessen uit de Kraan….”

Het geheugen van Kievit zou hem waarschijnlijk in staat gesteld hebben, hier nog een half dozijn namen bij te voegen, toen Heenvliet hem in de rede viel. Een poos had hij het stilzwijgen bewaard, half overbluft door de stoutheid van Kievits voorslag. Maar nu viel het hem onmogelijk, dit langer te doen, en, een houding en toon aannemende, alsof hij ten deze eigenlijk de meest beleedigde persoon ware, dwong hij met de navolgende woorden Kievit zijne rede te staken:

„Genoeg, Mijnheer Kievit! genoeg:   –  ik kan nauwlijks van mijn verbazing bekomen, dat gij in mijn huis van zoodanig voornemen durft gewagen. Ik wil ten mijnent wel eedgenooten dulden maar”   –  en hier zette hij een diepzinnig gelaat als om zijn toehoorders wel te doen letten op het fijne van het onderscheid   –  „maar geen samenzweerders. Neen neen! ik wil alleen van wettelijke middelen weten!    –  En dan in mijne kamer gewag te maken van schorremorrie van volk, als smids, barbiers en tappers, die men nooit noemt en niet kent, dan wanneer men ze in hun beroep noodig heeft: en dan nog wel hunne namen te mengen in een overlegging, waaraan Mevrouw Musch en ik deelnemen!” Mevrouw Musch was hier enkel pro forma bij gehaald    –  „ik verzoek wel vriendelijk, dat die snaar niet verder worde aangeroerd.”

Van der Borst, die insgelijks voor het nemen van geweldige maatregelen terugschrikte, gaf luide zijn goedkeuring te kennen over het door Heenvliet gesprokene, en Kievit begreep alzoo wijselijk, dat het geene zaak was, hier ter plaatse het onderwerp verder aan te roeren: hoezeer het opzet hem bleef toelachen, en hij zich wel voorstelde er met anderen, die minder nauwgezet of minder hoogmoedig zouden zijn, over te spreken.   –   Intusschen, al had zijn voorstel geen goedkeuring ontmoet, het was ten minste een voorstel geweest en niemand anders kwam met een beter voor den dag: zoodat men, na lange en somtijds vrij warme beraadslagingen, tot geen ander besluit kwam, dan dat men zou afwachten, of de omstandigheden een gunstiger aanzien kregen, en inmiddels al het mogelijke doen om aanhangers voor de goede zaak te winnen   –  waarna men scheidde en elk zijns weegs ging: bij welke gelegenheid Buat het ongemeen genoegen smaakte, zijn Schoonmoeder eerst naar hare woning te mogen geleiden. En nog was hij blijde, dat hij er zóó af kwam, en dat het niet naar zijn huis was, dat zij, gelijk hij in den beginne vreesde, hem verzocht had haar te brengen.

„Is er iets voor mij gekomen?” vroeg Buat, toen hij, tegen het middaguur thuis gekomen, zijn vrouw met het kind op haar schoot in de zaal vond zitten.

„Hier liggen een paar rekeningen,” antwoordde zij op een onverschilligen toon.

„Zoo!” zeide hij: „gij weet, dat de Heer Dedel overleden is?”

„Ik heb het vernomen,” antwoordde zij, even koel.

„Schort u iets?” vroeg hij, verwonderd over de kalme wijze, waarop zij zich uitliet over een sterfgeval, ’t welk hij gedacht had, dat innige deelneming bij haar zou verwekt hebben.

„Dat weet gij immers,” zeide zij, Vrij bits: „ik had van morgen reeds hoofdpijn.”

Buat zuchtte. Dat was niet de wijze, waarop hij gewoon was verwelkomd te worden, wanneer hij bij haar terugkwam. Te voren waren het altijd vragen zonder eind, waar hij geweest was, wien hij gezien of gesproken, wat hij gedaan of vernomen had, doormengd met verhalen, wie haar bezocht had, en wat zij gehoord had:   –  en nu   –  in een zoo gewichtig tijdstip   –  geen enkel blijk van nieuwsgierigheid of belangstelling. Gewis, zij moest òf zeer ziek, òf zeer ontevreden zijn!

Wrevelig doorliep hij de rekeningen: zij waren van de naaister en van den passementwerker, en beide vrij hoog.

„Dat komt mal!” zeide hij: „en dat nog wel op een oogenblik, dat ik mijn betrekking bij den Prins kwijtraak!   –  Want het is beslist, Betje! Zijne Hoogheid heeft mij zelven verzocht, mijn ontslag te vragen.”

„Ziedaar de dankbaarheid der Vorsten,” zeide Elizabeth.

„O! zeg dat niet,” zeide Buat: „het kostte den Prins genoeg: maar hij kon niet wel anders doen. Neen, bij God! het Huis van Nassau is nooit ondankbaar geweest.”

„Ik wil het gelooven, al zweert gij er niet op,” zeide Elizabeth, met bitterheid: „o neen, zij zijn dankbaar, mans en vrouwen.”

Buat begreep de toespeling niet; want hij dacht op dat oogenblik evenveel om de schoone Isabella als om den grooten Mogol. „Kind-lief!” vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens: „ik wilde wel, dat gij wat minder aan die borduursels en kanten besteed hadt.... en wij zullen voortaan zuiniger moeten zijn.”

„Dacht ik het niet, dat ik de schuld zou krijgen, dat het geld op is?” zeide Elizabeth: „alsof niet drievierden van de rekening betrekking heeft tot de galons, en de linten, en de boordsels van Mijnheer.”

„Nu! mijne onkosten dienaangaande zullen wel voor de helft komen te vervallen met het vervallen mijner betrekking,” zeide Buat.

„Zoo? denkt gij u dan in het vervolg niet meer ten Hove, noch op partijen te vertoonen?” vroeg Elizabeth.

„Dat wel.... maar ik zal het wat eenvoudiger kunnen aanleggen,” antwoordde Buat.

„Dat dacht ik al,” zeide zijn vrouw, er in haar geest bijvoegende, „nameljk: dat hij de gelegenheid niet zou willen laten voorbijgaan, om zijn lief te ontmoeten.”

„Ik zou u het verdriet niet willen aandoen, u altijd thuis te laten,” zeide Buat; in zich zelven voegde hij er hij: „hoe bang was zij, dat ik mij aan alle partijen onttrekken zou!”

„Die huiehelaar!” dacht Elizabeth.

„Die wereldschgezinde!” dacht Buat. En zoo dachten zij beiden glad verkeerd.

„Is er niets meer gekomen?” vroeg hij, na een stilzwijgen, dat voor beiden even pijnlijk geweest was.

„Ja toch,” antwoordde Elizabeth, „een brief...., waar ligt hij ook weer.... een brief van den Raad van State.”

„Van den Raad van State!” herhaalde Buat: „en dien geeft gij mij niet terstond, waar zit hij dan? spoedig!   –  waar is hij?”

„Nu! wees maar zoo ongeduldig en driftig niet,” zeide zij, gemelijk: „hoe kan ik zoeken met een kind op den schoot? Die brief zal wel terechtkomen.”

„Gij spreekt er over of ’t een brief van nicht Amarante was, over muziek en verzen en dergelijke beuzelingen,” zeide Buat, knorrig..., Zeg mij nu spoedig, waar ik den brief kan vinden.”   –  Onder het spreken had hij reeds in alle hoeken en gaten gesnuffeld, en alle laden en werkkistjes geopend, doch zonder den brief te vinden. Brommende, ja half vloekende, wilde hij de meid gaan roepen, om hem te helpen zoeken, toen zijn vrouw hem terugriep.

„Ik zie hem al,” zeide zij.

„Waar dan?”

„Ginds op dien stoel, onder uw hoed. Nu herinner ik het mij. Toen Stijntje straks de tafel kwam redderen, heeft zij hem daar neergelegd en de rekeningen in mijn mandje. De rekeningen heeft zij weer op de tafel gelegd; maar den brief heeft zij zeker vergeten.”

„Hadt gij daar dan niet om kunnen denken?” vroeg Buat, gramstorig, terwijl hij den brief opnam.

„En hadt gij uw hoed niet kunnen ophangen, gelijk ik u al zoo dikwijls verzocht heb?” vroeg Elizabeth:   –  „nu, wat staat er in te lezen?”

„’t Is,” antwoordde Buat, na den brief doorloopen te hebben, „een last om mij binnen vijf dagen in mijn garnizoen te bevinden, mijn compagnie, zoo mogelijk, voltallig te maken en marschvaardig te houden.”

Een dag te voren zou deze mededeeling, en de gedachte eener mogelijke langdurige scheiding, Elizabeth bedroefd hebben: heden gevoelde zij een gewaarwording, die naar vreugde geleek, hij de gedachte, dat Buat op die wijze uit Den Haag verwijderd werd, en zijn vermeenden minnehandel met de Jonkvrouw Van Beverweert niet zou kunnen voortzetten.

„Welnu!” zeide zij: „daar zult gij aan moeten gehoorzamen.” Buat zag haar verwonderd aan: „Gij zegt dit,” zeide hij, „op een toon, alsof gij mij met groot genoegen zoudt zien vertrekken.”

Elizabeth kleurde een weinig: zij gevoelde, dat zij aanleiding had gegeven tot een dergelijk verwijt, en, de ware reden van haar heimelijke tevredenheid niet willende opgeven, poogde zij aan hare woorden een andere uitlegging te geven.

„De verwijdering zal mij zeker veel kosten,” zeide zij: „maar ik dacht daar, hoe uw vertrek gelukkige gevolgen kan hebben, door u te onttrekken aan die intriges en knoeierijen, waar men u hier in mengen wil. En dan, wie weet? misschien strekt het wel tot uw bevordering.”

„Ik moet,” antwoordde Buat, „inderdaad hulde brengen aan uw scherpzinnig verstand, dat zooveel luider spreekt dan uw hart, en dadelijk gronden vindt tot vertroosting, ja tot verblijden.”

„Gij beoordeelt mij zeer verkeerd, Buat!” zeide Elizabeth, terwijl haar de tranen in de oogen sprongen. Hij gevoelde zich op het gezicht daarvan geroerd en trad naar haar toe om ze weg te kussen, toen opeens de fierheid en het gevoel eener gekrenkte liefde bij haar bovenkwamen, en zij alles weder bedierf, door haastig hare oogen af te vegen en te zeggen:

„Gij hebt mij gisteravond nog voorgehouden, dat het mijn plicht was, u op te beuren, wanneer eenig leed u kwelde:   –  welnu! ik betracht immers mijn plicht, wanneer ik mij niet te zeer laat nederslaan door het denkbeeld onzer scheiding, en u goede redenen geef, om die met moed en geduld te dragen.”

„Ik moet bekennen, Mevrouw!” zeide Buat, in de ziel getroffen, „dat gij op een wondere wijze de u gegeven les in praktijk brengt:   –  zeker zal mij deze verwijdering minder smartelijk vallen dan zij anders doen zou, nu ik zie, dat gij die zee kalm opneemt.”

„Het klagen helpt ook niet, wanneer een zaak onherroepelijk besloten is,” hernam Elizabeth: „wanneer denkt gij te vertrekken?”

„Verlangt gij zee sterk, mij vanhier te zien?” vroeg Buat.

„Neen,” antwoordde zij: „maar ik dien het toch te weten, om het noodige voor u in gereedheid te brengen.”

„Gij hebt gelijk,” zeide hij: „en ik kan niet anders dan uw loffelijke zorgvuldigheid prijzen. Wel, naar het bevelschrift moet ik den 18den te Bergen-op-Zoom wezen; ik heb dus nog een dag of drie den tijd, om mij het onmisbare aan te schaffen....”

„En de noodige afscheidsbezoeken af te leggen,” voegde Elizabeth er bij.

„Ook dat,” zeide Buat, zonder erg: „ofschoon ik dit bij de meesten minder noodig acht, daar mijn overhaast vertrek tot verontschuldiging strekken kan. Reken alzoo, dat gij Maandag van mij ontslagen raakt.”

„Ik zal zorgen, dat Maandag alles in orde is,” antwoordde Elizabeth.

Op dit oogenblik bracht de meid het middagmaal binnen, en de beide echtgenooten zetteden zich aan tafel. Weinig of niet spraken zij met elkander, zoolang de maaltijd duurde: elk was in zijn eigen gedachten verdiept, en beschuldigde bij zich zelven den anderen van onverschilligheid. Nauwelijks was de disch afgenomen, of Buat begaf zich weder de deur uit, om, zeide hij, het een en ander, dat hij meenemen moest, te bestellen. Wrevelig trok hij de huisdeur achter zich dicht, nogmaals zich vruchteloos afvragende, hoe zijn vrouw zoo op eenmaal te zijnen opzichte veranderd of hoe hij zoo lang omtrent haar wezenlijken aard misleid was geweest. Helaas! hij zag niet, hoe, op dat oogenblik, Elizabeth, over de wieg van haar kind nedergebogen, den vrijen loop liet aan de tot nog toe teruggehouden tranen, waarmede zij de gewaande ontrouw van haar echtgenoot beweende. 


[Jacob van Lennep pagina] – [21e hoofdstuk] – [23e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.