MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

 WAARIN BUAT EN ZIJN VROUW BEIDEN VAN HUIS GAAN, EN DE GESCHIEDENIS EEN GROOTEN SPRONG VOORWAARTS DOET.


Een bevelschrift, gelijk aan dat, hetwelk Buat ontvangen had, was bij algemeenen maatregel aan alle met verlof aanwezige officieren toegezonden, en elk hunner gelast, op poene van indignatie, zich naar zijn garnizoen te begeven. Bovenal was het den Raad van State oorbaar toegeschenen, hiertoe over te gaan met betrekking tot het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom en de Meierij van Den Bosch, aangezien die streken, hoewel van het eigenlijke tooneel des oorlogs verwijderd, in de laatste weken herhaalden overlast leden van ongeregelde en plunderzieke benden, die   –  gelijk vroeger verhaald is    –  voor den Bisschop van Munster in Spaansch Brabant aangeworven waren, en gebezigd werden, om een afleiding te bewerkstelligen en onzen Staat te noodzaken, zijn krijgsmacht te verdeelen. De Muis   –  gelijk meester Florisz den Bisschop noemde    –  deed alzoo den Leeuw den beet zijner tanden voelen aan eene zijde, waar hij die niet verwacht had; en er was dringende behoefte, om aan die stroop- en rooverijen een einde te maken, of er althans de landzaten tegen te beschermen. Die oproeping der officieren   –   hoewel, gelijk het veelal gaat, hun, wien zij gold, het laatst ter ooren komende   –  was echter elders reeds voorzien geweest, en dit bleek uit een brief, welken Elizabeth, op den dag nadat zij van het aanstaande vertrek van Buat onderricht was, van de Weduwe Aarssen ontving. Deze brief was van den volgenden inhoud:

„Breda, 9 Martii 1666.

     „Mevrouwe, seer weerde Nicht.

De plaets, by ons bewoont, die is een tranendal,
Daer noyt volmaeckte vreught en ruste wesen sal.

„heeft ergens mijn heer Vader (wiens siele by Godt is) geseyt.
„Ende wel te recht; want oock VE. sal de waer heyt van
„die sententie deser dagen apparentelijck bereyds hebben
„ondervonden. Immers naer ick geinformeert ben, zou d’Ordre
„van den Raet van State, waarby den Officieren gecommandeert
„wordt, sich binnen haere respective garnisoenen te retireren,
„gisteren of van daagh sijn gedepescheert, soodat VE. man die
„al wel sal ontfangen hebben: en ’t sal u beyden seecker een groot
„chagryn zijn, aldus op eens tot een separatie geobligeert te worden,
„’t geen ick my wel kan representeren, wel wetende, hoe content
„en „gelukkig ghy samen leefdet met het lieve kindeken, daer
„ghy moeder „af sijt. Maer wat sal ick u segghen, als wat
„mijn Vader tot de Weduwen sei:

Ghy, stelt u sedigh aen, en laet oock in het treuren
U voor een wijse vrou by wijse lnyden keuren.

„Misschien oock was Neef Buat op d’Ordre wel eenigsins
„geprepareert: sijnde wy hier die reeds eenigen tijt wachtende;
„jae ’t eenighe, dat wy er op segghen connen, is, dat er laet genoegh
„toe geresolveert is. Siende hoe traeghelijck men de Officieren
„convoceert, en hoe de Compagniën nog verre van compleet sijn,
„soude men wel geneyght wezen met Vader uyt te roepen:

’t Is geen bequamen tijdt een sweert te laten smeden,
Wanneer des vyandts heyr op ons komt aangereden:

„hebbende hy alreede verscheidene fascheuse demonstratiën naer
„dese sijde gedaen, velen gepilleert   –  hoewel meest cleyn volc, jae sich
„op eenen nacht meester gemaeckt van ’t Huis de Wouw, end’ sich
„daerin tot den huydigen dage gefortificeert, ’t welck ick u allegueer
„als eene preuve van sijne excessive hardiesse. Tot huyden sijn er nog
„geene rapporten, dat hy sich aen de sijde van Grootsundert soude
„vertoont hebben, doch wat niet en is kan noch gebeuren, en dan soude
„ons casteel van Wernhout groot peryckel loopen van gesaccageert, althans
„grootendeels gespolieert te worden, sijnde ’t zelve in geenen staat
„eenige defensie te doen.   –  Voor al ’t welck ik geen vrees soude voelen,
„indien mijn goede man nog leefde, als die daer wel ordre op sonde gestelt
„hebben: maer late ’t nu aan Godts beschickinghe over, ’t welck wel
„’t seeckerste is: en quelle my anders weinigh om ’s werelds saecken als
„VE. bekent is, en maseur Musch my dickwijls reprimandeerde,
„dat ick behoorde tot degenen, die

nimmermeer hier nemen in beraet,
Wat of in Jacatra of Bantam ommegaet.

„Maer, wanneer het ons van naby gelt, dan wort het een andere saek:
„en daerom heb ik oock ondernomen, u dezen te schrijven, en u
„een propositie te doen, deweilke ick hope, dat door u eenigszins in
„consideratie sal connen genomen worden. Het is my namelijck in
„de gedachte gecomen, dat ghy, byaldien de absentie van VE. man
„sich prolongueert, in den Haagh een melancholiek leven slijten sult;
„immers ick wete by experientie, hoe drouf het gestelt is, wanneer een vrou
„alleen blijven moet, en hoe waar het is, wat Vader by „Phyllis zeggen laet:

So haest als vader is van huys,
Ten onzent is maer enkel kruys;
Want Moeder is niet wel gesint,
De keucken-meyt die sit en spint;
Men hoort er noyt een blijden lach,
Men schafter niet gelijck men plach,
Men vinter meest een konden heert,
En al door ’t missen van den weert. 

„terwijle het voorders met de decentie niet convenieert, dat ghy cercles ofte
„partijen soudt bijwonen, staande hij absent is. ’t Is toch maer al te waer,
„wat Vader van een vrou zegt:

alleen met nyt te dwalen,
Soo kanse boos gerucht haer op de leden halen;
Want krijchtse maer een reys den naem van aelden-thnys,
Het recht is tegen haer, men achtse niet te pluys.

 „en

Wat heeft er menig wijf haer goeden naem bekladt,
Die sonder goet beleyt en sonder hoeder sat.

 „Sonde u daerom proponeren, by provisie my hier te Breda met
„een visite te honoreren, en so langh te blijven, als VE. goed dunckt,
„latende VE. daeromtrent volcomen liberteyt; terwijle wy alle devoiren
„sullen aanwenden, om u sesjour alhier so aengenaem als mogelijck
„te maecken, waarby nog comt, de groote proximiteit dewelcke bestaet
„tusschen Breda en Bergen-op-Zoom, en de faculteit welcke daerdoor voor
„Neef Buat bestaet om VE. te comen visiteren soo dickmaels Zijn Edeles
„dienstaffaires zulks tolereren.   –  Verbljd ons dus met een favorabele response,
„waarmede VE. ook mijne dochters seer sult obligeren, segghende Amarante
„VE. te sullen regaleren op een nieuwe ballade, dewelcke sy uit Parys gekregen
„heeft en op haer spinet seer aerdigh speelt, dewelcke aldus begint:

Il m’a trompé, l’ingrat que tant aimois.

 „en Betje, die meer voor ’t deegheljke is, belooft u een van die costeljcke coucken
„te backen, waer ghy soveel af placht te houden, en voor Neef Buat, telcken reyse
„ZEd. hier comt, oock wat naer sijn smaeck: want hoe seyde Vader:

Geeft kinders soete koeck en vrouwen nieuwen most;
Maer wat de tonghe bijt is reghte mannekost.

 „Nu laet ik VE. Gode bevolen, en versoecke de dienstpresentatie aen Neef Buat
„en aen maseur Musch, en aan VE. susters en verdere famielje, benevens een soentje
„aen uw kleine Betje, waermede verbljve,

Mevrouw ende Nicht!

VE. geaffectioneerde Dienares en Moeie,

A. Cats, Weduwe

Aarssen, van Wernhout.”

De voorslag was te heusch om in de bestaande omstandigheden niet dankbaar te worden aangenomen. Inzonderheid verblijdde zich Buat er over: vooreerst uit een oogpunt van bezuiniging; ten tweede, omdat zijn vrouw dan niet alleen en onder den in zijn oog nadeeligen invloed harer moeder achterbleef; ten derde, en voornamelijk, omdat de hoop hem streelde, dat de verstandige raadgevingen en het goede voorbeeld van Tante Aarssen Elizabeth zouden genezen van die wereldschgezindheid, waaraan hij meende haar kwade luim te moeten toeschrijven. De toebereidselen tot de reis werden spoedig gemaakt, en een haastig afscheid van de naaste bloedvrienden genomen, waarna Buat zich met vrouw en kind naar Breda begaf, hen aldaar aan de gastvrijheid van Mevrouw Aarssen overdroeg, en, na een dag met hen doorgebracht te hebben, ter bestemder tijd in zijn garnizoensplaats aankwam.

In het Eerste Hoofdstuk heb ik gezegd, dat de compagnie van Buat slechts bestond uit een Luitenant, een SergeantWerver en een zestal manschappen: dit getal was sedert eenige dagen eenigszins aangegroeid, daar overal nieuwe wervingen gedaan werden, en de eerste zorg van Buat was nu, zijn ruiterbende te vergrooten en behoorlijk in den wapenhandel te oefenen. De drukten, welke hem dit veroorzaakte, en daarbij de verkenningen, welke bijna elken avond moesten gedaan worden door de omliggende landstreek, ten einde schrik in te boezemen aan de stroopende benden, hadden ten gevolge, dat er vooreerst aan een uitstapje naar Breda niet te denken viel.

Op zekeren achtermiddag, dat hij, voor ’t oogenblik niets beters te doen hebbende, op de stoepbank voor de deur des winkels, waarin hij zijn kamer had, half wakend, half slapend, was nedergezeten, hoorde hij plotseling zijn naam noemen door een stem, die hem niet onbekend voorkwam, doch welke hij niet verwachtte daar ter plaatse te zullen vernemen. Hij wreef zich de oogen uit, zag op, en, jawel! hij had zich niet bedrogen: daar stond voor hem, in levenden lijve, meester Florisz de barbier.

„Ik vraag verschooning, zoo ik UEd. stoor, Mijnheer Buat!” zeide de Hagenaar, met ettelijke buigingen nadertredende.

„Meester Florisz?” riep Buat uit: „waarachtig! wien ik ook gedacht zou hebben hier te zien, u waarlijk niet.”

„Voorwaar!” zeide Florisz: „ik kan het mij zelf ook nauwelijks voorstellen: en toch is het, wel beschouwd, zoo vreemd niet. Ziet UEd. niet aan mijn uitwendigen mensch eenige verandering, die u zou kunnen doen gissen, wat ik hier kom doen?”

„Inderdaad!” antwoordde Buat: „nu ik u wel bekijk.... gij zijt in den rouw. ’t Staat u deftig, man! En welk verlies hebt gij te beweenen?”

„UEd, moet dan weten,” antwoordde de barbier, „dat mijn huisplaag...

„Is dat uw vrouw, aan welke gij dien hartelijken naam geeft?”

„Om UEd. te dienen, dat is zoo’n vriendschappelijke wijze van mij uit te drukken. Nu, mijn vrouw had niet de eer van, gelijk ik, in de Hofstad geboren te zijn, maar was van hier afkomstig, waar haar vader een winkelnering deed. ’t Was toen ik de piek droeg, dat ik haar leerde kennen.”

„Gij hebt dan ook gediend, meester Florisz?” vroeg Buat. „Tot aan den vrede van 48 toe, om UEd. te dienen,” antwoordde Florisz: „en ik heb te dezer zelfde plaatse in garnizoen gelegen. Nu! om tot mijn schoonvader terug te komen, hij heeft zijn winkel waargenomen tot aan zijn dood toe, die in ’t jaar 55 voorviel. Mijn vrouws eenige broeder heeft toen de zaak overgenomen; maar de man was erg met het graveel gekweld, en dat staan achter de toonbank viel hem op den duur te lastig. Hij besloot dus, zijn stand te verkoopen, en dat besluit bracht hij ruim drie weken geleden ten uitvoer. Maar jawel! de mensch wikt en God beschikt, zooals men wel eens voor een spreekwoord zeit. Pas was de koopprijs betaald, en dacht hij nu eens recht stilletjes op het land te gaan leven, of daar krijgt hij een aanval van zijn kwaal, veel erger dan vroeger, en wat de meester ook aan hem mocht doen, ’t heeft niets willen baten: zoodat, hij moest er aan gelooven: dat is nu zoowat een week geleden, dat wij tijding kregen van zijn dood.”

„Dat was een bittere teleurstelling,” merkte Buat op.

„Hé! wat blieft UEd?” vroeg de barbier, verwonderd opziende. „Wel ja,” antwoordde Buat, „de man meende immers nu eens op zijn gemak te gaan leven.”

„O! ik dacht, dat UEd. bedoelde voor ons,” hervatte Florisz: „want ik wilde juist zeggen, de man had het nooit beter kunnen overleggen, om ons de zaak gemakkelijk te maken. Ware hij een maand geleden gestorven, dan waren wij in een ongeredderden boel gekomen, en de hemel weet wat het ons gekost had aan zaakbezorgers, advocaten en notarissen;   –  een stand te verkoopen, winkelwaren over te doen, inventaris op te maken, en al dien omslag meer. Nu is het, als had de man het ons met opzet gemakkelijk willen maken.... en zoo zei ik tegen mijn Xantippe:

„Uw vrouw, meent gij?”

„Juist, dat is weer zoo’n vriendschappelijke spreekwijze:   –   weetje wat, zei ik, die man is dood, en om nu te wachten, tot ze ons de afrekening oversturen, dat is ook achterop: ik zal maar vragen aan Goos Goossen, of hij met onzen knecht zoolang de klanten wil waarnemen, en dan trek ik maar één-twee-drie naar Bergen-op-Zoom. Mijn ouwe tooverheks had wel meegewild; maar ik zei: „kind! je bent te dik, ze zouên je de vesting niet binnenlaten en je voor een verkleed vat buskruit aanzien:   –  en zoo hen ik maar alleen gekomen.”

„Wel zie eens aan! en hebt gij reeds. . . .

„Alles in orde! ’k Ben al aan ’t sterfhuis geweest: niets als comptanten: ’k heb ze zoo maar mee te dragen. Morgenochtend wordt de boel ontzegeld: en zoodra ik het mijne heb, kuier ik weer naar huis.”

„Wel! ik wensch u geluk met de erfenis,” zeide Buat: „ik mocht lijden, dat mij ook eens iets dergelijks overkwam.”

„Ho! Mijnheer spot er mee,” hernam Florisz: „zoo’n zak guldens, die wat zeggen wil voor een burgerman als ik ben, dien zet Mijnheer immers op ééne kaart....; doch van wat anders. Ik heb, wetende dat UEd. zich hier bevond, voor mijn vertrek aan uw huis laten vragen, of er ook iets te bezorgen viel, en zie    –  juist was dit pakket met brieven aangekomen.”

„Ha! ik dank u,” zeide Buat, het pakket aannemende, ’t welk hij terstond herkende, als komende van Sylvius: „en was alles wel thuis?”

„Mevrouw Musch, en de jonge juffers en al de vrienden zijn in blakende gezondheid,” antwoordde Florisz, en toen, een geheimzinnige uitdrukking aan zijn stem gevende: „ik heb,” zeide hij, „ook den Heer Kievit nog gesproken.”

„Zoo? en wat verder?” vroeg Buat.

„ZEd. laat u groeten,” vervolgde de barbier: „en voorts heeft hij mij gesproken van zeker plan, dat UEd. ook wel niet onbekend zal zijn:…… UEd. heeft misschien”   –  hier werd zijn stemgeluid nog zachter    –  „niet bij toeval een paar geresolveerde kerels bij de compagnie, die UEd. ons zou kunnen afstaan om een wakker stuk te volbrengen?”

„Ik heb geresolveerde kerels genoeg,” antwoordde Buat, die terstond begreep waar hij heen wilde: „knapen, die dadelijk klaar zullen staan, om u, met uw zak guldens er hij, hals over kop in de vest te dompelen, zoo gij ’t hart hebt, mij weer over zulke boevenstukken te onderhouden.”

„Lieve deugd!” riep de verschrikte baardschrapper uit, een stap terugdoende: „ik weet toch niet, dat ik iets gezegd heb, dat.... ik meende, dat UEd. een goed Prinsman was, en....”

„Een goed Prinsman ben ik, en hoop ik te sterven,” zeide Buat: „maar ik wil mijn Prinsgezindheid niet toonen, door de hand te leenen tot aanslagen, als die gij bedoelt. Het is uw geluk, dat ik niet behoef verstaan te hebben, wat gij zeidet, anders ware het mijn plicht, als een dienaar der Heeren Staten, u terstond in hechtenis te doen nemen, en gekneveld op te zenden naar Den Haag. Maar wees gerust,” vervolgde hij, de neerslachtige houding van Florisz bespeurende: „zooverre behoeft het niet te komen. Hoor, man! gij hebt een goed bestaan, en er nu nog een aardig fortuintje bij gekregen: gij kunt als een deftig burgerman uw brood winnen: wat hebt gij er nu aan, uw zaken in den grond en u zelven misschien aan de galg te helpen, door u te moeien met belangen, die u niet aangaan? Wat raakt u de politiek? En zal er wel een baard meer om geschoren, of een pruik meer om opgemaakt worden, ’t zij Mr. Jan of een ander de zaken bestiert?”

„Is het wel mogelijk,” vroeg Florisz, van verbaasdheid de handen samenslaande, „dat het de Heer Buat is, die mij wil afhouden van te doen, hetgeen het welzijn van het land zoo dringend vordert?”

„Ik wil u afhouden van uw eigen verderf te zoeken,” zeide Buat: „laat gij voor het welzijn van het land hen maar zorgen, aan wie zulks is opgedragen. „Zie,” vervolgde hij, in de hoop van meer klem aan zijn redenen te geven, en terwijl hij met de vlakke hand op het pakket sloeg: „hier zijn brieven van de Engelsche Ministers, en ik weet zeker, dat die geheel andere dingen raden, dan gij in ’t hoofd hebt.”

Dit zeggende, brak hij het zegel los, nam een der brieven uit het pakket, en doorliep dien met een uitdrukking van genoegen: ,.juist zoo!” vervolgde hij: „juist als ik zeide: alles vredelievend: ’t zal ras uit met den oorlog, en dan weer Oranje-boven zijn. Wat zoudt gij dan de zaken in de war sturen met zulke dollemans-streken? Zeg dat gerust aan den Heer Kievit over, en laat hij voorzichtig zijn.”

„Indien dat het geval is,” zeide Florisz, geheel van zijn stuk gebracht, „dan zeker...

„’t Is zooals ik u zeg. En nu geen dwaasheden! of ik geef er den Raadpensionaris kennis van.   –  Maar genoeg hierover:    –  gij zult, hoop ik, tot verstandige inzichten gekomen zijn. Morgen vertrekt gij weer, nietwaar? Hoe neemt gij de reis?”

„Over Breda,” antwoordde de barbier.

„Durft gij dat wagen?” vroeg Buat: „er ligt wel krijgsvolk te Rozendaal; maar toch, de weg is niet altijd veilig: en zoo men de lucht heeft, dat gij met geld reist...

„O!” antwoordde Florisz: „ik val nogal niet bang: en het zou al ongelukkig treffen, als ik nu juist slecht volk tegenkwam.”

„Nu! gij moet het weten,” hernam Buat: „maar zoudt gij, in dat geval, u met een brief voor mijn vrouw willen belasten, die bij Mevrouw Van Wernhout thuis ligt?”

„Volgaarne, Mijnheer Buat! UEd. denkt dus…

„Ik denk, dat gij over dien aanslag niet meer denken en nog minder er over spreken moet, zoo gij uw hals liefhebt. En nu tot morgen. ’t Zal welhaast appel slaan, en ik wensch eerst die brieven nog eens op mijn gemak te lezen. Tot morgen.”

En, den geheel uit het veld geslagen Florisz groetende, begaf zich Buat naar binnen en naar zijn kamer, waar hij zich aan ’t lezen zette der ontvangen brieven. Het bleek hem duidelijk, dat zijn laatste schrijven, of liever dat van Elizabeth, die, gelijk men zich herinneren zal, den brief gesteld had, niet zonder uitwerking was gebleven, en werkelijk bij de Heeren in Engeland vrees had doen ontstaan dat de correspondentie zou gestaakt worden. Niet alleen deden zoowel Arlington als Sylvius al hun best, om Buat gerust te stellen omtrent de gevolgen, die zijn schrijven hebben kon; maar ook was, ten opzichte der staatszaken, de toon wederom geheel vredelievend en van dien aard, dat hij niet behoefde te schromen, de brieven, aan wien ook, te vertoonen. Bij het opnemen van een brief aan de Jonkvrouw Van Beverweert, die zich mede in ’t pakket bevond, kon Buat niet nalaten te glimlachen. „Voorwaar,” dacht hij, „het middel van correspondentie moge zeker zijn, snel is het niet. Maar komaan: daar wordt het appèl geslagen en wij zullen tot den avond moeten wachten om het verdere te doen.”

Zoodra was het dienstwerk niet afgeloopen, of Buat haastte zich weder naar zijn kamer, schreef een brief aan zijn vrouw, een tweeden aan den ouden Heenvliet, wien hij den hoofdinhoud van Arlingtons en Sylvius’ schrijven mededeelde, en sloot den brief aan de schoone Isabella in een omslag, waarin hij haar met een paar woorden verschooning verzocht voor de trage bezorging, en haar tevens onder het oog bracht, hoe moeilijk het hem zou vallen, sedert hij te Bergen-op-Zoom was, tot tusschenman te blijven strekken. Deze drie brieven stelde hij den volgenden morgen aan meester Florisz ter hand, die, na van Buat een laatste vermaning te hebben ontvangen, den terugtocht aannam.

Niemand geloove echter, dat onze wakkere Hagenaar, hoe moedig ook van natuur, en hoe fier hij zich ook jegens Buat had uitgelaten, een wandeling als die tusschen de beide vestingen, en dat nog wel, met zwagers erfenis in zijn reiszak, alleen ondernam. Daartoe waren hem de wegen niet veilig genoeg; en hij wilde de kans niet loopen, om hetgeen hij, uit overmaat van voorzorg, zelf was komen halen, uit gebrek aan voorzorg, weer kwijt te raken. Hij had daarom een paar neven uit de stad bepraat, hem tot Breda te vergezellen, voor welken dienst hij hun een goed onthaal in gezegde stad beloofd had. Alle drie waren wel met kneppels en pistolen voorzien, en, zoo om minder bezwaard te wezen, als uit voorzichtigheid, had elk zich met het dragen van een gedeelte van het geld belast. Voorts kozen zij, om de vesting te verlaten, het uur, dat er gewoonlijk een gewapende troep den kant naar Rozendaal optrok. Eens aan dat dorp gekomen, kon, naar Florisz meende, hem geen ongeval meer treffen; daar de strooppartijen der roofbenden zich nimmer tot zoo dicht bij Breda hadden uitgestrekt.

Het was reeds laat op den avond van dienzelfden dag: Mevrouw Aarssen zit in hare huiskamer aan ’t spinnewiel: haar oudste dochter Elizabeth, tegenover haar gezeten, hield zich onledig met de belangrijkste hoofdstukken te kopiëeren uit een kostbaar handschrift, dat zij ter leen had, en ’t welk niet minder behelsde dan een getal van duizend recepten om te braden, te koken en te konfijten wat maar braad-, kook- of konfijtbaar was. Met lust kweet zij zich van haar nuttige taak; want op het voorbeeld van hare moeder had zij tijdig de lessen in acht genomen, die haar grootvader in zijn werk over ’t Houwelijck gegeven had:

Leert braden na den eisch, leert sieden ende stoven;
Leert fruiten in de pan en backen in den oven.

Aan de andere zijde van het vertrek was hare zuster Amarante bezig met het zingen van een aandoenlijke Fransche pastorale, en vergezelschapte haar gezang met het bespelen der spinet, een Vrij onvolmaakt werktuig, maar dat de eer zou hebben de moeder van het klavecimbaal, piano, acordeon e tutti quanti te worden. Half tegen den muur geleund en met de oogen op de schoone zangeres gevestigd, stond een jonge vendrig, die slechts zijn bevordering tot luitenant verwachtte om haar naar de Kerk te geleiden: en eindelijk, in den donkersten hoek van het vertrek, diep in een wijden zorg-stoel gedoken, zat, half luisterende naar de muziek, half in haar eigen gedachten verdiept, Elizabeth Musch. Het was juist op het oogenblik, toen Amarante, gevolg gevende aan het verzoek van haar minnaar, nog eenmaal het refrein zong van haar UEd, dat de dienstmaagd zich aan de deur vertoonde met het bericht, dat er iemand was van Bergen-op-Zoom, die Mevrouw Buat wenschte te spreken.

Meester Florisz wordt op de hei bij Prinsenhage overvallen.„Iemand van Bergen-op-Zoom!” herhaalde Mevrouw Aarssen, zich voorstellende, dat het Buat zelf wel kon zijn, die zich aanmeldde: „laat die heer binnenkomen, Trieneken!”

Maar in de plaats van Buat, gelijk Mevrouw Aarssen dacht en Elizabeth heimelijk hoopte, verscheen een klein ventje, met een oude smerige muts op het hoofd, gescheurde en bemodderde kleeren en een uitzicht zoo bleek als de dood.

„Hoe nu! wie zijt gij? van waar komt gij? wat is er gebeurd?” vroegen gelijktijdig de dames, half ontsteld, half verwonderd over deze onverwachte verschijning; terwijl de vendrig de hand aan zijn degenknop bracht en een stap vooruit deed, als om het gezelschap zijne bescherming aan te bieden.

„Hoe nu! zijt gij het, meester Florisz!” riep Elizabeth, bij nadere beschouwing haar stadgenoot herkennende: „gij te Breda!”

„Ja, dat mag UEd. wel zeggen,” antwoordde Florisz op een klagenden toon: „en het is nog een mirakel, dat UEd. mij hier te Breda in levendigen lijve ziet..., en ’t is Mr. Jan zijn schuld niet, zoo ik niet op dit oogenblik zoo dood als een pier op de hei lig.”

„Mr. Jan…… dood op de hei!” herhaalden de aanwezigen.

Herstel u wat, goede man!” zeide Mevrouw Aarssen: is u iets gebeurd, dat u van uw stuk gebracht heeft.... dat kan men u aanzien: ga zitten   –  en gij, Betje! -haal een kanne wijns: dat zal hem goeddoen.   –  Maar ik kan nog niet beseffen....

„’t Is zooals ik de eer heb u te zeggen,”   –  zeide de barbier, na plaats genomen en het klamme zweet van zijn voorhoofd geveegd te hebben: „zij hebben ons aangevallen, geslagen, willen vermoorden, en de erfenis van mijn zwager”    –  hier liepen een paar dikke tranen langs zijn wangen -naar de planeten.... Maar Mr. Jan zal het mij betaald zetten.”

„Maar wat praat gij toch van Mr. Jan?” vroeg Elizabeth, die in spijt van haar eigen verdriet en van haar medelijden met haar armen kapper, toch niet kon nalaten te glimlachen om die samenvoeging van denkbeelden: „Mr. Jan is toch geen struikroover geworden.”

„Geen haar beter!” riep Florisz uit, met bevende hand het glas wijn, dat Betje Aarssen hem bood, aan den mond brengende: „is hij er geen schuld van, dat zoo’n onbeduidend Munstersch Paapje ons den oorlog aandoet, en zijn rapalje van soldaten laat stroopen tot voor de poorten van Breda?”

„Wat zegt gij?” vroeg de vendrig, nader komende: „zijn het Munsterschen, die u geplunderd hebben?”

„Zij hebben mij hun vendel niet genoemd, Heer Officier!” antwoordde Florisz: „maar soldaten waren het, en geen gewone bandieten.”

„Ziedaar een ongehoorde vermetelheid!” riep de vendrig uit: „maar ik bid u, vertel ons eens meer nauwkeurig, hoe en bij welke gelegenheid dat alles gebeurd is.”

„Dat zal ik doen,” zeide de kapper, het glas, dat het zorgvuldige Betje nogmaals volgeschonken had, weder opnemende: „maar door de ontsteltenis zou ik haast vergeten, de gezondheid te drinken van Mevrouw Van Wernhout”   –   hier nam hij een volle teug   –  „en van Mevrouw Buat”   –  weder een teug   –  „en van het gansche gezelschap!” en toen, ziende dat er nog iets in het glas gebleven was, mompelde hij meer dan hij sprak: „en op de verdoemenis van Mr. Jan!” en dronk het toen ledig.

 „Maar nu, uw verhaal!” vroegen allen uit éénen mond.

 Nu een weinig van zijn ontroering teruggekomen, begon de barbier met aan de aanwezigen te vertellen wat hem naar Bergen-op-Zoom geroepen had, hoe hij daar zijn geld ontvangen, den Ritmeester Buat nog een paar reizen gesproken, en in gezelschap van zijn beide neven van daar vertrokken was. Tot aan Rozendaal hadden zij het geleide der verkenningstroepen gehad: na een halfuur in de herberg aldaar vertoefd te hebben, waren zij onbezorgd verder getrokken en tegen het vallen van den avond door Sprundel gekomen. Reeds waren zij op de heide, nabij Prinsenhage, en achtten zich nu tegen alle aanslagen van kwaadwilligen beveiligd, toen zij zich onverwachts zagen aanvallen door een zestal kerels, met vuurroers en lange stootdegens gewapend, die hen met den dood dreigden, indien zij niet onmiddellijk alles afgaven, wat zij bij zich hadden. Een der neven had het onmiddellijk op een loopen gezet naar den kant van waar hij gekomen was: de andere had niet veel meer moeds getoond, maar was dadelijk op zijn knieën gevallen, en had wat hij bij zich droeg aan de roovers prijsgegeven: hij alleen had zich een poos willen verweren; maar het was een nutteloos wrijten geweest tegen de overmacht: hij was geslagen, mishandeld en van zijn reiszak beroofd geworden, ja hij zou er, naar zijn meening, niet heelhuids zijn afgekomen, indien de booswichten niet vermeend hadden onraad te hooren, en daarop in allerijl vertrokken waren. Zijn neef was halfdood van schrik aan ’t Haagje achtergebleven: en hij zelf naar Breda doorgereisd, om er den Gouverneur te verwittigen van wat hem gebeurd was. -„Maar Mr. Jan zal mij het geld teruggeven,” zeide Florisz, zijn verhaal besluitende: „of het zal hem rouwen.”

„Hebt gij dat aan den Gouverneur ook gezegd?” vroeg de vendrig glimlachende.

„Den Gouverneur! ik heb hem nog niet gesproken,” antwoordde Florisz, verontwaardigd: „de Commandant van den post aan ’t Haagje.... ik moet zeggen, een hupsch en gedienstig Heer, en die mij nog een muts heeft weten te bezorgen, om mijn hoed te vervangen, dien ik in den slag verloren heb.... had mij nog al iemand meegegeven om mij bij den Gouverneur te brengen: maar jawel! die groote Heeren zijn nooit thuis. Ik heb de boodschap gelaten, dat ik hierheen ging, en zij zouden mij laten roepen, zoodra hij te spreken was.”

„Nu, dan zal ik met u gaan en u bij hem inleiden,” zeide de vendrig: „al ware het maar,” fluisterde hij Amarante in ’t oor, „om te voorkomen, dat hij van Mr. Jan prate.”

„Wel verplicht,” antwoordde de barbier: „wel verplicht voor uwe beleefdheid: ’t hoeft anders niet: ik hanteer vrijwat andere hoofden nog, dan uw Gouverneur op zijn hals draagt.”

„Arme man!” zeide Mevrouw Aarssen: „maar kunt gij ook vermoeden, of die roovers er altemet de lucht van gekregen hebben, dat gij geld bij u hadt? want gij weet toch ook wel:

Vyer, hoest, geit, en heete min,
En hout men noyt ter degen in.”

 „Wat zal ik u zeggen, Mevrouw!” antwoordde Florisz: „er was daar in de herberg te Rozendaal een zekere reizende ketellapper, tegen wien Neef Tijs zich misschien wat onvoorzichtig heeft uitgelaten, en wiens stem ik later, toen wij aangerand werden, heb meenen te herkennen.”

„Daar hebt gij het al,” zeide Mevrouw Aarssen:

„Het gelt wil uit de beurs.

Maar, om voor een oogenbiik van die treurige geschiedenis te zwijgen: gij hebt den Heer Buat gesproken. Was hij wel?”

„Frisch en gezond,” antwoordde Florisz: „ja dat is ook waar.... het eenige, wat mij die gauwdieven, die ik hoop, dat spoedig met Mr. Jan zullen branden op zekere plaats, welke ik in dit geëerd gezelschap liever niet noemen zal.... het eenige, zeg ik, wat zij mij nog gelaten hebben, is mijn zakboek,”   –  en meteen in zijn broekzak tastende, haalde hij een boekje voor den dag, in kalfsleer gebonden, met lint omwonden, dat groen was geweest, doch, evenals het boekje zelf, glom van pomade. Het lint losgewonden hebbende, bracht hij een pak brieven te voorschijn, waarvan hij er een uitzocht en aan Elizabeth overreikte: doch, terwijl zij de hand uitstak om hem aan te nemen, bezon hij zich: „neen,” zeide hij, „deze is het niet: hier is de rechte   –  „aan Mevrouw Buat.... in handen”   –  ja, die is het.”

Elizabeth werd steenbleek en haar hand beefde, toen zij den brief aannam: zij had den anderen maar met een oogwenk gezien; maar die oogwenk was genoeg geweest om haar het opschrift te doen lezen: en dat opschrift, met de onmiskenbare hand van Buat geschreven, luidde:

„Aan de Wel-Edele
Mademoiselle de Beverweert,
in de Haagh.”

 „Wat schort er aan, Betje!” riep de bezorgde Tante: „gij wordt bleek: men zou zeggen, dat gij vermoeddet, dat die brief slechte tijdingen behelsde.”

„O neen!” zeide Elizabeth: „het verhaal van dien man heeft mij ontsteld, en....”

„Wel ja!” hernam Mevrouw Aarssen: „waarlijk gij ziet

En quips, en bijster meeps en uytermate flaeu.

 Nu lees den brief maar eens, dat zal u wat opbeuren.”

Elizabeth opende werktuiglijk den brief, en hare oogen doorliepen den inhoud zonder bijna acht te geven op hetgeen zij las.

„Buat schrijft mij, dat hij vooreerst niet komen kan,” zeide zij toen: „hij heeft het nog te druk.”

„Te druk!” herhaalde zij, bij zich zelve: „te druk om mij meer dan een half dozijn koele regels te schrijven; maar niet te druk om een dikken brief op te stellen aan die vrouw!”

Op dit oogenblik kwam het bericht dat de Gouverneur te huis gekomen was en meester Florisz hooren zou. Deze rees op, bedankte de dames voor haar heusch onthaal en verwijderde zich met den vendrig. Wij zullen hem niet vergezellen; maar, ten einde het niet noodig zij, later op zijn avontuur terug te komen, zal ik hier meteen vermelden, dat het daarmede ten slotte nog beter afliep, dan hij had durven hopen. De eene neef, die ’t hazenpad gekozen had, was zoo gelukkig geweest, aan zijn vervolgers te ontloopen en behouden te Sprundel aan te komen met het gedeelte van het geld, dat hij bij zich droeg. De overste van het krijgsvolk, dat te Rozendaal in kwartier lag, had, zoodra hij van het gebeurde verwittigd was, eenig volk uitgezonden, om zoo mogelijk de roovers, die men vermoedde dat tot de bezetting van ’t Huis te Wouw behoorden, den terugtocht af te snijden: en werkelijk waren drie hunner door de Staatsche troepen onderschept geworden: zoodat meester Florisz, na verloop van een paar dagen, zoo niet met de geheele erfenis, toch met een goed deel daarvan, naar zijn huisplaag en zijn pruiken terug kon keeren: ’t geen hem echter niet belette, aan Mr. Jan den doorgestanen schrik en het geleden verlies te blijven verwijten.

Mevrouw Aarssen, hoewel de bleekheid en zwaarmoedigheid van Elizabeth haar niet ontgaan waren, schreef die eenvoudig toe aan den staat van zwangerschap, waarin zij wederom verkeerde, en deed daarom geene moeite om naar eenige andere oorzaak te zoeken; terwijl de jonge vrouw, die vermoedelijk haar vertrouwen aan haar Tante zou hebben geschonken, indien deze bij haar had aangedrongen om de oorzaak van haar verdriet te weten, om geene schatten uit eigen beweging zou geopenbaard hebben, wat haar op het harte lag. En zoo kwelde zich de arme Elizabeth, en kwijnde weg van verdriet, en verloor kracht en levenslust; terwijl zij elke poging. door haar aangewend, om een opgeruimd en onbezorgd gelaat te vertoonen, zoodra de gedwongen spanning over was, door des te dieper neerslachtigheid bezuren moest. Niet weinig was dan ook Buat, toen hij, eenige dagen na zijn brief, zelf gelegenheid vond om een dag te Breda te komen doorbrengen, over de verandering getroffen, welke hij bij zijn vrouw bespeurde, gelijk mede over de koelheid, waarmede zij hem ontving; en alleen de verzekering, hem in ’t geheim door Mevrouw Aarssen gegeven, dat die kwade luim en schijnbare onverschilligheid enkel te wijten waren aan den toestand, waarin Elizabeth zich bevond, stelde hem eenigszins gerust, en wekte de hoop bij hem op, dat, wanneer eens de oorzaak der kwaal was weggenomen, de kwaal zelve ook zou ophouden.


[Jacob van Lennep pagina] – [22e hoofdstuk] – [24e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.