MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN DE WANDELINGEN VAN BUAT DOOR DEN HAAG WORDEN VERHAALD.


Werkelijk had Buat de onderscheiden plaatsen bezocht, welke achtereenvolgens door Joris en zijn makkers waren genoemd geworden. Om echter de aanleiding van zijn heen en weder loopen meer duidelijk te maken, dienen wij met ons verhaal een weinig terug te gaan.

Na aan De Witt de brieven van Arlington en Sylvius ter hand gesteld te hebben, had Buat, ingevolge de belofte aan zijn vrouw gedaan, zich naar Mevrouw Musch begeven. Hij was, ten gevolge der opheldering, die tusschen hem en Elizabeth had plaats gehad, in een uitmuntend goede luim geraakt, en had, door vroolijke scherts en kout, onder anderen ook door het voorlezen van het vlugschrift over Tromp, zijn schoonmoeder, die eerst wat onlustig en wrevelig was, geheel weder opgebeurd. Dan, bij gelegenheid van het verder onderhoud, vroeg hem de Weduwe, of hij nog geen brieven uit Londen bekomen had.

„Ja,” antwoordde hij : „juist hedenmorgen : ik heb ze aan den Heer De Witt gebracht.”

„Mij dunkt,” merkte Mevrouw Musch aan: „gij hadt ze ons wel eerst kunnen mededeelen. Maar was er geen bijzondere brief bij, dien gij mij intusschen kunt voorlezen?”

„Jawel,” antwoordde Buat:   –  en op dit oogenblik schoot hem, als een verpletterende bliksemstraal, de gedachte in ’t hoofd: „Waar heb ik dien brief gelaten?”   –  en tevens, de bijna zekere overtuiging, dat hij dien niet van de overige afgezonderd had. Hij werd bleek als een doek, en het koude zweet brak hem van alle kanten uit.

„Wat schort u?” vroeg zijn schoonmoeder, zijn ontsteltenis bespeurende.

„Niets,” antwoordde hij, haar geen misschien ijdelen schrik willende aanjagen: „ik heb dien brief thuis laten liggen en zal hem gaan halen.”

„Heden neen! doe die moeite niet,” zeide de Weduwe: „gij zult hem mij morgen wel eens toonen: of, zoo ik mij wel gevoele, kom ik zelve bij u.”

„’t Is onnoodig,” hernam Buat: „ik ga hem even halen…… „Betje is ook uit, en de brief mocht eens slingeren. ’k Neem oorlof!”    –  En meteen, zijn hoed krijgende, verliet hij Mevrouw Musch, die zich deze plotselinge haast niet wist te verklaren, en vloog meer dan hij liep naar het Binnenhof toe. Wij hebben gezien, hoe hij daar aankwam en zich bij De Witt liet aandienen.

„Heer Raadpensionaris!” zeide hij, toen hij binnen was gelaten, zooveel mogelijk een onverschillige houding aannemende: „ik heb u straks een paar brieven ter hand gesteld; doch ik geloof, dat ik bij vergissing een stuk daar heb bij gelaten, dat mij persoonlijk betreft. Zou ik het pakket nog even terug mogen verzoeken?”

„Gij bedoelt een brief, door den Heer Sylvius aan u geschreven, en ten opschrift voerende: „pour vous mesme,” zeide De Witt, hem met een strengen blik aanziende.

„Juist, Mijnheer……” stamelde Buat, terwijl een koude rilling hem door de aderen liep.

„Ik heb dien brief gelezen,” vervolgde De Wit, met nadruk.

„Gelezen!” herhaalde Buat, een stoutmoedigheid veinzende, die hij op dat oogenblik niet bezat: „een vertrouwelijken brief aan mij ...

„Gij hebt mij niet gezegd, dat ik juist dezen brief niet lezen mocht,” zeide De Witt: „en al hadt gij dit gedaan, dan nog vordert mijn ambt, dat ik kennis neme van alle komplotten, die tegen de veiligheid van dezen Staat gesmeed worden.    –  Dien brief geef ik u niet terug.”

„Heer Raadpensionaris!” riep Buat uit, op een toon van bedreiging.

„Ik raad u, in uw eigen belang, een toon lager te zingen,” hernam De Witt: „dien brief moet ik, volgens mijn eed en plicht, aan Gecommitteerde Raden voorleggen. Hoe deze Heeren een correspondentie met den vijand, gelijk gij schijnt te voeren, zullen opnemen, staat mij niet te voorzien; maar dit kan ik u zeggen, Mijnheer Buat!” voegde hij er bij met een veelbeteekenenden blik, „dat ik u ongaarne mijn hals zou leenen.”

„Hoe!” zeide Buat: „UEd. zou gelooven, dat een schrijven, aan mij gericht, ooit tegen mij zou kunnen worden ingeroepen? tegen mij, die nooit andere dan de beste bedoelingen heb gehad?”

Raadpensionaris de Witt trekt aan de bel om Ritmeester Buat door de kamerbewaarder uit te laten.„Daar zullen Heeren Gecommitteerden over oordeelen, en misschien ook het Hof van Holland,” antwoordde De Witt, de schouders ophalende: en meteen aan de bel trekkende: „laat den Heer Buat uit,” zeide hij tegen den kamerbewaarder.

Buat bleef nog een oogenblik staan, als wilde hij iets zeggen; doch hij zag op het ijskoude gelaat van De Witt, dat alle verdere moeite, om den brief terug te bekomen, vruchteloos zou zijn: en, een afscheidsgroet stamelend, verwijderde hij zich.

„Indien hij nu den wenk niet begrepen heeft, en zich niet uit de voeten maakt,” vervolgde De Witt bij zichzelven, zoodra Buat vertrokken was, „dan wasch ik er mijn handen af. Ik heb gedaan wat ik mocht, en misschien meer dan ik mocht; maar verder heeft hij van mij geen medelijden of voorspraak te hopen.”

Half radeloos en niet wetende, wat in deze omstandigheden te beginnen, kwam Buat eerst op de gedachte om zich naar Kievit te begeven, ten einde met dezen te beraadslagen, wat hem te doen stond. Bij zijn driftigen loop sloeg hij er geen acht op, dat Joris en zijn makkers, onder schijn van krijgertje te spelen, bestendig om hem heen draaiden.

Hij vond Kievit, wiens tijdelijke woonplaats in Den Haag op het Buitenhof, en dus in de nabijheid gelegen was, gereed om naar de Vergadering te gaan, en haastte zich dus, met een paar woorden hem met den staat van zaken bekend te maken.

Wij hebben gezien, dat Kievit reeds ontsteld was, toen hij ter Vergadering verscheen: en die ontsteltenis was het gevolg geweest van het bericht, hem door Buat gegeven. Zijn gesprek met dezen had echter maar een oogenblik geduurd, waarin hij hem gevraagd had, of hij ook nog papieren te huis had, die ten kwade konden worden uitgelegd, en hem geraden die in dat geval te verbranden, en een kloeke houding aan te nemen; daar men hem toch nooit, meende hij, wegens het geschrijf van een ander, te recht kon stellen.

Een weinig door zijn onderhoud met Kievit gerustgesteld, verliet Buat hem en begaf zich naar zijn woning, om na te zien, of hij iets vond dat tegen hem zou kunnen getuigen. Te huis gekomen, vernam hij van de dienstmaagd, dat Elizabeth was uitgegaan. Aan de eene zijde verheugde hem dit; want daardoor was hij, vooralsnog, van de pijnlijke taak ontslagen om haar bekend te maken met het gebeurde; maar aan de andere zijde was hij daardoor verstoken van zijn verwachting om raad en inlichtingen van haar te bekomen: bovendien, zij had den sleutel van de kist, waarin zich zijn papieren en brieven bevonden, en hij kon alzoo zonder haar niets verrichten. Hij wist dat Van der Horst uit de stad was, en besloot daarom naar Heenvliet te gaan, die hem ’t eerst tot de correspondentie had zoeken te bepraten, en die, meende hij, nu wel zijn best zou doen, hem uit het gedrang te helpen.

Deze reis voor ’t minst behoefde Buat niet, zooals bij vorige gelegenheden, eenige minuten op de stoep te staan, eer hij werd binnen gelaten. Immers, nauwelijks had hij aangeklopt, of de deur werd opengedaan, en zag hij den Heer des huizes voor zich, die, gekleed om uit te gaan, de trap afkwam; doch wiens trekken eenige teleurstelling te kennen gaven, toen hij Buat ontdekte.

„Hoe nu!” vroeg hij: „is er zwarigheid, dat gij op dit uur bij mij komt?”

„Het doet mij leed, u misschien te storen,” antwoordde Buat: „maar ja, er is zwarigheid.”

„Kom even binnen,” hernam Heenvliet, terwijl hij met de hand den bediende wenkte, zich te verwijderen, en Buat in het spreekkamertje voorging.

„Nu! wat is er?” vervolgde hij, terwijl hij met den hoed op ’t hoofd staan bleef: ’t geen zooveel te kennen gaf, als dat hij niet lang wilde zijn opgehouden.

Buat begon zijn verhaal: maar nauwelijks had hij eenige woorden gesproken, of Heenvliet keek op zijn zak-uurwerk.

„Weet gij wat,” zeide hij, den spreker in de rede vallende, „ik merk al, waar het heen moet: en gij kunt mij, dunkt mij, dat alles evengoed onderweg vertellen. Gij weet, dit is het uur, dat ik gewoon ben, naar „De Oude Zwaan” te gaan, en ik wed, dat de Jonker Van Bleiswijck, aan wien ik een revanche schuldig ben, mij reeds zit te wachten.”

„Mijnheer?” riep Buat, verontwaardigd over het koude egoďsme van den grijsaard, die, behalve om een jachtpartij, niet zou hebben afgezien van zijn dagelijksch spelletje, en die, op dat uur van den dag, al ware het geweest om zijn eenigen zoon van de galg te redden, geen stap gedaan zou hebben in een andere richting dan naar „De Oude Zwaan”: „Mijnheer? weet gij wel, dat de gevolgen der zaak bedenkelijk zijn en ook u zouden kunnen treffen?”

„Mij?” herhaalde Heenvliet, met een verachtend schouderophalen: „welke praatjes! wie zou mij iets durven doen?   –  En wat zou men mij ook ten laste kunnen leggen?”

„Niet veel, dat beken ik,” antwoordde Buat, zich op de lippen bijtende: „maar ik bid u, bedenk, dat ik erger in de zaak gecompromitteerd ben, en dat het op uwe aanmaning is, zoo ik mij daarin begeven heb.”

„Nu?” hernam Heenvliet, met ongeduld: „en wat wilt gij dan? een schuilplaats in mijn huis? geld, om u op de vlucht te begeven. ...

„Het zijn alleen misdadigers, die vluchten of zich schuilhouden,” antwoordde Buat, met fierheid: „ik ben alleen gekomen om goeden raad bij u in te winnen.”

„Daaraan hebt gij verstandig gedaan,” zeide Heenvliet, blijkbaar gestreeld: „en waar dient de ervaring van oudere lieden ook voor, zoo het niet is, om die aan jongeren van jaren ten nutte te doen strekken? Maar een raad kan ik u evengoed onderweg geven:   –  kom dus maar mede.”

Buat zag wel, dat er niet anders opzat, dan den ouden man zijn zin te geven, en hij begaf zich alzoo met hem op weg, op een afstand gevolgd door Joris, die hun uitgaan van achter een boom bespied had, en die, al zijn makkers achtereenvolgens naar Van Espenblad met de tijding hebbende toegezonden, nu alleen voor de hem opgedragen taak was overgebleven.

„Alvorens ik u raad kan geven,” begon Heenvliet, terwijl hij, met den wakkeren stap, die hem eigen was, voorttrad, tegen Buat: „moet ik u eerst nogmaals ernstig vragen, wat uw voornemen is? hier de bui te blijven afwachten, of u zoolang te verwijderen, tot zij overgewaaid is?”

„Ik heb u reeds zooeven gezegd,” antwoordde Buat, met blijkbaar ongeduld, „dat ik mij aan niets schuldig gevoel:   –  en al ware dit het geval, vluchten heb ik nooit gedaan, en ben te oud geworden om het te leeren.”

„Braaf gesproken,” hernam Heenvliet, goedkeurend: schoon ik er, in ’t afgetrokkene beschouwd, juist geen bewijs van gebrek aan moed in zie, dat men zich niet verlangt bloot te stellen aan de kans, ja al ware ’t maar aan de verveling, eener rechterlijke vervolging.   –  Maar, zoo gij die durft en wilt afwachten, waarin kan dan mijn raad u van dienst wezen? Mij dunkt, het ware dan wel zoo goed, dat gij u tot een bekwamen bezorger wenddet.”

„UEd. heeft gelijk,” zeide Buat, op een toon, die niet vrij was van bitterheid: „komt de zaak zoover dat zij een rechtzaak wordt, dan zeker kan ik nergens beter te recht, dan bij een Advocaat.   –  Maar zoolang wij nog niet daar-aan-toe zijn, meende ik mij tot een vriend te kunnen wenden: en het grieft mij, te zien, dat ik van die zijde weinig troost te wachten heb.”

„Welken troost wil ik u geven?” vroeg Heenvliet, de schouders ophalende: „zoolang gij mij niet zegt, van welken aard gij dien begeeft?”

„Mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde Buat, zich op de lippen bijtende, „het spijt mij, dat ik het u herhalen moet: maar gij zijt de man, die mij hebt overgehaald om de briefwisseling te beginnen, en die er later zelfs op gestaan hebt, dat ik u en uwen vrienden de brieven zou mededeelen, die ik schreef en ontving. Gij hebt mij, om mij zoo uit te drukken, beschouwd als niet veel meer dan een werktuig in uwe handen: en wat ik gedaan heb, heb ik, in zekeren opzichte, op uwen last en uwe volmacht verricht. De vervolging, die tegen mij wordt ingesteld, zou dus eigenlijk u, als den hoofdbestuurder der zaak, moeten treffen: en het is dus niet zoo geheel ongerijmd, dat, nu de zaak dezen keer neemt, ik het mijn plicht geacht heb, u daarover te komen spreken.”

„Ja! ja! dat begrijp ik,” zeide Heenvliet, „alleen zou ik hebben op te merken, dat het eerst dan juist zou wezen, te spreken van een verantwoordelijkheid, die op mij rustte, wanneer gij werkelijk al uw brieven, eer gij ze afzondt, aan mijne goedkeuring hadt onderworpen. Maar, in weerwil van hetgeen ik nu en dan noodig geacht heb u onder ’t oog te brengen, zijt gij steeds voortgegaan, met uw correspondentie naar uw eigen goeddunken in te richten, zonder acht te slaan op eenige bedenking of terechtwijzing: en in zooverre komt alle verantwoording dan ook op u alleen neer.”

„Ik herinner mij,” zeide Buat scherp, „dat UEd. mij meer dan eens verweten heeft, alleen mijn eigen hoofd te volgen, onder anderen eens ten huize van den Graaf Van Montbas: toen was het uw begeeren, dat ik den raad van den Heer Kievit zou innemen.   –  Intusschen, UEd. is zelf getuige geweest, welken weg hij uit wil, en ik laat aan uw oordeel over, te beslissen, of ik, naar zijne inzichten handelende, niet, veel meer dan nu, en op beteren grond, gevaar zou loopen van wegens landverraad beschuldigd te worden.”

„Nu!” hernam Heenvliet, die op deze aanmerking niet veel kon antwoorden: „wat daarvan zij,   –  wat is thans uw oogmerk?    –  Te zeggen aan wie u ondervraagt, dat gij op mijne aansporing gehandeld hebt?”

„Denkt de Heer Van Heenvliet in mij een verklikker te zien?” vroeg Buat verontwaardigd: „wat ik te lijden heb, zal ik alléén lijden, en niemand in mijn ongeval medesleepen.”

„Nu! maak u maar zoo driftig niet,” zeide Heenvliet: „ik heb er, wat mij betreft, niets tegen, dat gij mijnen naam noemt.”

„Waarlijk!” riep Buat, verrast uit: „UEd. zou de edelmoedigheid hebben...

„Ik zie niet;” viel Heenvliet in: „waar die groote edelmoedigheid in bestaan zou! Ik zeg u alsnog, gij kunt u op mijnen naam beroepen, en dan geloof ik, dat men u wel met vrede zal laten.”

Bij elke andere gelegenheid zou Buat geglimlacht hebben over het zelfvertrouwen van den ijdelen grijsaard: nu was hij er in geene stemming toe. „Helaas! mijn waarde Heer!” kon hij echter niet nalaten te zeggen: „ik vrees, dat gij u een te gering denkbeeld maakt van hetgeen de Heer De Witt en zijn partij zullen durven doen; integendeel, ik acht, dat zij. er juist in zouden juichen, wanneer zij aanleiding konden vinden, iemand van uwen rang en stand op de Voorpoort te doen brengen.”

„Bah!” zeide Heenvliet, de schouders ophalende: „gij weet niet wat gij zegt. Zij zouden er ten minste tweemaal over denken eer zij zich vergrepen aan iemand, van wien Den Haag zooveel voordeel trekt als van mij, en die zoo aanzienlijk vermaagschapt is;    –  om nog niet te spreken, dat ik mijn hoedanigheid als Engelsch Edelman zou kunnen doen gelden.”

„Zou die u in het bestaande tijdsgewricht te stade komen?” vroeg Buat, verbaasd over den onzin, dien Heenvliet met zooveel fiducie uitkraamde: „velen zien u reeds met een scheel oog aan, sedert uw zoon naar Engeland is vertrokken.”

„En dan,” vervolgde Heenvliet: „denkt gij, dat Zijn Hoogheid het zal dulden, dat men mij eenige onaangenaamheden aandeed?”

„Zijn Hoogheid heeft zeker veel in te brengen!” antwoordde Buat, de schouders ophalende.

„Minder dan behoorde, dat is zeker,” hernam Heenvliet: „maar toch, als zoo iets gebeurde, zoude de Prins zich gewis wel doen gelden, en ook de flauwhartigsten bij zulk een gelegenheid niet stilzitten! Ik wou,” vervolgde hij met stemverheffing, „dat het eens gebeurde; dat Mr. Jan, of zijn vertrouweling Van Espenblad, het hart hadden, mij ter verantwoording te roepen. Gij zoudt zien, met welke lange neuzen zij er zouden afkomen.”

„Wel mogelijk,” zeide Buat, ofschoon op een toon, waaruit op te maken was, dat hij op verre na niet in de gerustheid van den trotschen Edelman deelde: „maar    –  dat zijn nu onderstelliflgefl en bij voorraad geldt het de houding, die ik heb aan te nemen.”

„Welke houding!” herhaalde Heenvliet: „zeg hun, dat zij zich schamen moesten, misbruik te maken van het vertrouwen, brieven te openen, die hun niet aangaan en zulks nog wel te durven erkennen, ja, er een aanklacht op te gronden.   –   Maar zij zullen het niet zoover laten komen.   –  En bovendien, als ik alles wel bedenk, wat hebben zij hier over u te zeggen? Staat gij niet, als Ritmeester, op de repartitie van Zeeland?”

Un sot quelque fois ouvre un avis important,

zegt Boileau, en zoo had ook Heenvliet, onder het uiten van zijn ongerijmden praat, op een goed en gelukkig denkbeeld gestooten. Als zoodanig greep Buat het ook dankbaar aan…

„Zes schellingen voor uw advies,” riep hij: „wat UEd. daar zegt, is goud waard, en Mr. Simon van Middelgeest  zou mij er geen beter gegeven hebben. Ja waarlijk, Zeeland, zoo gehecht aan het Huis van Oranje, zal mij niet ten kwade duiden, dat ik ’s Prinsen bevordering gezocht heb; ik zal daarover onmiddellijk schrijven aan den Heer De Huybert.   –  Ziedaar een exceptie, welke ik kan voorstellen, indien men het mij hier te lastig maakt   –  en die mij ontslaat van alle noodzakelijkheid om te antwoorden.   –  Verschoon mij; maar ik geloof, dat ik u hier verlaten zal, en maar terstond naar huis gaan om dien brief te schrijven..., mijn vrouw zal mij waarschijnlijk reeds wachten.”

„Neen! neen!” zeide Heenvliet: „wij zijn nu toch vlak bij „De Oude Zwaan,” ga even met mij binnen:   –  het is niet kwaad, dat gij u vertoont, waar veel menschen bij elkander zijn:   –  dan ziet men, dat gij het licht niet schuwt.”

„O!” antwoordde Buat: „ik heb reeds de halve stad met u doorgewandeld, en men kan mij genoeg gezien hebben.” Deze uitdrukking liet hij door een vrij natuurlijk rondkijken vergezeld gaan, en daarbij viel zijn blik op Joris, die zich op dat oogenblik vlak achter hem bevond, afwachtende, welken weg de beide Heeren zouden inslaan.

„Wat moet gij toch?” vroeg Buat, wien het nu opeens voor den geest kwam, dat hij, sedert hij het Binnenhof verlaten had, den knaap reeds meer dan eens om hem heen had zien draaien: „ik geloof waarachtig, dat gij mijn gangen bespiedt.”

Joris stond een oogenblik beteuterd; doch hij hervond dadelijk de hem ingeboren onbeschaamdheid.

„Ik dorst men Heir niet steuren,” zeide hij: „ik wou mair an men Heir zeggen, dat die Fransche men Heir weir in De Zwaan is ’ekomen.”

„Gourville!” riep Buat: „voorwaar! hij is meer dan eens in het geval geweest, zich te moeten verantwoorden. Gewis zou hij mij met goeden raad kunnen bijstaan.”

„Bah!” zeide Heenvliet, op een toon van diepe minachting: „wat zou zoo’n winderige Franschman u kunnen raden?   –  Maar gij moet het weten.”

Zij stonden nu op de stoep van De Oude Zwaan.

„Is de Heer De Gourville te huis?” vroeg Buat aan een der bedienden, die zich in ’t voorhuis bevond en de vraag bevestigend beantwoordde.

„Ik blijf maar kort bij hem”, vervolgde hij toen tegen Heenvliet: „en zal de eer hebben u nog, voor ik vertrek, even vaarwel te komen zeggen.”

Meteen snelde hij de trap op die naar boven geleidde, terwijl Heenvliet zich binnen de gelagkamer begaf, alwaar, gelijk hij reeds gedacht had, de Jonker Van Bleiswijck hem met smart zat te verbeiden.

Wij hebben nu tijd noch gelegenheid, ons met den Jonker Van Bleiswijck op te houden:    –  alleen moet ik in ’t voorbijgaan aan hen, die zeker voortbrengsel mijner jeugd, „De Pleegzoon” genoemd, hebben gelezen en er zich nog iets van herinneren, vertellen, dat het nog altijd dezelfde Jonker Van Bleiswijck was, die in het laatste gedeelte van gezegd verhaal een niet onbelangrijke rol speelt. Hij was alleen een goede veertig jaar ouder geworden. Misschien ontmoeten wij den man nog wel eens; want hij was, in de tweede evenals in de eerste helft der zeventiende eeuw, nog altijd overal tegenwoordig, waar wat te kijken of te vernemen viel: hebben wij hem noodig, dan zijn wij zeker, dat hij niet op ’t appčl ontbreken zal. Nu volgen wij Buat.

„Waarlijk!” zeide deze tegen Gourville, na de gebruikelijke begroeting: „u had ik thans nog niet hier verwacht. Gij zoudt eerst dan terugkomen, hadt gij mij gezegd, wanneer er kans was op het sluiten van den vrede.”

„Nu!” antwoordde Gourville: „en wanneer het plan van Kievit gelukt, dan dunkt mij, zal die gemakkelijk volgen.”

„Welk plan?” vroeg Buat, verwonderd opziende.

„Hoe! gij weet niet..., nu! beschouw het, in dat geval, als hadde ik niets gezegd,” zeide Gourville, een weinig verlegen, doch zich terstond herstellende: „maar gij zelf, mijn waardste! hoever zijt gij gevorderd met uw vredesprojecten?”

„Ja,” antwoordde Buat, „ik vrees, dat mijn rol als onderhandelaar uit is,” en meteen vertelde hij, aan welke achteloosheid hij zich had schuldig gemaakt.

„Een kwaad geval!” zeide Gourville: „maar weet gij, waarover ik mij meer dan over uw achteloosheid verwonder?”

„Wel!” vroeg Buat.

„Daarover,” hernam Gourville, „dat gij, die toch van Fransche ouders geboren zijt, zulk een echt Hollandsche kalmte aan den dag legt, en mij de zaak heel flegmatiek zit te vertellen, terwijl gij al lang te paard had moeten zitten, en buiten het bereik der Heilige Justitie.”

„Maar ik ben onschuldig aan eenig vergrijp!” zeide Buat.

„Lieve vriend!” hervatte Gourville: „een wijs magistraatspersoon te Parijs liet zich eens in mijne tegenwoordigheid de navolgende woorden ontvallen: „zoo men mij beschuldigde, met de klokken van O. L. Vrouwekerk te zijn weggeloopen, zou ik beginnen met op de vlucht te gaan :” en de man had gelijk ook. Of denkt gij misschien, dat gij de eerste zoudt zijne die schuldeloos gehangen werd?”

„’t Is mogelijk,” zeide Buat: „alleen zijn zulke gezegden den lieden van den tabberd waardig, maar geen krijgs- of edelman.   –  Ik vraag u om verschooning,” liet hij op deze uitboezeming volgen, zich wat laat herinnerende, dat Gourville noch krijgs- noch edelman was, maar een Procureurszoon: „ ik had geen oogmerk u te kwetsen.”

„Mijn waarde Buat!” zeide Gourville, die eerst wat zuinig gekeken, doch wiens gelaat terstond zijn effen plooi hernomen had: „ik zou uw woorden met mijn hart beamen, indien het niet juist de lieden van den tabberd waren, met wie gij gevaar loopt van te doen te krijgen:   –  en die zijn, gelijk gij te recht aanmerkt, niet op de hoogte, om uw fraaie gevoelens te verstaan.   –   Daarom, in uwe plaats staat u, naar ’t mij voorkomt, een van beide te doen: u onmiddellijk van hier te verwijderen, of wel   –  u schuil te houden, en, in dat geval, mede te werken tot de plannen...

Op dit oogenblik kwam Kievit, geheel verward en ontsteld, binnenloopen.

„Hoe! nog hier!” riep hij, Buat gewaarwordende: „maak u weg, zoo ’t niet reeds te laat is: er is reeds bevel gegeven u, goed- of kwaadschiks, voor Gecommitteerde Raden te brengen.”

„Ik was juist bezig,” zeide Gourville, „onzen jongen vriend te bewegen, zich aan de vervolging te onttrekken:   –  ik kan hem daartoe de geschikste gelegenheid aanbieden: zoo hij de kleederen van een mijner dienaars aanneemt, kan hij, op een mijner paarden gezeten, en met brieven door mij voorzien, zich als koerier naar Brussel begeven;   –  doch er is geen tijd bij te verliezen.”

„Neen voorwaar!” zeide Kievit tegen Buat: „de zaak wordt hooger opgenomen, dan gij hadt kunnen denken: en, naar de wijze, waarop men zelfs mij heeft durven behandelen, houd ik mij overtuigd, dat er een vast plan bij Mr. Jan bestaat, m de geheele Oranjepartij in ’t verderf te storten. Hoe jammer, vervolgde hij tegen Gourville, „dat gij niet een dag vroeger gekomen zijt: dan ware wellicht ons opzet voltrokken geweest, en wij zaten nu niet in verlegenheid.”

„Ik dacht,” zeide Gourville, halfluid, „dat gij wachten wildet tot er tijding kwame van de bewuste onderneming. ... doch daarover nader: het is voor het oogenblik zaak, onzen vriend hier uit het gedrang te helpen, en ik zal maar beginnen met een brief te schrijven, die hem tot kabinetskoerier verheft.”

„Ik dank u,” zeide Buat, „ik ben mij geen kwaad bewust, en ik schroom niet, wat ik gedaan heb te verantwoorden.”

„Maar bedenk dan,” riep Kievit, met den angst op het gelaat geschilderd, „dat gij u zelven niet alleen, maar ook anderen in de zaak medesleept, en die misschien minder reden hebben van gerust te zijn.”

„Ja!” zeide Gourville tegen Buat, terwijl hij inmiddels voortschreef: „onze vriend Kievit heeft gelijk: al die gevoelens, welke gij uit, zijn fraai en lofwaardig, en zouden een heerlijke uitwerking doen in een roman van Mademoiselle De Scudčri; maar in de wezenlijke wereld zouden zij u slechts doen uitlachen. Werdt gij onschuldig van moord of diefstal beticht, ik zou zeggen: blijf, en laat geen blaam op u; maar ’t geldt hier een politieke daad, waarin de eene partij een braaf stuk en de andere een misdaad ziet: en gij kunt vooraf berekenen, dat gij in handen van tegenstanders valt. Hier is de brief: ik zal Mignot roepen, dat hij u kleederen verschaffe, en zoodra de avond valt, vertrekt gij.”

Buat, door de redeneering van Gourville bijna overreed, was op het punt van toe te geven, toen de deur van het vertrek openging en zich de Bode Hanszen daarvoor vertoonde.

„Heer Ritmeester,” zeide deze: „ik ben gelast u te verzoeken, onverwijld voor Heeren Gecommitteerde Raden te verschijnen.”

„Het is te laat!” zeide Gourville, terwijl hij zuchtend Kievit aanzag.

„Ik ben gereed u te volgen,” antwoordde Buat: „doch gij zult mij wel vergunnen, er even mijn vrouw van te gaan verwittigen.”

Op dit oogenblik ontwaarde hij den kleinen Joris weer, die achter den Bode met het hoofd stond te schudden en allerlei gebaren maakte, als wilde hij hem afraden zich buitenshuis te begeven.

„Het spijt mij,” hernam de Bode: „maar ik mag u geen uitstel vergunnen: de bevelen van Heeren Gecommitteerde Raden zijn stellig.”

„Dan zal ik haar ten minste een paar regeltjes schrijven,” zeide Buat: „indien de Heer De Gourville het mij namelijk wil veroorloven.”

Ritmeester Buat verlaat met bode Hanszen de herberg "De Oude Zwaan" De Bode keek eenigszins verlegen, als wist hij niet, in hoeverre hij dit toe kon laten: doch Gourville had reeds pen en papier voor Buat nedergelegd, die nu haastig het biljet schreef, ’t welk hij den Bode voor den neus hield:

„Gij ziet,” zeide hij, „dat dit briefje niets behelst, wat niet gerust onder de oogen van Heeren Gecommitteerde Raden zou kunnen komen.”

De Bode las het biljet, ’t welk werkelijk niets anders inhield, dan dat Buat voor meergemelde Heeren geroepen was, en dat Elizabeth zich dus niet verlegen moest maken, indien hij iets later thuis kwam dan hij gehoopt had.

„Dat is alles,” zeide Buat, en toen, het briefje dichtvouwende en er een dubbeltje bijvoegende: „hier knaap!” riep hij tegen Joris: „wilt gij dit aan mijn huis brengen?”

„Assieblief, Menheir!” antwoordde Joris: en meteen, zich bij het aannemen van het briefje vooroverbuigende: „ga niet buiten, Menheir!” fluisterde hij: „dair is een korporael met vier man, die op u passen.”„Stil!” zeide Buat, hem met nadruk de hand op den schouder leggende: „geen woord daarvan ten mijnen huize.   –  Hoe nu!” vervolgde hij, terwijl hij, Joris loslatende, die haastig de trap afsnelde, den Bode met een blik van verontwaardiging aanzag: „is het de bedoeling, mij door een gewapend geleide naar het Binnenhof te doen voeren?”

„Indien Mijnheer stil medegaat,” antwoordde de Bode ontwijkend, doch zichtbaar verlegen, „zal de zaak zonder gerucht afloopen.”

„Dat hoop ik voorwaar!” zeide Buat: „en nu, vaartwel! Mijne Heeren!”

Meteen drukte hij Gourville en Kievit de hand, en begaf zich met den Bode naar beneden.    –  Maar toen zij de gelagkamer voorbijgingen, bleek het, dat aldaar reeds iets was uitgelekt van de boodschap, die de Bode te verrichten had: althans verscheidene bekende gezichten gluurden door de halfgeopende deur, en daaronder liet zich vooral het nieuwsgierige gelaat bespeuren van den Jonker Van Bleiswijck, die, zoodra hij iemand van de trap had hooren afkomen, beker en dobbelsteenen neergesmeten, en den Heer van Heenvliet, tot diens groote ergernis, alleen had laten zitten, om te gaan kijken wat er voorviel.


[Jacob van Lennep pagina] – [26e hoofdstuk] – [28e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.