MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE KLEINE JORIS EN DE RAADPENSIONARIS ZICH BEIDEN DOEN GELDEN.


Het is een opmerking, die, hoe oudbakken en versleten zij ook zijn moge, nimmer genoeg herhaald kan worden: dat omstandigheden, op zich zelven onbeduidend en in schijn niemands aandacht waardig, meermalen den gewichtigsten invloed kunnen uitoefenen op het lot van een mensch. Ook nu werd die opmerking wederom bewaarheid. Ware de gang, die het kantoor van den Raadpensionaris scheidde van de zaal, waar Gecommitteerde Raden hun Vergadering hielden, maar iets korter, of wel, ware de tred van Van Espenblad, toen hij zich peinzende van de eene kamer naar de andere begaf, maar iets vlugger geweest, de geschiedenis van ons Vaderland had wellicht een bloedige bladzijde minder geteld. Reeds was Van Espenblad aan het einde van het portaal gekomen en had de hand aan de kruk van de deur, waar hij voor stond, toen hij achter zich iemand met drift de trap hoorde opkomen. Hij keek om, en herkende Buat, die, met een driftigen stap en een verwilderd uitzicht, zonder te bespeuren, dat iemand hem op een afstand gadesloeg, het kantoor van den Raadpensionaris binnenliep.

„Bah!” zeide Van Espenblad bij zich zelven, terwijl een glans van genoegen zich op zijn gelaat verspreidde: „het wild komt van Zelf in de strikken des jagers.”

„Maar,” vervolgde hij, zich bedenkende, en terwijl een wolk zijn voorhoofd bedekte: „De Witt toonde zulk een medelijden met hem:   –  indien hij hem eens den raad gaf, te vluchten.” En, in den schrik, welke deze onderstelling bij hem teweegbracht, liet hij de aangevatte kruk weder los.

„Doch neen!” ging hij voort, na een wijl te hebben nagedacht: „dat zou hij niet durven doen..., maar een wenk -ja, een wenk zou hij hem kunnen geven:     –  en, in allen gevalle, ook zonder wenk zou Buat kunnen begrijpen, dat Den Haag niet langer hem een veilig verblijf oplevert. -. En dat moet niet:    –  daar zou ik mijn rekening niet bij vinden. Maar, hoe hem de vlucht belet? Er verloopt nog een halfuur, op zijn minst gerekend, eer de fleeren tot een besluit gekomen zijn, en in een halfuur kan er veel gebeuren.”

Hier nam hij een snuifje, in de hoop dat het geurige poeder hem een gelukkige ingeving zou verschaffen.

„Ik moet volstrekt iemand vinden, die hem bezig houdt totdat de last gegeven is hem in arrest te nemen . . . . of die hem althans niet uit het oog verliest.”

En, vervuld van deze gedachte, ging hij de trap weder af. In de deur, welke naar ’t Binnenhof geleidde, ontmoette hij zijn Ambtgenoot Bosveldt.

„Hoe!” zeide deze: „gij gaat den verkeerden weg op, Collega!”

„Ik heb iets thuis vergeten en ben dadeljk weder bij u,” antwoordde Van Espenblad.

„Nu, laat ons niet lang wachten,” zeide Bosveldt, terwijl hij binnenging.

„Ik wou dat gij in Haarlem thuis zat,” mompelde Van Espenblad, hem naoogende: „en krom getrokken van de jicht. Dat is er ook alweer een van de zoodanigen, die liever onder Engeland stonden, dan onder De Witt! en, indien al onze collega’s dachten gelijk hij, dan had Buat meer kans een burgerkroon te bekomen dan een plaats op de Voorpoort. -Maar hoe drommel! vind ik nu een middel, om onzen maat het vluchten te beletten. Ha!   –  ik weet reeds iemand, die mij helpen kan.”

Hij had juist den kleinen Joris ontdekt, die met eenige zijner kameraden zich in een hoek van ’t Binnenhof met knikkeren vermaakte. Een wenk van Van Espenblad bracht den knaap aan zijn zijde.

„Hoor eens,” vroeg hij: „wilt gij een paar schellingen verdienen?”

„Is er weir een Heir die naar Scheivelingen gebracht moet worden?” vroeg Joris, met een ondeugenden blik.

„Neen,” antwoordde Van Espenblad, lachende, „zoover behoeft gij niet te gaan. . . . en toch, ’t zou kunnen wezen. Doch luister! gij kent den Ritmeester Buat?”

„Of ik hem ken!” zeide Joris: „en watten goed Heir ook, die me altijd wat geeft met korremis en nuwe jair, als ik er rnair niet om vraig, en ook wel ’n kommetje hiete melk, als ik er ’n boodschap doe. . . . watten best Heir.”

Die groote ingenomenheid met Buat stond Van Espenblad maar half aan; dan hij was nu te ver gegaan om terug te keeren.

„Hoor eens,” zeide hij, een ernstig gezicht zettende: „dat is nu alles goed en wel.   –  Maar ik moet u vooraf vragen, of gij de boodschap, die ik u geven zal, zult kunnen volbrengen, zonder er iemand over te spreken?”

„Zonder er iemand over te spreiken!” herhaalde de knaap: „wel wat zei ik babbelen van de boodschappen die ik krijg? en wat gain ze mijn ook verder an, as ik er mair voor betaald word.” En meteen zag hij Van Espenblad met het onnoozelste gezicht van de wereld aan.

„Zoo wil ik u juist hebben,” zeide Van Espenblad, die, hoezeer door lange oefening volleerd in de kunst van te veinzen, zich toch argeloos zou hebben laten verschalken door een kleinen dreumis, die met dezelfde kunst geboren was: „nu, de Heer Buat zal zoometeen gindsche deur uitkomen: en nu verlang ik niets anders van u, dan dat gij hem ongemerkt volgt, en mij over een halfuur komt vertellen, waar hij zich bevindt.”

„Mair, dan kan hij in den tusschentijd, dat ik hier kom, Wel iewers anders zijn hein’eloopen,” zeide Joris.

„Gij hebt gelijk, knaap,” zeide Van Espenblad, getroffen door de juistheid dier opmerking: „maar dan weet ik er wat anders op.   –  Gij neemt uw makkers mede: zooras de Heer Buat ergens ingaat, zendt gij er een hier naar toe met de boodschap, waar hij zich bevindt; en blijft zelf met de overigen in de buurt opletten, of hij zich ook verwijdert: is dat het geval, dan volgt gij hem weer, tot hij weer ergens ingaat, en zendt dan een tweede boodschap, en zoo vervolgens: verstaat gij?”

„Al begrijpen,” antwoordde Joris: „mair die andere jongens zeilen de boodschap toch ook niet voor niks doen, en dus zal Menheir mij wel meir als twee schellingen geiven, nietwair?”

„Twee schellingen den man,” antwoordde Van Espenblad: „mits gij goed oppast, niet babbelt, en zorgt, dat men u niet bemerke.”

„Lait dat an mijn over, Menheir!” zeide Joris: „en wair zal ik Menheir vinden?”

„Hier,” antwoordde Van Espenblad: „in de Vergadering van Gecommitteerde Raden: gij hebt slechts aan den Bode de plaats, of het huis te noemen, waar de Ritmeester binnen is gegaan en mij die te laten weten.”

„Bestig!” zeide Joris. „Maar,” vervolgde hij, Van Espenblad, die heen wilde gaan, bij een slip van zijn kleed terughoudende: „indien de Ritmeister, in plaats van ergens in te gain, ereis in zijn kop kreigt om de stad uit te gain, b. v. naar Scheivelingen, of ’t Bosch in?”

„Gij zijt een schalk, die goed uw fortuin zult maken,” zeide Van Espenblad, den guit met welgevallen beschouwende: „in dat geval stuurt gij mij er evenzeer tijding van, en dat wel op een draf, verstaat gij?”

Joris kneep de oogen dicht, en knikte toestemmend; waarna hij, zoodra hij Van Espenblad weder naar binnen had zien gaan, met een paar sprongen naar zijn speelkarnuiten liep, aan wie hij nu, met al het gewicht van een veldoverste, zijn bevelen uitdrukte met betrekking tot de onderneming, die zij te volvoeren hadden. Slechts weinige oogenblikken duurde het, of zij zagen Buat weder voor den dag komen, die, bleek en ontdaan, den weg naar het Buitenhof insloeg. Wij zullen straks tot hem terugkeeren, en inmiddels gaan zien wat er voorviel in de Vergadering van Gecommitteerde Raden.

Men zal het mij niet euvel duiden, dat ik hier een woord over dat college tusschen voege. De regeeringsvorm van die dagen was zoo geheel verschillend van dien, waaronder wij thans leven, dat sommige onder mijn lezers, tot recht begrip van mijn verhaal, daarvan misschien wel iets naders zullen willen weten.

Ik heb in een vroeger Hoofdstuk de Gecommitteerde Raden met onze Gedeputeerde Staten vergeleken. In zooverre stonden beide colleges gelijk, dat beiden ingesteld werden om de loopende zaken af te doen; doch voor ’t overige bestond tusschen beiden hetzelfde verschil, dat tusschen de Staten-Provinciaal van die eeuw en de Provinciale Staten van onze dagen bestond. Deze laatsten, door de kiesdistricten eener geheele Provincie gekozen, zijn niet veel meer dan een lichaam van bestuur, en bezitten niet dan een beperkte macht: de Staten-Provinciaal onder de Republiek daarentegen, alleen samengesteld uit de Afgevaardigden der stemhebbende Steden, oefenden een gezag en oppermacht uit, grooter, en op eigen grondgebied meer absoluut, dan die van de meeste soevereinen. Ja, dat gezag werd, in Holland althans, en vooral ten tijde van De Witt, nauwelijks, ook zelfs in de betrekkingen tot het Buitenland, belemmerd door de achtbaarheid der Staten-Generaal, die, uit Afgevaardigden der verschillende Provinciën samengesteld, de Souvereiniteit der Vereenigde Nederlanden vertegenwoordigden. De uitoefening nu van dat gezag der Provinciale Staten en de behandeling der gewone loopende zaken, was in de onderscheiden Gewesten aan verschillende lichamen toevertrouwd, en wel in Holland aan twee colleges van Gecommitteerde Raden. Het eene, dat te Hoorn zitting had, bestond uit Afgevaardigden der Steden van het zoogenaamde Noorderkwartier: het andere had zijn zetel in Den Haag en was, sedert den jare 1590, samengesteld uit negen Leden, namelijk een uit ieder der volgende Steden, als: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam en Gorkum: terwijl Schiedam, Schoonhoven en Den Briel er bij toerbeurten elk voor twee jaren een Lid heenzonden. Het oudste Lid uit de Ridderschap was gewoonlijk Voorzitter van het College, en niet onder de gemelde negen Leden begrepen; terwijl een der Secretarissen van Hun Edel-Grootmogenden hun bij ’t vergaderen ten dienste stond. Aan dit College nu was de uitvoering opgedragen van alle besluiten, door de Staten genomen: alsook om in alle onverwachte voorvallen te voorzien. Het besliste in twistzaken van de Gemeene Landsmiddelen, alsmede in zaken van muiterij en verraad: het deed recht in zaken betreffende de krijgslieden, ter betaling der Provincie staande: het vervaardigde de ordonnantiën tot betaling der Militie en alle andere ten laste van het kantoor des Ontvangers-Generaal van Holland: eindelijk, het zond aan de Leden en Steden, tot de Vergadering der Staten van Holland behoorende, de punten van beschrijving voor die Vergadering.

Het was nu van dit College dat zoowel Van Espenblad als Kievit sedert Mei 1666 Leden waren geworden, de laatste in de plaats van Van der Horst, die in den Raad van State was getreden.

De Vergadering was nog niet voltallig, toen Van Espenblad binnenkwam. Wel zat de Voorzitter, de oude Heer van Wimmenum, wien het staan bij zijn gevorderden leeftijd moeilijk viel, reeds in zijn sierlijk gewerkten leunstoel aan de lange met groen laken bekleede tafel, en zijn Secretaris aan een klein tafeltje nevens hem, bezig met de stukken, die hij uit zijn lederen portefeuille genomen had, te sorteeren; maar de overige Raden voor zooverre zij reeds aanwezig waren, schenen weinig haast te hebben om te beginnen. Bosveldt wandelde op en neder met Van der Goes van Delft, terwijl hun Ambtgenoot Schulper, voor een der ramen staande, met een verveeld gelaat naar den Vijverberg stond te kijken.

„Hoe is het, Mijne Heeren?” vroeg Van Espenblad, terwijl hij hoed en stok aan den Bode gaf om weg te zetten: „nog niet aan ’t werk? De klok heeft toch, meen ik, reeds geslagen.”   –  En meteen, zich tot den Bode wendende: „hoor eens Hanszen ;” fluisterde hij hem in: „deze of gene knaap zal zich misschien aanmelden en u een boodschap voor mij geven. Gij brengt mij dien in dat geval terstond over.”

„Zeer wel, Mijnheer!” zeide de Bode, en vertrok.

„Het staat u wel, over vertraging der werkzaamheden te klagen,” zeide Bosveldt, de vraag van Van Espenblad beantwoordende: „als een iegelijk zoogoed op zijn tijd paste als wij, die hier zijn, dan waren wij reeds begonnen.”

„Wie wachten wij nog?” vroeg Schulper, al gapende, terwijl hij zich omwendde.

„Niemand dan Beveren en Kievit,” antwoordde Van der Goes: „de overige Heeren zijn ziek of afwezig.”

„Hoe!” riep de Heer Van Wimmenum, verbaasd opziende: „komt de Heer Hasselaer niet?”

„Mag ik UEd. herinneren,” fluisterde de Secretaris, „dat de Heer Hasselaer met den Heer Baert, van Friesland, gisteren naar Texel is vertrokken met Commissie van Hun HoogMogenden, om de aldaar liggende schippers aan te sporen, metterhaast terug te zeilen, dewijl men beducht is voor een aanslag van de Engelschen?”

„Inderdaad?” vroeg Wimmenum, verbaasd opziende, alsof hij iets nieuws hoorde: „Wel! wel!”

„Onze goede Voorzitter verwondert zich over alles, fluisterde Van Espenblad aan Van der Goes in: „ik geloof, dat, zoo wij hem vertelden, dat Prins Frederik Hendrik dood was, hij nog zou denken, dat het een nieuwtje was, en zeggen: „inderdaad, wel! wel!”

„Ja, de man wordt een weinig suf en memorieloos,” fluisterde Van der Goes, met een blik van medelijden op Wimmenum: „aha! daar is Beveren.”

„Ik vraag verschooning zoo ik u heb doen wachten, Mijne Heeren!” zeide de nieuwaangekomene, die wegens Dordrecht zitting had, en, door zijn huwelijk met Johanna De Witt, een zwager was van den Raadperisionaris: ik ben opgehouden geworden bij den Heer Ontvanger-Generaal. Maar vertel mij eens, Van Espenblad, welke gewichtige besogne hadt gij toch met dat knaapje, dat gij van zijn spel afgeroepen hebt?”

„Hebt gij dat gezien?” vroeg Van Espenblad, lachende.

„Welzeker!” antwoordde Beveren: „ik zat voor het raam en had u juist in ’t oog. Wilt gij dien knaap tot uw Page verheffen?”

„Wie weet het?” zeide Van Espenblad: „hij heeft er aanleg genoeg toe.... Maar komaan, Mijne Heeren! het is meer dan tijd, onze werkzaamheden aan te vangen.”

„Zouden wij niet op Kievit wachten?” vroeg Bosveldt.

„En als hij niet eens kwam?” hernam Van Espenblad: „wie weet, hij is misschien ook naar Texel.”

„Gij zijt weer boosaardig, Van Espenblad!” zeide Bosveldt, die    –  gelijk men reeds vroeger in dit verhaal heeft kunnen zien    –  tot de Oranje-partij behoorde.

„Of” vervolgde Van Espenblad: „naar zijn zwager Tromp, om hem wat te troosten over de ongenade, waarin hij vervallen is.   –  Heer Voorzitter! zullen wij niet beginnen?”

„Ja,” antwoordde deze: „het zal tijd zijn. Ik zal bellen, en den Heer Raadpensionaris laten waarschuwen.”

„Ik begrijp niet, hoe De Witt nu zoo talmt,” zeide Van Espenblad bij zich zelven, terwijl hij met de anderen plaats nam: „zou hij werkelijk tijd willen winnen om aan Buat gelegenheid te geven zich weg te maken?”

De Notulen werden gelezen, en men had die juist gearresteerd, toen Kievit binnenkwam.

„Wij hadden bijna défaut tegen u laten gaan,” zeide Beveren: „gij zijt anders niet gewoon, de laatste te komen.”

„Ik ben opgehouden geworden,” antwoordde Kievit, wiens houding blijkbaar iets verlegens had: „die fatale historie met mijn zwager Tromp geeft mij gedurige drukte.”

„Ja, die veroorzaakt veel geschrijfs, dat begrijp ik,” merkte Van Espenblad meesmuilende aan.

„Het muisje zal een staart hebben,” hernam Kievit, op een driftigen toon: „en men zal weldra zien, of de Admiraal Tromp de man is, om zich straffeloos in zijn eer te laten krenken.”

„Wat is er van den Admiraal Tromp?” vroeg de Voorzitter zacht aan den Secretaris, en schudde, nadat deze hem op de hoogte had pogen te stellen, herhaaldelijk het hoofd, al uitroepende: „wel! wel!”   –  De overige Heeren, die, uitgenomen Bosveldt, niet op de hand van Tromp waren, beantwoordden niet dan met een doodsch stilzwijgen den uitval van Kievit: en deze, zelfs geen ondersteuning vindende bij Bosveldt, die te voorzichtig was om zich uit te laten, keek wrevelig voor zich. De komst van De Witt, die nu eindelijk binnentrad, was dus aan allen een welkome redding uit hun gedwongen toestand.

„Wat goeds brengt ons de Heer Raadpensionaris?” vroeg de Voorzitter, toen De Witt tegenover hem plaats had genomen.

„Helaas, Mijnheer Van Wimmenum!” antwoordde De Witt met een zucht: „het is tegenwoordig de tijd niet, dat er iets goeds kan verwacht worden. Ik heb integendeel een beschuldiging van hoogverraad bij u in te brengen.”

„Van hoogverraad! tegen wien?” riepen allen, behalve Van Espenblad, die wist wat er komen moest, en Kievit, die zoo bleek als een doek werd.

„Hoogverraad!” herhaalde Wimmenum, zich het voorhoofd krabbende: „door wien en waar wordt dat gesmeed?”

Op dit oogenblik trad de Bode binnen, naderde Van Espenblad, en zeide, met een gesmoorde stem, doch luid genoeg, dat allen ’t hoorden:

„Ten huize van den Heer Kievit.”

Dit gezegde, dat als een antwoord kon beschouwd worden op de vraag van den Voorzitter, ver wekte bij sommige der aanwezigen een luid gelach; maar niet bij den man, die genoemd was geworden: hij sprong op in zijn stoel en vroeg met een verpletterenden blik aan den Bode: „wat die dwaasheid beduidde?”

„Ik weet het niet,” antwoordde de Bode, de schouders ophalende en Van Espenblad aanziende als om Zijne getuigenis in te roepen: „het is een jongen van de straat, die mij deze boodschap heeft overgegeven.”

„Juist,” zeide Van Espenblad: „ik weet wat het is; niets dat u betreft, Mijnheer Kievit!”

„Maar ik wilde toch weten……” zeide deze.

„Mijne Heeren!” viel De Witt in, die ofschoon in naam de Dienaar der Vergadering, inderdaad meer als de Voorzitter daarvan kon worden aangemerkt dan het lid dat dien post bekleedde: „Mijne Heeren! wij hebben meer te doen. Ga heen, Hanszen! en klop aan, alvorens weder binnen te komen.

„Mijne Heeren!” vervolgde hij, toen de Bode vertrokken was: „het is niet dan met leedwezen, dat ik een aanklacht moet instellen tegen iemand, die zich vroeger verdienstelijk had gemaakt bij den Staat. Ik bedoel den Ritmeester Buat.”

„Buat!” riep Bosveldt: „onmogelijk;” maar, een blik op Kievit geworpen hebbende, die vruchteloos zijn verlegenheid zocht te verbergen, zweeg hij en zag peinzend voor zich heen. „Buat!” herhaalde Wimmenum: „maar die is immers Overste in dienst der Staten!”

„Dat was wijlen zijn vader,” zeide De Witt.

„O! gij bedoelt den zoon!” hernam Wimmenum: „Ja! nu weet ik het: die is Kapitein der Garde van Zijne Hoogheid.”

„Dat was hij,” zeide Van der Goes: „toen Prins Willem II nog leefde. Gij zult u herinneren, dat die compagnie is afgeschaft. Buat is thans Ritmeester, en staat ter repartitie van Zeeland.”

 „En heeft die verraad gepleegd?” vroeg Wimmenum: „Wel! wel!”

 „Het is u bekend, Mijne Heeren!” hernam De Witt, „dat gezegde Buat, met mijne voorkennis, correspondentie hield met de Heeren Bennet en Sylvius, en ik, door zijne tusschenkomst nu en dan voorslagen ontving, welke ik hoopte, dat tot vredesonderhandelingen zoude leiden.”

„De Vergadering dankt den Heer Raadpensionaris voor zijn voortdurenden ijver in ’s Lands welzijn,” zeide de Voorzitter.

„Gezegde Buat,” vervolgde De Witt, na de lofspraak van „den Voorzitter met een koele hoofdbuiging beantwoord te hebben, „schijnt, buiten de correspondentie, welke hij mij liet zien, er nog eene op zijn eigen hand te hebben gehouden: althans uit een aan hem geschreven brief; welken hij uit achteloosheid in mijne handen gelaten heeft, meen ik zulks te moeten opmaken. Ik verzoek den Heer Secretaris, dien brief overluid te lezen.”

Terwijl de Secretaris het noodlottig geschrift van De Witt overnam en aan diens verzoek voldeed, heerschte er een zoo diepe stilte in de Vergadering, dat men een speld had kunnen hooren vallen. Bij allen was die stilte een gevolg hunner nieuwsgierigheid naar hetgeen zij vernemen zouden: bij Bosveldt paarde zich aan de nieuwsgierigheid belangstelling in den persoon des beschuldigden, en zucht om, zoo mogelijk, uit deze of gene zinsnede aanleiding te vinden om iets tot zijn verschooning bij te brengen; bij Kievit, de angst of ook wellicht zijn eigen naam in den brief genoemd zou worden. Hij deed echter zijn best om zich te herstellen, daar hij van de eene zijde het doordringend oog van De Witt op hem gevestigd, en van de andere den spotachtigen glimlach zag, waarmede Van Espenblad hem beschouwde.

De lezing van het stuk was geëindigd en de Raden zagen elkander aan, als vreesde ieder het woord op te nemen, toen er aan de deur werd getikt. De Voorzitter trok aan de bel, en de Bode Hanszen, zachtkens naderende, fluisterde aan Van Espenblad in:

Mijnheer! daar is een andere jongen, die zegt, dat hij in zijn eigen huis gegaan is.”

„’t Is wel! en moge hij er blijven,” zeide Van Espenblad: „ga nu maar heen.”   –  Zijn ambtgenooten keken elkander met bevreemding aan; doch niemand waagde een aanmerking.

„En thans, Mijne Heeren!” hernam De Witt, „staat het aan u, te beslissen, of deze zaak niet een nader onderzoek vordert. Heer Voorzitter! mag ik u verzoeken, de Vergadering daarover te raadplegen.”

Beveren, Van der Goes en Van Espenblad gaven terstond op de vraag, welke de Voorzitter tot hen richtte, een toestemmend antwoord. Bosveldt wreef zich een oogenblik de kin, eer hij zijn advies gaf, en hij verzocht toen, den brief nog eens te mogen lezen.

„Mij dunkt,” zeide Van Espenblad, die in deze vraag alleen een list zag om tijd te winnen: „de brief spreekt duidelijk genoeg, en al deed hij het minder, het gelasten van nader onderzoek is toch wel het minste wat men doen kan.”

„Mijnheer!” zeide Bosveldt: „het geldt hier een zaak van gewicht, en in de zoodanige ben ik niet gewoon met overhaasting te werk te gaan.”

En meteen, den brief uit de hand van den Secretaris overnemende, begon hij dien, tot groote ergernis van Van Espenblad, die op heete kolen zat, met zulk een oplettendheid te lezen, dat het scheen of hij ieder woord wilde spellen.

„De Heer Voorzitter zou intusschen met de rondvraag kunnen voortgaan,” merkte De Witt aan.

„Hoe denkt de Heer Schulper over het voorstel?” vroeg Wimmenum.

Het antwoord had zich kunnen laten vooruitzien: de Heer Schulper bracht nooit een ander advies uit, dan dit: „dat hij zich bij de meerderheid voegde.”

„En de Heer Kievit?” vroeg de Voorzitter.

„Wat mij betreft,” zeide Kievit, die den tijd had gehad om zich op het te geven antwoord voor te bereiden: „ik ben aan den Heer Buat door zijn vrouw vermaagschapt, en verzoek dus buiten stem te blijven.”

„Door zijn vrouw,” herhaalde de Voorzitter: „eilieve! is Buat met een Juffrouw Kievit getrouwd?”

„Zijn vrouw is een dochter van wijlen den Griffier Musch,” fluisterde Van der Goes hem in.

Van den Hofmusch?” vroeg Wimmenum, zinspelende op den spotnaam, waarmede wijlen de Griffier   –  onder anderen ook in een van Vondels hekeldichten    –  was aangeduid geweest.

„Van denzelfden,” antwoordde Van der Goes, toestemmend knikkende.

„Ei! ei!” hernam Wimmenum: „o ja! en dus, de Heer Kievit verlangt verschoond te blijven van de stemming om reden van maagschap: een zeer billijk verzoek, naar ’t mij voorkomt,” vervolgde hij, niet zonder De Witt aan te zien, als om dezen te vragen, of hij zich niet vergiste in zijn beschouwing. De goedkeurende hoofdknik van De Witt bemoedigde hem echter.

„De Heer Kievit blijft dus buiten stem,” zeide hij, „om reden van familie-betrekking tusschen hem en Mevrouw Buat. Wel! wel! is UEd. aan Mevrouw Buat vermaagschapt? Is het van vaders- of van moederszijde?”

„Mag ik u doen opmerken, dat de tijd verloopt,” zeide De Witt: „en dat deze zaak spoedig dient afgehandeld te worden.”

„De Heer Van Wimmenum kreeg een kleur als een schooljongen, die door zijn meester berispt wordt: „Ja!” zeide hij, „dat is ook waar; maar wij kunnen toch niet voortgaan, eer de Heer Bosveldt. ..

„Ik ben genoeg ingelicht,” zeide Bosveldt, die begreep, dat de zaak er toch toelag: „ziedaar den brief terug, Heer Secretaris! Ik stem mede voor een onderzoek.”

„En de Heer Voorzitter zelf?” vroeg De Witt.

„Overeenkomstig uw voorstel,” antwoordde Wimmenum: „altijd overeenkomstig uw voorstel, Heer Raadpensionaris Want dat kan nooit anders dan wijs en weldoordacht zijn.”

„Het zal dan zaak zijn,” zeide De Witt, een weinig ongeduldig over den hem toegeworpen lof, „den gezegden Buat terstond te laten ontbieden, en hem op het stuk van dezen brief te hooren.”

„Stemmen al de Heeren met dit voorstel in?” vroeg Wimmenum, rondziende: „niemand er tegen? welaan! dan zullen wij iemand naar zijn woning sturen.”    –  En meteen bracht hij de hand aan de bel.

„Met uw verlof, Heer Voorzitter!” zeide Van Espenblad: „zoo hij eens aan ons opontbod niet voldeed?”

„Wat!” riep de Voorzitter, terwijl hij rood werd van verontwaardiging, bij de bloote gedachte, dat zulk een ongehoorzaamheid zou kunnen plaats hebben: „niet voldoen aan een opontbod van Gecommitteerde Raden!”

„Hoogst onwaarschijnlijk,” hernam Van Espenblad, glimlachend: „maar wij moeten, dunkt mij, ook op het voorkomen eener onwaarschijnlijkheid bedacht zijn; en daarom geef ik in bedenking, of het niet raadzaam ware, onzen Bode door eenige gewapende manschappen te doen vergezellen, die Buat desnoods zouden dwingen zich daarheen te begeven.”

„Dat zou ontwijfelbaar de onzekerheid zijner verschijning tot zekerheid maken,” zeide Beveren, goedkeurend.

„De Ritmeester Buat is nog niet sub reatu,” zeide Bosveldt: „hij wordt alleen ter verantwoording geroepen.”

„Niet sub reatu?” herhaalde Van Espenblad: „en hij wordt beschuldigd van hoogverraad.”

„Dat heb ik ook gehoord,” zeide Bosveldt, een zijdelingschen blik op De Witt werpende: „en ik geloof, dat men hiermede te voorbarig is geweest. Wij hebben nog niets dan een brief, niet door hem, maar aan hem geschreven: en die dus te gen hem geen bewijs kan opleveren. De inhoud van dien brief wettigt een nader onderzoek, en daartoe heb ik mijn stem gegeven; maar ik geef die niet tot het nemen van een maatregel, die alleen gebezigd mag worden omtrent de zoodanigen, tegen wie een bevel van gevangenneming is verleend.”

„Ik ben volkomen van dat gevoelen,” zeide Van der Goes.

„En de Heer Schulper?” vroeg de Voorzitter.

„Zooals de meerderheid het begrijpt,” antwoorde Schulper.

„Maar het staat twee tegen twee,” merkte Wimmenum aan, na rechts en links gekeken te hebben, of zijn telling juist ware.

„Nu dan,” hernam Schulper, die zich altijd gelijk bleef, „dan ben ik van het gevoelen van den Heer President.”

De President krabde zijn voorhoofd en keek angstig naar De Witt, als om uit diens oogen te lezen, welk gevoelen hij omhelzen moest. Maar het gelaat van De Witt stond onbeweeglijk en gaf niet de minste aanwijzing aan de hand. Gelukkig redde Kievit den Heer Van Wimmenum uit de verlegenheid, waarin hij zich bevond.

„Mijne Heeren!” zeide hij, „deze zaak van mijn neef Buat is mij hoogst onaangenaam, en ik speel hier een alles behalve vermakelijke rol, gij zult mij dus vergunnen, dat ik mij zoolang verwijder, tot deze quaestie is afgehandeld.”

„Hij wil gaan om Buat te waarschuwen,” fluisterde Van Espenblad Beveren in: „dat moet niet gebeuren.”

„Blijf, wat ik u bidden mag, blijf nog een oogenblik,” zeide De Witt, op een toon die meer gebiedend was dan de woorden schenen te vorderen, terwijl hij de hand op den arm lei van Kievit, die reeds opgestaan was om zich te verwijderen: „deze Heeren zullen wellicht ook van u nog een opheldering te vorderen hebben, en gij zoudt die zeker ongaarne ontwijken.”

„Van mij!” antwoordde Kievit met een gesmoorde stem, terwijl hij krampachtig den rug van zijn stoel vastkneep en de zweetdruppels hem van het voorhoofd rolden.

„Van u, Mijnheer Kievit!” herhaalde De Witt: „maar ik twijfel niet, of gij zult volkomen in staat zijn, de Vergadering omtrent het punt, dat ik bedoel, te voldoen. En nu, om terug te keeren tot de zaak van den Ritmeester Buat, ik geloof, dat die gevoelens zich best laten vereenigen, wanneer wij den Bode alleen uitzenden, doch hem, op behoorlijken afstand, laten volgen door eenige manschappen, wier hulp hij, in geval van onwil of tegenstand, zou kunnen inroepen.”

„Dat is gesproken als een boek, dunkt mij!” zeide de Voorzitter: „al de Heeren genoegen met dit voorstel van den Heer Raadpensionaris?”

„Ik niet,” antwoordde Bosveldt: „ik houd Buat voor een man van eer, tegen wien men zoodanige voorzorgen niet behoeft te nemen.”

„Is er een van de overige Heeren van het gevoelen van ons medelid Bosveldt?” vroeg de Voorzitter: „niemand?   –  dan wordt het voorstel van den Heer Raadpensionaris in een besluit der Vergadering geconverteerd; en ik verzoek ZEd. zich met de uitvoering wel te willen belasten.”

Meteen trok hij aan de bel, en de Bode verscheen.

„Zeg aan den Commandant van de Hoofdwacht, dat hij terstond hier verschijne,” zeide De Witt.

„Zeer wel, Heer Raadpensionaris,” antwoordde de Bode, met een diepe buiging: en toen naar Van Espenblad toetredende: „er is weer zoo’n straatjongen geweest,” fluisterde hij, „die zeide: „bij den Heer Van Heenvliet.””

Nu kon niemand, uitgenomen Kievit, die weer was gaan zitten en als een verwezene voor zich keek, en De Witt, die alleen het fijne van de zaak begreep, zich van lachen onthouden.

Wat duivel, Van Espenblad!” zeide Van der Goes, toen de Bode vertrokken was: „is het een weddenschap? of hebt gij werkelijk het commando over de lieve Haagsche straat-jeugd aanvaard?”

„Lacht maar, lacht maar,” antwoordde Van Espenblad: „gij zult later oordeelen, of ik zoo dom heb gehandeld.”

„Van domheid heeft u, voor zooverre ik weet, nooit iemand beschuldigd,” zeide Bosveldt, op een scherpen toon.

„Terwijl wij den Commandant inwachten,” hernam De Witt, zoude ik den Heer Kievit uit zijn onzekerheid kunnen verlossen en hem vragen, of hij kennis draagt aan dit libel.”    –  En meteen wierp hij het gedrukt verslag van het zeegevecht voor Kievit op tafel.

„Hoe! wat is dat?” vroegen fluisterend de Raden aan elkander. Kievit bevond zich in een moeielijken toestand. Aan den eenen kant was hij te fier, en misschien ook te veel ingenomen met zijn eigen werk, om te ontkennen, dat hij het stuk geschreven had: aan den anderen zag hij in de vraag van De Witt een bedekt plan om niet alleen een aanklacht tegen hem in te stellen, maar die zelfs in verband te brengen met de aanklacht, tegen Buat gedaan. Hij was bovendien eenigszins bij verrassing overvallen, en geen wonder dus, dat hij niet dadeljk antwoordde, maar zich bepaalde met het gedrukte stuk eenige reizen om en om te draaien, en toen met een uitdrukking van wrevel te vragen: „welnu! dat libel?”

„Ik vraag u, of gij daar kennis aan hebt, Mijnheer?” herhaalde De Witt, langzaam en ernstig.

„Een naamloos stuk, Mijnheer! naar ik zie,” antwoordde Kievit: „en ik besef niet, hoe gij op de gedachte komt……”

„Ik heb gemeend er uwen stijl in te herkennen,” zeide De Witt: „en, opdat gij de strekking mijner vraag volkomen begrijpen zoudt, ik vraag u, of gij er al of niet de steller van zijt?”

„Ik, Mijnheer!” riep Kievit, zich op de lippen bijtende.

De gansche Vergadering hield met gespannen aandacht het oog op hem gevestigd: ieder zweeg: alleen de Voorzitter kon een: „wel! wel!” niet weerhouden. Kievit begreep, dat er niets anders voor hem opzat dan een hoogen toon aan te slaan.

„Gij vraagt mij,” zeide hij, de borst opzettende en De Witt met een gemaakte verontwaardiging aanziende, of ik de steller van dit stuk ben?   –   Maar ik vraag, op mijne beurt, wie u het recht geeft, mij een dergelijke vraag te doen? Ik heb tot heden altijd gemeend, dat de Raadpensionaris de dienaar was der Staten en de uitvoerder hunner bevelen: gij schijnt het omgekeerd te begrijpen, en den meester te willen spelen over mij, aan wien, als aan een Lid der Hooge Regeering, gij zelf gehoorzaamheid en eerbied verschuldigt zijt.”

De redeneering was volkomen logisch. De Witt gevoelde zulks, en begreep terecht, zich niet in een redetwist te moeten begeven, waarin al zijne meerdere bekwaamheid en welsprekendheid hem niet beletten zouden het onderspit te delven: hij begaf zich dus onmiddellijk op een terrein, waar hij vaster stond en van medewerking verzekerd was.

„Gij hoort het, Mijne Heeren!” zeide hij: „de Heer Kievit weigert mij te antwoorden op een vraag, welke ik meende hem te mogen doen, betreffende een feit, dat hij, zoo het hem al geweten moet worden, zeker niet als Lid dezer Vergadering heeft gepleegd. Maar thans, Mijne Heeren! richt ik mij tot u, en vraag, of naar den steller van dit libel, dat ik hier ter tafel breng, en hetwelk mij voorkomt allerlei lasterlijke beschuldigingen te bevatten tegen den persoon van den Heere Admiraal De Ruyter, thans Generaal onzer Vloot, geen onderzoek behoort gedaan te worden?”

„Ongetwijfeld,” zeide Beveren, altijd gereed zijn zwager toe te vallen: „ik heb dat schotschrift ook gelezen, en, de steller moge zijn wie hij wil, hij moet gestraft worden.”

„Hebt gij waarlijk het geduld gehad, dat prul te lezen?” vroeg Van Espenblad, die er genoegen in schepte, de kwelling, welke Kievit ondervond, nog te vermeerderen, door zijn eigen-liefde als auteur te kwetsen: „ik ben voor het overige,” vervolgde hij, „volkomen van uw gevoelen.”

„Ik mede,” zeide Van der Goes.

„lk niet,” zeide Bosveldt: „ik heb dat stuk mede gelezen, en ik laat den inhoud voor rekening van den schrijver; maar in allen gevalle bevat het een verslag, opgemaakt naar een verhaal van den Heer Van Sommelsdijck: en indien deze de hier opgeteekende feiten voor waar erkent, dan zie ik niet, hoe er eenige straf kan ingeroepen worden tegen iemand, die waarheid verkondigt.”

„Zoo is ’t, Mijne Heeren!” zeide Kievit, verheugd van deze reis ten minste een bondgenoot te vinden: „en, nu het er op aankomt, rekenschap te geven aan mijn geëerde Ambtgenooten, ben ik hiertoe bereid. Ja, ik heb dit opstel geschreven, bijna uit den mond van den Heer Van Sommelsdijck. Alleen moet ik er bijvoegen, dat ik het niet geweest ben, die het ter perse geleverd heb, daar ik volkomen overtuigd ben, evenals de Heer Van Espenblad, dat het geenszins waardig was in ’t licht te komen.”

„En kunt gij dan nagaan, wie u die poets gespeeld heeft?” vroeg Beveren.

„Ik kan alleen gissingen vormen,” antwoordde Kievit, „en zou ongaarne, nu ik zie, hoe hoog men de uitgave van dit stuk opneemt, lieden aan vervolging blootstellen, die wellicht onschuldig zijn.”

„Mijn beste Kievit!” zeide Van Espenblad, op den hartelijksten toon van de wereld: „het spijt mij voor u; maar gij gevoelt toch wel, dat gij, u eenmaal als schrijver van dat pr...., ik wil zeggen van dat libel, doende kennen, u niet kunt vrijwaren van de verdenking, dat gij tevens uitgever zijt, zoolang gij dezen niet aanwijst: en dat, zoolang gij onder die verdenking ligt, gij toch moeilijk in onze Vergadering kunt blijven zitten. Hoe denken de andere Heeren er over?”

„In allen gevalle kunnen wij, zelfs over deze vraag, moeilijk in tegenwoordigheid van den Heer Kievit beraadslagen,” merkte Van der Goes aan.

„Mijne Heeren!” zeide Kievit: „indien gij mij zooeven vergund had, mij te verwijderen, had deze geheele zaak buiten mijne tegenwoordigheid kunnen worden afgedaan. Ik heb dus de eer u te groeten.”

Meteen stond hij op en groette de Vergadering; maar toen hij de deur opende, deed hij verschrikt een stap achteruit op het zien van den Commandant der Wacht, die juist met den Bode aankwam. Hij herstelde zich echter, bij de gedachte, dat die Officier niet voor hem kwam, en verwijderde zich, niet weinig ontrust over den loop, dien de zaken voor hem schenen te nemen, en zonder op de diepe buigingen te letten, welke de Commandant en de Bode maakten, toen zij hem tusschen hen beiden lieten doorgaan.

„Heer Commandant!” zeide De Witt tot den Luitenant, nadat deze aangemeld en binnengelaten was: „gij zult aan den Bode vier uwer manschappen medegeven, die hem steeds op een afstand moeten vergezellen, en hem hulp bieden, zoodra hij die behoeft. Dit is al wat de Heeren u te gelasten hebben. Gij kunt gaan.”

De Commandant boog zich diep en vertrok.

„En gij, Hanszen!” vervolgde De Witt, „zult onmiddellijk naar den Ritmeester Buat gaan, en hem gelasten, zonder verwijl voor Heeren Gecommitteerde Raden te verschijnen.

Gij zorgt, dat gemelde Buat met u kome, en gij verliest hem niet uit het oog. Indien hij bijgeval weigerde te komen, of zich van u poogde te verwijderen, dan roept gij den bijstand in der manschappen, die u worden medegegeven.”

„Zeer we], Heer Raadpensionaris!” antwoordde de Bode: „maar indien ik den Ritmeester niet thuis vinde, moet ik dan……

„Dan vindt gij hem bij den Heer Van Heenvliet,” zeide Van Espenblad, „of wellicht……

„In „De Oude Zwaan!” riep een fijn stemmetje: en de schalksche oogen van den kleinen Joris gluurden even om ’t hoekje van de deur, die, bij het heengaan van den Commandant, op een kier was blijven staan.

„Weder een van uwe Adjudanten?” vroeg Van der Goes lachende, aan Van Espenblad.

„En die ons grooten dienst doet, gelijk gij ziet,” antwoordde deze: „Hanszen! ga gerust naar „De Oude Zwaan :” gij zult er den Ritmeester vinden.”


[Jacob van Lennep pagina] – [25e hoofdstuk] – [27e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.