MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ELIZABETH ONTVANGT EEN ONWELKOM BEZOEK.


Elizabeth was, gelijk Buat te recht had ondersteld, in persoon aan de Jonkvrouwe Van Beverweert den voor haar bestemden brief gaan brengen, en, na een vrij lang bezoek bij haar te hebben afgelegd, weder huiswaarts gekeerd. Vermoeid naar ’t lichaam, doch recht gelukkig en tevreden van harte, gevoelde zij zich juist in de meest geschikte stemming om zich geheel te wijden aan de zoete gedachten en de blijde verwachtingen over de toekomst, welke sedert hare verklaring met Buat hare ziel vervulden, en onmerkbaar vlood de tijd heen, terwijl zij, in haar armstoel gedoken en in aangenaam gepeins verdiept, de terugkomst van haar man zat af te wachten. Reeds twee- of driemalen had de huisbel haar uit hare mijmeringen gewekt; doch telken reize had zij zich bedrogen gevonden in haar verwachting, dat het Buat was, die zich aanmeldde. Het scheen, dat al dat bellen boodschappen voor de keuken golden, althans geene daarvan kwam tot haar: en eerst nadat er voor de vierde reize was aangebeld en opengedaan geworden, verscheen Trijntje en stelde haar een briefje ter hand.

„Van wien komt dat?” vroeg Elizabeth: „hoe!” vervolgde zij, de hand op het adres herkennende: „van Mijnheer! wie heeft dat gebracht, Stijntje?”

„Een kleine jongen, Mevrouw! die dadelijk weir vertrokken is,” antwoordde Stijntje.

„’t Is wel!” zeide Elizabeth, het briefje opnemende en den inhoud lezende.

„Bij Gecommitteerde Raden!” herhaalde zij bij zich zelve: „wat heeft hij daar te doen?  –  Wie weet? misschien zullen de Heeren hem over de Engelsche correspondentie willen spreken, en die door hem voortaan op een meer officiëele wijs doen voeren:  –  ja mogelijk hem een zending opdragen. ’t Wordt toch zeker tijd, dat hij een belooning ontvange voor de moeite, welke hij zich geeft.”

En wederom in de kussens van den zorgstoel nederduikende, gaf zij zich over aan de spiegeling der lieflijkste luchtkasteelen. De avond was intusschen gevallen, en het is geen wonder? dat de droomerijen der jonge vrouw hoe langer hoe meer van fantastischen aard werden, en zij eindelijk in een verkwikkende sluimering verzonk.

Opeens werd zij gewekt door een luid herklinken van de bel aan de voordeur.

„Daar is Buat!” riep zij, blijmoedig opspringende. „En ik zit hier nog zonder licht. Stijntje! Stijntje! breng spoedig de kaarsen boven.”

En al roepende, deed zij de deur der zaal open, op hetzelfde oogenblik dat de dienstmaagd, de huisdeur ontsloten hebbende, vier personen binnenliet.

„Hij is het niet,” zeide Elizabeth, terwijl zij eenigszins teleurgesteld terugtrad, en vergeefsche moeite deed om de bezoekers, die in de donkere gang stonden, te herkennen.

„Wie zijn de Heeren?” vroeg zij eindelijk, weder vooruittredende.

„Het spijt ons, Mevrouw Buat eenige ongelegenheid te komen veroorzaken,” zeide de Raadpensionaris, insgelijks vooruittredende: „maar wij hopen, dat zij ons wel een oogenblik zal willen te woord staan.”

„Ik, Mijne Heeren?” vroeg Elizabeth, verbaasd: „waarschijnlijk zult gij mijn man meenen.... maar, in allen gevalle, komt binnen! ... Stijntje! haal licht.”

De vier Heeren kwamen binnen; er werd licht gebracht, en nu eerst kon Elizabeth hen, althans drie hunner, herkennen.. Zij beantwoordde den stijven groet van De Witt zoowel als de hoffelijke buiging van Van Espenblad met een beleefd nijgen, en zij was op het punt, Bosveldt minzaam toe te knikken, toen de sombere uitdrukking, welke op zijn gelaat te lezen was, haar een siddering door de leden joeg. Zwijgend gebood zij aan Stijntje, stoelen te zetten, wenkte haar toen zich te verwijderen, en zag nogmaals de drie Heeren vragend aan; doch hun onheilspellende blikken waren weinig geschikt om haar te bemoedigen. Wat echter  –  zij wist zelve niet waarom  –  het meest haar ongerustheid wekte, was de aanwezigheid van dien vierden, haar onbekenden persoon, die, met een portefeuille onder den arm, aan de deur bleef staan en toch zoo onbeschaamd naar boven en in de rondte keek, als wilde hij al de meubelen en de schilderijen aan den wand inventariseeren. Wat beteekende dat gezamenlijk bezoek van die drie Heeren? en zoo het niet meer dan een bezoek was? wat beteekende dan het bijzijn van dien vierde met zijn deurwaarders-physionomie? Al deze gedachten en vragen verdrongen zich bij haar, terwijl zij de bezoekers elk naar een zetel wees, en zich ook zelve nederzette. De vierde man, die niemand anders was dan een Klerk ter Griffie van de Staten, bleef staan en ging voort met zijn gluipende oogen rond te dwalen.

„Mevrouw!” begon De Witt: „zooals ik reeds zeide, het doet ons leed, ongelegen en onbescheiden te moeten wezen;  –  maar wij volgen een last, die ons is opgedragen.”

„Hoe, Mijnheer!” riep Elizabeth uit: „het is dus werkelijk meer dan een gewoon bezoek, waarmede gij mij vereert?”

„Helaas ja, Mevrouw!” antwoordde Bosveldt: „wij komen tot u met een lastbrief van Gecommitteerde Raden.”

„Bij mij?” vroeg Elizabeth, meer en meer verwonderd en onthutst: „en wat kunnen Gecommitteerde Raden van een arme vrouw als ik ben, begeeren?”

„Het is minder u, dan den Heer Buat, of liever het welzijn van den Staat, dat onze commissie geldt,” zeide De Witt.

„En,” voegde Van Espenblad er bij, „Gecommitteerde Raden hebben begrepen, dat het u aangenamer zou zijn, dat een boodschap als de onze, door goede vrienden en bekenden, dan door wildvreemde lieden werd verricht.”

„Maar gij spreekt van Buat,” zeide de jonge vrouw, zich tot De Witt wendende, wiens woorden zij vreesde maar  al te goed te verstaan: „wat is er met Buat gebeurd?” „De Heer Buat,” antwoordde De Witt  –  „het doet mij leed u dit te moeten zeggen  –  ligt onder verdenking van hoogverraad.”

„Maar wij twijfelen niet,” zeide Van Espenblad, met een geruststellenden glimlach, „of hij zal zich gemakkelijk kunnen rechtvaardigen.”

„Buat! onder verdenking van hoogverraad!” herhaalde Elizabeth, verbleekende: „maar wat heeft hij dan gedaan?” vervolgde zij, de drie Heeren beurtelings aanziende.

„Er is,” antwoordde Bosveldt, „door Sylvius een brief aan hem geschreven, die toevallig in de handen van den Heer De Witt gekomen is, en waaruit eenige verdenking tegen uw echtgenoot gerezen is.”

„Ik begrijp u,” hernam Elizabeth, die zich nu ook herinnerde dat Buat het geheele pakket had medegenomen: „maar kan men Buat verantwoordelijk stellen voor hetgeen een ander hem verkiest te schrijven?”

„Volkomen juist geredeneerd, Mevrouw!” merkte Van Espenblad met een goedkeurenden hoofdknik aan: „en daarom geloof ik, dat niemand beter in staat is om Buat te rechtvaardigen, dan gij, wanneer gij ons de overige correspondentie en de kladden zijner brieven ter hand wilt stellen.”

„De overige correspondentie?” herhaalde Elizabeth: „maar die heeft de Heer De Witt immers gezien?”

„Niet geheel, Mevrouw!” antwoordde De Witt, op een koelen toon.

„Neen,” zeide Van Espenblad: „en wat wij verlangen, zijn juist de brieven, welke de Heer Raadpensionaris niet gezien heeft:  –  en door die in onze handen te stellen, zult gij, Mevrouw! gewis aan uw man den besten dienst bewijzen.”

„Den besten dienst?” herhaalde Elizabeth, terwijl zij met een uitdrukking van ongeloovigheid de blikken van Bosveldt ondervroeg, en daarin meende te lezen, dat zij op die verzekering van zijn ambtgenoot niet te veel staat moest maken. „Maar,” vervolgde zij na eenige oogenblikken stilte: „Buat zelf moet u gezegd hebben, dat hij die correspondentie niet bewaard heeft.”

„Dat zou niet te zijnen voordeele pleiten,” zeide De Witt: „men vernietigt geene stukken, wier inhoud onschuldig is.”

„Hoe!” riep Elizabeth uit: „gij zoudt dus een aanklacht tegen Buat gronden op den onbekenden inhoud van brieven, die niet meer bestaan?”

„Gij weet alzoo stellig, Mevrouw!” vroeg Bosveldt, met een uitdrukking van tevredenheid op zijn gelaat, „dat uw echtgenoot alles heeft vernietigd, wat tot die correspondentie behoort?”

„Ja, Mijnheer!” antwoordde zij, zelve eenigszins gerustgesteld door de wijze, waarop Bosveldt hare verzekering scheen op te nemen.

„In dat geval,” zeide Van Espenblad, met moeite zijne teleurstelling verbergende, „zult gij u te minder bezwaard vinden, te gedoogen, dat wij ons kwijten van den ons opgedragen last en de papieren van den Heer Buat doorzoeken.”

„Hoe, Mijnheer!” riep Elizabeth met verontwaardiging uit: „gelooft gij mij niet op mijn woord?”

„Wie zou aan het woord eener zoo beminnelijke vrouw geen geloof hechten?” zeide Van Espenblad: „voor ons is dat woord ongetwijfeld voldoende; maar, dewijl wij verslag moeten doen van onze bevinding alhier, dienen wij ons met eigen oogen te overtuigen……het is een bloote formaliteit, niets meer.”

„Een formaliteit!” hernam Elizabeth: „het moge zijn: maar ik zal mij daaraan niet onderwerpen, noch gedoogen, dat, in de afwezigheid van mijn man, zijn papieren doorsnuffeld worden, tenzij hij daartoe zijn toestemming verleene.”

„Gij zult der rede gehoor geven,” zeide Van Espenblad op vleienden toon: „en u niet verzetten tegen een uitdrukkeljken last van Gecommitteerde Raden, van hen, die de Staten van Holland, de Hooge Overigheid in den Lande, vertegenwoordigen.”

„De Staten mogen in Holland regeeren,” zeide Elizabeth: „in dit huis regeert mijn man, en ik vertegenwoordig hem in zijne afwezigheid.” En wederom zochten hare oogen die van Bosveldt: doch deze reis vonden zij daarin de goedkeuring niet, welke zij gehoopt hadden er in te ontmoeten.

„Mevrouw!” zeide hij: „wij begrijpen en eerbiedigen uwe weigering; maar vergun mij, u als vriend te raden, dat gij u aan de noodzakelijkheid onderwerpt. De last, ons opgedragen, luidt stellig: en gij zoudt uw eigen belang en vooral dat van uw man benadeelen, indien gij u tegen onze vordering bleeft verzetten.”

„Ik heb,” zeide De Witt, „een te goeden dunk van het gezond verstand van Mevrouw Buat, om niet te weten, dat zij zeer goed beseffen zal, hoe zoodanig verzet het vermoeden zou kunnen opwekken, dat haar betuiging van zooeven maar een uitvlucht ware.”

„Mijne Heeren!” zeide Elizabeth, op vastberaden toon: „gij zijt Staatslieden, die het redeneeren gewoon zijt, en tegen wie een arme vrouw als ik niet in staat is met goed gevolg te redetwisten; maar de inspraak van mijn gevoel zegt mij, dat ik, op mijne verantwoordelijkheid, zulk een onderzoek, als gij verlangt, niet mag toestaan.”

„ Die verantwoordelijkheid nemen wij voor ons, Mevrouw!” zeide De Witt: „en, het spijt mij u dit te moeten zeggen, wij hebben niet alleen den wil, maar ook de macht den ons opgedragen last te volbrengen.”

„De macht!” herhaalde Elizabeth, met bitterheid: „ik zie het, vier mannen tegen eene zwakke vrouw. En gij, Mijnheer Bosveldt! gij zoudt kunnen medewerken tot het plegen eener gewelddadigheid als deze?”

Bosveldt zuchtte en haalde de schouders op; terwijl van Espenblad, begrijpende, dat hij het doel, waartoe hij met zijn Ambtgenooten gekomen was, niet beter noch spoediger zou bereiken, dan door Elizabeth schrik aan te jagen, zich haastte haar te antwoorden:

„Helaas ja, Mevrouw! wij zijn met ons vieren: en toch, in geval van tegenstreving uwerzijds, zouden wij het niet zijn, die dat geweld pleegden, waar gij beducht voor zijt. Neen! in dat geval zouden wij een boodschap zenden aan den Heer Fiskaal, en gij zoudt uw huis door de dienaars der Justitie ingenomen zien, die op een minder bescheiden wijze zouden verrichten, wat gij niet hadt willen vergunnen dat door ons gedaan werd.”

„Hoe, Mijnheer!” riep Elizabeth, met ontzetting: „Dienaars der Justitie in mijn huis!……

„Gewis, Mevrouw!” antwoordde Van Espenblad, met genoegen den indruk bespeurende, door zijn woorden teweeggebracht: „maar wij vertrouwen immers dat gij verstandig zijt en alle uitersten voorkomen zult. Het is voor u en voor uw man veel voordeeliger, dat het verlangde onderzoek door ons, met uwe hulp en medewerking, in alle stilte en naar onderling genoegen plaats hebbe, dan dat ruwe lieden zonder opvoeding in uwe woning dringen, uw fraaie vloermatten en loopers vuilmaken, uw meubelen bederven, uw kisten en kasten openbreken en een burengerucht verwekken?  –  zonder nog te spreken van de straf, welke gij door een nuttelooze halsstarrigheid op u laden zoudt.”

„Het is genoeg, Mijne Heeren!” zeide Elizabeth, terwijl de uitdrukking van haar stem toonde, hoeveel het haar kostte, dus te spreken: „gij hebt gedreigd, geweld te gebruiken, en daarvoor moet ik zwichten. De gevolgen komen voor uwe rekening.”

„Geheel en al,” zeide De Witt: „mag ik u dan vragen, waar de Heer Buat zijn brieven en papieren bewaart?”De brievenkoffer van Ritmeester Buat wordt door Van Espenblad, De Witt onder toezicht van een secretaris in het bijzijn van mevrouw Buat doorzocht.

„In een koffertje, dat in het voorvertrek staat,” antwoordde Elizabeth.

„Zeer goed,” hernam De Witt: „en is dat koffertje open of gesloten?”

„Dat koffertje is gesloten,” antwoordde zij.

„En berust de sleutel bij den Heer Buat of bij u? ’t Is maar,” vervolgde De Witt, hare aarzeling bespeurende, „omdat wij in het eerste geval genoodzaakt zouden wezen, om een smid te zenden.”

„Gij behoeft die moeite niet te doen,” zeide Elizabeth, haar sleutelring van haar zijde loshakende: „ik kan u overal rondbrengen.”

„In dat geval volgen wij u,” zeide De Witt, een der kandelaars van de tafel nemende. „Stevensz! gij zorgt behoorlijke aanteekening te houden van onze verrichtingen.”

„Als ’t u belieft, Mijnheer!” antwoordde de klerk, met een diepe buiging, terwijl hij de portefeuille, die hij onder den arm hield, opende, en er een boek schrijfpapier uit haalde, benevens een pen, welke hij zich achter het oor stak.

Met een vasten tred ging nu Elizabeth den Gecommitteerden naar de zijkamer voor: aldaar gekomen, opende zij een ebbenhouten koffertje, dat op vier gedraaide pooten tusschen de ramen stond. Stevensz plaatste zich aan de tafel, gereed om op te teekenen wat men hem zou gelasten. Bosveldt ging met een bedrukt gelaat nevens hem zitten: De Witt bleef staan en hield zijn doordringende oogen niet af van Elizabeth, overtuigd dat haar houding of haar blik het hem vooraf verraden zouden, ingeval er iets verdachts in het een of ander der te doorzoeken papieren school: Van Espenblad eindelijk had zich terstond met een ongeduldige nieuwsgierigheid, welke hij niet langer poogde te verbergen, voor het koffertje geplaatst en er den gretigen blik in laten weiden.

„Wat is dat?” vroeg hij, een bundel papieren voor den dag halende, dien hij op tafel nederwierp.

„Dat zijn de bewijzen van eigendom onzer heerljkheden in Frankrijk,” zeide Elizabeth, er een oog op slaande.

„Zeer juist,” zeide Van Espenblad, nadat een vluchtig onderzoek hem de overtuiging verschaft had, dat hij in dien bundel niet zou vinden wat hij hoopte: „en wat is dit?” vroeg hij, een ander stuk opnemende.

„Het geslachtregister van mijn man,” antwoordde Elizabeth.

„Hm, ja!” hernam Van Espenblad, met een boozen glimlach: „zijn voorouders worden van geen misdaad beschuldigd, en wij kunnen hen dus met vrede laten.”

„Ik vertrouw, dat hun nazaat hunner waardig is gebleven,” zeide Elizabeth, met bitse fierheid.

„Ik hoop het voor hem,” hernam Van Espenblad.

„Wat hebt gij daar?” vroeg De Witt, bespeurende dat Elizabeth kleurde op het zien van een pakket, ’t welk Van Espenblad voor den dag haalde, en vermoedende, dat daar in iets gewichtigs in schuilen zou.

„O!” zeide hij, toen Van Espenblad den rooden band had losgemaakt, waarmee het omwonden was: „het zijn slechts rekeningen.”

 „Mij dunkt, wij kunnen ons de moeite besparen, van dit na te zien,” zeide Bosveldt, ontwarende welk onaangenaam gevoel bij Elizabeth was opgerezen: „een wollenaaister en een passementwerker zijn toch geen lieden, met wie men aanslagen smeedt.”

„Hm! hm! zeg dat niet,” hernam Van Espenblad, die juist een rekening van meester Florisz in de hand had: „daar is onder anderen deze kapper hier…… ik behoor nog wel tot zijne klanten; maar ik heb in de laatste dagen dingen van hem vernomen, die mij zouden doen vreezen hem mijn hoofd langer toe te vertrouwen: en daar is die zilversmid Verhoef en die wijnkooper Van Rijp: mede onrustige gasten ...

„Doch daarom mag Mevrouw toch wel armboeien bij den eenen laten maken of wijn van den anderen drinken,” zeide Bosveldt, verontwaardigd over de onbescheid ene nasporingen van zijn ambtgenoot.

„Wij zullen dan maar die rekeningen bij de voorouders leggen,” hernam Van Espenblad, „en tot wat anders overgaan. Gij zult intusschen opteekenen, Stevensz! dat wij een pak onbetaalde rekeningen hebben gevonden, tot een vrij aanzienlijk bedrag.”

„Maar Mijnheer ” zeide Elizabeth, half stikkende van schaamte, en met tranen in de oogen.

„Wat behoeft dat opgeteekend?” vroeg Bosveldt: „en wat gaan Gecommitteerden Raden de huiselijke omstandigheden aan van den Heer Buat!”

„Hm!” zeide Van Espenblad: „het schijnt uit die rekeningen te blijken, dat de Heer Buat zich in geldverlegenheid bevindt..., en geldverlegenheid geeft soms den sleutel tot handelingen, die anders onverklaarbaar zijn.  –  Maar, gaan wij verder; wat is dit?”

„De hand van den ouden Heer Cats,” zeide De Witt: „een handschrift van ’s mans Hofgedachten.”

„Die de vrome man aan mij en aan zijn overige kleindochters opdroeg,” zeide Elizabeth.

„Het ware te wenschen, dat zijn raadgevingen door die van zijnen huize voortdurend in acht waren genomen,” merkte De Witt aan.

„Fraaie gedichten,” zeide Van Espenblad, terwijl hij het handschrift, na het even doorbladerd te hebben, op een onverschillige wijze ter zijde schoof: „ik wilde dat ik meer tijd had om ze te lezen. Wat verder:  –  deze papieren…… ha! dat is uw huwelijkscontract, Mevrouw!…… en dit……

„Alle familiepapieren,” antwoordde Elizabeth.

„Maar hier zijn brieven,” hernam Van Espenblad.

„Die betrekking hebben op de bezittingen van mijn man in Frankrijk.”

„Inderdaad!” zeide Van Espenblad, terwijl hij die doorliep: „en meest van oude dagteekening. Maar wacht, hier geloof ik, dat ik de correspondentie vind, die wij zochten :”  –  en meteen hield hij aan De Witt een nieuw pakket brieven voor.

„Inderdaad!” zeide deze, na ze even te hebben doorgekeken: „dit zijn brieven der Heeren Bennet en Sylvius!  –  ja! deze heeft mij de Heer Buat alle laten lezen.  –  Met dat al, wij zullen ze van de overige papieren afzonderen en er aanteekening van houden, opdat zij dienen ter plaatse waar het behooren zal.”

„Maar er moeten er toch nog andere zijn.” zeide Van Espenblad, met kwalijk verborgen spijt in het koffertje snuffelende: „wat is dit?”

En meteen bracht hij een klein net gevouwen biljet te voorschijn, van twee kleine lakjes voorzien, aan welke zich nog de einden bevonden van een oranje-zijden draad, waarmede zij aan elkander waren gebonden geweest.

Een brief van Koning Karel II!” riep hij, toen hij, bij het licht der kaars, het wapen van Engeland met de letters C. R. (Charles Rex) op het lak gelezen had: „die kan belangrijk zijn.”

En werkelijk, het briefje was belangrijk: het was in ’t Fransch, geheel met de keurig nette hand van den Britschen Monarch geschreven en luidde, overgezet zijnde, aldus:

    „Buat, tot heden om de gevolgtrekkingen, die anderen
„er uit zouden halen, hebbende uitgesteld, te voldoen aan
„de aanzoeken, die uwe vrienden bij mij doen, om u
„een vaste betrekking te verschaffen, heb ik er echter volgaarne
„in toegestemd om u te verzekeren, dat een gebrek aan
„formaliteiten u niet van een goede uitkomst versteken zal,
„mij wel herinnerende de diensten, welke gij bewezen hebt
„aan mijn zwager, den Prins van Oranje, en die welke gij
„bij voortduring bewijst aan mijn Neef. Neem uwe maatregelen
„dienovereenkomstig; ik verzeker u van mijne vriendschap,
„die u nooit ontbreken zal.

Charles R.”

 „En de dagteekening?” vroeg De Witt, die de kalmte op gemerkt had, waarmede Elizabeth dien brief door Van Espenblad had hooren voorlezen.

„25 Maart 1664,” antwoordde deze, zich de lippen bijtende. „In dien tijd kon een brief van Koning Karel niet als misdaad worden toegerekend,” merkte Bosveldt aan, met een spotachtigen lach.

„Uw man stelt gewis veel prijs op dien brief?” vroeg De Witt aan Elizabeth.

„Mijn man is altijd dankbaar geweest jegens hen, van wie hij bewijzen van welwillendheid genoten heeft,” antwoordde Elizabeth.

„Dan verschilt hij van zijn Patroon,” zeide De Witt, droog: „want die toont zich hoogst ondankbaar tegen de Heeren Staten, die zich zijner hebben aangetrokken, toen hij een zwervende balling was.  –  Wat heeft de Heer Van Espenblad daar?”

„Brieven van Zijn Hoogheid en van Mevrouw de Princesse-Douairière,” antwoordde deze: „waarbij zij aan den Heer Buat een goede betrekking beloven..., doch beide zijn ook ongeveer vier jaren oud.... de brieven namelijk,” voegde hij er bij, zijn vrij ongepaste aardigheid met een lach vergezeld doende gaan.

„Hunne Hoogheden zijn altijd goed voor ons geweest,” zeide Elizabeth, zich een traan uit het oog wisschende: „de macht heeft hun meer dan de wil ontbroken.”

„Ik ben overtuigd, dat gij zulks betreurt,” zeide De Witt: „wat verder?”

„Ha!” zeide Van Espenblad, na een brief, welken hij in de hand hield, haastig doorloopen te hebben, en terwijl zich een blijde uitdrukking op zijn gelaat vertoonde: „dit stuk is ook van oude dagteekening; doch het is er niet minder merkwaardig om. Luistert, Mijne Heeren!”

En meteen las hij den brief voor, waarvan de vertaling volgt:

„Aan den Heer Buat, Kapitein enz. te Londen.

 Mijnheer!

    „Mijn afwezigheid uit de stad Middelburg heeft mij verhinderd
„met de laatste post uwen brief van 31 December te beantwoorden;
„ik ben verheugd geweest over den beteren staat uwer gezondheid,
„en bid God, dat Hij u lang daarbij beware. Ik vind mij wederom
„aan u verplicht voor uwen brief van den 7den dezer maand; ofschoon
„hetgene gij mij meldt aangaande den dood van Mevrouw-Royaal
„mij bitter bedroeft, gelijk ieder er hier ook zeer over is aangedaan:
„’t is voorwaar een groot verlies voor den Heere Prince en voor
„den Staat in ’t algemeen; want wij weten dat zij vol gehechtheid
„was voor ons land. Wij hebben den brief van den Koning ontvangen,
„waarbij Z. M. kennis geeft van den dood zijner zuster, en aan
„de Staten van Zeeland de belangen aanbeveelt van den kleinen Prins.
„Men zal niet nalaten daarop te antwoorden met den Heer Arnerer,
„die den gezegden brief heeft overgebracht. Ik hoop, dat Z. M. blijven zal
„in de gevoelens, welke zij u betuigd heeft betreffende de herstelling van
„den Heere Prince in de waardigheden zijner Voorzaten. Allen, die aan
„des Prinsen Huis gehecht zijn, zullen daardoor sterk bemoedigd zijn
„om krachtiger te handelen, dan zij tot heden gedaan hebben, en zij, die
„aan het wankelen geraakt zijn, zullen ongetwijfeld terugkeeren. Ik ben
„nieuwsgierig te vernemen of Z. M. niet, uit krachte zijner voogdijschap,
„aanspraak zal maken op de verkiezing der Overheid van Vlissingen en
„andere plaatsen, gelijk Mevrouw de Princes-Royaal gedurende haar leven
„gedaan heeft: en daar dit de belangen mijner vrienden geldt, verzoek ik u,
er mij kennis van te doen dragen, zoodra gij er iets van weet, ten einde wij
er onze zaken naar kunnen regelen. Er gebeurt hier niets, der mededeeling
waardig, behalve dat vele lieden in Holland en hier van meening zijn, dat
de onderhandeling met Engeland niet naar ons genoegen zal uitvallen,
in acht nemende het verzoek van den Heer Van Beverweert, om van
het Gezantschap verschoond te blijven, omdat Z. M. een gift aan
zijn zoon gedaan heeft; want zij beschouwen zulks als een bloot
voorwendsel, om de zWarigheden, welke hij daarin voorziet, te ontgaan.
Zoo ik u in dezen oord van eenigen dienst kan zijn, verzoek ik u,
mij niet te sparen.

 „Mijnheer!

Uw Zeer Ootmoedige Dienaar,

C. J. INGELS.

„Middelburg,

„den 15den Jan. 1661.

„Het schijnt,” zeide De Witt, „dat men sedert lang reeds het oog op den Heer Buat geslagen heeft, om de verheffing des Prinsen te bevorderen.”

„Het is sedert lang bekend,” antwoordde Elizabeth, met wrevel, „dat mijn man gehecht is aan het Huis van Oranje: en het is niet te verwonderen, dat men de bewijzen daarvan onder zijn papieren vindt.”

„Wij zullen intusschen den brief van wijlen den Heer Ingels met die van de Hooge Personages bij de Engelsche correspondentie voegen,” zeide De Witt: „vindt gij nog iets, Mijnheer Van Espenhlad?”

„Niets meer,” antwoordde deze, „dan dit biljet van 2 Maart j.l., waarbij de Heer Van Renswoude kopie verzoekt van den laatsten brief, dien Buat uit Engeland ontvangen heeft.”

„Uw man maakte dus geen geheim van die correspondentie?” zeide De Witt tegen Elizabeth.

„Neen, Mijnheer!” antwoordde deze: „dewijl hij u die mededeelde.”

„’t Is wel!” hernam De Witt: „leg ook dien brief bij de overige, dan kunnen wij al wat geen betrekking heeft op de zaak, voor welke wij hier komen, weder wegsluiten.”

„Hier zijn toch geen geheime laden?” vroeg Van Espenblad op een verdrietigen toon, terwijl hij aan alle zijden op het beschot van het koffertje tikte.

„Mij dunkt,” zeide Bosveldt, innerlijk verblijd over de teleurstelling, die op het gelaat van zijn ambtgenoot zichtbaar was: „wij konden het nu hier voor gezien houden.”

„Wij zullen dan maar weer naar achteren gaan,” hernam Van Espenblad, na rondgekeken te hebben of hij ook eenige kast in den muur zag.

„Dat kabinet op de zaal bevat toch geen papieren,” vroeg De Witt aan Elizabeth, terwijl zij zich alle vijf weder derwaarts begaven.

„De Heeren kunnen er zich van verzekeren,” antwoordde zij, den sleutel voor den dag halende.

„Al ware het maar om ons te overtuigen van de goede orde, welke er ongetwijfeld heerscht,” zeide Van Espenblad met een beleefde buiging, terwijl Elizabeth het kabinet opensloot.

Tot groote spijt van Van Espenblad bevatte het niets dan linnengoed en kleedingstukken: en reeds was hij op het punt om voor te stellen, nu ook de bovenvertrekken te gaan onderzoeken, toen de klerk, wiens katoogen eiken hoek bespied hadden, hem influisterde:

„Daar onder dat penant-tafeltje staat nog een verlakte doos.”

Ja, inderdaad!” zeide Van Espenblad, halfluid: „die doos ziet er juist uit als een geschikte bergplaats voor belangrijke papieren.”

„Zij bevat alleen voorwerpen, die tot mijn toilet behooren, en dergelijke snuisterijen,” zeide Elizabeth, terwijl zij de doos op tafel zette.

„ ’t Is maar voor den vorm,” hernam Van Espenblad: „heeft Mevrouw den sleutel bij de hand?”

„Hier is hij,” antwoordde Elizabeth.

„Inderdaad!” zeide Van Espenblad, na de doos geopend te hebben: „ringen, reukdoosjes, beursjes, enz. enz...., maar hier zijn toch ook papieren.”

„Ja!” zeide Elizabeth, de schouders ophalende, „verzen, bij gelegenheid van ons huwelijk gemaakt, recepten en dergelijke onbeduidende dingen meer.”

Op dit oogenblik zweeg zij plotseling en werd zoo bleek als een lijk.

„Wat schort u, Mevrouw?” vroeg De Witt, haar scherp aanziende: „wil ik de dienstmaagd roepen? Bevindt gij u ongesteld?”

’t Is niets,” antwoordde zij: „’t zal wel overgaan; maar dit onderzoek is mij zoo pijnlijk....”

De ware reden van de ontsteltenis, die haar plotseling bevangen had, was, dat zij eensklaps zich het opstel herinnerd had, ’t welk zij op den avond van de partij bij de Princesse-Douairière in die doos had gelegd, om het er later uit te nemen en waaraan zij in al dien tijd niet gedacht had.

Dat plotseling verbleeken van Elizabeth had bij De Witt de vaste overtuiging doen ontstaan, dat die doos eenig gewichtig stuk bevatten moest.

„Zoek maar goed,” zeide hij tegen Van Espenblad, die reeds gereedstond het deksel dicht te werpen: „er zijn soms recepten wier inhoud belangrijk is.”

„Zoudt gij denken?” vroeg Van Espenblad, die zijn meening vatte en nu met nieuwen ijver de papieren doorsnuffelde. opeens ontdekte hij er een, die van de overige in vorm verschilde.

„Mij dunkt,” zeide hij, „dit recept handelt van iets anders dan van koken en van inmaken. Ha! wat zie ik!” riep hij uit, terwijl zijn oogen van genoegen glinsterden bij de lezing van het stuk, dat hij in handen hield.

„Wat is het?” vroeg haastig De Witt, terwijl Bosveldt zelf even bleek werd als de arme vrouw des huizes.

„Lees zelf,” antwoordde Van Espenblad, hem het stuk voorhoudende, zonder het echter los te laten. Het was de kladde, door Elizabeth geschreven en waarvan in het Negentiende Hoofdstuk de inhoud opgegeven staat.

„Dit is een opstel van een brief,” zeide Bosveldt, een bezorgden blik op Elizabeth werpende.

„Ja,” riep deze uit, terwijl zij, overstelpt door hare gewaarwordingen, in een stoel nederviel: „ja, dat is een opstel van een brief aan Sylvius....; maar dat opstel zelf, het is niet door Buat geschreven.”

„Inderdaad!” merkte Bosveldt aan: „dat is niet de hand van Buat.”

„Maar toch dezelfde, die deze recepten schreef,” zeide Van Espenblad, den brief met de recepten vergelijkende.

„Mijne Heeren!” zeide Elizabeth: „indien dit opstel iets misdadigs bevat, straft er mij dan voor: ik ben de schrijfster.”

„Dan toch waarschijnlijk in de hoedanigheid van Secretaris van uw man,” hernam De Witt, op een, wel verschoonenden, maar tevens ernstigen toon.

„En bovendien,” vervolgde Elizabeth, die zich nu alles voor den geest terugriep, wat bij gelegenheid van het schrijven van dien brief had plaats gehad: „dat opstel is letterlijk niet meer dan een klad, en de brief is nooit, zóó als die daar ligt, verzonden.”

„Ziedaar wat nader onderzocht zal moeten worden,” zeide De Witt, terwijl Van Espenblad de papieren, in de doos vervat, nogmaals, doch deze reis zonder gevolg, doorsnuffelde: „in allen gevalle zal dit document aan Gecommitteerde Raden moeten worden overgelegd.  –  Stevensz, gij zult het met de overige in eenen omslag doen.”

„En Buat?” vroeg Elizabeth met een bevende stem: „zal hij van avond niet bij mij terugkomen? Men zal hem toch niet....” zij dorst niet uitspreken wat zij wilde vragen.

„Helaas ja, Mevrouw!” antwoordde De Witt, de schouders ophalende: „men zal hem waarschijnlijk aan een nader verhoor onderwerpen: en gij moet u niet voorstellen, hem hedenavond bij u te zien.”

„Maar dan wil ik bij hem gaan, en...

„Daartoe zal, vrees ik, het verlof u geweigerd worden,” hernam De Witt: en zelfs het grieft mij innig zulk een maatregel te moeten nemen  –  maar deze Heeren zullen, geloof ik, met mij van gevoelen zijn, dat na het vinden van dit opstel, en na de bekentenis van Mevrouw, dat zij het met hare hand geschreven heeft, en alzoo medeplichtig is aan de handelingen van haar man...

„Ja gewis ben ik medeplichtig,” riep Elizabeth met levendigheid uit: „zoo mijn man iets gedaan heeft, dat verkeerd is, dan ben ik er schuldiger aan dan hij, en zoo hij gekerkerd wordt, dan moet ik zijn kerker met hem deelen.”

„Zeer grootmoedig van u gedacht, Mevrouw!” hernam De Witt: „maar wij zijn er nog niet aan toe, om een vervolging tegen u te gelasten. Intusschen, nu het blijkt, dat gij mede van de correspondentie geweten hebt, zult gij u niet verwonderen, dat wij u eenige inlichtingen vragen.”

„Zouden wij daarmee niet tot morgen wachten,” vroeg Bosveldt, die niet zonder reden beducht was, dat het verhoor, ’t welk De Witt haar wilde doen ondergaan, alleen strekken zou om nieuwe bezwaren tegen Buat, misschien ook tegen andere Prinsgezinden, te doen ontstaan: „Mevrouw zal nu gewis te vermoeid en te ontsteld zijn om ons behoorlijk te woord te staan.”

„Ik wilde mede wel,” zeide Van Espenblad, die zeer wel het inzicht van Bosveldt raadde en reeds begon te vreezen, dat De Witt er aan zou toegeven, „ik wilde mede wel, dat wij dit verhoor en alle verdere onaangenaamheden aan Mevrouw besparen konden. Maar misschien kan zij ons, nu reeds, ophelderingen geven, waardoor de schuld van haar man grootendeels verminderd wordt.”

„O gewis!” zeide Elizabeth: „dat kan ik  –  en het verhoor behoeft niet uitgesteld te worden. Ik gevoel mij sterk genoeg om te antwoorden op wat mij gevraagd kan worden.”

Welnu dan!” hernam De Witt, terwijl Van Espenblad een triomfeerenden blik op Bosveldt wierp: „de Heer Buat is zeker niet uit eigen beweging tot het voeren dier correspondentie gekomen.”

„Ik geloof,” antwoordde Elizabeth, „dat, zoo iemand hem daartoe bepraat heeft, het, in de eerste plaats, de Heer Van Espenblad is geweest.”

„Niet kwaad!” dacht Bosveldt, terwijl hij glimlachend zijn ambtgenoot aanzag.

„Zeer waar,” zeide deze, zonder van zijn stuk te geraken: „doch ik heb hem uitgenoodigd, een correspondentie te voeren ten dienste van den Staat, en met voorkennis van den Heer Raadpensionaris.... en nu blijkt het, dat hij er nog eene op zijn eigen hand gevoerd heeft, en met geheel andere bedoelingen.”

„Zoodat,” hernam Elizabeth: „een correspondentie, gevoerd met medeweten van een Lid of Dienaar der Hooge Overigheid, niet schuldig zou wezen.”

„Volkomen juist aangemerkt,” antwoordde Van Espenblad.

„Welnu,” hernam Elizabeth, zegevierend opziende, „dan is Buat ook niet schuldig: want hij heeft die tweede correspondentie aangevangen en voortgezet op het aansporen en met voorkennis der Heeren Van der Horst en Kievit, die evenzeer Leden der Hooge Overigheid zijn als UEd. of de Heer De Witt.” „De ongelukkige!” dacht Bosveldt: „zij bederft alles, nu zij alles meent te redden.”

„Hebt gij dat antwoord van Mevrouw opgeschreven, Stevensz?” vroeg Van Espenblad aan den klerk, terwijl hij Elizabeth aanzag met een bljden lach, waarin zij een goedkeuring las van haar redeneering; doch die werkelijk ontsproot uit het genoegen, dat hij ondervond, van haar die beschuldiging tegen twee voorname Prinsgezinden ontlokt te hebben.

„Inderdaad, Mevrouw!” zeide De Witt, het hoofd met treurigen ernst schuddende: „wat gij daar zegt, verandert de zaak merkeljk. En mag ik u vragen, was ook Admiraal Tromp niet in deze zaak betrokken?”

„Neen, Mijnheer!” antwoordde Elizabeth, op een toon van waarheid, die De Witt dadeljk overtuigde.

„Maar toch de Heer Van Heenvliet?” vroeg Van Espenblad.

„Ik weet wel, dat Buat hem nu en dan tijdingen heeft medegedeeld,” antwoordde Elizabeth, „maar, zooverre mij bewust is, is het daarbij gebleven.”

„En heeft uw man,” vervolgde Van Espenblad, „toen de Heer Sylvius hier was, ook geene conferentiën gehad met hem en met den Heer De Gourville?”

„Ik geloof,” antwoordde Elizabeth, „dat de Heer Van Espenblad bij eene daarvan is tegenwoordig geweest.”

„Schrijf toch alles goed op, Stevensz!” zeide Bosveldt, een spotachtigen blik op Van Espenblad werpende.

„Dat is te zeggen,” hernam deze, die niet wist, of Elizabeth al dan niet bekend was met de geheime overkomst van Arlington: en er niet op gesteld was, dat er uitlekte van de hulp, welke hij dezen had verleend, om uit Den Haag te komen: „dat is te zeggen, ik heb het alleen noodig geacht, hem bij zekere gelegenheid tot voorzichtigheid te manen:  –  en het doet mij leed, dat zij mijn raad niet beter hebben in acht genomen.”

„Nu nog ééne vraag, Mevrouw!” zeide De Witt: „en dan zullen wij u niet langer lastig vallen: had de correspondentie met voorkennis van Zijne Hoogheid plaats?” Elizabeth stond op het punt van te antwoorden, toen zij den angstigen blik zag, welken Bosveldt op haar wierp: zij begreep dien blik, en, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide zij met fierheid:

„Ik geloof, Mijnheer De Witt! dat gij niet van mij zult vergen, een woord te uiten, dat later kon aangevoerd worden tegen den zoon der weldoeners mijner familie en van die van Buat. Intusschen, zooverre ik iets verzekeren kan, neen! Zijne Hoogheid is nooit in die correspondentie gemoeid geweest.”

Bosveldt haalde diep adem, als iemand, die van een zwaar pak ontlast wordt; maar ook De Witt legde door een goedkeurend hoofdknikken zijn tevredenheid over Elizabeths verzekering aan den dag.

„En nu, dunkt mij,” zeide de eerstgenoemde, „konden wij onze taak alhier voor voleindigd rekenen en aan Mevrouw de rust gunnen, welke zij gewis behoeven zal.”

,.Ik zou niets liever wenschen,” zeide De Witt: „maar ik geloof, dat de plicht nog op ons rust, aleer wij vertrekken, de kasten en kisten te verzegelen. Ons onderzoek is maar vluchtig geweest, en er kon nog hier of daar iets schuilen, dat ons ontsnapt is.”

Van Espenblad knikte goedkeurend, en Bosveldt, geen gegronde bedenking tegen het voorstel in kunnende brengen, begreep te moeten gedoogen wat hij niet verhinderen kon.

„Verlangt Mevrouw Buat, dat wij inmiddels om iemand van haar familie sturen?” vroeg De Witt: „ik begrijp, dat zij, na ons vertrek, en in haren toestand, behoefte aan gezelschap en vertroosting hebben zal.”

„Wil ik een briefje schrijven aan Mevrouw Musch?” vroeg Bosveldt: en het stilzwijgen van Elizabeth, die zich in diepen kommer had nedergezet, als een toestemming opvattende, vatte hij de pen en richtte een paar regelen aan de Weduwe, waarin hij haar uitnoodigde. terstond hij haar dochter te komen, die zich ongesteld gevoelde. Het briefje voorgelezen en dichtgemaakt hebbende, liet hij het door Stijntje aan een boodschaplooper brengen, met last om het terstond te bezorgen. Inmiddels had Van Espenblad, met behulp van den klerk, het kabinet en de kast in de voorkamer verzegeld.

„Heeft Mevrouw ook nog het een of ander uit hare kasten hier boven noodig, eer wij tot de verzegeling overgaan?” vroeg De Witt.

Elizabeth schudde zwijgend het hoofd, en, een kandelaar opnemende, ging zij de Heeren voor naar de slaapkamer. Niet weinig keek het kindermeisje op, ’t welk, sedert de terugkomst van het echtpaar te ’s-Gravenhage, ter oppassing van het kleine Betje in hun dienst gekomen was, en nu naast de wieg van het kind zat te dutten, bij het onverwachte bezoek.

„Er zijn hier twee kasten en eene kist,” zeide De Witt, rondziende: „wilt gij er niet eerst uitkrijgen, wat gij behoeft?”

Zonder een woord te spreken maakte Elizabeth gebruik van de gegeven vergunning, haalde eenig lijnwaad en ander goed uit de kast, en toen, zich tot De Witt wendende:

„Waar,” vroeg zij, „brengt mijn man den nacht door?”

„Voorloopig in de kastelenij, Mevrouw!” antwoordde De Witt.

„Voorloopig!” herhaalde Elizabeth: „die gevangenis kan dus nog eenigen tijd duren?”

De Witt haalde zwijgend de schouders op.

„Nu! wat daarvan zij,” hernam zij: „hij zal nachtgoed en verschooning noodig hebben. Elsje! krijg de japon, de muilen en den huispels van Mijnheer.” En terwijl het dienstmeisje met verbazing en ontsteltenis, aan dien last voldeed, maakte Elizabeth een pakje gereed van het linnengoed, ’t welk zij begreep, dat Buat zou behoeven.

„Het is toch niet verboden, hem dit een en ander te zenden?” vroeg zij toen.

„Volstrekt niet, Mevrouw!” antwoordde De Witt: „en daar het niet noodig is, dat de gevangenzetting van den Ritmeester reeds hedenavond ruchtbaar worde onder kruiers en boodschaploopers, zoo zal ik den kastelein zelven hier zenden om het goed te halen.”

„Ik bedank u,” zeide Elizabeth: „en wanneer denkt gij, dat ik mijn man zal kunnen zien?”

„Ik vrees,” antwoordde De Witt, „dat de Heer Buat buiten toegang zal moeten blijven, totdat zijn lot op de eene of andere wijze is beslist.”

De jonge vrouw boog het hoofd zonder te antwoorden. Toen nam zij den kandelaar weder op en zeide:

„Gelieven de Heeren thans de logeer- en kleedkamers te zien om zich te verzekeren, dat zich daarin niets bevindt, ’t welk achterdocht kan verwekken?”

De Witt gaf door een buiging zijn toestemming te kennen en volgde met de overigen Elizabeth naar de genoemde vertrekken, waar zich de Gecommitteerden tot een vluchtig onderzoek bepaalden. Allen keerden hierop naar de slaapkamer terug.

„Wij zullen u thans van ons bijzijn ontslaan,” zeide De Witt: „doch vóór wij gaan, heb ik mij, zij het ook met leedwezen, van éénen plicht te kwijten. Gij zijt een te wakkere en schrandere vrouw, om niet te beseffen, dat wij in de bestaande omstandigheden, en bij de verdenkingen, die op uw man en gedeeltelijk ook op u rusten, u niet kunnen veroorloven, uwe woning te verlaten.”

„Ik gevoel daar ook weinig neiging toe,” antwoordde Elizabeth op een koelen toon: „ik zou het alleen verlangen om Buat te gaan zien;  –  doch dewijl mij dat verboden wordt, blijf ik al zoo lief thuis.”

„Gij geeft mij dus uw woord,” hernam De Witt: „wij zullen daarop afgaan, en u in dat geval geen bewaker sturen;  –  niet waar, Mijne Heeren?”

De beide Heeren bogen toestemmend.

„Ik geef u mijn woord, en ik dank u,” antwoordde Elizabeth, kregelig: „Elsje! licht de Heeren de trap af.”

De Gecommitteerden namen met een beleefde buiging hun afscheid. Bosveldt echter drukte, eer hij vertrok, Elizabeth de hand.

„Kan ik nog iets voor u doen?” vroeg hij.

„Ik dank u,” antwoordde zij: „al wat ik thans wensch, is, alleen te zijn.”

„Die vrouw neemt de zaak nogal kalm op en toont weinig gevoel,” zeide De Witt tegen zijn mede-Gecommitteerden, toen zij zich op straat bevonden.

Mevrouw Buat  zijgt bleekt en sprakeloos ineen.

De blik van De Witt had zijn gelijke niet in scherpte;  –  maar in het vrouwenhart wist hij niet door te dringen. Zoolang de Heeren bij haar waren, had Elizabeth begrepen, dat het belang van haar echtgenoot haar verbood, aan haar droefheid toe te geven, en zij had, met een schier bovenmenschelIjke inspanning, zich zelve geweld aangedaan; maar toen Elsje weder bovenkwam, vond zij hare meesteres steenbleek en sprakeloos neergezegen naast het wiegje van haar kind, het wiegekleed, dat zij opengeslagen had, krampachtig in de hand klemmende.


[Jacob van Lennep pagina] – [28e hoofdstuk] – [30e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.