MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN BUAT EN ZIJN VROUW WEER THUIS KOMEN EN DE GESCHIEDENIS EEN NOG GROOTER SPRONG VOORWAARTS DOET.


Buat had tot nog toe uitgesteld, de brieven te beantwoorden, welke hij uit Engeland ontvangen had. Hij had tocht zoolang hij te Bergen-op-Zoom verbleef, geen gelegenheid om die aan De Witt te toonen, en, aan eenig uitstel, dacht hij, zou weinig verloren zijn, daar hij spoedig voorzien had, dat gezegd verblijf niet van langen duur zou wezen. Weldra bleek, dat hij zich hierin niet bedroog. De Bisschop had begonnen te bespeuren, dat het voeren van een oorlog geld kostte, en de door hem aangeworven benden, schrale betaling ontvangende, verliepen hoe langer hoe meer. Wel had Karel II hem onderstandgelden beloofd; doch deze kwamen niet in. Dit een en ander, en daarbij de raadgevingen van Frankrijk en van den Keurvorst, deden den Bisschop besluiten zich te laten vinden om over vrede te onderhandelen. De Staten, van hunne zijde genoeg te doen hebbende met den oorlog tegen Groot-Brittannië, maakten gretig van de aangeboden gelegenheid gebruik om zich den last van een krijg te lande kwijt te maken: Beverningk, die zich nog steeds met den Franschen Gezant Colbert te Kleef ophield, kreeg last, met des Bisschops Afgevaardigden te spreken: en reeds in April werd, door de wederzijdsche Gemachtigden, een vrede geteekend, waarbij al de voorspellingen vervuld werden, door De Witt gedaan in den brief, dien hij aan Buat, bij diens eerste bezoek, had in de pen gegeven.

Reeds voor het treffen van dien vrede was de last uitgevaardigd, alom de wervingen te staken, en het viel Buat, wiens voortdurende tegenwoordigheid te Bergen-op-Zoom hierdoor minder noodzakelijk werd, alzoo niet zwaar, eenige dagen verlof te bekomen, welke hij zich voorstelde tusschen Breda en s-Gravenhage te verdeelen.

Het was niet zonder verdubbeling van hartzeer, dat zijn vrouw, toen hij in eerstgenoemde plaats verscheen, van hem verstond, dat hij ook voornemens was, naar de Hofstad te reizen: en ofschoon zij de gronden, welke Buat daarvoor aanvoerde, uiterlijk scheen te billijken, zoo bleef zij zich bij haar zelve overtuigd houden, dat hij de voornaamste drijfveer van zijn gang naar Den Haag niet vermeldde.

En toch waren die aangevoerde gronden gewichtig genoeg. In de eerste plaats had Buat een nieuwe bezending brieven uit Londen ontvangen, met krachtigen aandrang om De Witt op het stuk van den vredehandel te polsen: en ten andere hadden de Staten van Holland inmiddels een gunstig besluit genomen op het verzoek der Princesse-Douairière, en de onderwijzing van den Prins, die nu als Kind van Staat was aangenomen, opgedragen aan Wigbold Van der Does, Heer van Noordwijck, lid der Ridderschap, Adriaen Van Bleyenburg, Heer van Barendrecht, Oud-Burgemeester van Dordrecht, Gillis Valckenier, Burgemeester van Amsterdam, Nanning Van Foreest, Rekenmeester der Domeinen en Raad in de Vroedschap van Alkmaar, en, eindelijk, maar voornamelijk, aan Jan De Witt. Vruchteloos had Zeeland geijverd om mede deel te bekomen aan de opvoeding: het was een deel der staatkunde van De Witt geweest, de Douairière haar verzoek alleen aan Holland te doen richten: en alle invloed van het Prinsgezinde Zeeland werd dus, door den loop der zaken, op schijnbaar ongezochte en billijke gronden geweerd.

Het tijdstip was alzoo gekomen, dat Buat zijn gelofte aan den Prins moest vervullen en zijn ontslag aanbieden uit den dienst van dezen: en hij deed dit liever bij monde, dan schriftelijk, nu zich daartoe zulk een ongezochte gelegenheid aanbood. Dat het zou worden aangenomen, daaraan behoefde hij wel niet te twijfelen en zijn eenige hoop was maar, vooreerst dat het de uitwerking zou hebben, welke de Prins er nog van hoopte, en ten andere, dat het vrijwillige zijner daad hem aanspraak zou geven op eenige schadevergoeding, door verhooging van zijn rang bij ’t leger als anderszins.

De Witt, die alle reden had van tevredenheid over den loop, dien de zaken genomen hadden, met betrekking zoo tot den vredehandel met Munster, als tot de zaak der opvoeding en tot de benoemingen bij ’t leger, welke mede overeenkomstig het voorstel van Holland bij de Staten-Generaal waren uitgevallen, was dan ook in een uitmuntende stemming, toen hij Buat bij zich ontving: hij gaf hem ronduit te kennen, dat het aanbieden van het ontslag een verstandige daad was; want dat geen van hen, die thans den Prins omringden, bij hem zou kunnen blijven: vermits het noodzakelijk was, hem geheel andere grondregels van regeering in te prenten, dan hij tot dien tijd ontvangen had. Wat Buat betrof, De Witt beloofde hem, dat hij, bij de eerste bevordering, gewisselijk niet zou worden vergeten. Met betrekking tot de brieven uit Engeland, herhaalde De Witt zijn vroegere verklaring, dat hij tot den vredehandel volkomen bereid was, doch dien niet zou beginnen zonder medewerking van Frankrijk, ’t welk echter, zeide hij, naar hij zich vleide, daartegen op den duur wel geene zwarigheid zou inbrengen.

Ofschoon Buat hierdoor nu de zekerheid had bekomen, dat de door hem gedane stap den Prins weinig dienst zou doen, had hij toch over ’t geheel reden van tevredenheid over zijn bezoek. Engeland en De Witt waren niet afkeerig van den vrede: dit nam hij als zeker aan: en welke reden zou er bij Frankrijk bestaan om dien tegen te houden.    –  Geen wonder dan ook, dat zijn overtuiging doorstraalde, zoo in de brieven, die hij aan Arlington en aan Sylvius schreef, als in zijn gesprekken met zijn politieke vrienden in Den Haag, ja, dat hij openlijk, eens onder anderen bij ’t uitgaan der kerk, aan sommigen, die hem hun bezwaren over den ophanden zijnden zeestrijd mededeelden, ronduit verklaarde, „dat men vrede hebben kon, wanneer men dien, gelijk hij meende het geval te zijn, van beide zijden ernstig begeerde :”   –   woorden, die hem, als wij zien zullen, later ten kwade werden geduld.

Het bepaald teekenen van den vrede met Munster, ’t welk nu plaats had, was oorzaak, dat de eerste acht dagen verlof, welke Buat bekomen had, onbepaald verlengd werden. Er bestond dus geen reden meer om naar Bergen-op-Zoom terug-te keeren, en hij zou zijn vrouw uit Breda hebben teruggehaald, indien haar gezondheid de reis veroorloofd had. Doch het geheim verdriet, dat haar kwelde, en vooral het geweld, dat zij zich aandeed om het te verbergen, hadden haar een ziekte op den hals gehaald, welke, haars ondanks, haar verbood de reis te ondernemen: en het duurde tot verre in de maand Mei, eer zij daartoe van den geneesheer verlof bekwam.

Aan het Hof van den jongen Prins hadden inmiddels groote veranderingen plaats gehad. Zijn smeeken, om, nadat Buat, Bromley en Heenvliet op hun verzoek ontslagen waren, althans Zuylesteyn en Boreel bij zich te houden, had niet mogen baten. Zelfs was de voorspraak van d’Estrades vruchteloos geweest, wien hij in den arm genomen had, en die, getrouw aan zijn stelsel van aan niemand te veel macht te geven, beide Heeren wel, tot een klein tegenwicht aan het gezag van De Witt, had willen laten waar zij waren. Tot Gouverneur van Willem III werd aangesteld de Heer van Gent. zoon van dien beroemden Otto Van Gent, die een der dappersten onder Frederik Hendriks dapperen geweest was. De zoon had niet op het krijgs-, maar op het staatstooneel een rol zoeken te spelen, en, ofschoon niet misdeeld van bekwaamheden, was het vooral zijn onderdanigheid, ja volstrekte gedweeheid voor De Witt, welke hem in aanmerking deed komen voor de betrekking, die hem thans werd opgedragen.

Levendig was inmiddels de briefwisseling geweest, tusschen Buat en zijn vrienden in Engeland gevoerd: en te ijveriger ging hij thans daarmede voort, sedert De Witt hem hoe langer hoe meer op den voet van een gevolmachtigde scheen te behandelen. Zijn eigenliefde vond zich hiermede gestreeld niet alleen, maar hij hield zich immer meer overtuigd een goed werk te doen: en, wat mede hem geen onverschillige zaak was, geheel ’s-Gravenhage wist nu, met welke onderhandelingen hij belast werd, zoodat men van lieverlede elkander in ’t oor begon te fluisteren, dat men Buat eerlang wel met een zending zou zien belasten: dat hem dit geen windeieren zou leggen, enz.: praatjes, die zijn krediet bevorderden, en oorzaak waren, dat zelfs zijn lastigste crediteuren, verre van hem te manen, hem herhaaldelijk kwamen verzoeken, bij hen te nemen wat hem aanstond, daar zij toch geen de minste vrees voedden voor de betaling.

Helaas! te spoedig bleek het, hoezeer zij, die, als Buat, zich met het sluiten van een spoedigen vrede gevleid hadden, zich vergisten. ’s Lands vloot zeilde uit, en, nauwelijks waren veertien dagen om, toen die hardnekkige strijd voorviel, welke onder den naam van „de vierdaagsche zeeslag” in onze geschiedenis zoo vermaard is. Dan, hoe groot ook de teleurstelling mocht wezen van hen, die het einde van den oorlog reeds nabij waanden, toen hij eerst begon, hoe bitter de smart ware van zoovelen, wier magen of vrienden in dat bloedig samentreffen waren omgekomen, hoe droevig het verlies was, dat de Staat in het sneuvelen van drie zijner wakkerste Zeevoogden geleden had, toch kon Nederland dit alles vergeten; want de schande, die op de Staten-vlag kleefde sedert de neerlaag van Wassenaar, was uitgewischt: de Britten hadden de zee moeten ruimen: terwijl meer dan een vierde hunner schepen, vernield of bemachtigd, en het naar Holland opbrengen van een der Engelsche Admiralen en van het lijk van een ander, getuigden, hoe wakker de Zeeleeuw zich geweerd had, en wat onze zeelieden doen konden, wanneer het De Ruyter en Tromp waren, die hen tegen den vijand aanvoerden. Maar ook aan De Witt werd, voor geen klein gedeelte van den roem, dien men behaald had, dank geweten: het was immers aan zijn onverzettelijken wil, aan den ijver, door hem betoond, aan het krachtiger leven, dat hij aan het zeewezen had weten bij te zetten, dat men het bijeenbrengen in zoo korten tijd van een zoo aanzienlijke vloot wist verschuldigd te zijn: zelfs zijn vijanden konden hem dien lof niet onthouden, en al mocht hier of daar de nijd of wrevel zijn aandeel aan dat werk zoeken te verkleinen, die enkele stemmen werden nauwelijks vernomen, of wel, in de algemeene juichtonen versmoord.

Dan, gelijk het steeds gaat, juich- en jubelkreten zwijgen spoedig, en het heimelijk morren en wrokken neemt nimmer een eind. De eersten zijn aan vuurpijlen gelijk, waarmede zij zoo dikwijls vereenigd opstijgen: de laatsten aan de vlam, die lang in het verborgen smeult, om tot een vuurgloed uit te bersten. Langzamerhand begonnen de vijanden van De Witt zich bijna te schamen, dat zij mede in de handen hadden geklapt wegens een victorie, die alleen gestrekt had om de eer en het gezag van hun tegenstander te vergrooten, en er bitter en luide over te klagen, dat hij het beste bloed en de schatten der Republiek er aan waagde, om zijne grootheid te bevorderen. De wijze vooral, waarop hij den Prins van Oranje thans geheel onder den invloed zijner factie had weten te brengen, was een onvergeeflijke misdaad in hunne oogen: en hevig waren de gesprekken, die zij daarover voerden: ook Sylvius kwam in zijn brieven hier telkens op terug, en voer al sterker uit tegen de intrige, waardoor de Prins buiten het bewind gehouden, en alles naar het goeddunken der bovendrijvende partij geschikt werd. Het spreekt van zelf, dat die brieven niet aan De Witt vertoond, maar onmiddellijk na de lezing ten vure gedoemd werden. Zelfs aan Elizabeth kwamen die niet onder de oogen. Haar voortdurend sukkelende gezondheid, en de verkoeling, tusschen de beide echtgenooten ontstaan, hadden ten gevolge gehad, dat zij zelden meer naar den loop der correspondentie vroeg, en Buat er haar zelden meer lastig mede viel. De eenige, met wien hij, gedurende den zomer, nu en dan was te rade gegaan, was Van der Horst, die, hoewel geen hoogvlieger, als Lid van den Raad van State nogal wist wat er omging, en althans de man niet was om geweldige middelen voor te slaan. Door dezen, die voortdurend de zinnen op een zending naar Engeland zetten bleef, werd nu het plan weder opgewarmd, om een gezantschap derwaarts te doen vertrekken met Willem III aan ’t hoofd, en dit plan, waarmede, naar het gevoelen van Van der Horst, de meeste Steden zich wel zouden vereenigen, behoorlijk uitgewerkt aan Buat ter hand gesteld, die het naar Engeland zond. Het antwoord bleef echter een tijdlang achter; daar Sylvius    –  wij zullen later zien met wat doel   –  Londen voor een wijl verlaten had, en hierdoor in de briefwisseling een tijdelijke stremming ontstond.

Had de overwinning, in Juni behaald, De Witt een wijl genade doen vinden ook in de oogen van zijn tegenstanders, voor zooverre partijzucht hen niet geheel verblindde, de noodlottige afloop van den zeeslag, op 4 en 5 Augustus geleverd, bracht een tegenovergestelde uitwerking teweeg bij de menigte, die ook nu, als gewoonlijk, alleen naar den uitslag oordeelde. Aan de onkunde, aan het slecht beleid, aan het verraad zelfs van hen, die de vloot in zee gestuurd hadden, aan De Witt vooral, werd het geweten, zoo, deze reis, de Fortuin zich aan de zijde der vijanden geschaard had. „Wat baat nu,” riep men, en niet zonder schijn van grond, „de zoo hooggevierde alliantie met Frankrijk, welke De Witt met zooveel kracht heeft doorgedreven? Waar blijven de beloften van Lodewijk XIV, waar men zoo hoog van heeft opgegeven? De Fransche vloot, die zich met de onze vereenigen zou, verlaat de Portugeesche kust niet, en laat ons het werk alleen doen. Kan men, zonder de Fransche vloot, den vijand staan, dan behoeft men zoo laag niet voor Frankrijk te kruipen: en, heeft men die vloot noodig, dan is het overmoed, de onze alleen aan een ongelijken strijd te wagen.”   –  Nog sterker werd het ongenoegen der Prinsgezinden gaande, toen men vernam, hoe De Ruyter aan Tromp ten laste lei, van door zijn dolzinnig vervolgen van eenige voor hem vluchtende schepen, de schuld te zijn van de geleden neerlaag;   –  ja velen gingen    –  dwaas genoeg    –  zoover, om te beweren, dat het geheele terugtrekken van De Ruyter het gevolg was eener afspraak tusschen De Witt en hem, om daaruit aanleiding te kunnen nemen, aan Tromp een lak op te werpen, en reden te vinden, hem uit ’s lands dienst te doen ontslaan. Het is hier de plaats niet, de geschiedenis te geven van dien noodlottigen twist tusschen twee onzer grootste vlootvoogden; en ik heb dien elders reeds breedvoerig beschreven; doch ik moest daarvan gewag maken tot recht verstand der samenspraak, welke op den 14den Augustus, en alzoo ongeveer veertien dagen na den laatstgemelden zeeslag, gehouden werd tusschen ons jeugdig echtpaar, tot hetwelk ik, na deze korte beschouwing van den algemeenen staat van zaken, weer terugkeer.

„Ziezoo!” zeide Buat, die zooeven was thuis gekomen, tegen Elizabeth, die, in haar zorgstoel gedoken, hem een flauwen en treurigen welkomstgroet gegeven had: „hier is nu ten minste een stuk, dat op zijn pooten staat, en dat, naar ik mij vleie, aan alle lasteraars van den Heer Tromp den mond wel snoeren zal.”   –  En meteen klopte hij eenige reizen met de vlakke hand op een gedrukt papier, dat hij medegebracht had.

„Wat is dat?” vroeg Elizabeth, op dien toon van onverschilligheid, welke zij in de laatste maanden gewend had aan te nemen.

„Dat is het Waarachtig Verhaal,” zeide Buat, „van hetgeen door den Heer Tromp in den zeeslag verricht is, zooals het door Neef Kievit is beschreven.”

„En hoe weet Neef Kievit daar de bijzonderheden van?” vroeg zijn vrouw.

„Maar Betje! zijt gij het dan weder vergeten? Is niet de Heer Van Sommelsdijck op het schip van Tromp geweest? Heeft hij daar den zeeslag niet tot het einde toe bijgewoond? Heeft hij niet gezien, hoe Tromp het smaldeel van Smith aangegrepen en op de vlucht geslagen heeft, ja het vernield zou hebben, indien hij niet hadde begrepen terug te moeten keeren om hulp te bieden aan De Ruyter? Heeft hij niet verklaard, hoe, indien de voor- en middeltocht zich even kloek gekweten hadden als de achterhoede, wij vreugdevuren over een zege zouden ontsteken, in plaats van te treuren over een nederlaag? En heeft hij dat alles niet in ’t breede verteld aan Neef en Nicht Kievit, toen hij te Rotterdam bij hen is afgestapt?”

„Ja, ik herinner mij dit alles,” antwoordde Elizabeth, „en wat behelst nu dat papier?”

„Wel!” zeide Buat: „Nicht Kievit heeft de eer van haar broeder willen wreken, en zoo heeft zij, met behulp van haar man, of wel haar man met hare hulp, een verslag opgesteld van ’t geen zij uit den mond van den Heer Van Sommelsdijck vernomen hadden: en dat heeft zij voor hare kosten en die van de andere zusters van den Admiraal laten drukken:   –  en hier is het! Lees het eens, als gij niets beters te doen hebt.”

Elizabeth nam het vlugschrift, doorbladerde het met een houding van verstrooidheid en zeide vervolgens, zonder de oogen op te slaan:

„Daar is weer een pakket voor u uit Engeland gekomen, Buat! het ligt daar op het kastje bij den schoorsteen.”

„Inderdaad!” zeide Buat, terwijl hij het opnam en openbrak: „wel! het werd ook tijd, dat mijn vrienden weer iets van zich hooren lieten. Ik begon al te gelooven, dat het uit was met de correspondentie.”

„Ik wenschte wel, dat zulks het geval ware,” antwoordde Elizabeth, met een zucht: „daar komt op den duur nooit iets goeds van: en gij ziet nu toch wel, dat het met hun vredelievende betuigingen ook niet gemeend was.”

„Dat is nog de vraag,” hernam Buat: „wij zijn altijd blijven stuiten op dezelfde zwarigheid: zij willen niet dan buiten, en De Witt niet dan met Frankrijk onderhandelen.”

„Ja,” zeide Elizabeth, gemeljk: „en zoo zal er wel nooit een eind aan ’t haspelen komen. Inmiddels hebt gij er den last van, en speelt den quasi-onderhandelaar, en wordt van beide zijden nog uitgelachen toe, zonder dat gij er iets mede wint. Waar blijft nu die bevordering, die Mr. Jan u beloofd had? Ik zie er niets van komen: en ondertusschen verteren wij meer dan wij hebben, en als het op betalen zal aankomen, zullen wij niet weten, waar het geld vandaan te halen. Beproef het eens, tegen dien tijd een wisseltje te geven op Arlington; hij zal u zien komen.”

„Maar, lieve schat! hoe kunt gij nu zoo doordraven?” vroeg Buat, die intusschen was gaan zitten en de ontvangen brieven naar orde had gelegd: „ik heb immers, sedert den tijd, toen gij nog zoogoed waart mij in de correspondentie bij te staan    –  ’t geen gij in de laatste maanden niet meer hebt gedaan..., nu! ik wijt het u niet, het was uwe zwakte, die u zulks u belette, ik heb immers sedert dien tijd, wilde ik zeggen, mij bepaald bij het schrijven van hetgeen mij de Heer De Witt in de pen gaf, en er nooit iets bijgevoegd dan eenige onschuldige narichten over den staat van zaken hier te lande, en nu, het laatst, dat doodonzondige plannetje van Van der Horst: en ik kan het niet helpen, zoo Sylvius nu en dan al buldert en uitvaart. In al wat naar samenzwering smaakte, heb ik mij, indachtig aan uw wijzen raad, nooit willen steken: en krijg ik het eens zoover, dat de vredesonderhandelingen tot stand komen, dan zal men mijne diensten toch niet geheel vergeten. Maar zien wij nu eens, wat die Heeren schrijven:    –  Aha!” riep bij uit, den brief van Arlington doorloopende: „juist zooals ik dacht: het terugzenden van het lijk van Barclay heeft een goede uitwerking gehad in Engeland, en de gemoederen meer gestemd tot welwillendheid;    –  ofschoon    –  ja, die zinsnede was wel te verwachten   –  ofschoon de nu behaalde zegepraal de Britsche Regeering wel recht zou geven wat minder toegeeflijk in haar voorwaarden te zijn.    –  Hm ja!   –  en ziedaar nu eindelijk weder eens een brief van Sylvius.   –  Gij weet immers Elizabeth! dat hij een tochtje naar Oost-Friesland gedaan heeft?”

„Gij hebt mij gezegd, dat dit zijn voornemen was,” antwoordde Elizabeth.

„Voor zaken, naar hij schreef,” vervolgde Buat: „maar ik ben altijd maar bang, dat daar wat achterschuilt, en dat die reis in verband staat met het oude plan van Kievit, om een landing hier of daar aan onze Noordkust voor te bereiden, ten einde hier oproer te verwekken:   –  nu, ’t kan zijn, dat ik mij vergis. Zoo! hij komt in ’t schuitje van Van der Horst: althans hij raad aan, dat er een bezending geschiede, en wel hoe spoediger hoe beter; en geeft hoog op van de Engelsche scheepsmacht, die hoe langer hoe aanzienlijker wordt. ... ik geloof, met zijn verlof gezegd, dat hij dit uit zijn duim zuigt, en dat wij, in spijt van onze neerlaag, spoediger weer klaar zullen zijn om zee te kiezen dan de Britten   –  of ik ken Mr. Jan niet.   –  Maar wacht! nu komen wij aan de secreete correspondentie. Hier is de brief met het opschrift: „pour vous mesme.” Daar zal nu wel het fijne van de mis in staan.”

„Bah!” hervatte hij, na den brief doorloopen te hebben, en terwijl hij dien weder bij de andere deed: „’t is weer de oude zang: de Steden, die den Prins zijn toegedaan, moeten zich krachtiger toonen.... en dan wil hij nauwkeurige berichten aangaande den laatsten zeeslag.... ik geloof, dat ik hem dit pamflet van Kievit sturen zal.”

„Neen,” zeide Elizabeth, eenigszins vervaard: „geef hem vooral geen tijding van de verliezen, die wij geleden hebben: dat zou inderdaad kwalijk kunnen worden opgenomen.”

„Ziezoo!” zeide Buat, „hier is alweer stof om Mr. Jan wat vermaak te verschaffen: en hier,” vervolgde hij, een vierden brief opnemende, die nog gesloten was, „om Mademoiselle Van Beverweert te troosten.”

„Hoe!” riep Elizabeth, terwijl zij het hoofd plotseling verhief en de ooren opstak, als een paard, dat door een horzel gestoken wordt.

„Wat gebeurt u?” vroeg Buat, verbaasd opkijkende.

Beiden zagen elkander gedurende eenige oogenblikken aan. De fonkelende blikken van Elizabeth staarden op het gelaat van Buat, als wilden zij er doorheen boren om te lezen wat in het diepst van zijn hart verborgen mocht zijn, maar zij scheen het ijdele dier poging in te zien, en toen bedekte zij zich de oogen met de hand, als om hen te straffen, dat zij zich lieten bedriegen door dat gelaat, ’t welk niet anders uitdrukte dan nieuwsgierige verwondering met eenige bezorgdheid gemengd.

„Wat schort er aan?” vroeg eindelijk Buat: „gij kijkt mij aan of ik Blauwbaard ware.”

„Gij spraakt daar,” stamelde Elizabeth: „van Mademoiselle……

„Nu ja,” herhaalde Buat: „van Mademoiselle Van Beverweert: wat zou dat?”

„Maar ik begrijp niet. .. .” ging Elizabeth voort, terwijl haar tanden tegen elkander knapten en haar een duizeling door het hoofd liep.

„Wat begrijpt gij niet?” vroeg Buat: „mij dunkt, de zaak is duidelijk: dit is weer een brief van Arlington, voor Mademoiselle Van Beverweert, dien ik bezorgen moet, zooals ik er al een dozijn bezorgd heb.”

Elizabeth werd bleek als een doode; doch dit duurde niet langer dan een oogenblik: de kleur keerde sterker dan ooit op haar gelaat terug, en een straal van blijde hoop glinsterde in haar oogen. Zij scheen een wijl na te denken, en vroeg toen aan Buat, die haar met ongerustheid beschouwde:

„En dus die brief, dien gij door Florisz aan haar zondt....?

„Was een brief van Arlington,” antwoordde Buat, die nog niets begreep van den toestand van opgewondenheid, waarin zij verkeerde.

„En dien brief, dien zij u zoo geheimzinnig in handen speelde, op dien avond van dat feest bij de Princesse-Douairière....? vroeg zij, terwijl zij oprees en in afwachting van het antwoord over al haar leden beefde.

De schellen vielen opeens Buat van voor de oogen weg. „Ik hoop toch niet,” riep hij, terwijl hij in weerwil van zich zelven in een lach schoot, „dat gij dacht, dat het een biljet-doux aan mijn adres was.... ik was bij die gelegenheid ook al niet meer dan de getrouwe Merkuur, die……”

Maar Elizabeth liet hem niet uitspreken. Zij trad naar hem toe, strengelde de beide armen om zijn hals, drukte hem een innigen kus van liefde op den mond, liet toen het hoofd op zijn borst zinken en snikte luid.

„Maar bedaar toch, kindlief!” zeide Buat, haar een frisschen zoen op het bleeke voorhoofd gevende: „wat is dat toch voor een theatercoup?…… nu! ween toch niet, denk om den staat, waarin gij verkeert, en dat alle aandoeningen u schadelijk zijn.”

„O!” zeide Elizabeth: „die tranen zullen mij geen nadeel doen: het zijn tranen van vreugde en van geluk, zooals ik er nooit geschreid heb, zooals ik sedert maanden meende, nimmer te zullen schreien. O Henry! Henry! kunt gij mij vergeven?”

„Met alle liefde,” antwoordde Buat, „al ware het maar alleen omdat ik ook mij recht gelukkig gevoel van u weer eens Henry te hooren zeggen met uw oude stem. Maar kom! wees bedaard, en vertel mij nu eens, wat groot kwaad gij dan eigenlijk wel gedaan hebt,”

Bij deze woorden ging hij weer zitten, en trok haar bij zich op zijn schoot.

„Ja,” zeide zij, terwijl haar gelaat met een hevigen blos overdekt werd, „’t is zooals gij dacht: ik had mij in ’t hoofd gesteld, dat gij een geheime minnarij hadt met die Jonkvrouw... zie! het uitspreken van haar naam zou mij nog zeer doen.”

„Kom! gij zijt een zottinnetje,” zeide Buat, wederom lachende: „hoe hebt gij u zoo iets kunnen voorstellen?”

„O! lach niet, Buat!” smeekte Elizabeth, de handen vouwende: „wat ik u bidden mag, lach niet: die gedachte aan uw ontrouw heeft mij zooveel bittere tranen gekost. O! dat gij wist, wat ik sedert dien schrikkelijken negenden Maart geleden heb.”

„Arm kind!” zeide Buat, met een meewarig hoofdschudden: „en waarom niet een enkel woord gesproken? dan ware dat ongelukkige misverstand immers terstond opgehelderd geweest.”

„Och ja!” antwoordde Elizabeth: „dat had ik moeten doen: en honderden malen heb ik den wil gehad om het te doen, maar telkens hebben hoogmoed, gekrenkte eigenliefde, de vrees om de verwijdering tusschen ons nog grooter te maken, de hoop dat de vermeende liefdegloed van zelven voorbij, zou gaan, en een menigte andere beweegredenen mijn mond gesloten. En het is dat gedurig zelfbedwang, dat opkroppen van mijn leed, die mij ziek gemaakt, en mij ten grave zouden gesleept hebben, had een gezegend toeval thans de zaak niet opgehelderd.”

„Wel, ’t is een mirakel, dat die opheldering niet vroeger gekomen is,” zeide Buat: „maar ’t heeft zoo moeten wezen. Ja!   –   wanneer ik alles naga,   –  toen ik haar eersten brief aan Arlington insloot, had Stijntje u onderhanden: den volgenden heb ik ontvangen of verzonden terwijl gij te Breda waart en sedert uwe terugkomst alhier is dit de eerste reize, dat gij bij de ontvangst of bij de verzending van een pakket tegenwoordig zijt: gij laagt altijd te bed, of gij hadt hoofdpijn.... althans gij hebt mij, bijna zonder uitzondering, alleen met dat werk laten omspringen.”

„En daardoor, door mijn booze nukken, heb ik mij zelve van het genot beroofd om vroeger een einde te zien aan mijn verdriet,” zeide Elizabeth, terwijl haar teedere blikken nogmaals vergiffenis schenen in te roepen: „maar nog is het mij onbegrijpelijk,” vervolgde zij na een oogenblik stilte, „dat gij mij nooit iets verteld hebt van die commissie, waarmede gij belast waart.”

„Ja, dat begrijp ik zelf nauwelijks,” antwoordde Buat; „maar ik heb u in de eerste maanden zoo weinig gezien, en later was er zoo weinig vertrouwelijkheid tusschen ons beiden, dat ik er nooit aan gedacht heb, opzettelijk melding te maken van iets, dat mij in den grond weinig belangstelling inboezemde: doch nu weet gij het, en nu keert de oude vertrouwelijkheid terug, nietwaar?”

„Voor altijd!” riep Elizabeth, hem nogmaals aan haar hart drukkende.

„Oranje-boven!” riep Buat, „maar nu moet gij op uwe beurt mij ook iets vergeven.”

„En dat is, lieve Henry?”

„Ik heb u evenzeer miskend, als gij mij,” vervolgde Buat: „ik kon niet raden, dat er een schoone Isabella als een dreigend spook tusschen ons stond, en zoo heb ik nu…hoe zal ik het zeggen ....uw....”

„Ja, zeg maar vrij, uwe kuren,” viel hem Elizabeth met een glimlach in de rede.

„Neen, dat meen ik niet,” hernam Buat: „uw zwaarmoedigheid, wilde ik zeggen, heb ik toegeschreven aan verdriet, dat gij u moet bekrimpen, aan wereldschgezindheid, ja, de hemel weet waaraan meer. Ik ben zelfs zooverre gegaan van er aan te twijfelen, of gij mij wel ooit hebt liefgehad, en of gij mij niet alleen genomen hadt om als getrouwde vrouw in de wereld en aan ’t Hof te kunnen verschijnen.”

„Gij hebt aan mijn liefde getwijfeld, Henry!” zeide Elizabeth: „terwijl het alleen die liefde was, die mij zoo diep het vermeend gemis van de uwe deed betreuren.”

„Ja! wat wilt gij,” vroeg Buat: „ik wist niet, hoe ik het met u had, en, bij gemis van de ware oorzaak uwer kwelling te vinden, moest ik wel een valsche zoeken.    –  Maar nu vergeeft gij mij, nietwaar?”

„Henry!” kreet zij, hem nogmaals met teederheid omhelzende. „Best!” zeide hij, zich een traan uit het oog wrijvende: „dan is het ten tweeden male Oranje-boven. En nu spreken wij van onze wederzijdsche kwelling niet meer, dan om er hartelijk mede te lachen: en wij maken voortaan geen moordkuil meer van ons hart, maar vertellen elkarider rondborstig en vrij wat er in schuilt, nietwaar? en wij slijten vroolijke dagen samen, en betalen onze crediteuren.... als wij kunnen.”

„En gaan desnoods te Bergen-op-Zoom wonen, als het ons hier te duur is,” zeide Elizabeth, tusschen hare tranen in lachende.

„Wat,” riep Buat: „gij zoudt naar Bergen-op-Zoom willen gaan? Gij, afstand doen van het leven in Den Haag?”

„Och!” antwoordde Elizabeth: „de ziekte en het nadenken hebben mij veranderd: ik heb leeren inzien, hoe ijdel ik te voren was..., en ik ben nu zoo gelukkig! zoo ik maar met u ben, en zeker van uwe liefde; wat gaat het mij aan, waar ik ben, al ware ’t bij de Samojeden.”

„Nu! nu!” zeide Buat: „geen overijlde besluiten, Betje-lief! en zoover is het nog niet met ons gekomen, of met wat overleg zullen wij ons er wel doorheenslaan: wel! gij zoudt u te Bergen-op-Zoom doodelijk vervelen.”

„Dat zou ik niet,” zeide Elizabeth, „als ik er met u en ons kind ware.”

„Dat zoudt gij al,” zeide Buat: en zoo werd de strijd tusschen de beide echtgenooten, deels schertsend, deels ernstig, een geruimen tijd voortgezet, om zich eindelijk in vernieuwde omhelzingen op te lossen. Toch kon men niet nalaten nogmaals terug te komen op het onderwerp, waarover men gezegd had, voortaan te zullen zwijgen: al wat elk van zijn kant gedacht en geleden had, werd weder opgehaald:   –  elk verweet zich zelven opnieuw, dat hij den anderen miskend had: en telken reize werd die vriendelijke twist op dezelfde wijze besloten: ja ’t is niet te zeggen, hoe lang dit onderhoud, waarbij zich beiden zoo gelukkig gevoelden, nog geduurd zou hebben, had niet het slaan der huisklok, beneden, hen uit hun zoete bedwelming gewekt.

„Te drommel!” riep Buat: „het is drie uren: ’t is meer dan tijd, dat ik naar Mr. Jan ga, zoo ik hem anders vinden wil; want ik weet, dat hij vandaag besognes heeft niet de Brandenburgsche Heeren.”

„Nu, ga dan,” zeide Elizabeth, „zoo gij gaan moet: en, weet gij, wat gij vervolgens doen moest?”

„Welnu?”

„Eens even bij Moeder aanloopen, en hooren hoe zij het maakt. Zij is zwaar verkouden.... en bovendien.... gij zijt in lang niet bij haar geweest.”

Buat trok even een scheef gezicht: maar ’t was terstond over: „ik zal het doen,” zeide hij: „ik ben nu in een stemming om alles, zelfs de meest vervelende dingen, te doen!”

„Foei!” zeide Elizabeth, den vinger bestraffend opheffende: „maar zie nu eens, loshoofd! gij zoudt de brieven nog wel vergeten.”

„Dat is waar ook,” antwoordde Buat, het pakket bij zich stekende: „dan belast gij u met de bezorging van dien brief aan Mademoiselle. Dat zal uwe straf zijn.”

„Goed!” zeide zij: „als het zulk schoon weer blijft, zal ik zelve hem gaan bezorgen.”

Buat verwijderde zich. Reeds was hij de kamer uit, toen zijn hoofd zich nogmaals om ’t hoekje vertoonde.

„Wat zal ik uwe moeder van uwentwege zeggen?” riep hij.

„Dat ik gezond en gelukkig ben,” antwoordde zij vrooljk.

En nogmaals kwamen zij naar elkander toe en gaven elkander een teederen afscheidskus.

Ja   –  het was een afscheidskus, want het was de laatste dien zij bestemd waren elkaar te geven.


[Jacob van Lennep pagina] – [23e hoofdstuk] – [25e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.