MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

ACHT- EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK,

BUAT VOOR GECOMMITTEERDE RADEN.


Buat begaf zich nu, op een kleinen afstand door den Bode voorafgegaan, en van verre door de soldaten gevolgd, naar het Binnenhof, en trad nu, dien dag voor de derde maal, en telkens met pijnlijker gevoel, de deur binnen, waardoor men naar de Vergaderzaal ging. De Bode, na hem in een soort van spreekkamer gebracht en de deur voorzichtig achter hem gesloten te hebben, ging naar binnen om hem aan te dienen.

„Is hij er waarlijk?” vroeg Van Espenblad, met een uitdrukking van blijdschap op ’t gelaat: „en waar hebt gij hem gevonden?”

„In De Zwaan, Mijnheer!” gaf de Bode hem ten antwoord.

„Zoo! in de gelagkamer?”

„Neen, Mijnheer! hij den heer De Gourville, waar hij met den Heer Kievit was.”

„Ei! met den Heer Kievit!” herhaalde Van Espenblad, een veelbeteekenenden blik om zich heen slaande: „wat dunkt er den Heeren van?”

„Verzoek den Ritmeester, hier te komen,” zeide De Witt.

De Bode gehoorzaamde, en weldra trad Buat binnen. Verschillende gewaarwordingen wekte zijn verschijning bij de aanwezigen op: in de blikken der meeste was nieuwsgierigheid te zien: het gelaat van Bosveldt teekende belangstellende deelneming: dat van De Witt, hoezeer in ’t eerste oogenblik teleurstelling verradende, nam terstond daarop zijn gewone effen plooi weder aan: en de glimlach van Van Espenblad was goedig en aanmoedigend als altijd.

Mijnheer Buat!” zeide De Witt, nadat de Leden der Vergadering den groet van Buat met een koele hoofdbuiging beantwoord hadden, en terwijl er een plechtige stilte heerschte: „ik heb gemeend, den brief, dien gij mij zijt komen terugvragen, aan Heeren Gecommitteerde Raden te moeten mededeelen:  –  en het is hun noodig voorgekomen, over den inhoud daarvan door mijnen mond eenige vragen tot u te richten.”

Buat boog zich, afwachtende, wat er volgen zou.

„Het blijkt uit dezen brief,” vervolgde De Witt, „dat gij, behalve de correspondentie, welke gij met mijn medeweten voerdet, er nog een andere op uw eigen hand onderhieldt.”

Wederom boog zich Buat, en bleef hij het stilzwijgen bewaren, ’t geen hem vooralsnog ’t voorzichtigst scheen.

„Het blijkt bovendien,” ging De Witt voort, „uit hetgeen de Heer Sylvius u hier schrijft, dat die geheime correspondentie van bedenkelijken aard moet geweest zijn. Er komt althans meer dan ééne uitdrukking in dezen brief voor, waarbij op plannen en bedoelingen gezinspeeld wordt, weinig bestaanbaar met de veiligheid van dezen Staat.”

Hier zweeg De Witt eenige oogenblikken en zag Buat aan, als wilde hij hem gelegenheid geven om te spreken. Ziende, dat deze in zijn stilzwijgen bleef volharden, nam hij opnieuw liet woord op.

„Wat bedoelt,” vroeg hij, „onder meer, uw correspondent, wanneer hij spreekt van een „u bekende intrige?” en wat is er van die samenspanning van zoogenaamd „welgezinde Steden,” van welke hij gewag maakt?”

Buat begreep, dat hij, nu het op een bepaald ondervragen aankwam, wel niet anders doen kon dan antwoord geven. Hij hoog zich nogmaals, en zeide toen, rondziende:

„De Heeren schijnen inlichtingen van mij te verlangen omtrent dien brief: het doet mij leed, dat ik mij niet in staat erkennen moet, die naar eisch te verschaffen. Ik heb wel eens gehoord, dat, naar rechten, de uitlegging van een brief door niemand behoorlijk kan gegeven worden dan door den schrijver zelven.”

„Dit is waar in ’t algemeen,” hernam De Witt: „maar dewijl wij nu den schrijver niet hier hebben, dienen wij ons wel te vergenoegen ons, tot het bekomen der noodige ophelderingen, te wenden tot hem, aan wien de brief gericht is. De aangehaalde zinsneden en meer andere slaan blijkbaar op uitdrukkingen, door u in een schrijven aan den Heer Sylvius gebezigd.”

„Dat schijnt zoo, oppervlakkig beschouwd,” zeide Buat: „en toch is zulks liet geval niet volkomen. Indien de geheele correspondentie u werd voorgelegd, zoude liet u integendeel blijken dat de uitdrukkingen, waaraan men zich gestooten heeft, veeleer een doordraven van den Heer Sylvius op eigen denkbeelden, dan een weerslag op de mijne zijn.”

Kunt gij die vorige correspondentie overleggen?” vroeg De Witt. „Neen, Mijnheer!” antwoordde Buat: „ik heb alleen de brieven bewaard, welke ik u getoond heb, en de overige, zoowel als mijne kladden, verbrand.”

„Dat is ongelukkig,” zeide De Witt op een kouden toon, die weinig goeds voorspelde: „gij hebt u daardoor verstoken van het voornaamste, zoo niet van het eenige middel, dat ter uwer rechtvaardiging strekken kan.”

„Ik wist nog niet, dat hier sprake was van mij te rechtvaardigen,” antwoordde Buat, met fierheid: „ik dacht, dat men mij alleen om inlichtingen verzocht, niet, dat ik mij tegen een bepaalde aanklacht had te verdedigen.”

„Dat zult gij ook eerst voor den Hove behoeven te doen, verondersteld dat de Heeren het gepast oordeelen, de zaak derwaarts te verwijzen,” zeide De Witt.

„Met uw verlof,” hernam Buat: „ik wenschte wel, alvorens wij verder gaan, mij te vrijwaren van elke verkeerde gevolgtrekking, die uit mijn verschijning alhier zou kunnen worden afgeleid. Zoo ik niet geweigerd heb, aan het opontbod van Heeren Gecommitteerde Raden gehoor te geven, zoo ik mij evenzeer bereid getoond heb en nog bereid ben, inlichtingen te geven, zoo moet ik protesteeren tegen hun recht om mij te ondervragen, en ik wil mijn komst alhier, en de antwoorden, door mij gegeven, niet anders beschouwd hebben dan als daden van mijn vrijen wil, waartoe ik ten eenenmale ongehouden was.

„Wat!” riep Beveren driftig uit: „gij ontkent ons recht om u te ontbieden en in ’t verhoor te nemen! Weet gij wel, dat die ontkentenis op zich zelve reeds aan rebellie gelijkstaat? Of is ’t u onbewust dat aan ons College de bevoegdheid toekomt, om onderzoek te doen naar alle misdaden van Staat?”

„Ik zal u doen opmerken, Mijnheer Van Beveren!” antwoordde Buat: „dat ik als Ritmeester op de repartitie van Zeeland sta, en dus alleen de Staten van dat Gewest als mijn meesters ken.”

„Waarljk!” zeide Van Espenblad, goedkeurend knikkende: „niet kwaad gevonden! een fijne exceptie: ik wist niet, dat de Heer Buat zulk een jurist ware.”

„In allen gevalle is het een exceptie,” merkte Bosveldt aan: „en dienen wij er over te beraadslagen.”

„Het komt mij voor,” zeide De Witt: „dat een exceptie eerst dan te pas kan komen, wanneer er een actie bestaat; en dat, zoo aan den Heer Buat al de bevoegdheid niet kan ontzegd worden de competentie van het Hof van Holland daarmede te bestrijden, hij die niet kan opwerpen tegen dit college, ’t welk de zaak blooteljk instrueert, en de beslissing van alle rechtsvragen, uit die instructie voortspruitende, aan de bevoegde Machten moet overlaten. De vraag kan dus voor ’t oogenblik alleen zijn, of de Heer Buat nog iets heeft te voegen bij hetgeen hij ons straks gemeld heeft.”

„Ja, Mijnheer!” antwoordde Buat: „en wel, dat ik deze correspondentie niet zou gevoerd hebben, indien ik daartoe niet ware aangezocht geweest door den Heer Van Espenblad, hier tegenwoordig, die mij uit uwen naam, en in weerwil, dat ik er eerst zeer weinig zin in had  –  daartoe is komen aansporen.  –  De Heer Van Espenblad zal zulks, vertrouw ik, niet ontkennen.”

Al de oogen wendden zich op den man, wiens getuigenis werd ingeroepen.

„Wel wis niet,” zeide deze, die de interpellatie waarschijnlijk wel verwacht had: „mijn geheugen op dat punt is volkomen goed: alleen moet de Heer Buat niet vergeten, hoe hij reeds vroeger met den Heer Sylvius en anderen aan het correspondeeren was, en hoe hem dit grootmoedig vergeven werd, op voorwaarde, dat hij in ’t vervolg de brieven, die hij ontving, aan den Heer Raadpensionaris zou laten lezen; maar het is nooit de bedoeling van den Heer De Witt, noch de mijne geweest, hem als ’t ware een vrijbrief te geven, om een achterbaksche correspondentie te voeren.”

„Men heeft in dien tijd uwe handelingen verschoond,” zeide De Witt op een strengen toon tegen Buat: „en daarvan hebt gij misbruik gemaakt. Hebt gij nog iets in te brengen? anders zullen wij u verzoeken, buiten te staan en af te wachten, wat de Heeren omtrent u zullen bepalen.”

„De Heer Van Espenblad,” antwoordde Buat, terwijl hij de schouders ophaalde, „heeft ook bij vroegere gelegenheden mijn woorden en daden op eene wijze uitgelegd, die ik verre was geweest van hem te verwachten: en het bevreemdt mij thans minder dan vroeger, zoo hij wederom een onverdienden blaam op mij zoekt te werpen.”

„Genoeg!” hernam De Witt: „indien de Heer Voorzitter het gepast acht, dan zouden wij thans dit verhoor voor gesloten kunnen houden.”

„Ja,” zeide Wimmenum: „wij komen er niet veel verder mede, en wij hebben van daag meer te doen.  –  Wat dunkt den Heeren? Heeft niemand iets meer te vragen?  –  Welnu!” hier trok hij aan de schei: „Bode! geleid den Heer Buat in het voorvertrek.”

„Wel! wel!” vervolgde hij, nadat Buat zich met een stijve buiging verwijderd had: „wie had dat kunnen denken? zoo jong nog.... en aan onze beste familiën vermaagschapt……’t is een treurige zaak! Maar, wat achten de Heeren, dat nu gedaan moet worden?”

„Ik zoude,” zeide Bosveldt, „eer wij verder gaan, wel willen weten wat er is van hetgeen de Heer Buat verhaalde omtrent de aanleiding tot die correspondentie.”

„Dat kan ik aan de Heeren met twee woorden meedeelen,” antwoordde De Witt: „Buat onderhield reeds in het verleden jaar verdachte briefwisseling met Sylvius, en ik oordeelde, dat die zoude kunnen worden aangewend ten nutte van den Staat.”

„Maar,” vroeg Bosveldt: „zoo hij in ’t verleden jaar reeds correspondentie met den vijand onderhield, waarom hem dan toen niet reeds vervolgd?”

„Het mangelde aan bewijs,” antwoordde De Witt: „en bovendien, gelijk ik zeide, ik begreep, een handeling, schandelijk en strafbaar op zich zelve, tot een weldadig en geoorloofd einde te kunnen doen strekken.”

„Goed!” hernam Bosveldt: „maar dan, hoe men ’t wende of keere, is die tegenwoordige briefwisseling van Buat toch altijd door den Heer Raadpensionaris uitgelokt.”

„Nu, wat zou dat?” vroeg Van Espenblad: „zoudt gij aan een staatsman de bevoegdheid ontzeggen, welke gij den krijgsoverste toekent, om zich van verspieders te bedienen? En wordt desniettemin de verspieder niet gestraft, wanneer hij met den vijand heult?”

„Dat is alles schoon en goed,” hernam Bosveldt: „maar gij, zoowel als de Heer Raadpensionaris, gij hebt toch altijd Buat in verzoeking gebracht om te doen wat hij gedaan heeft, en voor de zedelijke rechtbank zult gij u niet licht van zekere medeplichtigheid vrij waren.”

Deze aanmerking van Bosveldt, hoezeer niet onjuist, vond echter bij de meesten der aanwezigen tegenspraak en lokte een woordenstrijd uit, die ernstig en langdurig had kunnen worden, indien Van Espenblad er geen einde aan gemaakt had.

„Mijne Heeren!” riep hij: „denkt om den tijd, en dat, terwijl wij hier zitten praten, de huisvrouw van Buat of zijn lieve schoonmoeder, die, zoo ik mij niet bedrieg, de handen in dit spel heeft, waarschijnlijk reeds van ’s mans aanhouding bewust zijn, en zich de oogenblikken ten nutte kunnen maken, om alle stukken te vernietigen, die tegen hem zouden kunnen getuigen. Ik geef in bedenking of het geen zaak ware, terstond een huiszoeking bij hem te gelasten.”

„Wat denkt de Heer Raadpensionaris over het voorstel van den Heer Van Espenblad?” vroeg Wimmenum.

„Ik acht de zaak hoogst noodig,” zeide De Witt: „en geloof insgelijks, dat er met het nemen van zoodanigen maatregel niet gedraaid moet worden, maar dadelijk door den Heer Voorzitter een paar leden behooren gecommitteerd te worden, om zich naar het huis van Buat te begeven, en zijn papieren in beslag te nemen.”

„Zult gij niet in aanmerking nemen,” vroeg Bosveldt, „in welke omstandigheid zich Mevrouw Buat bevindt, en welken noodlottigen invloed een dergelijk onverwacht bezoek op haar zou kunnen uitoefenen?”

„Ik vertrouw,” zeide De Witt, „dat de Gecommitteerden zich op bescheiden wijze van hunne taak kwijten en de noodige menagementen gebruiken zullen.”

„Gewis! gewis!” zeide Wimmenum: „ja, wie zal ik dan met de Commissie belasten?  –  mij dunkt, in de eerste plaats, den Heer Van Espenblad, die ’t voorstel gedaan heeft..., en voorts den Heer Bosveldt, die, geloof ik, nog al bevriend is met de familie: en dan dient er, als van zelf spreekt, de Heer Raadpensionaris wel bij te wezen, als ’t best met de zaak bekend. Nemen de Heeren het op zich?

„Ik ben bereid,” antwoordde Van Espenblad, zijn innerlijke tevredenheid achter een schijnbaren tegenzin verbergende: ’t is wel geen vermakelijke boodschap, die wij te verrichten hebben: maar, als plicht spreekt, mag men niet vragen wat meer of minder aangenaam zij.”

„En de Heer Bosveldt?” vroeg Wimmenum.

„Ik ben tot uw dienst,” antwoordde Bosveldt, mede niet ontevreden, dat hij een oog zou kunnen houden op de verrichtingen van Van Espenblad, dien hij weinig vertrouwde.

„Wat mij betreft,” antwoordde De Witt op den vragenden blik des Voorzitters: „de Heeren weten dat zij altijd en in alle dingen over mij kunnen beschikken.   –  Intusschen zal het noodig zijn, dat de Heer Secretaris een lastbrief voor ons opmake: ik heb wel geen vrees, dat de toegang ons geweigerd worde; maar Mevrouw Buat zou eens zwarigheid kunnen maken om een onderzoek toe te laten, en wij dienen desnoods de medehulp der gewapende macht te kunnen inroepen.”

„De Heer Secretaris zal wel aan dat billijk verzoek gevolg willen geven,” zeide Wimmenum. „Wel! wel! ’t is maar een treurig geval.  –  En wat is er thans aan de orde?”

„Ik moet u doen opmerken,” zeide De Witt, „dat de Vergadering nog niets beslist heeft aangaande Buat. Mij dunkt, indien hij zoolang in de kastelenij bewaard bleef, tot de zaak nader onderzocht is.”

„Hebben de Heeren geene bedenking tegen dat voorstel?” vroeg Wimmenum: „niet?  –  zoo wordt dienovereenkomstig besloten,  –   en ik zal dus den Heer Secretaris verzoeken, een bevelschrift op te maken voor den Kastelein.... Wel! wel! wie had dat ooit kunnen denken, dat de zaak zulk een loop zou nemen?”


[Jacob van Lennep pagina] – [27e hoofdstuk] – [29e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.