MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN MR. FLORISZ ALS CHIRURGIJN EN ALS SAMENZWEERDER OPTREEDT.


„Mijn hemel! wat is er toch gebeurd?” vroeg Mevrouw Musch, toen zij eenige minuten later door Stijntje werd ingelaten: „ik krijg daar een briefje van den Heer Bosveldt, dat mijn dochter niet wel is, en dat ik terstond hij haar komen moet.”

„Och! ik weit het niet,” antwoordde Stijntje, met een stem, die door huilen en snikken werd afgebroken : „er mot iets met Menheir zijn gebeurd; er bennen hier vier manspersonen geweest, die alles hebben gevisenteird, en straks een keirel, die het nachtgoed van Menheir is komen halen: en Mevrouw leit boven as een weizenloos mensch en geift gein mensch antwoord.”

Niet weinig ontroerd liep de Weduwe naar de slaapkamer, waar zij werkelijk Elizabeth nog in dezelfde houding liggende vond, terwijl Elsje, alle pogingen hebbende opgegeven om haar te beduiden, dat zij iets gebruiken of naar bed zou gaan, in een hoek stond te snikken.

„Mijn God! Betje!” riep Mevrouw Musch: „wat is er toch aan de hand? Is Buat......

Hier zweeg zij plotseling, verschrikt door de verwilderde uitdrukking, welke het gelaat van haar dochter vertoonde, toen deze, als uit een slaap ontwakende, het hoofd naar haar toewendde:

„Kom!” vervolgde de bezorgde moeder: „gij moet daar niet blijven: denk aan uw toestand:  –  wij zullen Stijntje om den dokter sturen en u in bed helpen.”

En meteen richtte zij, met bijstand van Elsje, haar dochter op, die zich stilzwijgend liet uitkleeden en naar bed brengen.

„Wat is er toch voorgevallen?” vroeg Mevrouw Musch, zich naast het ledikant plaatsende: „stort uw hart toch uit en verkrop uw leed niet.  –  Ga zoolang maar naar de keuken, Elsje!” zeide zij, veronderstellende, dat de aanwezigheid van het dienstmeisje haar dochter wellicht verhinderde zich te uiten.

Maar ook nadat Elsje zich uit de kamer begeven had, bleef Elizabeth even strak en wezenloos haar moeder aanstaren, zonder eenig antwoord te geven.

„Kind! spreek toch een woord,” hernam Mevrouw Musch: „aan wie zal een dochter haar leed vertrouwen, bij wie zal zij haar ziel uitstorten, dan aan den boezem harer moeder? Ben ik niet altijd uw beste vriendin geweest, Betje?”

„Gij?” vroeg Elizabeth, op een toon, zoo vol bitterheid, dat haar moeder ontzet terugdeinsde.

„Hoe!” hervatte deze: „heb ik mij ooit anders dan liefderijk jegens u betoond? heb ik u niet altijd met raad en daad geholpen, en....

„Met raad en daad!” zeide Elizabeth, „ja gewis:  –  wij zijn zoo gelukkig, dat wij uwen raad gevolgd hebben.... want daardoor zit Buat nu in den kerker.... en God alleen weet of hij dien ooit verlaten zal anders dan om naar het schavot te gaan. O, mijn God!” en hier wrong zij radeloos de handen.

„In den kerker...... naar het schavot!” herhaalde Mevrouw Musch, verplet onder het driedubbel gewicht van deze mededeeling, van de verwijten, welke zij gevoelde dat haar dochter gerechtigd was haar te doen, en van die, welke zij zich zelve deed.

„Gij hebt thans uw zin, Moeder!” vervolgde Elizabeth: „niet waar? o! het was niet genoeg, dat, ten gevolge dier onzalige politieke twisten, vader in de kracht zijns levens sterven moest, nu moest ook mijn arme man er in gesleept worden om er mede tot slachtoffer van te strekken.”

„Kind!” riep Mevrouw Musch: „gij zijt hard tegen uw moeder!  –   wat ik deed, deed ik om bestwille.”

„Ja!  –  ik weet het,” zeide Elizabeth: „ik weet het; u moest ik geene verwijten doen: gij hebt alleen de zaak van den Prins en de wraak van uw man voor oogen gehad, en bij de gedachten aan die belangen hebt gij er geene overgehad voor uw zoon en dochter: neen, niet gij, ik alleen ben de schuldige: ik ben de oorzaak van alles; ik, die, voor geene belangen ter wereld, dat van mijn man had moeten in de waagschaal stellen: ik heb hem in ’t verderf gestort: ik, die al mijn welsprekendheid, al mijn smeekingen, al mijn tranen had moeten bezigen, om hem te weerhouden van zich in die noodlottige correspondentie te steken, ik heb ze juist aangewend om er hem toe over te halen: en toen later tante Aarssen mij tot andere inzichten bracht, toen heb ik, door goed te willen doen, de zaak nog verergerd, en dat noodlottige opstel geschreven, ’t welk thans tegen Buat getuigen zal: dat opstel, ’t welk ik toen verzuimde te vernietigen, omdat ik mij door andere, door onwaardige, door schuldige gedachten, geheel liet van ’t spoor brengen! O! ik ben de schuld van alles! en zoo Buat het offer wordt van den haat der Staatsgezinde partij, hij zal het mij alleen te wijten hebben.”

„Maar Betje-lief!” hernam haar moeder: „gij laat u al te ver door sombere gedachten vervoeren. Wees bedaard, en verhaal mij, wat er dan toch eigenlijk geschied is. Gij maakt u wellicht zonder gegronde reden verlegen.”

„Neen! Neen!” zeide Elizabeth: „mijn voorgevoel bedriegt mij niet   –  ik zie Buat nimmer weder. Gij kent De Witt en zijn partij, Moeder!   –  en wat zoudt gij mij dan nog met ijdele hoop willen vleien?”

„Nu!” antwoordde Mevrouw Musch: „de partij van Mr. Jan is sterk; maar de onze is toch ook niet zoo geheel te verachten. Wij hebben nog vrienden genoeg, zelfs onder de machtigsten van den Lande. Het zal Buat noch aan voorspraak, noch aan hulp ontbreken: en wie weet, zijn inhechtenisneming zal misschien strekken om aan velen de oogen te doen opengaan en een omkeering in den Staat teweeg te brengen.”

„Nadat hij zelf er de martelaar van geweest is, nietwaar?” vroeg Elizabeth, met bitterheid: „en wat gaat het u ook aan, Moeder, of hij sterft, als maar uw Partij zegeviert?”

„Ja,” vervolgde de Weduwe, den gang harer eigen denkbeelden volgende: „die onwaardige behandeling, den Admiraal Tromp aangedaan, en nu, dat gevangenzetten van Buat, dat moet  –  dat kan niet anders  –  aan ieder, die het Huis van Oranje is toegedaan, tot een waarschuwing wezen, wat hem op zijne beurt kan voor de deur staan: de welgezinden zullen de handen ineenslaan: en, ik twijfel er niet aan, de goede zaak zal zegepralen:  –  en misschien zal het geen acht dagen duren, of Buat wordt in triomf weer uit zijn kerker gehaald om er plaats te maken voor Mr. Jan, zoo ik aan elkander knoop wat neef Kievit zich dezer dagen in mijn bijzijn liet ontvallen, en wat Florisz de kapper mij hedenmorgen nog in vertrouwen mededeelde.”

„Florisz de kapper!” herhaalde Elizabeth, met een verachtend schouderophalen, ’t welk haar gering vertrouwen op zulk een bondgenoot te kennen gaf.

„Ja,” antwoordde haar moeder: „er broeit iets: en wellicht zal het spoedig tot een uitbarsting komen. Houd maar moed, Betje! Alles zal zich ten beste schikken.”

„Ten beste schikken?” zeide Elizabeth: „en dat gelooft gij, dat door zulke lieden zal bewerkt worden? Neen, Moeder! als onze partij zoogoed bij machte was als gij denkt, dan zou ik den Heer Bosveldt niet hier hebben gezien, nauwelijks het woord durvende voeren in tegenwoordigheid van den gevreesden Raadpensionaris: dan zou hij althans, voor ’t scheiden, mij een woord, een blik van bemoediging hebben gegeven. Maar ik behoefde de neerslachtigheid slechts gade te slaan, die tot het laatste toe op zijn gelaat geschilderd was, om er in te lezen, dat er niets te hopen viel.”

„O!” hernam Mevrouw Musch: „Bosveldt is een voorzichtig man, al te voorzichtig naar mijn zin; maar ik houd mij overtuigd dat ook hij, al is ’t dan in ’t geheim, voor Buat zal ijveren. Laat den moed toch niet zakken..... denk aan uw toestand: denk aan het kind, waarvan gij moeder worden moet......

„Spreek mij daar niet over,” zeide Elizabeth: „ik kan alleen aan mijn man denken. O mijn God! hedenmiddag nog de gelukkigste vrouw ter wereld, gelukkiger dan ik mijn leven ooit geweest was, en nu zoo diep rampzalig. Toen schreide ik vreugdetranen!   –  en nu kan ik niet eens tranen van droefheid schreien.”

„O, beproef het,” zeide de beangste moeder: „het zou u goed doen.   –  Maar daar wordt gebeld! de Hemel zij gedankt: dat zal ongetwijfeld de dokter zijn.”

Het was inderdaad de arts, wien Stijntje gelukkig had thuis gevonden en die zich onmiddellijk op weg begeven had. Bij Elizabeth toegelaten, gaf hij te kennen, dat de staat van spanning, waarin zij verkeerde, voor haar en voor het kind, dat zij onder ’t harte droeg, hoogst gevaarlijk worden kon, schreef haar een calmans voor en gelastte, dat haar eenige onsen bloed zouden worden afgetapt. Tot het verrichten eener zoodanige kunstbewerking riep men in die dagen nog meestal de hulp in van een barbier, en zoo werd dan ook, na het vertrek van den geneesheer, onmiddellijk om meester Florisz gezonden.

„Ik verwachtte het al half, hier geroepen te worden,” zeide de barbier, toen hij, dadelijk aan het opontbod voldaan hebbende, in de slaapkamer verschenen was: „ik had al gehoord van den moord van Parijs, en ik zei terstond aan mijn huisplaag: „’t zal mij wonder geven, als Mevrouw Buat niet moet gekopt of gelaten worden.”

„Is het reeds in de stad bekend?” vroeg Elizabeth, terwijl zij hem haren arm toestak.

„O! zoo iets wordt spoedig bekend genoeg,” antwoordde Florisz: „en bovendien, ik hoor altijd nog wat meer dan een ander. Ja, ja! Mr. Jan onderstaat zich nogal wat : en als dat zoo voortgaat, dan is geen eerlijk poorter meer veilig in zijn huis. Maar laat Mevrouw zich maar niet verontrusten. Men zeit wel ’reis voor een spreekwoord: strenge Heeren regeeren niet lang:  –  en zoo kon het rijk van zeker iemand, dien ik niet noemen zal, wel spoedig uit zijn.  –  Hier, vrijster!” vervolgde hij, tegen Elsje: „houd het bekken bij:  –   gij zijt, hoop ik, niet bang om bloed te zien.”

„Gij denkt inderdaad?...” vroeg Elizabeth, den barbier strak in de oogen ziende, doch den volzin niet durvende ten einde brengen.

„Ik denk, Mevrouw!” dat UEd. gerust moet zijn en dat alles wél zal afloopen,” antwoordde meester Florisz: „ziezoo!  –  dat is alweer verricht: en ik verzeker Mevrouw,” voegde hij er op gewichtigen toon bij: „dat het hoogst noodzakelijk was. Als Mevrouw nu maar stil gaat liggen, en beproeven wil, wat te slapen, dan zal het wel spoedig weer schikken. Mevrouw behoeft zich maar in ’t minst niet om den Heer Buat verlegen te maken. Ja! als hij indertijd maar gewild had, dan ware dat zoo niet gebeurd en Mr. Jan al geweest waar ik hem wensch. Maar Mijnheer is te goed: dat heb ik al honderdmaal tegen mijn Jezabel gezeid. Nu, wat niet gedaan is, kon nog gedaan worden: en Mr. Jan zal er met een langen neus afkomen, of mijn naam is geen Florisz.”

„Wat heb ik u gezegd?” fluisterde Mevrouw Musch haar dochter in ’t oor: „ik wist wel, dat er wat broeide.”

„Zoudt gij inderdaad iets voor hem kunnen doen?” vroeg Elizabeth, die, ofschoon niet deelende in de verwachtingen, welke haar moeder op de hulp des barbiers scheen te stellen, echter niet kon nalaten, zich vast te hechten aan al wat flikkering van hoop deed ontstaan.

„Meer dan UEd. of iemand denken zou,” antwoordde Florisz, terwijl hij op een geheimzinnige wijze met de oogen knipte: „nu! ik kom morgen eens zien hoe het verband staat, en dan kan ik er u wellicht iets meer van vertellen. Tracht nu maar wat te slapen, Mevrouw! en nog eens, kwel u over niets.”

En met deze woorden nam hij afscheid van Elizabeth. Wij zullen, evenals hij, de bedrukte vrouw voor ’t oogenblik overlaten aan de zorg van hare moeder, en, met ons verhaal eenige weinige dagen voortschrijdende, den lezer in staat stellen zich bekend te maken met wat er in Den Haag op dat tijdstip broeide. Hij zal daaruit kunnen oordeelen, op welke grondslagen de uitzichten steunden, door meester Florisz gevoed.

Op den avond van Maandag 28 Augustus, en alzoo vijf dagen na de inhechtenisneming van Buat, waren in de achterkamer van de kleine herberg De Dolfijn onderscheiden lieden bij elkander gezeten. Het was een donkere en regenachtige dag: en het licht, dat zich een weg moest banen door kleine, verweerde, in ’t lood gezette ruiten, uitziende op een nauwe met hooge muren omgeven binnenplaats, zou, aan al wie van buiten kwam, ternauwernood hebben vergund, de aanwezige personen te herkennen, die nog bovendien in wolken van tabaksdamp waren gehuld. Wanneer men echter eerst aan de schemering, die hier heerschte, gewend was, dan begon men, voor zooverre men eenige gelaatkunde bezat, al spoedig tot de overtuiging te komen, dat niet een bloot toeval, niet de zucht om den avond genoeglijk te slijten, die menschen hier had bijeengebracht. Wel is waar, elk had zijn halfpintje wijn, of althans zijn maatje brandewijn voor zich staan: en hier en daar zag men er, die de steenen in ’t verkeerbord wierpen, of zich met kaartspelen onledig hielden; maar de meesten zaten in geheimzinnig gefluister te zamen; en op het gelaat van schier allen was een zekere onrust en afgetrokkenheid van gedachten te lezen, welke bewezen, dat hun geest zich met gewichtige zaken bezighield. Wat den stand der personen betrof, zij schenen, althans voor ’t grootste gedeelte, tot den ordentelijken burgerstand te behooren, hoewel er ook bij waren, wier voorkomen juist geen weelde aanduidde; de minderheid van het gezelschap bestond uit zeevarenden of krijgslieden:  –  en het onderwerp van hun gepeinzen zullen wij uit de gesprekken, die zij voerden, nader leeren kennen.

„Gij zijt nu wel zeker,” vroeg een lang, bleek, pokdalig en mager man, die een soort van gezag onder de overigen scheen uit te oefenen, aan een kort ineengedrongen kereltje met een duffelsch buis en een door de zon geroost gelaat: „gij zijt nu wel zeker, dat de schuit van Jaap Krijnen voor Katwijk kruist?”

„Zoo zeker als men wezen kan, wanneer men de overtuiging van twee goede oogen heeft, baas Verhoef!” antwoordde hij, tot wien de vraag gericht was, een hoogbootsman van beroep, en Jan Van Vaalen, of, in de wandeling, Wilde Jan genaamd: „de schuit ligt op stroom en is klaar om haar lading in te nemen. Maar lang zullen wij de grap niet moeten uitstellen of er kon een kink in den kabel komen.”

„Wij wachten alleen, tot wij vernemen, hoe het met die onderneming is afgeloopen die Bartelsz besturen zou,” hernam de eerste spreker, die werkelijk niemand anders was dan de in ons verhaal reeds meer dan eens genoemde, en in ’s Lands geschiedenis beruchte zilversmid Verhoef.

„Praat me niet van die onderneming.” hernam Wilde Jan: „of ik word dingzig onder me baadje.”

„Daar is middel voor, dan neem je maar een slok brandewijn: probatum est.”

Die dit zeide was een opgeschoten jongeling, die met de beide handen in de zakken te paard zat op een bank en met den rug tegen een tafel leunde. Hij was nog in den bloei der jaren; maar zijn ingevallen wangen, de vale kleur, die op zijn gelaat lag, de dofheid zijner oogen, getuigden van vroegtijdige liederlijkheid en brasserij. Zijn kleeding, zwierig, zoo wat snede als stoffage betrof, sprak van vroegere welvaart; maar het linnengoed was vuil en vol vlekken. De rok had eenige gaten te veel en eenige knoopen te weinig, en het passement was op vele plaatsen gesleten en gescheurd. De knaap was van deftige ouders, en zijn ware naam was Willem Goossen; doch hij had, om zijn pronkzucht en verslaafdheid aan ’t drinken, den bijnaam van Jonker van de Moezel verworven. Jan Van Vaalen draaide even de pijp om, die hij in den mond had, zag den spreker aan, doch verwaardigde zich niet, hem te antwoorden.

„Maar in ernst, waarom zou die onderneming u hinderen?” vroeg met een zware basstem, een forsch gebouwde kerel, Louw genaamd, die het slachtersbedrijf uitoefende en in de wandeling Kapitein van de Hal heette.

„Wat!” riep Wilde Jan verbolgen uit: „moet gij mij dat nog vragen? Ben ik dan een Hollandsche pekbroek voor niemendal? En denk je dat het mij vermaak doet misschien, wanneer ik hoor praten van een aanslag, die de Engelschen op onze zeegaten voorhebben, alsof dat stof tot verheuging geven moest? En dat nog wel een aanslag, die door een stinkenden overlooper van een Hollandschen stuurman bestoken is? Ik doe mee in de zaak, die we weten, omdat zij ons Keesje zoo gemeen behandelen, en ik dat, zie je, maar niet lijden kan;  –  maar ik geloof dat hij zelf uit zijn vel zou springen, indien hij hoorde, dat wij daartoe Engelsche hulp noodig hadden.” En, de pijp uit den mond nemende, maakte hij, om zijn spijt te koelen, gebruik van het geneesmiddel, hem door den Jonker van de Moezel voorgeschreven, en sloeg een grooten kelk brandewijn naar binnen.

„Kom! kom!” zeide de wijnkooper Van Rijp, terwijl hij de kaarten schudde, die hij in zijn hand hield: „’t geldt misschien een schip of wat van die rijke Amsterdammers, dat ze nemen zullen: is daar zooveel aan verbeurd?”

„Vooral niet als het schepen zijn, die uit Frankrijk komen”, merkte de tegenover hem gezeten metselaar Klaptas aan, terwijl hij de kaart afnam: „dat zou den prijs van den wijn, dien gij op ’t vat hebt, aardig doen stijgen.”

„Maar is dat nu wel zoo zeker, dat die onderneming op til is?” vroeg een ander persoon, die mede een wijnkooper was en den eigenaardigen naam van Van Dorsten voerde.

„Heel zeker,” zeide iemand, die juist was binnengekomen, en de vraag gehoord had: „dat kan ik u vertellen.”

„Aha! Meester Florisz! onze wakkere barbier!” riepen de aanwezigen, als om strijd: „welk goed nieuws brengt gij mede?”

„Mijn nieuws zoo meteen,” antwoordde Florisz: „eerst een woordje met dien ongeloovigen Thomas daar.  –  Wat denk je wel, vriend Van Dorsten?” vroeg hij, met opgestreken zeil naar den wijnkooper toewandelende; „dat ik er de reputatie van deftige lieden en mijn eigen aan wagen zou, om zulke zaken te vertellen, en er nog wel ons geheele plan op te bouwen, indien ik niet stellig overtuigd ware van de waarheid? Of heb ik het niet reeds in ’t voorjaar van den Heer Kievit vernomen, dat hij de gemoederen hier aan ’t gisten wou brengen door een aanslag van dien aard? Heb ik zelf niet uit zijnen naam er te Bergen-op-Zoom  –   toen ik nog die fatale ontmoeting had, die ik Mr. Jan betaald zal zetten   –  heb ik er toen niet zelf over gesproken met den armen Buat? Is het niet dezer dagen geweest, dat Kievit mij verhaalde, hoe hij, in ’t geheim, en zonder dat een zijner vrienden er af wist, met Sylvius in Oost-Friesland de zaak bestoken had? hoe, volgens het zeggen van Sylvius, de Graaf van Arlington dien stuurman van Kortenaar   –  Bartelsz, meen ik, heet hij...

„Een vervloekte feit,” mompelde Van Vaalen tusschen de tanden.

„Hoe hij dien had aangenomen om aan het Engelsche smaldeel den weg te wijzen?   –  Of denk je, dat de Heer Kievit. liefhebberij zou hebben, om mij zulke praatjes op de mouw te spelden uit pure aardigheid, en op ’t gevaar af, dat ik klappen zou.  –  Maar Kievit weet, wien hij voorheeft, en dat ik voor ’t minst zoo’n hekel aan Mr. Jan heb als hij.”

„Nu!” zeide Van Vaalen: „ik geloof u: maak je maar niet dik.   –  En nu, wat nieuws?”

„Ja, weet gij niets omtrent Buat?” vroeg Van Rijp, die, gelijk wij uit liet vorige hoofdstuk gezien hebben, evenals de zilversmid onder de leveranciers van Buat behoorde: „’t is waar, hij is een langzame betaler; maar anders een braaf Edelman, en die lijf en bloed voor den Prins zou opzetten.”

„Wel! zou ik niets van hem weten? ik, die dagelijks aan huis kom bij zijn vrouw,” antwoordde Florisz: „ja, zij doen het arme mensch wat een kwelling aan!   –  Is Mr. Jan van morgen niet weer bij haar geweest met twee van zijn volkje, om haar te verhooren? Schreit het niet tot God, een arme vrouw zoo te temteeren, en nog wel in haren toestand?  –  En zal Mr. Jan het niet op zijn geweten hebben, als zij en haar ongeboren kind het besterven?”

„Ja, dat is erg,” zeide Verhoef: „maar nu Buat?”

„Nu! die is Donderdag, gelijk gij allen weet, naar de Voorpoort overgebracht, en sedert al een reis of drie verhoord door de leden van den Hove  –  met den Raadpensionaris.”

„Wat!” riep Verhoef: „moest hij dáár ook al bij zijn?”

„Wel, waar steekt hij zijn langen neus niet in?” hernam Florisz.

„Maar, dat is ongehoord!” zeide Van Rijp: „hij is toch geen lid van de Justitie.”

„Hij is overal lid van,” merkte de Jonker van de Moezel aan, terwijl hij door een verachtend schouderophalen te kennen gaf, dat het gezegde van Van Rijp alleen diens onkunde verraadde; „hij is immers de Vertegenwoordiger van onze Souvereinen, de Staten: en die hebben immers het recht, in alle colleges zitting te nemen.”

„Wel ja,” bromde Van Vaalen; „als hij op de vloot komt, speelt hij daar den baas, boven Admiraal, boven al: en zou hij het dan ook niet onder de zwartrokken doen?”

„Maar laten wij nu eens op onze zaak komen,” zeide Florisz: „hoe staat het? is alles afgesproken? zijn de rollen behoorlijk verdeeld?”

„Er hapert niets aan,” antwoordde Verhoef: „de wagen zal te zijner tijd op het Buitenhof staan.”

„En wie zal zich belasten met Mr. Jan op te pakken, als hij van zijn kantoor komt?”

„Dat zal onze maat hier doen,” antwoordde Verhoef, op Van Vaalen wijzende.

„Toch niet alleen?” vroeg Florisz, een weinig verwonderd.

„Phoe!” zeide Van Vaalen: „al waren er drie zooals hij, zou ik er geen been in zien. Maar wees gerust:  –  ik neem een half dozijn lieve kinderen met mij, die desnoods de maan uit de lucht zouden halen als ik het hun heette.”

„Maar denkt gij er om,” hernam de kapper, „dat, wanneer de Raadpensionaris laat thuis komt, hij zijn dienaar met een fakkel bij zich heeft.”

„Die fakkel zullen wij hem uit de hand slaan,” zeide Van Vaalen, „en hem voorts een muilpeer geven, dat hij noordoost leit. Daar zal ik Scheelen Gijs en Harmen Baaivanger mee belasten. En helpt dat nog niet, zoo zullen zij hem knevelen en den grond laten zoenen:  –  zij hebben dat op de kust van Guinea meer bij de hand gehad. ... als zij met weerbarstige slaven te doen hadden.”

„Mooi zoo,” zeide Florisz: „en wie zal den wagen mennen?”

„Dat zal ik doen, als gij er niets tegen hebt,” antwoordde de Jonker van de Moezel, „denk je dat ik aan een lompen huurkoetsier de eer zou overlaten, den Minister van Hun Edel Groot-Mogenden te rijden?”

„Zorg maar, dat gij u goed nuchteren houdt, en hem niet omgooit,” zeide Van Rijp.

„Laat den Jonker maar begaan,” merkte Van Dorsten aan: „ik heb hem er meer vier te gelijk zien mennen, dat zijn oogen hem uit zijn kop puilden en zijn hand toch de strengen even stevig vasthield.”

„En wie zal met den gevangen man in den wagen gaan?” vroeg wederom Florisz.

„Klaptas en ik,” antwoordde Louw: „en zoo hij mij te veel beweging maakt, dan verzeker ik u, zullen zijn ribben ’t gewaar worden, dat ik een mes op zij draag.”

„Bestig!” zeide Florisz met een goedkeurend hoofdknikken: „maar nu.... de middelen om het najagen te beletten.”

„O!” riep Verhoef: „daar behoeft gij niet verlegen over te zijn; als wij maar eerst tijding hebben van den uitslag der onderneming van Bartelsz., dan loopen wij de straat op en schreeuwen, dat het alles de schuld is van Mr. Jan;  –  er zal rumoer genoeg ontstaan, dat beloof ik u: en terwijl men alarm laat slaan om het volk tot bedaren te brengen, rijdt onze wagen ongemerkt in de confusie weg, en is onze vriend al te Katwijk en ingescheept, terwijl zij hem hier nog aan zijn kantoor of op den Kneuterdijk zoeken.”

„Braaf zoo!” zeide Florisz: „ ’t was misschien niet kwaad, dat er meteen een poging gedaan werd om de gevangenis open te breken en Buat te verlossen:   –  hoe meer wij de aandacht verdeelen, hoe beter.”

„ ’k Heb er niet tegen,” hernam Verhoef: „hoewel ik mij anders over hem minder bekommeren zou. Hij heeft indertijd geweigerd ons ten dienste te staan, en ik zie niet in, dat wij nu juist hem ’t eerst moeten helpen.”

’t Eerst of het laatst,” riep Van Vaalen: „Buat is een brave kerel: dat kunnen allen getuigen, die hem op Funen hebben gezien: en kan men hem uit de klauwen van Mr. Jan halen, dan moet men het niet laten.  –  Maar nu blijft de vraag, wanneer beginnen wij den dans?”

„Morgen op het allerlaatst,” antwoordde Florisz.

„Morgen,” herhaalden, met een bedenkelijk gezicht, sommige onder de aanwezigen, die eerst met vuur tot de onderneming waren toegetreden, doch haar, nu zij zoo na op handen bleek te zijn, wat hachelijk begonnen te vinden.

„Wel wis en drie,” hernam de kapper: „Mr. Jan kan immers alle dagen in ’t hoofd krijgen, om naar de vloot te gaan: ik heb daar al van hooren mompelen.   –  En dan, zwem hem na, als je kunt.”

„Maar ik dacht,” zeide de wapensnijder d’Assigny, terwijl hij het verkeerbord nedersloeg, waaraan hij tot op dien tijd met Verhagen, den waard, had zitten spelen: „ik dacht, wij zouden wachten op de tijding van de Noord.”

„Die zal vandaag toch wel komen,” zeide Verhoef: „ misschien is hij er al  –  aha!  –  daar is juist onze nieuwsbode. Wel Gerbrandsz! wat brengt gij ons?”

Deze vraag was gericht aan een schraal, uitgedroogd mannetje, met zeer enkele sluike blonde haren en een taankleurig gelaat, dat juist was binnengetreden. De rok, die niet alleen betere dagen gekend, maar ook aan een beteren eigenaar had toebehoord, en wiens oorspronkelijke zwarte kleur in een vuil rosse was overgegaan, de inktvlakken op den bef, en vooral de uitdrukking van deftige liederlijkheid of liederlijke deftigheid, die op de tronie blonk, deden in hem den verloopen pamfletschrijver herkennen.

„Goed nieuws,” antwoordde hij op de tot hem gerichte vraag, „en het mutsje echten Franschen brandewijn dubbel waard, dat baas Verhagen mij schenken zal.”

„Wat is er gebeurd?” vroegen allen; terwijl sommigen opstonden en zich om hem heen drongen.

„Mijn keel is nog te droog om u iets te vertellen.” hernam Gerbrandsz: „eerst den brandewijn, dan zal ik spreken.”

„Ziehier,” zeide de kastelein, hem een vollen roemer voorhoudende: „houd ons maar niet langer op.”

Gerbrandsz bracht het glas aan den mond en er niet weder af voor het ledig was; toen stak hij den arm uit om het nogmaals te doen vullen, en na een eigenaardig smakkende beweging met de lippen:

„De Engelschen zijn aan ’t Vlie geweest,” zeide hij.

„Inderdaad?” was ’t algemeen geroep.

„Ja!” vervolgde hij: „Hasselaer en Baert hadden hun best gedaan om de schippers te beduiden, naar binnen af te zakken; maar zij hebben vergeefs hun welsprekendheid gelucht. De schippers, als hadden zij ons in de hand willen werken, zijn met onverzettelijke koppigheid op hun ankerplaats gebleven: met dat liefelijk gevolg, dat van de anderhalfhonderd schepen, die op de ree van ’t Vlie lagen, er ternauwernood een dozijn is ontkomen: al de rest is verbrand: en Terschelling nog bovendien leeggeplunderd en geblakerd. Ja! ja! dat zal nog lang genoeg den Amsterdamschen kooplui heugen, dat zij met De Witt geheuld en ons dien oorlog met Engeland hebben op den hals gehaald.”

„En dat noemt hij nu nogal goed nieuws.” bromde Wilde Jan: „te droes! ik mag dan lijden, dat wij den vrede niet sluiten, voor wij eerst aan dat vee dien aanslag betaald hebben gezet.”

„Praat niet van de kooplui,” zeide Van Dorsten: „’t Is Mr. Jan, die de schuld van alles is.”

„Wel ja,” voegde Verhoeff er bij: „heeft hij De Ruiter niet naar Guinea gestuurd, zonder dat er een sterveling van wist, zelfs de Staten-Generaal niet, die ’t besluit genomen hadden.”

„Wij zijn waarachtig nog veel te genadig,” zeide Louw, „dat wij hem alleen willen overleveren: wij moesten hem in duizend piesjes hakken of voor ’t minst laten radbraken.”

„Wel gezegd, mijn trouwe Kapitein Van de Hal!” zeide Gerbrandsz: „doch laten wij voet bij stuk houden. Hier, vriend Verhagen! lang mij papier en pen: en een licht ook, zoo gij ’t schikken kunt: ik moet spoedig een „waarachtig verhaal van de gruwelijke ramp aan de koopvaardijvloot overkomen door de schuld van den Landverrader J. d. W.” op ’t papier brengen. D’Assigny zal mij zijn handpers wel leenen: en, eer het morgen weer middag is, moet er een halfduizend van die blaadjes onder de vrome burgers van Den Haag zijn verspreid. Zoo dàt hen niet in beweging brengt, dan zou geen aardbeving ’t doen. Maar schenk nog eens in, Verhagen! ik weet anders niet, hoe ik een goede ingeving krijgen zal.”

Al pratende had hij zich aan een tafel gezet, waarop de waard het door hem verlangde geplaatst had. Met de eene hand zijn pen en met de andere zijn glas houdende en beurtelings schrijvende en drinkende, stelde hij, met bewonderenswaardige vlugheid, en zonder zich te laten afleiden door het gepraat en gewoel om zich heen, het bulletin van den inval op.

„En nu, het ijzer gesmeed terwijl het heet is,” zeide Verhoeft: „er zal niet licht een geschikter oogenblik komen dan morgen, als de tijding van deze ramp algemeen verspreid is en de gemoederen in een staat van opgewondenheid verkeeren.”

„Morgen!” riep Florisz uit: „het kon nooit mooier dan morgen. Gourville, die, gelijk gij allen weet, een zendeling van Castel-Rodrigo, en ook in ’t geheim is...

„Gourville in ’t geheim!” riep Van Dorsten ontevreden uit.

„Een Franschman! en zou men dien vertrouwen?” vroeg Klaptas.

„Ik althans niet,” zeide Louw, zuur kijkende.

„Stil!” hernam Florisz: „gij weet niet wat gij praat: Gourville is een vijand van De Witt, net zooals wij, en een vriend van den Prins, net zooals wij: en dat is genoeg. Hij zal ons helpen, en hij kan het doen. Zoodra hij weet, dat morgen de aanslag doorgaat, verzoekt hij een aantal Heeren bij zicht waaronder Montpouillan, die thans de bezetting commandeert, en nog meer Officieren en zorgt, dat zij onder den wijn zooveel brandewijn in hun maag krijgen, dat zij de maan voor een pruikebol aanzien, en niet in staat zijn eenige bevelen te geven. Laat mij maar begaan, ik ga hem waarschuwen, en dan zendt hij van avond nog de uitnoodigingen rond.”

En meteen wipte hij de deur uit.

„ Die Florisz is toch een wakkere kerel,” merkte Van Rijp aan.

„Ja,” zeide Louw: „maar dat wij hier juist een Franschman bij noodig hebben, dat wil er bij mij niet in.”

„Wees maar gerust,” hernarn Verhoeff: „en scheer de Franschen niet allen onder één kam: „er zijn daar ginds zoowel partijen als hier, en d’Estrades en Gourville zijn als water en vuur.  –  Maar nu van wat anders gesproken. Zijn de wapenen alle reeds hier?”

„Tien koppels pistolen, zes vuurroers, en een paar dozijn stootdegens, zonder de messen en ponjaarden mee te rekenen,” antwoordde Verhagen: „zij liggen hier naast.”

„En de kogels? en ’t kruit?”

„Daar zal ik om zenden,” zeide Verhagen, die, al stond hij met samenzweerders in verband, de echt Hollandsclie voorzichtigheid daarom niet uit het oog verloor: „ik wilde die niet gaarne in buis hebben, eer ’t volstrekt noodig ware:  –   het gelukken van den aanslag is mij veel waard; maar niet zooveel, dat ik er voor in de lucht verkies te springen.”

„Phoe!” zeide Van Vaalen: „wij zullen zooveel niet noodig hebben: en dan zijn, in zoo’n geval, de beste wapenen toch de keien, die wij maar voor ’t oprapen hebben.”

„Maar,” zeide Van Dorsten: „indien nu de oploop te vroeg begint, en Mr. Jan krijgt de lucht, dat er iets gaande is, dan loopen wij kans, dat hij op zijn kantoor blijft zitten, of langs een anderen weg van ’t Binnenhof kuiert, terwijl wij hem op ’t Buitenhof staan te wachten.”

„Dan kent gij Mr. Jan niet,” zeide Verhoef: „aan courage ontbreekt het hem niet: en, als hij rumoer hoort, is het een reden te meer om naar dien kant te loopen, waar het vandaan komt.”

„Best,” zeide Van Dorsten: „maar dan neemt hij toch waarschijnlijk in ’t voorbijgaan soldaten mee van de Hoofdwacht.”

„Des te beter,” zeide Van Vaalen: „terwijl die landrotten op den hoop aanrukken, dringen wij Mr. Jan naar den kant van de Voorpoort heen, scheiden hem van zijn geleide, en tillen hem in den wagen.”

„Zou ’t niet eenvoudiger zijn,” riep bouw, „hem een fikschen por te geven?”

„Daartoe zijn wij niet aangenomen,” antwoordde d’Assigny: „maar als ’t niet anders kan, patientie!”

„Kom! nu nog een roemer op goed succes,” zeide Van Rijp: „schaf wijn, Verhagen! en van den besten.  –  En nu  –  ” vervolgde hij, nadat de waard aan zijn verlangen had voldaan: „Oranje boven! en De Witten onder!”

„Die anders wil, dien sla de donder!” riep Louw, zijn glas leegende.

Nog waren de nieuw aangebrachte kannen niet geledigd, toen Florisz weder binnenkwam, of liever binnenstoof, maar deze reis met een bleek bestorven gelaat.

„Hij is weg,” zeide hij, zich ademloos op een bank latende neervallen.

„Weg? wie is weg? De Witt?” was de algemeene vraag.

„ Kievit,” antwoordde Florisz, terwijl hij zich het klamme zweet van ’t gelaat veegde.

„ Welnu! hij zal naar huis, naar Rotterdam zijn,” zeide Verhoef.

„Neen!” antwoordde Florisz: „hij is voorgoed van hier: hij was hedenmiddag voor de Heeren van den Hove bescheiden en heeft niet durven verschijnen: hij is voort, zeg ik u, verleden nacht vertrokken, en misschien reeds over de grenzen.”

„Onmogelijk!” riep Van Rijp: „hij zal ons toch niet in den steek laten zitten, juist nu wij hem noodig hebben.”

„Wellicht is het maar een praatje,” zeide Verhoef.

„Geen praatje,” hernam Florisz: „hij is, als een koerier verkleed, te paard weggereden.”

„De lafbek!” zeide Louw: „waarvoor vreesde hij?

„Het voorbeeld van Van der Horst schijnt aanstekelijk te zijn,” zeide Gerbrandsz, al doorschrijvende.

„Van der Horst!” herhaalden sommigen: „is Van der Horst ook al weg?”

„Of liever, hij is niet weer hier geweest,” antwoordde Gerbrandsz: „ik heb straks Antonie den Marskramer gesproken, die hem aan den Moerdijk ontmoet heeft, koerszettende naar het Zuiden.”

„Van der Horst en Kievit voortvluchtig!” zeide Van Dorsten, peinzende: „de zaak wordt bedenkelijk.”

„Ja,” zeide Van Rijp: „wanneer groote lieden als zij zich hier niet veilig achten, dan is het een bewijs, dat zij de zaak als verloren beschouwen.”

„Ik zou althans mijn huid niet gaarne wagen, als wij hun bijstand missen,” merkte Klaptas aan.

.,Hoe nu! laat gijlieden den moed zakken?” vroeg Verhoef: „en zouden wij den aanslag opgeven, nu de kans anders zoo schoon staat? Zij zouden toch in geen geval geholpen hebben, om De Witt op te pakken.”

„Neen!” zeide Van Dorsten: „maar zij, Kievit althans, zouden gezorgd hebben, dat de welgezinde Regenten dadelijk bij elkander waren en ons de handen boven ’t hoofd hielden: dat was, meen ik, de afspraak.”

„Hoe is het?” vroeg op een onverschilligen toon de Jonker van de Moezel, terwijl hij het rechterbeen, dat onderlag, boven het linker bracht: „moet ik de paarden bestellen of niet?”

„Een oogenblik!” zeide Verhoef, die nog den aanslag niet wilde opgeven: „hebt gij Monsieur Gourville zelf gesproken, Florisz?”

„Hem niet,” antwoordde deze: „hij was naar Honselaarsdijk, bij den Prins,”

„Ook hij laat ons in den pekel!” riep Van Dorsten.

„En van wien hebt gij dan uwe berichten?” vroeg Verhoef. „Wat ik weet,” zeide Florisz, „heb ik deels van den kleinen Joris, die ’t vertrek van Kievit had afgeloerd, toen deze op een paard van Gourville wegreed, deels van Gourville’s kamerdienaar.”

„En de maaltijd, dien hij geven zou? en de officieren, die hij bezuipen moest?”

„Uitgesteld tot eene andere gelegenheid,” antwoordde Florisz: „hij blijft nog tot Woensdag, misschien langer, bij den Prins.” „Ik heb het u wel gezegd,” zeide Klaptas, „dat die Franschman niet te vertrouwen was.”

„En ik dan?” riep Louw: „Och, ’t zijn allemaal vogels van eenerlei veeren.”

„Maar als de Prins hem genoodigd heeft, kon hij toch niet weigeren, er heen te gaan,” zeide Florisz: „en ik kan u verzekeren, de man is hier alleen uit Brussel gekomen, omdat hij van den moord af wist en er bij wilde zijn, als de zaak haar beslag kreeg.”

„En wanneer is hij vertrokken?”

„Zoo straks.”

„Des te erger,” hernam Van Rijp: „die Gourville is een schrandere vogel; hij zal zeker de tij ding uit het Vlie al vernomen hebben, en als hij zich desniettemin van hier begeeft, dan is het een bewijs, dat hij de zaak niet vertrouwt, en zich buitenschoots wil houden tot alles voorbij is.”

„Om er gebruik van te maken als de uitslag gunstig is,” voegde Van Dorsten er bij: „maar dan wil ik de kat niet zijn, die voor hem de kastanjes uit het vuur haalt.”

„Noch ik,” zeide Klaptas: „gij kunt er op aan, zoo die groote lui zich stilhouden, dan is het omdat zij weten, dat er maatregelen genomen zijn, die de voortzetting van het plan beletten.”

„Zij hadden er ons toch van dienen te waarschuwen,” bromde Louw.

„Paarden bestellen of niet?” vroeg Van de Moezel.

„Maar mijn hemel! hoe kunt gijlieden nu zoo flauwhartig zijn?” vroeg Verhoef: „ons plan, gelijk wij ’t afgesproken hadden, blijft immers even uitvoerbaar.”

„Dat wil ik niet ontkennen,” zeide Van Rijp: „maar de gevolgen?”

„Ja!” zeide Van Vaalen: „er is geen kunst aan, Mr. Jan in den wagen te krijgen, en nog minder hem in ’t water te smijten; maar wie beschermt ons dan tegen galg en rad? Wat wij voorhebben, moet met eene verandering van de Regeering gepaard gaan, of wij zijn er niet verder door gekomen.... Wat is er, Verhagen? hoe trek je zoo’n vieze tronie?”

„’t Is,” antwoordde deze, die even buiten geloopen was en bij zijn terugkomst een paar woorden met d’Assigny en Van Dorsten gewisseld had: „’t is dat Frans, mijn knecht, soldaten hier voorbij ’t huis heeft zien heen en weer wandelen.”

„Te droes! zou ons de uittocht afgesneden zijn?” vroeg Yan Rijp, verbleekende.

„Wel! men kan eerlijken lieden toch niet kwalijk nemen, zoo zij hun achtermiddag in een herberg verkiezen door te brengen,” zeide Klaptas.

„Neen!” hernam Verhagen: „maar ’t zou toch misschien zaak wezen de wapenen weg te maken:  –  zoo men eens huiszoeking deed.... Ik vrees waarachtig, dat het er toe komen zal, en dan ware ik een bedorven man.”

„Wij moeten hen voorkomen,” zeide Verhoef, „en...

„Ik ga bij voorbaat mijn handpers aan stukken slaan,” zeide d’Assigny.

„En ik de wapenen in het riool werpen,” zeide Verhagen: „eilieve, buurman Van Dorsten! help mij een handje, zoo gij wilt.”

„En ik vernietig mijn handschrift,” zeide Gerbrandsz, terwijl hij het beschreven papier in tallooze fragmenten scheurde: „’t is jammer, dat de geleerde wereld zoo’n pronkjuweel van stijl zal moeten missen.”

„’t Schijnt afstellen te wezen,” zeide Van de Moezel, terwijl hij, altijd even kalm, het linkerbeen weer boven bracht, en zich een verschen roemer inschonk.

„Kom Florisz! kom man!” zeide de zilversmid: „gij hebt invloed op onze vrienden: beduid hun toch, dat zij zich niet als oude wijven gedragen moesten.”

„Wat wilt gij?” vroeg de kapper: „men kan geen ijzer met handen breken: en, ofschoon ik gezworen heb, dien schrik en dat verlies, ’t geen ik van dezen zomer geleden heb, aan Mr. Jan betaald te zetten, zoo wil ik toch zoo niet maar in den wilde mijn kop er aan wagen, zonder eens te weten, of wij slagen zullen. Kijk maar reis rond, vriend Verhoef! al die schreeuwers, die straks zooveel praats hadden, hoe zij reeds voor twee derden zijn afgedropen, tot den Kapitein van de Hal toe. De aanslag moet opgeheven worden, althans tot een beteren tijd.”

„’t Spijt mij,” zeide Van Vaalen: „en toch zou het mij meer hinderen, als die Engelsche historie er niet ware tusschen gekomen.”

„Gelijk gij zegt, men kan geen ijzer met handen breken,” zeide Verhoef, met een zucht: „maar hier zal uitstel, vrees ik, afstel wezen: het valt minder zwaar, een aanslag te volvoeren, dan de toebereidselen tot een nieuwen aanslag te maken.  –   Patientie! wij zullen ook maar gaan.”

Op deze wijze bewaarde de bloohartigheid van Kievit ’s-Gravenhage voor tooneelen, die eerst zes jaar later, en toen bloediger, zouden gespeeld worden.


[Jacob van Lennep pagina] – [29e hoofdstuk] – [31e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.