MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

HETWELK HANDELT VAN DE ONTDEKKING, DOOR DE WITT EN VAN ESPENBLAD GEDAAN.


De Raadpensionaris zat alleen in zijn kabinet op het Binnenhof. Hij was zooeven teruggekeerd van een korte samenkomst met de Brandenburgsche Gezanten, ten einde het ceremonieel te regelen hunner ontvangst bij Hun Hoog-Mogenden: en het eerste Werk, waarmede hij zich bezighield in afwachting van de klok van vijven, wanneer hij op de Avond-Vergadering van Gecommitteerde Raden verwacht werd, was het doorloopen van eenige papieren en brieven, wier lezing hij tot dien tijd had moeten uitstellen. Daaronder bevonden zich ook de brieven van Arlington en Sylvius: hij had die van Buat ontvangen op het oogenblik, dat hij zich gereedmaakte om uit te gaan, en ze alzoo dadelijk bij zich gestoken zonder ze in te zien. Nog was hij niet lang bezig, toen Van Espenblad werd aangediend en binnengelaten.

„Ik verzoek vergiffenis, zoo ik u stoor,” zeide deze: „maar ik wilde u vragen, of gij dit blad reeds hebt ingezien.”   –  En meteen hield hij hem het gedrukte opstel van Kievit voor.

„Hoe!” riep De Witt, nadat hij een oog op het vlugschrift geworpen had: „weder over de zaak van Tromp! ik had mij, toen ik in Zeeland was, nog gevleid, dat alles tusschen hem en den Heer De Ruyter in ’t effen ware; maar een stuk als dit is juist geschikt om alles opnieuw in de war te sturen. En vermoedt men, wie de schrijver is?”

„Hm!” antwoordde Van Espenblad, meesmuilende: „die zal wel niet ver te zoeken zijn, en naar alle gedachten wel onder de naaste bloed- of aanverwanten schuilen.”

„Ziedaar een lastige zaak,” zeide De Witt: „het zou mij inderdaad grieven, zoo de Staat een dapper Zee-Overste als de Heer Tromp moest missen; maar het gezag en de eer van den Heer De Ruyter, als tegenwoordigen Generaal van de vloot, mogen niet gekrenkt worden;   –  Tromp moet met geen klachten meer aankomen, of ik zal hem voor de Generaliteit doen ontbieden om rekenschap te geven van zijn gedrag. Kunt gij dat libel missen?”

„Met genoegen,” antwoordde Van Espenblad: „zoo ik er prijs op stelde, zou ik er mij spoedig een ander kunnen aanschaffen. Zulke schotschriften zijn als het onkruid, dat altijd welig opschiet.   –  Maar hoe is het? heeft UEd. hoop, dat de vloot spoedig weer in gereedheid zal wezen?”

„Die heb ik,” antwoordde De Witt: „volgens de jongste adviezen van Heeren Gedeputeerden, zal zij, binnen veertien dagen, tachtig schepen van oorlog sterk, nevens vierentwintig branders, eenige adviesjachten en ander klein vaartuig, weder in zee kunnen gebracht worden.”

„Dat zal,” zeide Van Espenblad, „een leelijke misrekening zijn voor de Engelschen, die ons vast al geheel verslagen en moedeloos wanen.”

„Zoo doen zij,” hernam De Witt: „hier is een brief van den Resident Davidson, die onlangs van hier naar Londen vertrokken is: een kostelijk stuk, en dat mij hedenmiddag in handen is gekomen: het is merkwaardig om te lezen, hoe doodeenvoudig en naakt de schrijver daarin het plan blootlegt van het Engelsche kabinet, om namelijk dezen Staat van de Fransche Alliantie af te trekken. Tot nog toe werd daar slechts bedektelijk aan getornd; maar sedert men ziet, dat de Fransche vloot niet te voorschijn komt, licht men het masker af, en hoopt, dat Hun Hoog-Mogenden, uit spijt over het achterblijven van den beloofden bijstand, het oor zullen leenen tot afzonderlijke verdragen. Zie, ik wil wedden, dat de Heeren Bennet en Sylvius, wier brieven mij de Heer Buat gebracht heeft, uit denzelfden toon zingen.... maar wat zie ik?”   –  hier was zijn oog, bij het opnemen dier brieven, gevallen op een der opschriften, ’t welk alleen luidde: „pour vous mesme.”

Buat had, in zijn vreugd over het herstel der vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn vrouw, geheel vergeten, dien alleen aan hem gerichten brief uit het pakket te nemen, voor hij dit aan De Witt bracht.

„Wat is er?” vroeg Van Espenblad, zijn stoel naderbijschuivende.

„Dien brief had ik niet moeten hebben,” zeide De Witt, half aarzelende of hij hem al dan niet zou openen.

„Redenen te meer om hem te lezen,” merkte Van Espenblad aan: „wat niet voor uw oog bestemd was, zal zeker belangrijker zijn dan wat men u wel wil mededeelen.”

„Ik beken u gulweg,” hernam De Witt, „dat het denkbeeld mij stuit, om op deze wijze misbruik van iemands goed vertrouwen te maken, en in zijn geheimen te dringen.”

Het hart van Van Espenblad begon van angst te popelen bij de gedachte, dat een brief, waaruit naar zijn stellige overtuiging, een aanklacht tegen Buat te halen ware, door De Witt ongelezen zou worden teruggegeven.

„Ik begrijp uwe gemoedsbezwaren,” zeide hij: „en ik zou die billijken, indien ik veronderstellen kon, dat het de bijzondere belangen van de Heeren Sylvius of Buat waren, die het onderwerp uitmaakten van dit geschrijf: of indien gij het alleen lezen wildet om aan een ongepaste nieuwsgierigheid te voldoen. Maar noch het een nog het ander is hier het geval. Wij weten genoeg, dat die beide Heeren over politieke zaken correspondeeren: het opschrift zelf: pour vous mesme, geeft te kennen dat die brief geheimen bevat en niet over gewone onderwerpen loopt: en nu vraag ik u, of het niet uw plicht is als Staatsdienaar, u te verzekeren, dat daarin niets vermeld is, ’t welk voor de rust en de veiligheid van ’t land gevaarlijk zou kunnen wezen?”

De Witt, met het hoofd in de hand en den elleboog op de tafel steunende, bleef de oogen strak gevestigd houden op den brief en in diep gepeins verzonken. Hij was echter nog niet geheel overtuigd.

„Van Espenblad!” zeide hij, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben: „ik geloof, dat ik best zal doen, dit blad eenvoudig aan Buat terug te geven. Een van beide: òf het behelst niets belangrijks, en dan zou het mij naderhand berouwen, het gelezen te hebben, òf er steekt kwaad in, en dan zal Buat, in den waan verkeerende, dat ik het stuk gelezen heb, wel door de ben vallen, of althans afzien van de plannen, die hij misschien koesterde, in de overtuiging dat die mij bekend en dat alzoo de noodige maatregelen zijn genomen, om die te verijdelen.”

„Hoe!” zeide Van Espenblad, met een boozen glimlach: „ik stel nu, dat er in den brief stond: „De Bisschop van Munster is aangezet om den oorlog te hernieuwen en zal eerstdaags in het land vallen ;” of wel: „er is besloten een landing aan Den Helder te beproeven,”   –  of iets dergelijks: zoudt gij u dan niet, door toe te geven aan een ijdel gemoedsbezwaar, later te wijten hebben, dat gij niet de noodige middelen hadt kunnen beramen, om het kwaad te voorkomen?    –  Nog eens, gij moogt niet nalaten, dien brief te lezen: het geldt hier geen gewone correspondentie: het geldt een correspondentie, in ’t geheim gevoerd tusschen een onderdaan van den Staat en een onderdaan van Karel II, onzen vijand. Zulke correspondentie is strafbaar uit haren aard: en het volkenrecht gedoogt niet alleen, maar gelast zelfs, dat zij onderzocht en gestraft worde.”

De laatste grond, dien gij aanvoert, is volkomen juist, en voor mij beslissend,” zeide De Witt: „zien wij dan, wat de brief behelst.”

En meteen begon hij, overluid, den brief te lezen, waarvan de inhoud, uit het Fransch overgezet, was als volgt:

„Waarde Vriend!

„Ik oordeel verplicht te zijn, u rekenschap van mijn lang stilzwijgen te geven, alzoo ik uit uwen brief bespeur, dat gij in groote verlegenheid zijt, en met veel ongeduld naar tijding van mij uitziet, ’t welk gij voornamelijk door uw laatsten aan My Lord hebt te kennen gegeven: ik neem dus de eerste gelegenheid waar om u te berichten, hoeveel moeite ik gehad heb om over te komen, en hoe ik genoodzaakt geweest ben een grooten omweg over ’t Noorden te nemen; maar eindelijk ben ik hier, omtrent veertien dagen geleden, gelukkig aangekomen; maar ’t was ten tijde, dat men al onze havens gesloten hield: ’t geen men altoos doet, wanneer een gevecht ophanden is. Vandaar, dat ik u niet heb kunnen schrijven. Ik heb ondertusschen niet nagelaten zeer in ’t breede voor te stellen, wat gij mij geschreven hebt, ’t geen hier zeer naar den smaak is geweest; maar naardien uwe vloot sedert uitgeloopen is, ja dat er zelfs een gevecht is geweest, waarvan wij den uitslag komen te verstaan, die voor ons vrij voordeelig is, zoo heeft men niet goedgevonden, het model van den brief, dat gij mij gegeven hadt, te volgen; alzoo die in de bestaande omstandigheden ontijdig zoude zijn. Maar aangaande ’t oogmerk en het doel, ’t welk de vrienden zich voorstellen, om de zaken zoo aan te leggen, dat men een bezending naar herwaarts doe, ziedaar wat men hier algemeen goedkeurt: en gij moogt nu op dien voet arbeiden: ja ik verzeker u, dat men al de openingen welke men betreffende dit onderwerp zal doen, zal aannemen; aangezien ik van goederhand wete, dat, niettegenstaande deze laatste victorie, de Koning volhardt bij zijn genegenheid tot den vrede, zoodat de vrienden hun maatregelen daarnaar kunnen nemen, zonder te vreezen, dat men aan dezen kant van meening zal veranderen. Doch ik moet u ook zeggen, dat, om beter te slagen, het noodig zou zijn, dat de u bekende Steden, die tot een goeden vrede geneigd zijn, zich te zamen op dit punt nauw verbonden en onderling een vast besluit namen, waarop men als op vasten grond kon bouwen: in welk geval ik u de verzekering zou durven geven, dat men van deze zijde, zoodra men op iets meer bepaalds kan afgaan, zich duidelijker zal uitlaten en alsdan in een nauwer correspondentie treden: en men zal onder de hand alle middelen bijbrengen, welke men zou kunnen wenschen om tot een goede schikking te geraken en de u bekende intrige af te breken. Indien gij oordeelt, dat er gelegenheid bestaat, om op. deze wijze iets wezenlijks voor te bereiden, gij hebt daar maar in te arbeiden en mij te berichten welke vorderingen gij daarin gedaan hebt: en ik beloof u, dat de zaak geheim zal blijven, niet twijfelende, of wij zullen haar door dat middel tot een gewenscht einde brengen. Ik geloof zelfs, dat het voordeel, ’t welk wij in dit laatste gevecht hebben behaald, daartoe iets zal bijbrengen, alzoo de partij van de vrienden en van hen, die de vrede begeeren, daardoor zal aangroeien. Ik verzoek u, mij in ’t bijzonder te willen berichten, of het niet eenige verandering in den Staat heeft teweeggebracht, en mij ’t waar verlies, ’t welk gijlieden geleden hebt, te melden: alzoo men ’t ongetwijfeld zooveel doenlijk verbloemen zal, om ’t volk te verblinden. Wij hebben niet meer dan één schip verloren, aan ’t welk Tromp. zeer behendig een brander heeft vastgeklampt, en omtrent 4 à 500 man, zoo dood als gekwetst. Wij hadden twee van ulieder schepen genomen, die wij daarna verbrand hebben, en Banckert, die ze aanvoerde, is het gelukkig ontkomen. Wij hebben 5- à 600 gevangenen: men heeft ook eenige van ulieder schepen zien springen, en, zoo men gelooft, zal er veel schade geleden zijn. Ik bid u, onderzoek daarnaar te willen doen en mij zulks te berichten, en mij voor altoos te gelooven.

Uw Dv. Vriend,

Sylvius.”

Het was voor een fijnen gelaatskenner der moeite wel waardig geweest, de wezenstrekken van Van Espenblad, gedurende het luisteren naar dezen brief, gade te slaan en zijn innerlijke gewaarwordingen daaruit na te vorschen. Zijn oogen, Onophoudelijk op De Witt gevestigd, schenen voortdurend nauwelijks van iets anders dan van sterk gespannen aandacht te getuigen: ook het voorhoofd bleef ongekrenkt en effen: alleen de welgevormde mond verraadde, door een schier onmerkbaar naar-binnen-krullen van de onderlip of door een vluchtig lachje, de spijt of de blijdschap, beurtelings in de ziel gerezen. Eindelijk, toen de lezing was afgeloopen, scheen het gehoorde op het gelaat van Van Espenblad een uitdrukking van teleurstelling achter te laten, als had hij iets meer verwacht; maar die uitdrukking duurde ook niet langer dan een oogenblik: de blik verhelderde, al de spieren van het gelaat ontspanden zich, de gewone, vriendelijke, levenslustige lach keerde op den mond terug, en luid klapte hij met de knokkels der rechterhand op de snuifdoos, welke hij, zoolang de lezing duurde, in de linker gehouden, en   –  uit vreeze van een woord te missen   –  niet eenmaal geopend had. Hij stelde zich thans voor die lange ontbering schadeloos, bracht een ruime hoeveelheid snuif naar den neus, en vroeg vervolgens aan De Witt:

„Welnu! was mijn raad verkeerd? en was het al of niet van belang, kennis te nemen van dit geschrijf?”

„Hm!” antwoordde de Raadpensionaris: „ik zie niet dat de Staat er veel bij gewonnen of verloren zou hebben, al hadden wij dien zotteklap van Monsieur Sylvius ongelezen gelaten. Die brief behelst niets dan ’t geen wij lang wisten, dat namelijk Koning Karel de vrede begeert   –  maar op zoodanige voorwaarden als hij zelf stellen zal;   –  dat velen hier dien insgelijks verlangen, en dat men dien hoopt te bereiken door een Bezending. Dat is iets, wat hier luid op de daken verkondigd wordt, en niet later dan hedenmorgen is de Heer Van der Horst mij nog het hoofd warm komen praten over de noodzakelijkheid van een Gezantschap naar Londen, saamgesteld uit lieden van onderscheiden kleur.”

„En waarvan hij er een zou moeten wezen, nietwaar?” vroeg Van Espenblad, glimlachende.

„Waarschijnlijk,” antwoordde De Witt.

„Wat de lieden zich niet al inbeelden,” zeide Van Espenblad.

„Er zijn er meer, die zich tot zoo iets geschikt achten,” merkte De Witt droogjes aan.

„Zulke kuren moeten hem afgeleerd worden,” zeide Van Espenblad, zonder den steek te willen voelen: „maar, om tot den brief van Sylvius terug te komen, hij moge dan al weinig nieuws behelzen, gij zult mij toch, geloof ik, toestemmen, dat hij werkelijk het bestaan bewijst van een geheime correspondentie, die gevaarlijk kon worden voor den Staat, zoo zij het niet alreede geweest is. Let eens,”   –  en hier nam hij den brief op   –  let, bid ik u, op uitdrukkingen als deze: „de Steden, die tot een goeden vrede geneigd zijn, moesten zich nauwer verbinden.” Zoo hier geen aanzetting tot samenspanning bestaat, dan versta ik de kracht der woorden niet meer.    –  En voorts: „men zal zich duidelijker uitlaten,” het mooie moet dus nog komen:   –   „men wil ons, en die eenstemmig met ons denken, wegjagen om anderen in onze plaats te stellen:   –  Voortreffelijk!”

.,De brief is zeker van bedenkelijken inhoud,” zeide De Witt, peinzende.

„En kan op het spoor brengen van andere, wier inhoud misschien nog bedenkelijker is,” voegde Van Espenblad er bij: „de Heer De Witt weet beter dan ik, wat er te doen staat; maar zou het geen zaak wezen, terstond een huiszoeking bij Buat te doen bewerkstelligen? Ik ben overtuigd, dat wij daar meer zullen vinden.”

„Gij weet, dat ik niet bij machte ben, daartoe den vereischten last te geven,” zeide De Witt: „dit kan alleen geschieden door het Hof of door de Heeren Staten.”

„Dat is zoo,” hernam Van Espenblad, „maar ik weet ook, dat ingeval van urgentie, gelijk hier bestaat, en nu men zoo spoedig, noch het Hof, noch de Staten-Vergadering kan bijeenkrijgen, Gecommitteerde Raden bevoegd zijn om zoo danigen last te geven; althans wat mij betreft, ik geef er terstond mijne stem toe.”

„Gij denkt dus,” zeide De Witt, „dat het zaak is, dezen brief aan Gecommitteerde Raden te vertoonen?”

„Ik denk niet alleen, dat het zaak is,” antwoordde Van Espenblad: „maar ook dat het plicht is.”

Ik besef er de noodzakelijkheid van,” hernam De Witt, zuchtende: „en toch had ik gaarne mij eerst nog eens met Buat onderhouden Ik mocht hem wel lijden: hij was een wildzang, en ongeschikt om in zaken gebruikt te worden; maar hij had iets ronds en ridderlijks in zijn aard, dat mij wel beviel.”

Fraaie rond- en ridderlijkheid,” zeide Van Espenblad, „zich met dergelijke knoeierijen op te houden!”

„Gij hebt iets tegen hem, Van Espenblad!” zeide De Witt, hem strak aanziende: „toch geen persoonlijke veete, zoo ik hoop?”

„Wat zou ik tegen hem hebben?” vroeg Van Espenblad, de schouders ophalende: „integendeel, ik heb altijd best met hem overweg gekend; hij was een goed speler, een vroolijke borst, een zieltje-zonder-zorg;   –  maar het blijkt van achteren, dat er meer achter hem schuilde dan ik vermoed had.”

„Ik geloof dat hij meer uit loszinnigheid dan uit booze inzichten gehandeld heeft,” hervatte De Witt: „en daarom had ik wel gewenscht, hem ernstig zijn verkeerdheden onder het oog te brengen, en hem, zoo mogelijk, het rechte pad weder op te voeren.   –  Want, is die brief eens aan Gecommitteerde Raden overgeleverd, dan moet het recht zijn gang gaan.”

„Het recht moet altijd zijn gang gaan,” zeide Van Espenblad: „en zonder aanzien des persoons:   –  dat is mijn stelregel.”

De Witt hoorde deze verklaring van beginselen zwijgend aan: het was aan hem zichtbaar, dat een gedachte van hooger gewicht zijn geest bezig hield: zijn trekken hadden een uitdrukking van diepe zwaarmoedigheid aangenomen, en nogmaals loosde hij een pijnlijken zucht. Doch die zucht scheen een laatste teeken van menschelijke zwakheid en tevens de getuigenis eener behaalde overwinning op zichzelven. Zijn gelaat had op eenmaal zijn gewone uitdrukking van kalme vastberadenheid hernomen, en, den brief van Sylvius met het vlugschrift over Tromp voegende bij eenige andere papieren, voor de Vergadering bestemd, nam hij eenige andere nog onafgedane stukken op, en maakte zich gereed er zijn geheele aandacht aan te schenken.

„Ik zie, gij hebt nog niet afgedaan met uw werk,” zeide Van Espenblad: „en ik zal u niet langer ophouden. Maar,” vervolgde hij, na op zijn uurwerk gezien te hebben: „het wordt langzamerhand tijd. Ik hoop, dat wij niet lang van uw bijzijn verstoken zullen blijven.”

„Ik heb nog een paar stukken te doorloopen,” antwoordde De Witt: „en dan zult gij mij zien.”

„Derhalve, sans adieu,” zeide Van Espenblad, terwijl hij groette en zich verwijderde.


[Jacob van Lennep pagina] – [24e hoofdstuk] – [26e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.